Geloof in wetenschap
 

 Het humane genoom als antwoord op God

 

Geloof in wetenschap

een redelijke religie?

 

“Weinig wetenschap verwijdert ons van God,

veel wetenschap brengt ons tot Hem terug.”

- Francis Bacon [1]

 

“De eerste slok uit de beker der natuurwetenschap maakt atheïstisch,

maar op de bodem wacht God.”

- Werner Heisenberg [2]

 

“Wetenschap is de uitstraling van de Zon van Werkelijkheid, het vermogen van onderzoek en van de ontdekking van de waarheden van het universum, het middel waarmee de mens de weg tot God vindt. Wetenschap is de eerste uitstraling van God op de mens.” [3]

- ‘Abdu’l-Bahá [4]

 

Wat mij in onze moderne wereld fascineert, is het groeiende geloof in wetenschap. Een soort heilig vertrouwen in wetenschap en technologie, een religieus ontzag dat een duurzamer groei vertoont dan de huidige opleving van religies en ietsismen. Wetenschap en technologie zijn ‘de nieuwe magie’ geworden. Wij zijn betoverd geraakt van ons eigen technologische kunnen. De wereld laat zich in dit nieuwe tijdperk – zoals ik dat beleef – steeds meer inrichten naar menselijke maat, meer dan naar de maat van gevestigd religieus of ideologisch gezag. Ook ons denken wordt gaandeweg steeds meer gerationaliseerd en getechnologiseerd. Ons calculerend vermogen neemt niet alleen in het Westen toe, ook Oosterse volkeren (kijk naar China en India) kunnen heel goed rekenen. Er lijkt, dwars tegen alle traditioneel-religieuze gezag in, wereldwijd sprake te zijn van een nieuw soort ‘survival of the fittest’ binnen een ‘mensheid-verenigend materialisme’ en binnen het onstuitbaar globaliseringsproces. Voor religieuze idealisten zoals ik doet dit soms aan als een vreselijke verplatting; het nieuwe collectivisme draait immers om koopkracht, economie, commercie, industrialisatie, automatisering, kortom materiële welvaart en materieel welzijn. De aandacht concentreert zich inderdaad meer op de aarde dan op de hemel, meer op de immanente dan op de transcendente werkelijkheid, het aloude domein van de religies van de wereld. Dankzij de ICT is een overvloed aan kennis bereikbaar voor iedere burger op onze planeet, klaar voor vrijelijk gebruik. Het geloof in de bruikbaarheid van de wetenschap (als producent van technologie) neemt even snel toe als dat het geloof in de bruikbaarheid en houdbaarheid van God afneemt, zou je haast zeggen. In elk geval wordt het begrip “God” al geruime tijd vacuüm gezogen en gezuiverd van alle historisch gevestigde godsbeelden. In dat vacuüm groeit een behoefte aan herbronning. En als de premoderne religies daartoe niet in staat zijn, is de wetenschap dan wellicht een goede kandidaat voor die herbronning met God?

 

Het Bahá’í-geloof en de wetenschap

 

Het Bahá’í-geloof[5] (een geloof dus, en niet een wetenschap) komt met een opmerkelijk geloofsartikel, zie dat derde citaat hierboven: wetenschap als het middel waarmee de mens de weg tot God vindt. Als ‘Abdu’l-Bahá, de uitlegger van het Bahá’í-geloof, het trouwens over ‘wetenschap’ heeft, dan doelt hij meer op de fundamentele, zuivere wetenschap dan op de technologische bruikbaarheden ervan. Hij gebruikt dan veelal de Perzische term afkár-i-faylasúfí, gewoonlijk vertaald als ‘wetenschappelijke theorieën’, wetenschapsfilosofisch bedoeld. En hij stelt afkár-i-faylasúfíhierbij dan tegenover afkár-i-diyánatí’, de religieuze theorieën en stelt daarbij dat religieuze theorieën en wetenschappelijke theorieën met elkaar overeen moeten komen.[6]

 

Religieuze geloofsovertuigingen moeten harmoniëren met kennis uit natuurwetenschappelijk onderzoek omdat de ene God ‘Twee Boeken’ [7] voor de mens ter studie heeft bestemd, het ongeschreven ‘Boek’ van de Natuur (de Schepping) en het geschreven Boek van Openbaring. Het ongeschreven Boek is voor onderzoek door natuurwetenschappers bedoeld en het geschreven Boek is ter overdenking, een rijke bron van inspirerende mystiek, m.n. voor de spirituele en sociale ontwikkeling van de mens bestemd. Maar is het ongeschreven Boek van de Natuur (te bestuderen door de natuurwetenschap) dan het uitgelezen Boek voor de herbronning met God? Het lijkt erop, want de Natuur is Gods Wil en de uitdrukking daarvan in en door de contingente wereld, dus als je met Gods Wil kennis wil maken, onderzoek dan de natuur: “De Natuur is in wezen de belichaming van Mijn Naam, ‘de Maker’, ‘de Schepper’… in deze diversiteit bevinden zich tekenen voor mensen met inzicht. De Natuur is Gods Wil en de uitdrukking daarvan in en door de contingente wereld. Zij is begiftigd met een vermogen welks realiteit het verstand der geleerden te boven gaat. Waarlijk, iemand met inzicht kan daarin niets anders waarnemen dan de uitbundige pracht van onze Naam, ‘de Schepper’.” [8] De Natuur, begiftigd met een transcendentaal vermogen; later in dit opstel introduceer ik het transcendentale naturalisme[9] en de term ‘cognitieve opgeslotenheid’[10].

 

Openbaringsteksten zoals de bovengenoemde zijn voor ‘Abdu’l-Bahá de reden om aan de bahá’ís de oproep te doen: “Laten wij er ernstig naar streven het middel te zijn voor het in overeenstemming brengen van geloof en wetenschap." [11] Maar uiteindelijk blijkt hij het primaat ondubbelzinnig bij de wetenschap te leggen als hij in diverse verschillende verwoordingen herhaalt: "Brengt uw gehele geloofsovertuiging in harmonie met de wetenschap.[12] Want “Wetenschap is de uitstraling van de Zon van Werkelijkheid, het vermogen van onderzoek en van de ontdekking van de waarheden van het universum, het middel waarmee de mens de weg tot God vindt. Wetenschap is de eerste uitstraling van God op de mens.” [13] Wat mij dan verder fascineert is de volgende uitspraak “Als er één enkel, universeel, op waarneming berustend inzicht geïntroduceerd wordt - een inzicht dat alle overige omvat - dan zullen de verschillende inzichten samensmelten en zal er een geestelijke harmonie en eenheid zichtbaar worden.” [14]

Eén universeel op waarneming berustend inzicht dat alle overige inzichten omvat? Nee, m.i. kan daarmee niet een fysicalistische ‘Theorie over Alles’ bedoeld zijn. Het meest bekende voorbeeld is wellicht Stephen Hawking, die in zijn boek ‘The universe’ zegt: ‘Als we eenmaal de theorie over alles hebben ontwikkeld, kennen we de geest van God’. Stephen Hawking kwam recentelijk op zijn enthousiasme rondom die ‘Theorie over Alles’ terug met een publiekelijke erkenning van de relativiteit van wetenschappelijke kennis, en vooral met de erkenning van het ‘zelfreferentiële karakter’ van al onze wetenschappelijke kennis. Hij deed dat in zijn voordracht "Gödel and the end of physics"[15] op een conferentie over de Snaartheorie en M-theorie[16] in het kader van de viering van de honderdste verjaardag van Paul Dirac.[17]

 

Nee, ‘Abdu’l-Bahá’s uitspraak associeert m.i. eerder met de aloude ‘Heilige Graal’, maar dan een die op de aarde van empirische waarneming rust in plaats van in de hemel van religieuze theorieën hangt. Rijst dat universele inzicht dan op uit de materiewetenschap? Of uit een vernieuwde geesteswetenschap? Of uit een toekomstig partnerschap tussen beiden?

 

Een opmerkelijk geloofsartikel dus: wetenschap als het middel waarmee de mens de weg tot God vindt. Een diep geloof in wetenschap als weg tot God. Opmerkelijk, want bepaalde beoefenaren van de wetenschap pretenderen nu juist dat de wetenschap bedoeld is om ons definitief van het geloof in God te bevrijden. Maar evenveel andere beoefenaren van de wetenschap pretenderen dat diep wetenschappelijk doordenken ons nader tot God brengt. De ene mens zegt ‘ik ben door wetenschapsbeoefening atheïst geworden’, de andere mens zegt ‘ik heb door wetenschapsbeoefening God leren erkennen’. Kennelijk gaat het dus steeds om persoonlijke beoefenaren van de wetenschap, mensen die de (God-loze) wetenschap op eigen manier interpreteren, pro of contra God. ‘De wetenschap’ zelf, als rijke bron van feitenkennis en technologie, als machtig ‘magisterium’, heeft geen persoonlijke stem om zich pro of contra God uit te spreken. Terwijl godsdienstige stelsels God veelal zien als  Persoon die zichzelf uitspreekt en levensbeschouwelijke standpunten inneemt. En in het geval van de Bahá’í-openbaringsgeschriften is er dan een goddelijk standpunt pro-wetenschap. 

 

De ‘ware gelovige’…

 

Bahá’u’lláh[18], de Stichter van het Bahá’í-geloof stelt “In ieder land sterft de levenskracht van 's mensen geloof in God uit. Alleen Zijn heilzaam geneesmiddel kan deze ooit herstellen.” [19] In de sterk verwetenschappelijkte landen van het verlichte Westen zijn we inderdaad getuige van het uitsterven van de levenskracht van het geloof in God. In de plaats daarvan is het geloof in de wetenschap (het sciëntisme[20]) het dominante geloof geworden. Geloof in wetenschap? Ja, want het is voor de mens (homo religiosus[21]) niet mogelijk om zonder een geloofssysteem te leven; het menselijke brein is nou eenmaal gelovig ingesteld en dit werkt ook door binnen de wetenschapsbeoefening. Keert men het ene Punt van Adoratie de rug toe, dan richt men zich automatisch op een ander Punt van Adoratie. Geloven wij eerst in het transcendentale karakter van de werkelijkheid en verwerpen die nu, OK, dan geloven wij nu in het immanente karakter van de werkelijkheid. Waar we ook in geloven, homo religiosus is niet in staat om niet te geloven. En zo zullen er altijd ‘ware gelovigen’ tegenover elkaar blijven staan “Evenals het begrip ‘geloof’ bestaat vanaf het begin dat geen begin heeft en zal voortduren tot het einde dat geen einde heeft, zo zal ‘de ware gelovige’ eeuwig leven en blijven bestaan.”[22] Ook uit de wetenschapsbeoefening rijzen ‘ware gelovigen’ op.

 

Om een voorbeeld te noemen van een zichzelf als ‘ware gelovige’ presenterende geleerde die de ‘Heilige Graal’ bezit, dus één enkel, universeel, op waarneming berustend inzicht, een inzicht dat alle overige omvat: de evolutiebioloog die zich als evolutietheoloog profileert, maar dan van antitheïstische signatuur, Richard Dawkins[23]. In The Times van mei 2007[24] zegt hij te geloven dat wetenschappers in de toekomst een enorme kosmische intelligentie zullen vinden, een die alle godsbeelden uit het verleden in de schaduw zet, en die wellicht zelfs verantwoordelijk is voor alle Intelligente Design in de wereld. Dawkins letterlijk: "Ik denk dat het iets wonderlijks en verbazingwekkends en iets moeilijk te begrijpen zal zijn. Ik denk dat alle theologische concepten daarbij vergeleken gezien zullen worden als bekrompen en onbetekenend. Maar die enorme intelligentie zelf heeft een verklaring nodig. Het is niet voldoende om het God te noemen, het zal een soort van evolutionaire verklaring nodig hebben. Misschien ontvouwde het zich in een ander universum en maakte het een soort computersimulatie waar we allemaal deel van uitmaken. Dit zijn allemaal science-fictionachtige veronderstellingen, maar ik probeer de beperkingen van de 21e eeuw te overwinnen. Het zal indrukwekkender en groter en mooier en veel wonderlijker zijn en de theologie in de schaduw stellen." En hij vervolgt: “It would be a mysterious-beyond-present-comprehension physics of the future”…. “Iets” dus, de ietsist bij uitstek!

 

Hij gelooft, als devoot sciëntist en naturalist, in de openbaringskracht en de allesverklarende macht van de wetenschap. Maar juist dan…, denkend over het herstel van het geloof in God en de eerder geciteerde uitspraak van Bahá’u’lláh “Alleen Zijn heilzaam geneesmiddel kan deze ooit herstellen”, kunnen we dan denken aan de wetenschap als het middel waarmee de mens de weg tot God vindt? Hoe dan? Wetenschap in plaats van religie? “Die twee staan toch antagonistisch tegenover elkaar?”….

 

Wetenschap en religie als antagonisten?

 

Het geïnstitutionaliseerde en georganiseerde magisterium van de (God-loze) wetenschap is zelf natuurlijk niet ‘antagonistisch’ in de zin van ‘bedoeld om de mensheid definitief van God te bevrijden’. Niet wetenschap maar wetenschappers (mensen, mentaliteiten) kunnen zich zeer antagonistisch opstellen tegenover God en religies. En in het andere kamp zijn er nog steeds religieuze leiders die zich vijandig opstellen tegenover die vrijzinnige, onafhankelijke, rationalistische en ‘goddeloze’ wetenschapsbeoefening. In feite staan er in het strijdperk twee kemphanen met elkaar oorlog te voeren die allebei precies dezelfde mentaliteit hebben. Beiden zijn monomaan bezig, obsessief, compulsief, orthodox, dogmatisch, rigide en binnen hun gesloten denkraam[25] fanatiek en fundamentalistisch. De rationalistisch analyserende wereld van de wetenschapsbeoefening heeft velen verleidt tot het dogmatisme van het naturalistisch materialisme terwijl de wereld van de religies velen heeft verleidt tot het dogmatisme van het spirituele materialisme. Beide kemphanen zijn dus materialistisch! Je kunt wel mooi praten over een ‘clash van culturen’, maar in werkelijkheid gaat het om de clash tussen precies dezelfde mentaliteiten, maar dan uit twee verschillende culturen, de wetenschappelijke en de religieuze. Bij beiden, zowel de wetenschappelijke als de religieuze leiders gaat het bij de vigerende ‘clash van culturen’ om de knikkers (“de Schepping”) in plaats van om het spel tussen twee verschillende taalspelen. Het gaat beide kemphanen om de macht over de stoffelijke wereld, de natuur, het materiële universum.

 

Heel die wetenschap/religie-strijd draait naar mijn gevoel eigenlijk maar om één ding: wie heeft uiteindelijk de zeggingsmacht over de stoffelijke schepping, de natuurwetenschapper of de theoloog. Welnu: het pleit is allang beslecht en de natuurwetenschapper heeft glansrijk gewonnen. De godsdienstige autoriteit heeft alleen nog maar zijn apologetische wapens neer te leggen. Maar zolang dat niet gebeurt zullen de sciëntisten (materialisten, naturalisten) doorvechten tegen al dat religieuze bijgeloof totdat het spiritueel materialisme en de anti-wetenschappelijke instelling door religieuze autoriteiten wordt opgegeven. Zodra zij openlijk hun geloof en vertrouwen in de wetenschap verklaren zal de strijd omgezet kunnen worden in een (sparring-)partnership tussen wetenschap en religie.

 

In werkelijkheid is al dat antagonisme puur semantische polemiek, een ‘war of words’, een oorlog om woorden, ideeën, begrippen, termen, namen en attributen. In werkelijkheid is al dat wederzijds geworstel doorspekt van categorieverwarringen, van onbewust ingenomen posities, van een gebrek aan vorming in epistemologie en ontologie en van het uit het oog verliezen van demarcatielijnen.  En waar halen religionisten überhaupt de naïeve drive vandaan om hun openbaringsgeschriften als natuurwetenschap te beschouwen. Zij misvormen het religieus geloofsleven dan immers? Daartegenover: waar halen de naturalisten de zelftegenstrijdige drive vandaan om alle religie in de wereld te willen elimineren door de introductie van hun naturalistische religie?

 

De bekende sciëntistische evolutionist E.O. Wilson[26] erkende tenminste nog de aard van de menselijke soort, de gelovige soort, homo religiosus. De evolutie vormde het menselijke brein definitief met een ingebouwde behoefte aan mythen en religieuze verklaringsverhalen, de ‘mythopoeic requirements of the mind’. "Science and religion are two of the most potent forces on Earth and they should come together to save the creation. But if we are serious about the salvation of our race, we had better turn to science. The mythopoeic requirements of the mind must somehow be met by scientific materialism. We must learn to worship the evolutionary epic."  De nieuwe religie: de aanbidding van het grootse evolutionaire epos.

 

Eigenlijk was het Teilhard de Chardin al die met grote stelligheid verklaarde:“Wij zijn er ontwijfelbaar getuige van, gedurende de laatste eeuw, dat er zich een nieuw geloof vestigt: de religie van de evolutie!” [27] En samen met Julian Huxley: “De mensheid is de evolutie die zich van zichzelf bewust wordt” [28]

De evolutie zet zich door in de richting van een alles omvattende, gestructureerde en gearticuleerde kosmische samenhang, door Teilhard de Chardin aangeduid als een ultieme ontplooiing van materie en geest. Geest is hierbij de ‘binnenkant’ van ‘bezielde’ materie; materie en geest zijn de twee aspecten van één monoduaal geheel. De toename van complexiteit en die van bewustzijn (geestelijk leven) hangen samen. De evolutie van de materie is van simpel (onbewust) naar complex, uiteindelijk naar zelfbewust geestelijk leven van de mensheid als één organisme. Teilhard was evolutiewetenschapper en tegelijk Jezuïet van confessie. Hij geloofde in de goddelijkheid van de wetenschap. Evolutionaire wetenschap was voor hem een weg tot God.

 

De goddelijkheid van wetenschap

 

‘Abdu’l-Bahá waardeert de goddelijkheid van wetenschap in bloemrijke taal.

Uit een grote hoeveelheid tekst over ‘science’ [29] selecteerde ik een aantal relevante zinnen: “De mensheid beschikt over vele kwaliteiten, maar wetenschap is de edelste van allemaal. Het specifieke onderscheid dat de mens ver boven het dier verheft, moet worden toegeschreven aan deze superieure gave. Zij is een gave van God; niet van stoffelijke aard, maar goddelijk… Kennis is de belangrijkste emanatie van God naar de mens toe. Alle geschapen wezens belichamen het potentieel tot stoffelijke perfectionering, maar het vermogen tot intellectueel onderzoek en het verwerven van kennis is een hogere gave die alleen specifiek aan de mens gegeven is. Andere levende wezens en organismen zijn verstoken van dit potentieel vermogen en deze verworvenheid. Deze liefde voor de ware werkelijkheid heeft God in de mens ingeschapen of neergelegd…. Alle zegeningen zijn van goddelijke oorsprong, maar geen enkele laat zich evenaren met de capaciteit tot intellectueel onderzoek; dit is een niet aflatende gave die vruchten van oneindige vreugde oplevert. De mens heeft altijd deel aan deze vruchten.…Kortom, het is een zegening die geen einde kent en een goddelijke gave, het meest verheven geschenk dat God aan de mens heeft toebedeeld.… Een mens die over kennis beschikt is een zuivere graadmeter en representant van het menselijk geslacht, want via processen van inductieve benadering en onderzoek is hij op de hoogte van al die zaken die met het leven van de mensen te maken hebben... Zonder deze basis van intellectueel onderzoek is ontwikkeling gewoon onmogelijk. Streef daarom met grote toewijding naar kennis en kundigheid over alles wat binnen het bereik van deze wonderbare gave ligt. De superieure vermogens van de mens, met inbegrip van het vermogen tot het vergaren van kennis, liggen buiten bereik van de natuur. Het betreft hier krachtvelden waardoor de mens verschilt en zich onderscheidt van alle andere vormen van leven. Dit is de gave van goddelijk idealisme, de kroon die het hoofd van de mens siert. Niettegenstaande de gave van dit bovennatuurlijke vermogen is het verbazingwekkend dat materialisten zichzelf nog steeds als gevangenen van de natuur zien …. Wij moeten God dankbaar zijn voor deze gaven, voor deze vermogens die Hij ons gegeven heeft, voor deze kroon die Hij ons op het hoofd heeft geplaatst.”[30]

 

Overigens zei Galileo Galilei het al: "The intention of the Holy Spirit is to teach us how to go to heaven, not how the heavens go. I do not feel obliged to believe that the same God who has endowed us with sense, reason, and intellect has intended us to forgo their use." [31]

 

‘Abdu’l-Bahá lijkt het primaat bij de wetenschap te leggen:

"Brengt uw gehele geloofsovertuiging in harmonie met de wetenschap. Als religie, ontdaan van bijgeloof, tradities en onbegrijpelijke dogma's haar overeenkomst toont met de wetenschap, dan zal er in de wereld een grote éénmakende, reinigende kracht zijn die alle oorlogen, onenigheid, tweedracht en strijd zal wegvagen en dan zal de mensheid verenigd worden in de kracht van de Liefde Gods. God heeft religie en wetenschap als het ware tot maatstaf gemaakt van ons begrip. Weegt alle dingen in déze weegschaal.

Ik zeg u: weegt met het tegenwicht van rede en wetenschap zorgvuldig alles af wat u als religie wordt aangeboden. Als het deze test doorstaat, aanvaardt het dan, want het is de waarheid! Zo niet, verwerpt het dan, want het is onwetendheid! Wij kunnen wetenschap als de éne vleugel en godsdienst als de andere vleugel beschouwen. Een vogel heeft twee vleugels nodig om te kunnen vliegen: één vleugel alleen zou geen zin hebben. Iedere religie die in strijd is met wetenschap of zich er tegen verzet, is louter onwetendheid want onwetendheid is het tegengestelde van kennis. Religie die alleen uit riten en ceremoniën van vooropgezette ideeën bestaat is niet de waarheid. Laten wij er ernstig naar streven het middel te zijn voor het in overeenstemming brengen van geloof en wetenschap." [32]

 

Opmerkelijk van dit religieuze vertrouwen in de wetenschap is die toevoeging “Als religie, ontdaan van bijgeloof, tradities en onbegrijpelijke dogma's haar overeenkomst toont met de wetenschap, dan zal er in de wereld een grote éénmakende, reinigende kracht zijn die alle oorlogen, onenigheid, tweedracht en strijd zal wegvagen en dan zal de mensheid verenigd worden in de kracht van de Liefde Gods.” Het gaat dus om meer dan een conceptuele vrucht aan de boom van de harmonie van wetenschap en religie (de twee vleugels aan de ene vogel, de twee bronnen van kennis), het gaat om een concrete vrucht: de ‘klik’ tussen wetenschap en religie zal ‘een reinigende kracht’ zijn die alle oorlogen, onenigheid, tweedracht en strijd zal wegvagen en de mensheid zal verenigen. Want dan zal een geestelijke harmonie en eenheid in de praktijk zichtbaar worden door het verschijnen van ‘één universeel en op waarneming berustend inzicht’: “De verschillen tussen de religies van de wereld zijn te wijten aan de verschillende soorten opvattingen. Zolang de verstandelijke vermogens uiteenlopen, is het zeker dat de beoordelingen en inzichten van mensen onderling zullen verschillen. Als er echter één enkel, universeel, op waarneming berustend inzicht geïntroduceerd wordt - een inzicht dat alle overige omvat - dan zullen de verschillende inzichten samensmelten en zal er een geestelijke harmonie en eenheid zichtbaar worden.” [33]

 

Door het onderzoeken van de werkelijkheid zullen alle religies en volkeren van de wereld één worden: “Voorop staat in de verheven leringen van Bahá'u'lláh het nader onderzoek van de werkelijkheid. Dit betekent dat ieder individueel lid van de mensheid aangespoord wordt om alle bijgeloof, tradities en het blindelings navolgen van voorouders opzij te zetten; en, voor zichzelf, de werkelijkheid aan een nader onderzoek te onderwerpen. Aangezien de werkelijkheid één is, zullen door het onderzoeken van de werkelijkheid alle religies en volkeren van de wereld één worden. Waar in de heilige geschriften uit het verleden treft men de aanduiding van dit beginsel aan?” [34] Inderdaad: het primaat van wetenschappelijk onderzoek als geloofsartikel is in geen enkele premoderne religie zo pregnant aanwezig.

 

Predikt het Bahá’í-geloof dan het moderne sciëntisme?

 

Het Bahá’í-geloof zelf is en blijft een (nieuwe) religieuze wereldbeweging die volgens de huidige (dus verouderde) maatstaven zelfs geclassificeerd wordt als ‘een georganiseerde, monotheïstische godsdienst’. Het geloof in de scheppende en Zichzelf openbarende God, in het transcendentale karakter van de werkelijkheid en in de prioriteit van de menselijke geest staan centraal. Sterker nog: in de grond is het Bahá’í-geloof qua zingeving diep mystiek van aard, ook al voegt ‘Abdu’l-Bahá daaraan toe: “Bewandel het mystieke pad met praktische voeten’, ofwel blijf zoveel mogelijk met je beide benen op moeder aarde. Maar het Bahá’í-geloof is in elk geval geen wetenschap. “Religie is religie, net zoals wetenschap wetenschap is. De één bepaalt en articuleert de waarden die zich in voortschrijdende mate ontvouwen door goddelijke openbaring; de ander dient als instrument waarmee de menselijke geest de empirische wereld onderzoekt en waarmee deze in staat is om op steeds nauwkeuriger wijze invloed op de wereld te oefenen. De één definieert doelstellingen die van dienst zijn in het evolutionaire proces; de ander assisteert in het behalen van die doelstellingen. Samen vormen zij het duale kennissysteem die de stuwkracht levert voor de ontwikkeling van beschaving.” [35] Het Bahá’í-geloof is gericht op spirituele, intellectuele en sociale ontwikkeling en predikt geen enkele vigerende ideologie, ook niet die van het Westerse sciëntisme.

 

Dit sciëntisme is de rigide geloofsovertuiging dat het de natuurwetenschap is die alle religies zal vervangen zodat er uiteindelijk zuiver wetenschappelijk weten overblijft nadat alle religieuze geloven definitief uitgedreven is. Het sciëntisme predikt de wetenschap als het enige ‘magisterium’ dat letterlijk alle antwoorden zal vinden op alle vragen die maar mogelijk zijn, inclusief alle menselijke zingevingsvragen en ethische problemen. Volgens sciëntisten heeft de wetenschap letterlijk een ‘verklaringsmacht-over-alles’, o.a. door de ontwikkeling van een materialistische ‘Theorie-over-Alles’, natuurlijk ook over alles van het menselijke geloofsleven. Als voorbeeld hoeven we de video-uitleg van prof. dr. Johan Braeckman maar te beluisteren en te bekijken (2 uur video met bijbehorende slides, 2006[36]): de moderne sociobiologie baseert zich op het huidige ‘evolutionair adaptationistische denken’ en komt met een ‘wetenschappelijke verklaring’ van de evolutionaire oorsprong van religie binnen het menselijke brein. Religie is dan heel gewoon niets-anders-dan een evolutionair bijproduct, namelijk een virale besmetting van de menselijke geest. De werkelijkheid hangt gewoon aan elkaar van logische relaties, met ‘reverse engineering’ makkelijk te achterhalen door een aantal mathematisch logische routines, een handvol syllogismen en logaritmen. Het rekenwerk laten we gewoon over aan grootse computers die hun intelligentie zelfstandig steeds verder opvoeren en voilà: Het Koninkrijk van het Rationalisme is nabij. Allemaal briljante whizzkids (de Brights[37], de sociaal Darwinistische ‘hogere mensensoort’) die het heil gaan brengen, op weg naar het transhumanisch naturalisme. Radicaal mechanicistisch…

 

Helemaal betoverd door ons rationeel analytische en technologische kunnen gaan ook gewone burgers over op een ‘civiele sciëntisme’, de vaste geloofsovertuiging dat het uitsluitend de wetenschap is die op den duur alle antwoorden op alle vragen zal geven, ook op alle zingevingsvragen; en dat het de wetenschap en de technologie is die geheel naar menselijke maat alle religies in de wereld zal vervangen. Maar dat burgerlijke sciëntisme wordt even spontaan gecombineerd met de meest uiteenlopende religieuze ietsismen, geheel naar eigen snit samengesteld. Het lijkt op een spirituele spagaat op een zeepgladde vloer. Want met al dat gelovig ietsisme komt dat hemelse Koninkrijk van de Rationaliteit er natuurlijk nooit, hoezeer de Brights hun best ook doen om alle geloofsleven te bestrijden. Kennelijk heeft het ideaal van de rationalisering en technologisering van ons denken een diepmagische invloed op ons, de menselijke soort, de immer gelovige soort, homo religiosus. Ik citeerde in dit verband E.O. Wilson, namelijk dat het menselijke brein evolutionair nu eenmaal voorzien is van de ingebouwde ‘mythopoeic requirements of the mind’. Maar het aantal denkers die de menselijke soort van alle andere soorten onderscheiden als ‘inherent gelovige soort’ is groeiende.


[3] ‘Abdu’l-Bahá, The Promulgation of Universal Peace, p. 49 http://d.scribd.com/docs/14pxos3xe4e2tr3rnd37.pdf

[7] “There are two Books: one is the Book of Creation and the other is the Written Book. The Written Book consisteth of the heavenly scriptures which are revealed to the Prophets of God and have issued forth from the lips of His Manifestations. The Book of Creation is the preserved Tablet and the outspread Roll of existence.” ‘Abdu'l-Bahá in Makátíb, vol. 1, pp. 436-437

[8] Bahá’u’lláh, Tafelen van Bahá’u’lláh, p.142

[11] ‘Abdu’l-Bahá in: Toespraken in Parijs, 1910

[12] ‘Abdu’l-Bahá in: Toespraken in Parijs, 1910

[13] ‘Abdu’l-Bahá, The Promulgation of Universal Peace, p. 49 http://d.scribd.com/docs/14pxos3xe4e2tr3rnd37.pdf

[14] ‘Abdu’l-Bahá: Selections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá, #31, blz. 63

[17] Paul Adrien Maurice Dirac (1902-1984), great theoretical physicist of the twentieth century. He was awarded the Nobel Prize together with Schrödinger in 1933.

[19] Bahá'u'lláh, Bloemlezing, XCIX

[20] Het sciëntisme is het stellige geloof dat de wetenschap de enige bron van ware kennis is die alle religieuze kennis gaandeweg zal vervangen. Kijk verderop in dit opstel.

[21] Ik kom later nog terug op ‘de gelovige soort, homo religiosus’.

[22] Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXIII

[25] Op het begrip ‘gesloten denkraam’ kom ik later terug met het begrip ‘cognitive closure’.

[27] T. de Chardin: The Future of Man, 1920

[28] Geciteerd in One Common Faith. Huxley, geciteerd door Pierre Teilhard de Chardin, The Phenomenon of Man (London: William Collins Sons & Co. Ltd., 1959), page 243. Zie ook Julian Huxley, Knowledge, Morality, and Destiny (New York: Harper & Brothers, 1957), page 13

[29] Bijvoorbeeld: Science is the discoverer of the past. From its premises of past and present we deduce conclusions as to the future. Science is the governor of nature and its mysteries, the one agency by which man explores the institutions of material creation.  All created things are captives of nature and subject to its laws. They cannot transgress the control of these laws in one detail or particular.

[30] ‘Abdu’l-Bahá: Promulgation of Universal Peace, p. 49-51

[32] ‘Abdu’l-Bahá in: Toespraken in Parijs, 1910

[33] ‘Abdu’l-Bahá: Selections from the Writings of ‘Abdu’l-Bahá, #31, blz. 63

[34] ‘Abdu’l-Bahá in PUP, pp. 431- 437

[35] One Common Faith, Bahá’í World Center, Naw-Rúz 2005