Het geest/lichaam-vraagstuk
 

Het brein in onderzoek

  

Lichaam, geest en ziel; in balans tussen rede en geloof

Lezing door Eric Fienieg, 2008

 

 [De tekst is HIER te downloaden en de powerpoint-presentatie HIER]

 

 

What Hurts the Soul?

 

We tremble, thinking we’re about to dissolve

into non-existence, but non-existence fears

even more that it might be given human form!

 

Loving God is the only pleasure.

Other delights turn bitter.

 

What hurts the soul?

To live without tasting

the water of its own essence.

 

People focus on death and this material earth.

They have doubts about soul-water.

Those doubts can be reduced!

 

Use night to wake your clarity.

Darkness and the living water are lovers.

Let them stay up together.

 

When merchants eat their big meals and sleep

their dead sleep, we night-thieves go to work.

 

From Rumi’s Mathnavi - a version by Coleman Barks

Printed in “Say I Am You”

Maypop, 1994

 

 

 

Inhoud:

 

Inleiding                                                                                            

De neuropsychologie                                                                          

De neurotheologie                                                                             

Onze antropomorfe wereld                                                                

Posities van materialisme, spiritualisme en combinaties daarvan           

 - vervolg op de volgende pagina

De bijna-dood-ervaring (BDE)

De eeuwige worsteling van de wetenschapaanbidders             

De a-duale mens leeft monoduaal                                                          

 

 

Inleiding

 

Bovenstaande mystieke tekst is van Rumi. De volgende tekst van Bahá’u’lláh sluit daar schitterend op aan: “Hoe kan een ware minnaar blijven bestaan als eenmaal de schitterende heerlijkheid van de Geliefde geopenbaard is? Hoe kan de schaduw voortduren wanneer de zon eenmaal is gaan schijnen? Hoe kan een toegewijd hart enig bestaan hebben ten opzichte van het bestaan van het Voorwerp van zijn toewijding? Nee, bij de Ene in Wiens hand mijn ziel zich bevindt! In deze toestand zal de volledige overgave en zelfuitwissing van de zoeker ten opzichte van zijn Schepper zodanig zijn dat, mocht hij het Oosten en het Westen doorzoeken en over land, zee, berg en vlakte reizen, hij geen spoor van zijn eigen ik of van enige andere ziel zou vinden.” (Bahá’u’lláh in, Juwelen van Goddelijke Geheimenissen/Gems of Divine Mysteries, blz. 70)  Mijn ziel, ‘in de hand van de Ene’, is niet in de zichtbare bestaanswereld te vinden, hoe grondig wij die ook doorzoeken…

 

Lichaam, geest en ziel; dat trio van begrippen hoort bij elkaar. Maar vanuit ons geloofsleven kijken wij vaak anders tegen dit trio aan dan vanuit de wetenschap. Binnen religies ligt het primaat, de prioriteit, de preferentie en suprematie veelal bij de ziel. De ziel wordt door goddelijke openbaring gevoed, en daarmee kunnen wij ons onthechten aan onze lichamelijke impulsen en ons lichaam beter laten gehoorzamen aan onze geest. Maar binnen de natuurwetenschap ligt het primaat, de prioriteit, de preferentie en de suprematie veelal bij het stoffelijke lichaam. Geest is dan een ‘product’ van het lichaam, en ‘ziel’, net zoals ‘vrije wil’, is louter een religieus symbool, meer niet. Vooral in de 19e en 20e eeuw begon het natuurwetenschappelijk wereldbeeld te concurreren met het religieuze. Zo begon het mechanistische- en vooral materialistische denken zich theoretisch te onderbouwen waardoor het sterk verouderende, geesteswetenschappelijke denken vastliep. Het religieuze denken in ‘mind-over-matter’ werd gaandeweg gepareerd door het materialistische denken in ‘matter-over-mind’. Moeten we dit als een concurrentiestrijd zien of als een wederzijds aanvullend denken op weg naar meer waarheid? Immers “Mind matters”

 

Stel bijvoorbeeld dat ik vanuit mijn eigen geloofsleven pretendeer “Wij leven primair geestelijk, zowel als persoon (vanuit onze persoonlijke ziel), zowel als mensengemeenschap (vanuit de vele gemeenschaps-zielen). Bijvoorbeeld intellectueel en spiritueel leven wij spontaan vanuit onze doelstellingen en idealen, vanuit ons geloof, onze religies of ideologieën. Ons lichaam gehoorzaamt dan onze geest omdat ons brein de ‘ontvanger’ is van de geest en onze geestelijke opdrachten vertaalt in lichamelijke acties (net zoals bij radio en TV).” Dat radio/TV-denkmodel is mooi, maar: beleven wij dat ook echt zo? Want dat is het wonderlijke van mooie denkmodellen: ze kunnen in onze geest leven zonder dat we er persoonlijk ook maar één spaan van ervaren. En als je er niks van beleeft, zijn die functionele volgordes dan wel ‘waar’?

 

Welnu, een aloud vraagstuk, zowel bij specialisten als bij leken, is de verhouding tussen geest en lichaam, het ‘geest/lichaam-vraagstuk’. En omdat ons brein het verzamelorgaan van ons lichaam is, spreekt men in het Engels ook vaak over het ‘mind/brain-problem’. Bij het woordje ‘mind’ denkt men in de wetenschap gewoonlijk aan de term ‘bewustzijn’. Materialisten verklaren het bewustzijn graag weg, bijvoorbeeld als illusoir bijverschijnsel van materie, als ‘epifenomeen’, secundair dus. Een heel merkwaardige constructie. In hoeverre heeft die zin?

 

Het eerder genoemde ‘radio/TV-zend-en-ontvangst’-denkmodel gaat ervan uit dat ons brein net als een radio of TV werkt; als het brein zich afstemt op bepaalde geestelijke golflengten, dan kan dat brein van die muziek of dat beeld ook meteen wat maken en kan het lichaam navenant besturen. En het brein kan, omgekeerd, lichamelijke ervaringen tot beeld of muziek vergeestelijken en dan uitzenden, zodat anderen zich daarop kunnen afstemmen. (bijvoorbeeld telepathisch, of in ieder geval para-normaal) [ Verplicht jezelf dan om deze video te bekijken ]

Dat radio/TV-denkmodel, samen met het denkbeeld dat ons bewustzijn eindeloos en met alles doorverbonden is, en nog wel eens zou kunnen functioneren zoals kwantumvelden dat doen, vanuit een soort collectief nulpunt-veld (“The Field”) komt terug in het boek ‘Eindeloos bewustzijn’ van cardioloog Pim van Lommel. In dat boek beschrijft hij zijn onderzoek van de ‘bijna-dood-ervaring’ (BDE) bij veel mensen. Je bent dan letterlijk ‘bijna dood’ (klinisch dood, hersendood) en tóch beleef(!) je zeer indringende, ‘hemelse’ gebeurtenissen waarin je geest juist zeer helder bij bewustzijn is. Een bewusteloos lichaam en een helder bewuste geest. Hoe kan dat nou? Interessant nietwaar?!

 

“Nou, die BDE, dat is allemaal slechts psychisch”, hoor je mensen wel eens zeggen. OK, maar wat is ‘psychisch’ dan? Een soort mengsel van geest en brein? Hoe dan ook: De gewone burger raakt midden in het volle leven steeds meer betrokken op dat geest/lichaam-vraagstuk. En terecht, want weliswaar gaan we er vaak nogal vanzelfsprekend van uit dat we spontaan vanuit een ‘vrije’ en ‘ongebreidelde’ geest functioneren en daarbij gebruik maken van een gehoorzaam lichaam, maar tegelijk weten we steeds meer van de grilligheid van onze ‘psychosomatiek’ en maken steeds vaker mee hoe somatische factoren ons geestelijke leven beperken. Het begrip ‘psycho-somatisch’ wordt dan ook steeds vaker afgewisseld door het begrip ‘somato-psychisch’; biologische factoren die het geestelijke leven sturen, vaak zelfs domineren. Als je dan toch ‘het volle leven’ wilt leven, dan is het vandaag de dag niet meer zo vanzelfsprekend te zeggen wàt er leeft: je geest of je lichaam. Of zijn lichaam en geest misschien gewoon één integraal systeem, dus niet van elkaar te scheiden? Hoe zit dat dan?

 

Vanuit die somato-psychische verschijnselen schets ik in dit opstel eerst de vrij nieuwe wetenschap van de neuropsychologie. Maar daarna ga ik meteen over op het nóg nieuwer en opwindender vakgebied van de neurotheologie, je zou kunnen zeggen ‘de neuropsychologie van de religieuze belevingen’. Ik schrijf daarover terwijl ik oprecht hoop dat iedereen (leek en wetenschapper) kan beseffen dat ‘geest’ op zich nooit te ‘meten’ is in de mate waarin ons brein te ‘meten’ is! Ons geestelijke en spirituele leven zal zich altijd blijven onttrekken aan iedere vorm van meetbaarheid. De materiële, biologische wereld is wetenschapstechnologisch meetbaar, maar de geest en het bewustzijn nooit. En dat is een wezenlijk verschil tussen materie en geest!

 

Daarna probeer ik duidelijk te maken dat wij blijvend in een ‘mensvormige’ (antropomorfe) bestaanswereld leven, ondanks onze transcendentale poging om ons beperkte, menselijke niveau te overstijgen. Maar het wonderlijke is natuurlijk dat wij kunnen beseffen(!) dat wij in een soort ‘gereduceerde’ werkelijkheid leven.

 

Eén hoofdstuk mag niet ontbreken, en dat is die eeuwige spanningsverhouding tussen spiritueel denken en materialistisch denken. Ik bespreek dan in het kort enige posities van materialisme, spiritualisme en combinaties daarvan. Dé bottleneck daarbij is het denken in ‘substanties’.

 

Daarna komt het hoofdstuk over de bijna-dood-ervaring, aan de hand van het nieuwste boek van cardioloog Pim van Lommel. Voordat ik de BDE zelf beschrijf, behandel ik eerst het verschijnsel van de dementering en ook een interessant verschijnsel van de hersenbloeding. Dan kom ik aan de typische kenmerken van een BDE. Het gaat hier om mensen die klinisch al minuten lang “dood” waren maar binnen zo’n 10 minuten nog gereanimeerd konden worden. Nadat zij weer wat op normaal energiepijl waren gekomen, werd hen gevraagd wat ze hadden beleefd tijdens hun ‘breindood’. Van de gereanimeerden had 18% een BDE te melden.

Voor mij blijft de BDE hèt onoplosbare vraagstuk voor de materiële neurowetenschappen.

 

Dan besteed ik aandacht aan de eeuwige worsteling van de wetenschapaanbidding binnen het zogenoemde ‘sciëntisme’. Er is een groeiend ‘civiel sciëntisme’ op grass-roots niveau: het burgerlijk geloof dat het alleen de wetenschap zal zijn die alle antwoorden op alle vragen zal geven, ook op zingevingsvragen, en dat het de wetenschap is die de uiteindelijke vervanger zal worden van alle religies! Sciëntisme, materialisme, naturalisme en atheïsme gaan in de moderne Westerse burgerij nu probleemloos en vredig samen met de meest uiteenlopende New Age ietsismen.

 

En per slot geef ik weer hoe wij als a-duale mens leven binnen een monoduale wereld. Een persoonlijke visie in harmonie met het model van het emergentiematerialisme. Het enige “probleem” waar we mee zitten – zo stel ik – is onze eenzijdige adoratie voor de dominantie van de productieve materiewetenschappen boven de onderontwikkelde(!) geesteswetenschap. Ik pretendeer dat de mensheid toe is aan de ontwikkeling van een nieuwe, een adequater geesteswetenschap voor de menselijke soort, homo religiosus.

 

De neuropsychologie

 

Vraag het de patiënt met een depressieve stoornis en die zal je uitleggen dat hij of zij überhaupt pas ‘leeft’ als hij/zij dagelijks de antidepressie pillen geslikt heeft. Als hij/zij dat niet doet, dan neemt het (lichamelijke) brein het subiet over, en dat brein is dan echt de baas over de geest en stopt alle beleving af. Vraag het aan iemand met een structurele angststoornis in het brein, of aan iemand met een obsessief/compulsieve stoornis, een fobie, een psychose, een burn-out, een PND, of wat dan ook: allen zullen je duidelijk maken dat je somatische brein je geestelijke leven hinderlijk kan domineren, en dat jouw “geestkracht” of “veel bidden, smeken en je zonden bekennen” daar echt niet tegen opgewassen is. Je kunt bidden als brugman, maar met alle ‘kracht van de geest’ kun je iemand niet verlossen van z’n ADHD, autisme, Gilles de la Tourette syndroom of PDD-NOS. We hebben dan te maken met dominante breinstructuren.

 

Er zijn knappe psychiaters die bekend stonden om hun rijke en vrije geest, hun creativiteit, hun spirituele leven, hun culturele bijdragen, die overrompeld werden door een depressieve stoornis, compleet met paranoïde episodes en suïcidale neigingen. Ze werden voor langere tijd in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen, kregen herhaalde malen elektroshocks en zware medicinale behandelingen. Natuurlijk waren er ook wel psychotherapeutische gesprekken bij die behandeling betrokken, maar de factoren die echt tot herstel leidden, waren van puur fysieke en chemische aard, materieel dus! Geen enkele ‘spirituele kracht’ hielp. Het boek "Ver heen" van prof. P.C. Kuiper is een goed toegankelijk en uiterst persoonlijk boek over psychotische depressies gezien vanuit het oogpunt van een patiënt annex psychiater.

Er fungeert weliswaar een nieuw soort psychotherapie, de ‘metacognitieve therapie’ (MCT) voor psychotische problematiek, maar zonder anti-psychotica valt er vaak niets te bereiken.

 

Ons brein is het verzamelorgaan van ons lichaam. Zodra wij geestelijk bezig zijn, bijvoorbeeld met mediteren, fantaseren, religieuze symboliek beleven of mystieke ervaringen oproepen, kan een fMRI-scan ons tonen hoe al die geestelijke bewegingen zich weerspiegelen in neuronale activiteitspatronen in ons brein. Ja, ‘weerspiegelen’, en wel op het computerscherm, maar meer ook niet. Onze ‘vrije geest’ is tot veel in staat en beïnvloedt de werking van ons plastische brein wel, maar zo ‘vrij’ is onze geest nou ook weer niet. Integendeel: de geest blijkt dermate afhankelijk van het stoffelijke brein dat dit onze geest wel heel erg vaak de baas is. ‘Matter-over-mind’ dus…

 

Wetenschappelijk werd al eerder het volgende vastgesteld: worden bepaalde breinkernen of neuronale netwerken door het inbrengen van een elektrische sonde geprikkeld, of psycho-farmacologisch van bepaalde stofjes voorzien, dan kan die puur fysieke of chemische prikkeling op zich al een heel scala van ‘verbazingwekkend geestelijke’ belevingen oproepen!

De neurowetenschappen maken voor ‘het meten van de geest’ van meerdere apparaten gebruik dan die fMRI-scan, bijvoorbeeld ook van de SPECT-scan, CaT-scan, PET-scan, EEG, CES, tDCS, MEG, TES, TMS, etc. Geestelijk leven weerspiegelt zich in neuronale activiteit binnen ons brein, en daarmee in ons gehele lichaam, maar de puur biologische activiteit van ons brein weerspiegelt zich net zo goed in ons geestelijke leven! Zijn lichaam, brein en geest misschien gewoon één systeem? Beleven wij een gereduceerde, ‘lichaamsvormige werkelijkheid’? Leven wij wellicht opgesloten in een puur mensvormige (antropomorfe) wereld? Hoe zit dat dan?

 

Trouwens: totaal afgezien van wat ‘de whizzkids van de wetenschapstechnologie’ allemaal over ons te zeggen hebben, is er gewoon binnen onze voorwetenschappelijke mensenkennis (onze ‘common sense’-volkspsychologie) al het besef dat je nou eenmaal onverbeterlijke mensen hebt met hun specifieke ‘mentaliteit’, hun ‘hard-wired’ psychische make-up, vaak in eerste instantie de ‘probleemfiguren’; geboren dictators, paranoïde tirannen, psychopaten, narcisten, megalomane typen, querulanten, pedofielen, pseudologia fantasten, sociopaten,  geboren demagogen, etc. En daarbij vergeten we nu niet meer de terreur van religieuze of ideologische pathologieën, met hun extremistische en radicalistische mentaliteiten. Dan vermoedt de gewone burger zelf al wel dat het om vaste mentaliteiten moet gaan die niet te therapeutiseren of te corrigeren zijn; in elk geval doen ze structureel aan. Je kunt die ‘verwrongen geesten’, beter uit de weg gaan want eigenlijk gaat het dan meer om ‘Matter-over-mind’ dan om ‘Mind-over-matter’, niet waar?

 

Allereerst: Eigenlijk zou iedereen (leek en wetenschapper) moeten beseffen dat ‘geest’ op zich nooit te ‘meten’ is in de mate waarin ons brein te ‘meten’ is! Ons geestelijke en spirituele leven zal zich altijd blijven onttrekken aan iedere vorm van meetbaarheid. De materiële, biologische wereld is wetenschapstechnologisch meetbaar, maar de geest en het bewustzijn nooit. En dat is een wezenlijk verschil tussen materie en geest! Voor de materiële wereld is er de natuurwetenschap, en voor het geestelijke leven is er de geesteswetenschap. De basis van de natuurwetenschappen is de mathematica en de mechanica, het meten en rekenen in exact herhaalbare, hypothesetoetsende, gelokaliseerde experimenten binnen de empirische wereld, volgens de gangbare ‘regels van de materialistische methode’. De basis van de geesteswetenschappen is de ‘transcendentale fenomenologie’ die overigens wel in harmonie gebracht moet worden met alle empirische feitelijkheden uit de natuurwetenschappen. Meten en rekenen is geen basis voor de integriteit van de geesteswetenschappen, hooguit op arbitraire wijze binnen het deelgebied van de psychologische en sociologische wetenschappen.

 

Had de ‘psychologie’ eertijds een overwegend fenomenologische en metafysische basis, later werd die tot een mechanistische stimulus/respons-gedragswetenschap en tegenwoordig werken wij met de zeer effectieve ‘cognitieve neuropsychologie’, een samenwerking van neurowetenschappen en cognitieve gedragspsychologie. Brein en geest als één (monoduaal) systeem binnen grotere systemen. Maar dan nog: fysieke zaken zijn vrij nauwkeurig te meten, maar ons geestelijke en spirituele leven zal zich altijd blijven onttrekken aan iedere vorm van meetbaarheid.

 

En tegenwoordig is er zich, naast het vakgebied ‘neuropsychologie’, een nieuw vakgebied aan het ontwikkelen: het vakgebied ‘neurotheologie’.  

 

De neurotheologie

 

Wij worden als religieuze wezens geboren, puur omdat we mensen zijn. In de evolutie onderscheidde de menselijke soort zich van alle andere soorten als ‘de gelovige soort’, als ‘homo religiosus’. Wij zijn, zo kun je zeggen, ‘erfelijk belast’ met religieuze belevingen. Genetisch vormt de mens een brein waarin de functie ‘geloof’ niet uit te zetten is! “We are hard-wired to believe”, zeggen neurotheologen dan ook. Wij zijn tot veel in staat, maar één ding kunnen we niet, namelijk ons geloofsleven uitschakelen en alleen nog maar op de ‘rationele toer’ doorleven, als een soort computerrobot, als whizzkids met hun denken in één strakke programmeertaal. Want dan zijn wij gewoonweg onszelf aan het bedonderen. We zijn dan niet meer onszelf maar een computer met z’n artificiële intelligentie van logaritmen, syllogismen en mathematische logica. Goed, we zijn in de loop van de evolutie natuurlijk ook steeds beter gaan analyseren, rationaliseren en computeren, en daardoor ontwikkelden we onze tweede natuur, die van de wetenschappelijke soort, homo sciëntificus, maar onze eerste natuur is en blijft die van homo religiosus. Als een wetenschapper na al het isoleren, reduceren, rationaliseren en analyseren tot hypothese- en theorievorming moeten komen, gebruikt hij toch maar weer zijn synthetiserende, holistische, dus religieuze vermogen! En daarna ‘gaat’ een wetenschapper ook voor zijn hypothese omdat hij er in ‘gelooft’, en dan zal hij ongetwijfeld weer alle mogelijke bewijzen vinden voor de onderbouwing van zijn theorie. Veelal een theorie die door collega-wetenschappers later weerlegd wordt, of veranderd, weer met dat vuur van overtuiging. Wetenschap is en blijft een proces van progressieve ontdekking op basis van het religieus-synthetische vertrouwen in eigen hypothese- en theorievorming.

 

Gewoon al in ons dagelijkse, volle leven komt het aan op het vermogen van ‘vertrouwen’, het ultieme aspect van religiositeit! Alles komt neer op datgene waar we geloof aan hechten, bijvoorbeeld aan ‘wat goed werkt’. Hoe rationeel of wetenschappelijk we onze eigen geest ook vinden, zij blijft gebaseerd op een zeer brede geloofsbasis, op een uitgebreid fundament van vertrouwensartikelen, op een systeem dat bestaat uit een grote verscheidenheid aan (vaak onbewuste!) uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, overtuigingen, vooroordelen, dogma’s, symbolen, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies, paradigmata van waaruit we persoonlijk gemotiveerd worden tot percepties, interpretaties, attitudes; op gedragingen en handelingen in de concrete omgang met onze antropomorfe realiteit op basis van subjectieve projecties. Het bewijs voor dat ‘leven-op-vertrouwen’ wordt geleverd door de regelmatige ervaring van gebeurtenissen die dat ‘vertrouwen’ schenden.

 

En dan is het wel erg geinig dat wij met onze gelovige geest “neurotheologisch” proberen om diezelfde geest te bekijken en te bestuderen, vanuit allerlei standpunten en natuurlijk vooral met wetenschappelijke technologie. Het lijkt sterk op de gymnastische oogbewegingen waarmee we proberen om met onze eigen ogen ons eigen netvlies te zien of de visuele kwabben in ons achterhoofd te bekijken, binnendoor. Hoe goed we ook proberen om wetenschappelijk ‘binnenwaarts’ in onszelf of in de ander te kijken, we krijgen het niet voor elkaar om een ‘mechanica’ van onze eigen ‘geest van geloof’ te reconstrueren . Hetzelfde geldt voor de studie van het wonderlijke fenomeen ‘bewustzijn’: wàt we ook doen, we kunnen ‘de waarnemer’ binnen in ons niet waarnemen, we kunnen ons niet ‘objectief’ en rationeel-theoretisch bewust worden van ons eigen transrationele bewustzijn. Ook al gebruiken wij daar de meest uiteenlopende moderne apparaten voor.

 

Iedereen heeft wel eens gehoord van ‘bio-feedback’ of ‘neuro-feedback’, het onder controle krijgen van je eigen hersengolven door ontspanning en meditatie met behulp van een eenvoudige EEG die gewoon in de handel is voor dat soort therapievormen. Psychische storingen weerspiegelen zich in afwijkende patronen tussen de verschillende hersengolven die in het brein werkzaam zijn. Die patronen zijn dan zichtbaar te maken via de feedback van zo’n draagbaar EEG-scanapparaat, dat via draden op het brein wordt aangesloten. Al lerend kunnen patiënten hun afwijkend patroon stabiliseren of anticiperen op overmatige ontladingen. Zo zijn niet alleen depressies, ADHD, epilepsie, chronische pijn of whiplashklachten te behandelen, maar kan ook de concentratie worden verhoogd. Talentvolle musici gingen door neuro-feedback zelfs betere muziek maken.

 

Tegenwoordig is dan die nieuwe tak van wetenschap in opmars: de neurotheologie. De goeroe en populaire psycho-filosoof Ken Wilber [ zie video ] doet al jaren onderzoek op dit terrein. Zo brengt hij zichzelf met behulp van neuro-feedback in een tranceachtige toestand die veel weg heeft van een mystieke ervaring. De tijd staat dan stil in het bewustzijn. De ervaring van tijdloosheid, het bewust verlagen van de hartslag door de yogi’s, de bijna-dood-ervaring, dat alles zou door de neuro-feedback oproepbaar en controleerbaar zijn. Ken Wilber schrijft in dit verband: “De centrale mystieke ervaring kan redelijk goed (zij het wat praktisch) als volgt omschreven worden: in het mystieke bewustzijn wordt de wereld direct en onmiddellijk ervaren, dus zonder enige bemiddeling, symbolische uitwerking, conceptualisering of abstractie; subject en object worden een eenheid in een gebeuren buiten tijd en ruimte (…). Maar als een fysicus naar de kwantumwereld of de relativistische wereld ‘kijkt’, dan kijkt hij niet naar ‘de dingen zelf’, naar een directe en onbemiddelde wereld, maar naar iets anders, een stel hogelijk abstracte differentiaalvergelijking - niet naar de wereld zelf, maar naar een wiskundige representatie ervan (…) Wat een absoluut, radicaal, onoplosbaar verschil met mystiek! En deze kritiek is van toepassing op alle soorten natuurkunde - oude, nieuwe, antieke, moderne, relativistische of gekwantiseerde”…….

 

Onze antropomorfe wereld

 

Wel, ik ben zelf niet zo enthousiast over een menselijk vermogen dat de werkelijkheid onbemiddeld, direct en mystiek zou kunnen waarnemen. Ik denk dat ons lichaam (ons brein, het verzamelorgaan van ons lichaam) sterk in al onze ‘waar’-neming bemiddelt en ons altijd ‘indirect’ met een ‘antropomorf gereduceerde wereld’ in contact brengt. Daarbij horen ook al onze antropomorfe abstracties, constructies en projecties. Mensen zijn niet zomaar om te vormen tot alziende en alwetende Übermenschen. Ik geloof – als we het hebben over de geest/lichaam-verhouding – dat de menselijke geest weliswaar het primaat heeft, een zekere suprematie en prioriteit bezit tegenover ons stoffelijke leven, maar ik betwijfel het gemak waarmee we zo vlot ‘de Werkelijkheid’ via de mystieke poort kunnen binnenstappen. De Werkelijkheid omvat ons, en niet omgekeerd. Datgene wat omvat, kan door de omvatte niet worden omvat. Je kunt dan terecht zeggen: om ‘iets’ van ‘de Werkelijkheid’ te vermoeden, daar hebben we altijd de onkenbare Transcendente Zelf voor nodig. Wij blijven, als homo religiosus, dus van nature altijd ‘ietsisten’!

 

God mag dan zogenaamd “dood” zijn, zijn ‘schaduw’ keert nu terug in de neurotheologie. ‘God is dood’, zei Nietzsche toen, in 1873. ‘Nietzsche is dood’, zegt God nu, in 2008. Ook Andrew Newberg en Eugene d’Aquili kwamen na jaren van onderzoek naar de hersenen van mediterende boeddhisten, biddende franciscanen en gebedsglossolalie tot de conclusie, dat er tijdens meditaties telkens terugkerende veranderingen in de hersenen optreden. In hun boek ‘Waarom God niet verdwijnt’ stellen zij dat God in onze hersenen ‘verankerd’ zit. De ervaren eenheid met God of het universum wordt teweeggebracht door een keten van gebeurtenissen die in de hersenen objectief zijn vast te stellen. De conclusie is dan snel getrokken: de mens heeft wellicht een ‘God-spot’ in het brein. Maar betekent dat ook dat God te reduceren is tot een vaste plek in een hersenkwab of een specifiek patroon van hersengolven? De mystieke ervaring, zo stellen zij, is een vorm van ‘disclosure’ (onthulling). Er wordt in de hersenen iets vrijgemaakt waardoor een proces van samenvloeien met het geheel in werking treedt. Zo ook hebben generaties oosterse mystici hun spirituele ‘piekervaringen’ beschreven, als een zich ontkoppelende synthese die een voorschot neemt op de grote ‘disclosure van de dood’. Of in de woorden van de hindoeïstische Oepanisjaden: “Zoals de rivieren, stromend van oost naar west, samenvloeien in de zee en er één mee worden, vergetend dat ze ooit afzonderlijke rivieren waren, zo verliezen alle schepselen hun afzonderlijkheid, wanneer ze tenslotte samenvloeien.” Wel, wat moeten we denken over die momenten van ‘disclosure’, van die momenten van het ‘samenvloeien met het geheel’? Laten we in elk geval een open geest behouden tegenover kortstondige momenten van het ‘waar’-nemen van een mysterieus ‘iets’. Straks beschrijf ik de ‘bijna-dood-ervaring’, een kortstondig en wonderlijk ‘iets’.

 

Als het gevoel van eenheid met de kosmos of met God een neurologische basis heeft en ook als hersenactiviteit kan worden aangetoond, dan is het nog altijd de vraag of die neurologische basis als functie door de natuur in het brein is ingeplant, of dat die goddelijke vibraties met iets transcendents samenhangen, bijvoorbeeld de geest, of God. Je kunt daar twee dingen over zeggen. Bijvoorbeeld dat de neuronale ‘God-spot’ een ‘bedoeling’ heeft, in darwinistische zin de bescherming van de soort, homo religiosus. Maar ook dat de werking van die ‘God-spot’ ons ‘heldere bewustzijn’ met onze biologische sterfelijkheid kan verzoenen. (Zie verderop, onder BDE)

 

Nog steeds zitten vele mensen met het oude ‘óf/of/óf’-probleem van óf de geest óf de materie óf die twee ‘substanties’ naast elkaar, het klassieke dilemma tussen twee monismen en het dualisme. Misschien zal de neurotheologie ons opnieuw gaan leren dat God een mysterie is en blijft, in plaats van een droom binnen de droom die ‘leven’ heet. Als brein en geest een onverbrekelijke eenheid vormen en niet los van elkaar kunnen leven, wat dan te denken van een situatie waarin het brein dood is en de geest levendiger dan ooit? Deze situatie doet zich voor bij de zogenoemde BDE, de bijna-dood-ervaring. Maar het is beter om eerst een aantal posities tussen materialisme en spiritualisme te bespreken.

 

Posities van materialisme, spiritualisme en combinaties daarvan

 

In het grote evolutionaire proces ontstond (op de tijdlijn nog maar zeer kort geleden) in een zekere periode het verschijnsel ‘mens’. De menselijke soort verschilde essentieel van alle andere soorten. We hebben onszelf later de soortnaam gegeven van ‘homo sapiens’, de kennende mens. Het gaat dan om een wezenlijk ander soort kennis, een veel hoger en omvattender soort ‘kennen’ en ‘begrijpen’ dan waartoe apen in staan zijn. We noemen ons zelfs ‘homo sapiens sapiens’, de soort die ‘weet heeft’ van zowel dat eigen weten als dat van de ander, de soort die aan zelfreflectie en mentalisering doet. Mentalisering wordt dan gedefinieerd als het vermogen om anderen en zichzelf te zien als wezens wier gedrag vooral wordt bepaald door gevoelens, gedachten, verlangens, dus door innerlijke, mentale toestanden, al dan niet in overeenstemming met de realiteit. De mens ontwikkelde een groeiende mate van zelfkennis en kennis van de mentaliteiten van anderen, en conceptualiseerde zich een aardig effectieve wereldbeschouwing. Vanaf het begin heeft de menselijke soort zich onderscheiden van alle andere diersoorten als ‘homo religiosus’. In het begin was onze religiositeit zeer magisch en primitief, later steeds omvattender. Er ontstonden religies, eerst kleine en primitieve, later steeds grotere en abstractere. Een soort voortschrijdende religieuze vergeestelijking dus.

 

Eén spanningsverhouding deed zich vanaf het begin in de religies voor: de polarisatie tussen ‘materialistisch zijn’ en ‘geestelijk zijn’. Deze polariteit tussen ‘materie’ en ‘geest’ vormt dus een aloud thema binnen alle religies! We gingen er eigenlijk vanzelfsprekend van uit dat we ons moesten onthechten van het materiële en ons spiritueel moesten ontwikkelen. Ook moesten we gaandeweg onze ‘lichamelijkheid’ loslaten teneinde ons meer te ‘vergeestelijken’. Het leven op het stoffelijke en lichamelijke niveau was ‘laag’ en het leven op geestelijk en spiritueel niveau was ‘hoog’. En we moesten (langs transcendentale weg) onszelf ‘verhogen’ en zien te voorkomen dat we onszelf ‘verlaagden’ tot datgene wat we dan ‘materialisme’ noemden. God zou ons daarbij altijd helpen, als we dat tenminste maar echt wilden.

 

Het hierboven geschetste materialisme is het materialisme als aardse levensstijl met een aards moreel, met begeerte naar vermeerdering van aards bezit, van macht en geld; hedonistisch, het zogenoemde ‘ethische materialisme’. Maar wat verstaan we verder nog onder materialisme? Er zijn meerdere vormen van ‘materialisme’.

 

Op wetenschappelijk niveau kwam er de strikt ‘materialistische methode’ bij, met name in de natuurwetenschap. Maar deze moet wel onderscheiden worden van het ‘ideologische materialisme’ (materialisme als ideologische doctrine). Verder worden we ons steeds meer bewust van het zogenoemde ‘spirituele materialisme’, en vooral deze vorm bedreigt de gezondheid van ons spirituele leven en de volwassenwording van onze religiositeit!

 

In het ‘ethische materialisme’ zijn materiële hebbedingen het enig waardevolle, die zijn dus primair; de rest (geestelijk leven, culturele vorming) is maar secundair. Het intellectuele ‘ontologisch materialisme’ zegt dat er uitsluitend materie bestaat en dat ‘de rest’ (zoals bewustzijn en geest) illusies zijn. Dit ‘ontologisch materialisme’ kan dan onderverdeeld worden in ‘reductionistisch materialisme’, het radicale type materialisme (andere categorieën dan "materie" hebben überhaupt geen enkele realiteitswaarde) en het ‘emergentie-materialisme’, het gematigde type. Reductie is het ‘reduceren’ (analyseren en verklaren) van complexe zaken op hogere nivo’s tot eenvoudige zaken op lagere nivo’s. Reductionisme is de opvatting dat wetenschap zo’n reductie nastreeft (en dat reductie dus mogelijk en vruchtbaar is). Het emergentiematerialisme is tegenwoordig aardig populair onder een aantal visionaire denkers omdat dit het "leven" en de "geest" erkent als vorm van materiële ‘organisatie’ (dus niet in de vorm van zelfstandig bestaande ‘substanties’).

 

Laten we nog wat doorpraten over de ‘substanties’ waaruit de kosmos zou kunnen ‘bestaan’. En dan zal ik aan het slot van dit hoofdstuk proberen uit te leggen waarom het denken in ‘bestaande substanties’ altijd weer de nodige problemen en strijdperken oplevert!

 

Het zogenoemde ‘hylisch pluralisme’ (meerstoffelijkheid) zegt dat de kosmos uit meerdere substanties bestaat (bijvoorbeeld zes) in niveaus van grofstoffelijk tot fijnstoffelijk, in mengvormen zelfs. Het hoogste is de pure geest zelve. Andere vormen van hylisch pluralisme zijn bijvoorbeeld het denken in “aarde, water, vuur en lucht”, de ‘vier elementen’ waaruit de kosmos bestaat. Je kunt je indenken hoe we in kosmische substanties zijn gaan denken als je teruggrijpt op de vier aggregatietoestanden van water: keihard ijs, stromend water, stoomwolk, gasvormige luchtvochtigheid.

 

De twee ‘monismen’

 

Het ‘spiritueel monisme’, of solipsisme, of idealisme zegt: “Alles is niets-anders-dan geest” en materie is slechts een illusie. Het ‘materialistisch monisme’ - nu erg in aanzien binnen het sciëntisme - zegt: “Alles is niets-anders-dan materie” en geest is slechts een illusie. 

 

Het ‘dualisme’

 

Het cartesiaans ‘dualisme’ zegt “Er zijn twee substanties, geest en materie, los van elkaar, maar ze kunnen elkaar beïnvloeden”. Dit ‘dualisme’ komt het meest in de monotheïstische religies voor, maar is gaandeweg na de Verlichting ongeldig verklaard. Tegenwoordig ben je binnen de wetenschap verdacht en word je zelfs als “dualist” afgeserveerd in de strijd van de natuurwetenschappelijke gemeenschap tegen religieuze denkbeelden.

 

Het ‘spiritueel materialisme’

 

Het ‘spiritueel materialisme’ komt ‘van boven’ in plaats van ‘van beneden’ en is al een zeer oude religieuze geesteshouding waarin spirituele zaken beleefd worden als een soort natuurkundige verschijnselen, dingmatig, mechanistisch; krachtvelden, vaststaande brokken die met elkaar kunnen ‘botsen’, een natuurwettisch en letterlijk denken, een soort techno-spiritualiteit. Letterlijke schriftinterpretaties als ‘rotsvaste’ doctrines bij de orthodoxen. Veel bijgelovige rituelen, bijvoorbeeld die van de ‘transsubstantiatie’. Het gevolg van het spiritueel materialisme is een verstarring en bevriezing van de religie. Het veroorzaakt tevens een meer ‘extrinsiek’ dan ‘intrinsiek’ geloof evenals het denken in ‘wij’ en ‘zij’, etnocentrisch.

 

Vanaf het bovenbeschreven ‘hylisch pluralisme’ tot en met het ‘spiritueel materialisme’ (en dan sloeg ik ook nog een aantal posities over) is het denken in ‘bestaande substanties’ de bottleneck. Geen van de genoemde posities kan ooit triomferen als dé ‘absoluut ware’ positie. Het denken in ‘substanties’ is namelijk zelf al een puur menselijke bezigheid en blijft subjectief, beperkt door reducerend, antropomorf denken. Wij kunnen uitroepen “dat is substantieel!”, waarmee we willen uitdrukken dat een bepaald denkbeeld van het opperste belang is, of zelfs ‘essentieel’. “Al dat andere is niet-substantieel”, willen we dan zeggen. Echter dat soort emotioneel geladen uitspraken als ‘essentieel’ of ‘substantieel’ behoort tot de menselijke hebbelijkheid tot ‘ontologiseren’; wij plaatsen onze zaken dan binnen ‘de bestaanswereld’ terwijl we geen toegang hebben tot ‘essenties’. De ‘bestaanswereld’ is en blijft immer een menselijke wereld, de antropomorf gereduceerde wereld van de menselijke soort, homo religiosus, en niet een soort ‘absoluut ware’ wereld. De mens heeft ook geen toegang tot ‘Dé Ultieme Werkelijkheid’. Daar proberen we hooguit ‘enig contact’ mee te krijgen langs transcendentale weg.

 

Het universum is gemaakt van verhalen, niet van atomen

 

Uiteindelijk is de menselijke werkelijkheid veel meer een narratieve dan een objectief substantiële werkelijkheid. De kosmos bestaat noch uit materiële stofdeeltjes, noch uit ‘geestsubstanties’! Het ‘bestaan’ van een geestelijke substantie (-straling, -krachtveld, etc) is een overbodige hypothese en zelfs een storend denkmodel. Dit wordt nog steeds moeilijk begrepen. Dan is het emergentiematerialisme [zie boven] een betere optie voor het begrijpen van de geest/materie-verhouding.

 

Dus eigenlijk is er alleen maar ‘verhaal’ aan het werk. Wij mensen scheppen onze werkelijkheid met gebruik van woorden, benamingen, attribueringen, formuleringen. Muriel Rukeyser 1913-1980 zei over onze narratieve werkelijkheid: “Het universum is gemaakt van verhalen, niet van atomen.” Hans Peter Dürr, fysicus zegt over de stoffelijkheid: “Wat materie ook is, zij bestaat niet uit materie.” Sir Arthur Eddington, fysicus: “De materie is overwegend een spookachtig lege ruimte.” Vraag het de kwantumfysici. “Materie” bestaat in werkelijkheid uit intellectuele en mechanistisch meetbare abstracties binnen een gesloten intellectueel systeem.” Onze geest creëert verhalend de bestaanswereld. Een gelovig wetenschapper zoals Philip Hefner noemt de mens ‘geschapen medeschepper’. Je zou, op aloud religieuze wijze, kunnen zeggen dat wij daarbij rentmeesters zijn van ‘het scheppende Woord van God’.

vervolg >