Onze lichamelijke werkelijkheid
 

 

Onze waargenomen wereld als functie van ons lichaam

 

Dick Mesland[1], bioloog, had dat al eerder uitgelegd, maar dan op een andere manier. De door de menselijke soort waargenomen werkelijkheid kan niet de 'ware' zijn, maar slechts een antropomorfe (zelfs lichaamsvormige) afbeelding daarvan. De dagelijkse werkelijkheid, het object van de natuurwetenschappen en waarvan de gevonden eigenschappen en wetmatigheden de basis vormen voor onze technologie, “bestaat” uiteraard voor ons, op een bepaalde manier en op een bepaald niveau. Maar als zodanig bestaat ze uitsluitend en alleen door tussenkomst van het menselijk (zintuiglijk) lichaam. Mesland toont in systematische denkstappen aan dat er aan onze leefwereld een ‘oorzakelijke Werkelijkheid’ moet voorafgaan. Te midden van de heftige rol die tegenwoordig wordt toegekend aan ons ‘bewustzijn’, slaat dit boek een brug tussen hen die hun opvattingen baseren op wetenschappelijke feiten en zij die menen dat er 'meer' is tussen hemel en aarde. Dat wat in het bewustzijn wordt afgebeeld wordt door Mesland gezien als een ‘afgeleide’ van die "echte" Realiteit, of een functie van die Realiteit. In een dialoog over dit onderwerp komt stapsgewijze Meslands originele visie op het bewustzijn naar voren, die een totaal andere is dan algemeen wordt aangenomen.

 

Het Griekse anthrôpomorphos[2] betekent ‘van menselijke gedaante’, ‘op de mens lijkend’. Mensen scheppen altijd een werkelijkheid naar hun eigen beeld en gelijkenis, antropomorf. In de sfeer van het rationalisme, het modernisme en sciëntisme wordt het antropomorfe denken nog steeds gezien als ‘fout’ en onwetenschappelijk, als niet-rationeel, dus als pre-rationeel of irrationeel. Maar in het nieuwe denken[3] wordt de reminder ‘Besef bij alles dat je steeds antropomorf denkt’ juist positief gebruikt, en niet als waarschuwing tegen ‘fout denken’. Antropomorf denken als definitieve basis van alle menselijke kennis. De menselijke soort is niet in staat om niet-antropomorf te denken! Overigens vigeert bij sciëntisten ook nog steeds het gebod om ‘puur rationeel’ te denken en niet meer iets te ‘geloven’. Maar in feite weet zowat iedereen dat sciëntisten slechts geloven dat de wetenschap alle religies op termijn zal vervangen. De menselijke soort, homo religiosus, is niet in staat om niet-religieus te zijn. Als bepaalde wetenschappers zichzelf vol trots ‘reductionist’ noemen, of ‘materialist’, of ‘niet-religieus’, dan verloochenen zij het feit dat het reductionisme zelf, het materialisme, het naturalisme en het evolutionair toevallisme allemaal vormen zijn van religieuze overtuiging. Overigens is hun religiositeit veel rationeler van aard dan de religiositeit van antiwetenschappelijke, anti-intellectuele creationisten.

 

De lichamelijk, zintuiglijk waargenomen wereld (met ons brein als verzamelorgaan, een soort centrale informatieverwerker), kunnen wij voortdurend benoemen met namen en attributen die wij daarvoor gebruiken. En over het algemeen voldoet dat systeem, hoe gereduceerd dat antropomorfe benamingsysteem ook is, vergeleken met een mogelijke ‘echte werkelijkheid’ die we niet kunnen benoemen, maar die we wel kunnen (en wel moeten) veronderstellen. Vraag een kwantumfysicus maar eens wat ‘materie’ in werkelijkheid is, dan zal hij zeggen dat hij dat niet weet! ‘Materie’ bestaat voor hem uit een voorlopige set van intellectuele en vooral wiskundige abstracties, volkomen los van onze basale, zintuiglijke gewaarwordingen bij onze dagelijkse omgang met stoffelijke zaken. Materie is voor de kwantumfysicus eigenlijk ‘onstoffelijk’! Juist de kwantumfysicus kan met gemak veronderstellen dat ‘achter’ die kwantumfysische abstracties nóg meer abstracties verondersteld kunnen worden. Sterker nog, dat een ‘achterliggende’ onstoffelijkheid de oorzaak kan zijn van de van de ons bekende ‘materie’. Ons waarnemend lichaam is echter net zo ‘materieel’ als alle andere ‘materiële’ aspecten van de waargenomen wereld (WW) waarin wij leven en hoort dus ook in WW thuis. Een kwantumfysicus zou meteen kunnen toegeven dat ook ons waarnemend lichaam in werkelijkheid ‘veroorzaakt’ kan worden door niet-waarneembare (onstoffelijke) oorzaken.

 

We kennen ons ‘ware lichaam’ dus net zo min als de waargenomen wereld, zegt Mesland dan,  met andere woorden; het panorama van onze wereld, waarin wij dagelijks wakker worden en actief zijn, waarin ieder zijn eigen geschiedenis schrijft en zich bewust is van zon en maan, de natuur, de aarde en het hele heelal erbij, wordt ons voorgetoverd door een volstrekt ongekend lichaam dat werkzaam is in een volstrekt onbenoembare, achterliggende en oorzakelijke werkelijkheid, een werkelijkheid die we nooit zullen kennen. “Beide, het Onbenoembare èn daarin het menselijke lichaam, geven in het bewustzijn van de levende mens het ontzaglijke licht, de ruimte en de oogverblindende natuur die wij ‘de’ waargenomen wereld (WW) noemen”, zegt Mesland. Onze waargenomen wereld (WW) is een bewerking door ons lichaam (L) van de onbekende Realiteit (R), dus: WW=L[R], de ‘levensformule’ volgens Mesland. Maar tevens is ons waargenomen lichaam (WL) óók een bewerking door ons lichaam van ons onbekende Lichaam (L), dus WL=L[L] Zowel ons ware Lichaam als onze ware Realiteit kennen we niet. We kennen slechts hun antropomorfe afbeeldingen in ons bewustzijn, en van dat bewustzijn, vol van beperkte, antropomorfe afbeeldingen maakt ons geestelijk leven gebruik. Een bewustzijn vol ‘strange loops’ op louter cognitief gebied, zoals Hofstadter uitlegt.

 

Mesland maakt op zijn manier duidelijk dat ons geestelijke leven niet beperkt is tot ons louter cognitieve bewustzijn maar gebruik maakt van een ruimer (gevoels- en belevings-) bewustzijn dat onze lichamelijkheid (met ons brein erin) omvat, en niet andersom. Het lichaam levert aan ons hersenbewustzijn een waargenomen wereld (WW), maar die wordt primair vanuit ons bewustzijn eigenlijk al voorondersteld! De antropomorfe werkelijkheid waarin wij mensen leven wordt vormgegeven door ons lichamelijke brein, maar wordt door onze geest tegelijk al voorondersteld. Wij mensen leven dus op een soort planmatige manier in een gereduceerde werkelijkheid, namelijk in een antropomorfe. Het vooronderstellen door- en de prioriteit van ons aanvoelende bewustzijn noemt Mesland een ‘reducerende openbaring’.

“Wanneer in een logische filosofische beredenering slechts de waargenomen wereld (WW) als uitgangspunt wordt gekozen om begrip te krijgen van ons ‘ware bestaan’, dan leidt dat dus onvermijdelijk tot valse conclusies”, zegt hij.

 

Mesland behoort, samen met een aantal andere denkers[4], tot de categorie ‘Mysterie-erkenners’ (New Mysterians[5]). In plaats van zich te begeven in een sciëntistische strijd tegen alle religie tonen zij aan dat op strikt wetenschappelijke en logische gronden geconcludeerd moet worden dat er ‘meer’ moet zijn tussen hemel en aarde, een ware gruwel voor de categorie ‘nieuwe atheïsten’, naturalisten, rationalisten en sciëntisten, kortom de zelfbenoemde ‘Brights’ [6].

De afwijzing van het transcendentale karakter van de werkelijkheid of de erkenning van het transcendentale karakter van de werkelijkheid, zo blijkt uit onderzoek, hangt samen met de psychologische make-up van mensen. Iedere denker heeft zo z’n eigen geneigdheden in het reconstrueren van de werkelijkheid.

 

Dick Mesland inventariseerde een aantal denkers uit de geschiedenis[7] rondom de psychische make-up van sceptici die zich van hun ‘gevangenis’ bewust waren: Volgens Sextus Empiricus (ca. 100-200 na Chr) bestaat er geen mogelijkheid om te bewijzen dat de dingen zoals we ze lichamelijk waarnemen (en daarmee bedoelt hij alles wat we waarnemen) ook in werkelijkheid zo zijn. Hij vertolkt hiermee al vroeg een wetenschapsceptisch standpunt. Veel later formuleert René Descartes (1596-1650) de problemen rond de zekerheid van onze kennis van de wereld zo radicaal sceptisch, dat hij tot de conclusie kwam dat het enige dat we zeker weten samengevat kan worden in zijn beroemde uitspraak ‘cogito ergo sum’. George Berkeley(1685-1783) ziet in dat de wereld die we waarnemen een constructie is van de geest en stelt vervolgens  vast dat we onmogelijk kunnen weten of de constructie lijkt op dat wat eraan ten grondslag ligt. Hij komt tot de conclusie dat we nooit iets waarnemen wat we ‘materie’ noemen, maar slechts ideeën; volgens hem is het onhoudbaar om te beweren dat er een materiële substantie bestaat die onze waarnemingen ondersteunt.  Volgens de metafysica van Kant (1724-1804) is het hoogste wat de menselijke kennis kan bereiken een complete en systematische kennis van de fenomenen die zich aan de geest voordoen. Dit laat de werkelijkheid achter die verschijningen, wat Kant ‘de noumenale wereld’ noemt, volledig buiten bereik van de menselijke conceptie. Arthur Schopenhauer (1788-1860) merkt scherpzinnig op dat ‘wijzelf ook onder de entiteiten vallen die het ‘ding in zichzelf zijn' , dus ook niet ‘kenbaar’, maar slechts ‘waarneembaar’ als het menselijke lichaam. Deze lijn zet zich door met Alfred North Whitehead (1861-1947) die af wil van het materialisme en voorstelt dat we uitgaan van het concept van ‘organisme’ in plaats van ‘substantie’ en van ‘gebeurtenis’ in plaats van de parameters ruimte en en tijd, omdat volgens hem de natuur niet het onderliggende causale substraat is van onze perceptuele ervaring, maar niets anders dan dat wat waargenomen wordt door de perceptie. De wetenschap moet afzien van de achterhaalde claim dat de onderliggende, abstracte ‘materie’ wordt bestudeerd. Het wordt nog interessanter met Edmund Husserl (1858-1938) die een standpunt verkondigt vergelijkbaar met dat van Kant, namelijk dat het subject van de ervaring transcendentaal is, dus buiten de causale orde van ruimte-tijd staat (vergelijk dit met de opvattingen van van Lommel). Bijval voor deze opvatting komt ook van Alfred Jules Ayer (1910-1989) en W.V.O Quine(1908-2000). Deze laatste is een pleitbezorger van de stelling dat alleen de wetenschap ons iets over de wereld kan vertellen, maar voegt daar direct aan toe dat één van de dingen die de wetenschap ons vertelt, is dat onze kennis ervan beperkt blijft tot zintuiglijke prikkels. Deze denker merkt verder op dat ‘…vanuit een epistologisch perspectief fysieke objecten en goden alleen gradueel verschillen, maar beslist  niet vallen  in verschillende categorieën.’

 

En hij besluit: “De scepticus van nu is een materialist, gevangen in het bolwerk van de empirische ervaring. De sceptici van het eerste uur waren denkers, die zich zeer wel van hun gevangenis bewust waren.”

 

Een des te opmerkelijk geloofsartikel

 

Een opmerkelijk geloofsartikel dus: wetenschap als het middel waarmee de mens de weg tot God vindt. Een diep geloof in wetenschap als weg tot God. Opmerkelijk, want bepaalde beoefenaren van de wetenschap pretenderen nu juist dat de wetenschap bedoeld is om ons definitief van het geloof in God te bevrijden. Maar evenveel andere beoefenaren van de wetenschap pretenderen dat diep wetenschappelijk doordenken ons nader tot God brengt. De ene mens zegt ‘ik ben door wetenschapsbeoefening atheïst geworden’, de andere mens zegt ‘ik heb door wetenschapsbeoefening God leren erkennen’. Kennelijk gaat het dus steeds om persoonlijke beoefenaren van de wetenschap, mensen die de (feitelijk God-loze) wetenschap op eigen manier interpreteren, pro of contra God. ‘De wetenschap’ zelf, als rijke bron van feitenkennis en technologie, als machtig ‘magisterium’, heeft geen persoonlijke stem om zich pro of contra God uit te spreken. Terwijl godsdienstige stelsels God veelal zien als  Persoon die zichzelf uitspreekt en levensbeschouwelijke standpunten inneemt. En in het geval van de Bahá’í-geschriften is er dan een goddelijk standpunt pro-wetenschap. Wetenschappers als Newton, Boyle, Copernicus, Faraday, Galileo, Kepler, Maxwell, etc, de grondleggers voor de moderne wetenschap, vermoedden evenzo een pro-wetenschappelijk standpunt van God.

 

Bahá’u’lláh stelt “In ieder land sterft de levenskracht van 's mensen geloof in God uit. Alleen Zijn heilzaam geneesmiddel kan deze ooit herstellen.” [8] In de sterk verwetenschappelijkte landen van het verlichte Westen zijn we inderdaad getuige van het uitsterven van de levenskracht van het geloof in God. In de plaats daarvan is het geloof in de wetenschap (het sciëntisme) het dominante geloof geworden. Geloof in wetenschap? Ja, want het is voor de mens (homo religiosus[9]) niet mogelijk om zonder een geloofssysteem te leven; het menselijke brein is nou eenmaal gelovig ingesteld en dit werkt ook door binnen de wetenschapsbeoefening. Keert men het ene Punt van Adoratie de rug toe, dan richt men zich automatisch op een ander Punt van Adoratie. Geloven wij eerst in het transcendentale karakter van de werkelijkheid en verwerpen die nu, OK, dan geloven wij nu in het immanente karakter van de werkelijkheid. De doordenker erkent in het immanente karakter van de werkelijkheid de transcendentie, en in plaats van een verticale transcendentie houdt hij zich vast aan de horizontale transcendentie. Waar we ook in geloven, homo religiosus is niet in staat om niet te geloven. En zo zullen er altijd ‘ware gelovigen’ tegenover elkaar blijven staan “Evenals het begrip ‘geloof’ bestaat vanaf het begin dat geen begin heeft en zal voortduren tot het einde dat geen einde heeft, zo zal ‘de ware gelovige’ eeuwig leven en blijven bestaan.”[10] Ook uit de wetenschapsbeoefening rijzen ‘ware gelovigen’ op.

 

Om een voorbeeld te noemen van een zichzelf als ‘ware gelovige’ presenterende geleerde die de ‘Heilige Graal’ bezit, dus één enkel, universeel, op waarneming berustend inzicht, een inzicht dat alle overige omvat: de evolutiebioloog die zich als evolutietheoloog profileert, maar dan van antitheïstische signatuur, Richard Dawkins[11]. In The Times van mei 2007[12] zegt hij te geloven dat wetenschappers in de toekomst een enorme kosmische intelligentie zullen vinden, een die alle godsbeelden uit het verleden in de schaduw zet, en die wellicht zelfs verantwoordelijk is voor alle Intelligente Design in de wereld. Dawkins zegt dan letterlijk: "Ik denk dat het iets wonderlijks en verbazingwekkends en iets moeilijk te begrijpen zal zijn. Ik denk dat alle theologische concepten daarbij vergeleken gezien zullen worden als bekrompen en onbetekenend. Maar die enorme intelligentie zelf heeft een verklaring nodig. Het is niet voldoende om het God te noemen, het zal een soort van evolutionaire verklaring nodig hebben. Misschien ontvouwde het zich in een ander universum en maakte het een soort computersimulatie waar we allemaal deel van uitmaken. Dit zijn allemaal science-fictionachtige veronderstellingen, maar ik probeer de beperkingen van de 21e eeuw te overwinnen. Het zal indrukwekkender en groter en mooier en veel wonderlijker zijn en de theologie in de schaduw stellen." En hij vervolgt: “It would be a mysterious-beyond-present-comprehension physics of the future”…. “Iets” dus, de ietsist bij uitstek!

 

Hij gelooft, als devoot sciëntist en naturalist, in de openbaringskracht en de allesverklarende macht van de wetenschap. Maar juist dan…, denkend over het herstel van het geloof in God en de eerder geciteerde uitspraak van Bahá’u’lláh “Alleen Zijn heilzaam geneesmiddel kan deze ooit herstellen”, kunnen we dan denken aan de wetenschap als het middel waarmee de mens de weg tot God vindt? Hoe dan? Wetenschap in plaats van religie? “Die twee staan toch antagonistisch tegenover elkaar?”….

 

Wetenschap en religie als antagonisten?

 

"When we consider what religion is for mankind and what science is, it is no exaggeration to say that the future course of history depends upon the decision of this generation as to the relationships between them." - Alfred North Whitehead

 

"Faith and reason are like two wings on which the human spirit rises to contemplation of the truth. Science can purify religion from error and superstition. Religion can purify science from idolatry and false absolutes." - Paus Johannes Paulus II, 1999 encycliek

 

“In fact, the much-hyped conflict between religion and science turns out to be largely a conflict between men of science and men of religion, rather than between science itself and religion itself.” - Neurobiologist Tad Pacholczyk

 

Het instituut van de wetenschap is zelf natuurlijk niet ‘antagonistisch’, niet ‘bedoeld om de mensheid definitief van God te bevrijden’. Dus niet ‘de wetenschap’ als instituut, maar bepaalde wetenschappers (mensen, mentaliteiten) kunnen zich zeer antagonistisch opstellen tegenover God en religies. En in het religieuze kamp zijn er nog steeds opinieleiders die zich vijandig opstellen tegenover die vrijzinnige, onafhankelijke, rationalistische en “goddeloze” wetenschap. In feite staan er in het strijdperk twee kemphanen met elkaar oorlog te voeren die allebei precies dezelfde mentaliteit hebben. Beiden zijn monomaan bezig, obsessief, compulsief, orthodox, dogmatisch, rigide en binnen hun gesloten denkraam[13] fanatiek en fundamentalistisch. Het zijn mensen die zich door de rationalistisch analyserende wereld van de wetenschapsbeoefening laten sterken tot het dogmatisme van het radicalistische materialisme terwijl het aan de andere kant mensen zijn die zich in de wereld van de religies sterken tot het dogmatisme van het spirituele materialisme. Beide kemphanen zijn dus au fond materialistisch! Je kunt wel praten over een ‘clash van verschillende culturen’, maar in werkelijkheid gaat het om de clash tussen precies dezelfde mentaliteiten, maar dan uit twee verschillende culturen, de wetenschappelijke en de religieuze. Bij beiden, zowel de wetenschappelijke als de religieuze leiders gaat het bij de vigerende ‘clash van culturen’ om de knikkers (“de Schepping”) in plaats van om het spel tussen twee verschillende taalspelen. Het gaat beide kemphanen om de macht over de stoffelijke wereld, de natuur, het materiële universum. In het hele debat wordt God als spirituele opvoeder van de harten van mensen en als bron van goddelijke mystiek genegeerd. “God” wordt uitsluitend benaderd als een soort Oppermetafysicus die alleen maar bezig is met het claimen dat Hij de stoffelijke wereld bij elkaar tovert en knutselt, meer niet.

 

Heel die wetenschap/religie-strijd draait naar mijn gevoel eigenlijk maar om één ding: wie heeft uiteindelijk de zeggingsmacht over de stoffelijke schepping, de natuurwetenschap of de theologie. Welnu: het pleit is allang beslecht en de natuurwetenschap heeft glansrijk gewonnen. De godsdienstige autoriteit heeft alleen nog maar zijn verdedigingswapens neer te leggen, maar zolang dat niet gebeurt zullen de sciëntisten (materialisten, naturalisten) doorvechten tegen al dat religieuze bijgeloof totdat het spiritueel materialisme en de anti-wetenschappelijke instelling door religieuze autoriteiten wordt opgegeven. Zodra zij openlijk hun vertrouwen in het open-ended proces van de wetenschap verklaren zal de strijd omgezet kunnen worden in een (sparring-)partnership tussen wetenschap en religie.

 

In werkelijkheid is al dat antagonisme puur semantische polemiek, een ‘war of words’, een oorlog om woorden, ideeën, begrippen, termen, namen en attributen. In werkelijkheid is al dat wederzijds geworstel doorspekt van categorieverwarringen, van onbewust ingenomen posities, van een gebrek aan vorming in epistemologie en ontologie en van het uit het oog verliezen van demarcatielijnen.  En waar halen religionisten überhaupt de naïeve drive vandaan om hun openbaringsgeschriften als natuurwetenschap te beschouwen. Zij misvormen het religieus geloofsleven dan immers? Daartegenover: waar halen de naturalisten de zelftegenstrijdige drive vandaan om alle religie in de wereld te willen elimineren door de introductie van een sciëntistische, naturalistische religie?

De bekende sciëntistische evolutionist Edward. O. Wilson[14] erkende tenminste nog de aard van de menselijke soort, de gelovige soort, homo religiosus. De evolutie vormde het menselijke brein definitief met een ingebouwde behoefte aan mythen en religieuze verklaringsverhalen, de ‘mythopoeic requirements of the mind’. "Science and religion are two of the most potent forces on Earth and they should come together to save the creation. But if we are serious about the salvation of our race, we had better turn to science. The mythopoeic requirements of the mind must somehow be met by scientific materialism. We must learn to worship the evolutionary epic."  De nieuwe religie: de aanbidding van het grootse evolutionaire epos van de stoffelijke natuur…. Wilson lanceert expliciet zijn religie van ‘Consilience’, the unity of knowledge as a conviction, the belief in consilience as a "trust" or "faith" or "metaphysical world view", science as "religion liberated and writ large," as "another way of satisfying religious hunger," because it "aims to save the spirit" by allowing us to "understand who we are and why we are here", the need for at least a "cosmological God" who would be the First Cause. The future should construct "the mythology of scientific materialism, guided by the corrective devices of the scientific method, addressed with precise and deliberately affective appeal to the deepest needs of human nature, and kept strong by the blind hopes that the journey on which we are now embarked will be farther and better than the one just completed."…

 

Eigenlijk was het Teilhard de Chardin al die met grote stelligheid verklaarde:“Wij zijn er ontwijfelbaar getuige van, gedurende de laatste eeuw, dat er zich een nieuw geloof vestigt:

de religie van de evolutie!” [15] En samen met Julian Huxley: “De mensheid is de evolutie die zich van zichzelf bewust wordt” [16] De evolutie zet zich door in de richting van een alles omvattende, gestructureerde en gearticuleerde kosmische samenhang, door Teilhard de Chardin aangeduid als een ultieme ontplooiing van materie en geest.[17] Geest is hierbij de ‘binnenkant’ van ‘bezielde’ materie; materie en geest zijn de twee aspecten van één monoduaal geheel. De toename van complexiteit en die van bewustzijn (geestelijk leven) hangen samen. De evolutie van de materie is van simpel (onbewust) naar complex, uiteindelijk naar zelfbewust geestelijk leven van de mensheid als één organisme. Teilhard was evolutiewetenschapper en tegelijk Jezuïet van confessie. Hij geloofde in de goddelijkheid van de wetenschap. Evolutionaire wetenschap was voor hem een weg tot God.

 

Predikt het Bahá’í-geloof dan het moderne sciëntisme?

 

Het Bahá’í-geloof zelf is en blijft een (nieuwe) religieuze wereldbeweging die volgens de huidige (verouderde?) maatstaven zelfs geclassificeerd wordt als ‘een georganiseerde, monotheïstische godsdienst’. Het geloof in de scheppende en Zichzelf openbarende God, in het transcendentale karakter van de werkelijkheid en in de prioriteit van de menselijke geest staan centraal. Maar: “Bahá´ís kunnen op geen enkele manier beweren dat zij op dit vroege tijdstip meer dan een miniem deel begrijpen van de waarheden die inherent zijn aan de openbaring waarop hun geloof is gebaseerd.” [18] Verwijzend naar de evolutie van de Zaak, zei de Behoeder bijvoorbeeld: “Het enige wat redelijkerwijs in ons vermogen ligt, is te proberen een glimp op te vangen van het eerste schijnsel van de beloofde Dageraad, die in de volheid der tijden de duisternis die de mensheid heeft omgeven moet verjagen.”[19] En het Universele Huis van Gerechtigheid voegt daar iets belangrijks aan toe: “Behalve dat dit feit ons aanzet tot nederigheid, herinnert het er ons ook voortdurend aan dat Bahá´u´lláh geen nieuwe religie in het leven heeft geroepen die naast de huidige veelheid van religieuze organisaties staat. Hij heeft veeleer het hele concept van religie als de belangrijkste drijvende kracht voor de ontwikkeling van het bewustzijn vernieuwd. Zoals het menselijk ras in al zijn verscheidenheid één enkele soort is, zo is ook de interventie waardoor God de in deze soort sluimerende eigenschappen van geest en hart cultiveert, één enkel proces. De helden en heiligen zijn de helden en heiligen van alle stadia in de worsteling; de successen zijn successen van alle stadia. Dit is de standaard die in het leven en werk van de Meester wordt getoond en waarmee vandaag de dag wordt gewerkt in een bahá´í-gemeenschap die de erfgenaam is geworden van de hele geestelijke nalatenschap van de mensheid, een erfenis die voor alle volkeren van de wereld in gelijke mate beschikbaar is.”[20]

 

Dit is de standaard: het Bahá’í-geloof is géén nieuwe religie naast andere religies. De mensheid zelf verkeert in een hoogst belangrijke evolutiefase van haar geloofsleven: Shoghi Effendi heeft het over “een steeds ontvankelijker wordende mensheid” die nu een aantal opmerkelijk nieuwe en gunstige ontwikkelingen vertoont. En dan zegt hij van deze ontwikkelingen:“..deze moeten niet toegeschreven worden aan een superieure verdienste die het Geloof van Bahá’u’lláh zou kunnen bezitten, als een op zich zelf staande Openbaring en afwijkend van enige voorgaande Beschikking”, maar deze moeten “liever gezien en uitgelegd worden als het onvermijdelijke resultaat van de krachten die dit huidige tijdperk gemaakt hebben tot een tijdperk dat oneindig vooruitstrevender, ontvankelijker en dringender is om een groter aandeel van Goddelijke Leiding te ontvangen dan tot nu toe aan de mensheid is verleend.”[21]

 

In de grond is het Bahá’í-geloof qua zingeving diep mystiek van aard, ook al voegt ‘Abdu’l-Bahá daaraan toe: “Bewandel het mystieke pad met praktische voeten’, ofwel blijf zoveel mogelijk met je beide benen op moeder aarde. Maar het Bahá’í-geloof is in elk geval geen wetenschap. “Religie is religie, net zoals wetenschap wetenschap is. De één bepaalt en articuleert de waarden die zich in voortschrijdende mate ontvouwen door goddelijke openbaring; de ander dient als instrument waarmee de menselijke geest de empirische wereld onderzoekt en waarmee deze in staat is om op steeds nauwkeuriger wijze invloed op de wereld te oefenen. De één definieert doelstellingen die van dienst zijn in het evolutionaire proces; de ander assisteert in het behalen van die doelstellingen. Samen vormen zij het duale kennissysteem die de stuwkracht levert voor de ontwikkeling van beschaving.” [22]

Het Bahá’í-geloof is gericht op spirituele, intellectuele en sociale ontwikkeling en predikt geen enkele vigerende ideologie, ook niet die van het Westerse sciëntisme.

 

Het gaat uiteindelijk om een toenemende wisselwerking tussen de waarheden en principes van religie en de ontdekkingen en inzichten van wetenschappelijk onderzoek: “Met betrekking tot de harmonie tussen wetenschap en religie maken de Geschriften meer dan duidelijk, dat het de taak is van het mensdom, inclusief de bahá’í-gemeenschap die daarin als zuurdesem functioneert, om een mondiale beschaving te creëren, die zowel de spirituele als de materiële dimensies van bestaan verenigt. Van de aard en omvang van zo’n beschaving kan de huidige generatie zich in de verste verte nog geen voorstelling maken. De realisering van deze kolossale onderneming zal afhangen van een toenemende wisselwerking tussen de waarheden en principes van religie en de ontdekkingen en inzichten van wetenschappelijk onderzoek.” [23]

 

Het Westerse sciëntisme is de rigide geloofsovertuiging dat het de natuurwetenschap is die alle religies zal vervangen zodat er uiteindelijk zuiver wetenschappelijk weten overblijft nadat alle religieuze geloven definitief uitgedreven is. Het sciëntisme predikt de wetenschap als het enige ‘magisterium’ dat letterlijk alle antwoorden zal vinden op alle vragen die maar mogelijk zijn, inclusief alle menselijke zingevingsvragen en ethische problemen. Volgens sciëntisten heeft de wetenschap letterlijk een ‘verklaringsmacht-over-alles’, o.a. door de ontwikkeling van een materialistische ‘Theorie-over-Alles’, natuurlijk ook over alles van het menselijke geloofsleven.

Als voorbeeld hoeven we de video-uitleg van prof. dr. Johan Braeckman maar te beluisteren en te bekijken (2 uur video met bijbehorende slides, 2006[24]): de moderne sociobiologie baseert zich op het huidige ‘evolutionair adaptationistische denken’ en komt met een ‘wetenschappelijke verklaring’ van de evolutionaire oorsprong van religie binnen het menselijke brein. Religie is dan heel gewoon niets-anders-dan een evolutionair bijproduct, namelijk een virale besmetting van de menselijke geest. De werkelijkheid hangt gewoon aan elkaar van logische relaties, met ‘reverse engineering’ makkelijk te achterhalen door een aantal mathematisch logische routines, een handvol syllogismen en logaritmen. Het rekenwerk laten we gewoon over aan grootse computers die hun intelligentie zelfstandig steeds verder opvoeren en voilà: Het Koninkrijk van het Rationalisme is nabij. Allemaal briljante whizzkids (de Brights[25], de sociaal Darwinistische ‘hogere mensensoort’) die het heil gaan brengen, op weg naar het transhumanisch naturalisme. Radicaal mechanicistisch…

 

Helemaal betoverd door ons rationeel analytische en technologische kunnen gaan ook gewone burgers over op een ‘civiele sciëntisme’, de vaste geloofsovertuiging dat het uitsluitend de wetenschap is die op den duur alle antwoorden op alle vragen zal geven, ook op alle zingevingsvragen; en dat het de wetenschap en de technologie is die geheel naar menselijke maat alle religies in de wereld zal vervangen. Maar dat burgerlijke sciëntisme wordt even spontaan gecombineerd met de meest uiteenlopende religieuze ietsismen, geheel naar eigen snit samengesteld. Het lijkt op een spirituele spagaat op een zeepgladde vloer. Want met al dat gelovig ietsisme komt dat hemelse Koninkrijk van de Rationaliteit er natuurlijk nooit, hoezeer de Brights hun best ook doen om alle geloofsleven te bestrijden.

 

Kennelijk heeft het ideaal van de rationalisering en technologisering van ons denken een diepmagische invloed op ons, de menselijke soort, de immer gelovige soort, homo religiosus. Ik citeerde in dit verband E.O. Wilson, namelijk dat het menselijke brein evolutionair nu eenmaal voorzien is van de ingebouwde ‘mythopoeic requirements of the mind’. Maar het aantal denkers die de menselijke soort van alle andere soorten onderscheiden als ‘inherent gelovige soort’ is groeiende.

 

De prediking van het sciëntisme

 

Over predikers van het moderne sciëntisme zegt natuurkundige Karl Giberson. “Like their traditional counterpart, the new preachers speak with great confidence that their religion -- science -- contains all the truth we need to know and all the truth that can be known. They call us to worship at the altar of science, a summons of which I am sceptical, to say the least” [26]

Ik wil hem hier liever wat uitgebreider citeren:

 

“Science, it would appear, has the raw material for a new religion. Trust, traditionally placed in God, can be relocated to science which is reliable and faithful, as well as ennobling. Life can be oriented in a reverential way around the celebration and protection of the great diversity wrought by the evolutionary epic, a diversity that has produced creatures capable of reflecting on this grand mystery. The grand creation story at the heart of this new religion of science inspires reverence among those invested in its exploration. The world disclosed in this story rests on a foundation of reliable and remarkable natural laws. The other pieces of the new religion also fall naturally into place. Our existence is a gigantic miracle, billions of years in the making, and way more interesting than any magical conversion of water into wine. The atoms in our bodies were forged in the furnaces of ancient stars that exploded, seeding our galaxy with rich chemistry. Our planet and its life-sustaining sun formed from this recycled stellar debris. "We are stardust, we are golden, we are billion-year-old carbon. So there it is -- a brand-new religion, courtesy of modern science.”

 

En hij vraagt zich af “But is this going to work? Can a religion be built on nature and science, rather than God and sacred texts? And, if it could, would it be better than the old-fashioned religions it is replacing? If our present religions, like milk in our refrigerators, have all expired, we need a replacement to meet our mythopoeic needs. Can science do this for everyone, and not just the residents of ivory towers? Let's assume for the moment that this is possible -- that science can be canonized, moralized, transcendentalized and politicized into a replacement religion, with followers, codes of conduct, celebrated texts and sacred blogs, houses of worship, "saints" of some sort and inquisitors of another sort. And let's suppose that it's possible for this new religion to move out of the ivory towers of academia, where it lives now, to take its place alongside the other "world" religions, attracting hundreds of millions of adherents drawn from the main streets of the world and all walks of life. What would this new religion be like once it became institutionalized? After all, if religion fills a genuine human need, something has to fill the hole created by its passing -- something that appeals to billions of people.

In order for many of us to truly feel at home in the universe so grandly described by science, that science needs to coexist as peacefully as possible with the creation stories of our religious traditions. I share with Myers, Dawkins and Weinberg the conviction that we are the product of cosmic and biological evolution, that Einstein and Darwin got it right. But I want to believe that, through the eyes of my faith, this is how God created the world and that God cares about that world. Does this belief, shared by so many of our species, make me dangerous?

I am incredibly impressed with the achievements of science. But I don't think science is omniscient and I am not convinced that science will ever know everything. I am not convinced that science is even capable of knowing everything. That we can know as much as we do seems rather miraculous, in fact. Is it so dangerous to believe that there is a bit more to the world than meets the scientific eye, that behind the blackboard filled with equations there is a rational, creative and even caring mind breathing fire into those equations?”

 

Een aansluitend citaat van Carolyn Porco, planetair wetenschapper, Universiteit van Colorado en van Arizona: “One day, the sites we hold most sacred just might be the astronomical observatories, the particle accelerators, the university research installations, and other laboratories where the high priests of science — the biologists, the physicists, the astronomers, the chemists — engage in the noble pursuit of uncovering the workings of nature herself. And today's museums, expositional halls, and planetaria may then become tomorrow's houses of worship, where these revealed truths, and the wonder of our interconnectedness with the cosmos, are glorified in song by the devout and the soulful. "Hallelujah!", they will sing. "May the force be with you!"

- Carolyn Porco


[1] Dick Mesland 2007: Het biologische misverstand; een gesprek over bewustzijn. Uitgeverij IJzer; ISBN-13: 978-90-8684-010-6, € 18,50

[2] антропоморфизъм

[4] New Mysterians: o.a. Colin McGinn, John Searle, Thomas Nagel, Roger Penrose, Jerry Fodor, Martin Gardner, Owen Flanagan, Noam Chomsky, John Horgan, John Derbyshire; geen van allen ‘theïst’, ze zijn eerder ‘agnost’. Old Mysterians waren o.a. Gottfried Leibniz, Samuel Johnson, John Tyndall en Thomas Huxley.

[5] New Mysterianism is a philosophy proposing that certain problems will never be explained or at the least cannot be explained by the human mind at its current evolutionary stage. The problem most often referred to is the hard problem of consciousness; i.e. how to explain sentience and qualia and their interaction with consciousness. The unresolvable problem is how to explain sentience and qualia and their interaction with consciousness. The term "New Mysterianism" has been extended by some writers to encompass the wider philosophical position that humans do not have the intellectual ability to solve many hard problems, not just the problem of consciousness, at a scientific level. This position is also known as anti-constructive naturalism.

[6] Zie verderop in dit opstel.

[7] In Trouw dd 050408, in een artikel rondom de bijna-dood-ervaring

[8] Bahá'u'lláh, Bloemlezing, XCIX

[9] Ik kom later nog terug op ‘de gelovige soort, homo religiosus’.

[10] Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXIII

[13] Op het begrip ‘gesloten denkraam’ kom ik later terug met het begrip ‘cognitive closure’.

[15] T. de Chardin: The Future of Man, 1920

[16] Geciteerd in One Common Faith. Huxley, geciteerd door Pierre Teilhard de Chardin, The Phenomenon of Man (London: William Collins Sons & Co. Ltd., 1959), page 243. Zie ook Julian Huxley, Knowledge, Morality, and Destiny (New York: Harper & Brothers, 1957), page 13

[17] Zo vatte H.P. Winkelman het samen in zijn bijdrage aan de Trouw van 14 september 2008

[18] Aldus van Eén gemeenschappelijk geloof in alinea 29

[19] Shoghi Effendi, The World Order of Bahá’u’lláh: Selected Letters, 1991, p.35

[20] Alinea 29 van Eén gemeenschappelijk geloof.

[21] Shoghi Effendi, The World Order of Bahá’u’lláh, p. 60

[22] One Common Faith, Bahá’í < xml="true" ns="urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" prefix="st1" namespace="">World Center, Naw-Rúz 2005

[23] Het vervolg van die uitspraak luidt: “The challenge facing Bahá’í thinkers is to provide responsible leadership in this endeavour, since it is they who have both the priceless insights of the Revelation and the advantages conferred by scientific investigation.” (19 May 1995, written on behalf of the Universal House of Justice to an individual believer)