Cusanus voor een nieuwe tijd
bijdragen graag naar  info@ericwil.nl

 

 

God in onderzoek

 

Nu alweer 555 jaar geleden was het de geniale Nikolaas van Cusa (Cusanus) die in 1453 beweerde dat God in de verschillende religies op verschillende manieren gezocht werd, en dat God in iedere religie weer een andere naam kreeg. Maar, zei Cusanus, toch blijft God immer Zichzelf, de Bij-Zich bestaande, onbenoembaar, onkenbaar, dus ook door geen enkele religie te claimen! Cusanus smeekte God dat Hij Zijn aangezicht zou tonen, want dan zouden de religies geen kruistochten meer voeren om hun monopolie op God te verdedigen. Dan zouden alle mensen zich namelijk realiseren dat er in werkelijkheid maar één religie is, de ene religie die gekleed gaat in een oneindige verscheidenheid aan religieuze tradities. [1]  Deze grote theoloog-filosoof schreef in 1453 de dialoog ‘De pace fidei, una religio in rituum varietate’ een pleidooi voor religieuze verbroedering in de vorm van een droom: 17 vertegenwoordigers van de belangrijke levensbeschouwingen en religies werden uitgenodigd voor een conferentie in de hemel rondom Gods troon. Daar overlegden ze gezamenlijk hoe ze tot één religie, één godsverbondenheid met behoud van een variëteit aan riten konden komen. Na afloop werden ze naar de aarde teruggestuurd om er in eigen kring tolerantie en vrede tegenover de 'anderen' te bepleiten. 

 

Hij onderstreepte, dat geen enkele religie het goddelijke mysterie kan begrijpen en in het beste geval een benadering van het ene mysterie kan zijn. De katholieke Cusanus wilde anderen niet uit hun onwetendheid verlossen door hen tot hèt ene ware ‘katholieke weten’ brengen. Hij wilde juist het bevroren weten vervangen door een ‘geleerde onwetendheid’, het besef dat religieuze waarheid altijd relatief zal blijven. In zijn ogen ontstaat het religieus geweld uit een verabsoluteerd waarheidsgeloof. Waarheid is één, dus kan ook alle religieuze waarheid, immers altijd relatief van aard, verenigd worden. “Omdat er maar één waarheid is en elke vrije geest die noodzakelijk moet inzien, zal de hele verscheidenheid van godsdiensten tot één waar geloof teruggebracht worden.”[2] 

 

 

The 1893 Parliament of the Worlds Religions

 

Het zijn de christenen die in de 19e eeuw het initiatief namen tot het oprichten van platforms voor interreligieuze dialoog. Dat uitte zich bijvoorbeeld in 1893 te Chicago waar de eerste zitting van het Parlement van de Religies van de Wereld plaatsvond. Van de 170 sprekers waren er 100 van Protestantse afkomst, maar er waren ook sprekers van moslem-zijde, hindoes, boeddhisten, confucianisten, jains en zoroastriërs. Het was op 23 September 1893 dat er op de genoemde zitting voor het eerst in Amerika publieke melding gemaakt werd van het Bahá’í-geloof door de Syrische missionaris George Ford die een paper presenteerde over Bahá’u’lláh die net het jaar daarvoor overleden was. De komende zitting van het Parlement van de Religies van de Wereld zal trouwens in december 2009 plaatsvinden, in Melbourne, Australië. Er worden dan zo’n 10.000 deelnemers verwacht.

 

In de 20e eeuw is het aantal interreligieuze platforms in de wereld explosief toegenomen, en weer moet gezegd worden dat de christenen steeds het voortouw hadden in dergelijke initiatieven. Wat mij nu zo boeit, is dat opmerkelijke verschil tussen twee niveaus van het interreligieuze denken en beleven. Op het niveau van de publicaties is er sprake van een lawine aan boeken, artikelen, statements en voordrachten, resulterend in zeer beloftevolle visies die rechtstreeks op Cusanus aansluiten. De spiritueel ontwikkelde en multireligieus georiënteerde denkers onder ons weten het dus eigenlijk best wel. Maar op de werkvloer van het daadwerkelijke interreligieuze verkeer schijnen we maar moeilijk te ontdooien. Alsof we religieus verstard zijn, of geharnast, spiritueel onbeweeglijk, vastgeroest of bevroren. Wanneer zou de dooi zijn intrede doen?

 

Bij verreweg de meeste interreligieuze ontmoetingen blijven we op het niveau van héél voorzichtig snuffelen aan elkaar, vooral je best doen om vriendelijk, vredig en veilig te communiceren, ieder vanuit z’n eigen bolwerk, vooral géén confrontaties aan te gaan, een ‘knuffeldialoog’ dus. Nee, net zoals we geen keiharde oorlog meer willen tussen katholieken en protestanten zoals in Ierland, willen we eigenlijk geen afslachtingen meer tussen soennieten en sjiieten zoals in Irak, en wij willen eigenlijk een einde aan de oorlog tussen arabieren en joden in het Midden-Oosten, of tussen onze eigen Hollanders en de Taliban in Afghanistan, etc, etc. We willen trouwens geen tweede Van Gogh op straat hebben liggen, geen moord op Wilders, en wat we vooral ook niet willen is het verstoord raken van onze winstgevende handelsbetrekkingen, ook geen dodelijke slachtoffers in onze brandende ambassades. Maar wat willen we wèl?

 

Eenieder die goed kennis heeft gemaakt met de overvloedige literatuur die inmiddels ook op internet beschikbaar is rondom het interreligieuze verkeer in onze multireligieuze wereld, zal geboeid en geïnspireerd zijn door de visievorming waartoe wij in staat zijn. Maar kennelijk blijft er een soort onoverbrugbare kloof bestaan tussen theorie en praktijk, ja zelfs tussen ons eigen denken en handelen, kortom tussen hemel en aarde. En kennelijk is onze sektarische overlevingsdrang nog steeds dominant tegenover ons groeiende begripsvermogen!

Nee, het zou veel dieper moeten gaan, om datgene wat Raymundo Panikkar al zoveel jaar geleden voorstelde, namelijk om eerst onder je eigen geloofsgenoten dialoog te voeren over wat je nou eigenlijk echt aan je religie beleeft. Om onderscheid te maken tussen wat je wèl van je geloof ervaart en wat niet, en dan kom je bij je eigen, authentieke geloofservaring, beter dan blindelings navolgen van het voorgeschrevene. Een indrukwekkende tekst van Panikkar is zijn ‘Bergrede’ van de intra-religieuze dialoog. [Kijk HIER]

 

Raymundo Panikkar

 

Manuela Kalsky, pratend over de recente Pinkster make-over in de Utrechtse Janskerk, ziet de weg tot verbroedering op het aardse niveau van de praxis liggen, en niet in de hemel van theoretisch dispuut zweven: “De interreligieuze dialoog moet wat mij betreft beginnen bij het dagelijkse leven van mensen, niet bij begrippen en leerstellingen uit de verschillende religieuze tradities. Wij hebben op zo'n middag een ontmoeting met 320 mensen. Is het dan nodig om allerlei zware, cultuurfilosofische problemen uit het begin van onze jaartelling op tafel te leggen? Wij kozen voor een speelse, lichtvoetige aanpak en probeerden ervoor te waken elkaar in allerlei verdomhoekjes te plaatsen.” En over de website Reliflex: “Wij proberen een religieuze flexibiliteit te bevorderen en de ramen open te zetten voor andere geloven. Dat is nodig. Door 11 september, de moord op Pim Fortuyn en op Theo van Gogh zijn we bang geworden. Die angst heeft ervoor gezorgd dat we ons terugtrekken op eigen erf, daar achten we ons veilig. Het is niet goed je door angst te laten leiden. We moeten onze zekerheden niet meer willen halen uit een ouderwetse, statische identiteit. We hebben een vloeibare identiteit nodig.”

 

Aan Karin Kasdorp-de Jong, medewerker van Reliflex, werd gevraagd “Als we nog maar net met de dialoog begonnen zijn, moeten we onze ambities dan niet bijstellen?” Ze antwoordde “Integendeel, we moeten nog veel ambitieuzer zijn, door professionalisering via leerstoelen, een HBO-dialoogleergang of een expertisecentrum.” Welnu, hoeveel mensen aan de basis kunnen nog geloven in de top van de professionalisering via leerstoelen, of in een vruchtbare impact van een hemels expertisecentrum? Zou de kloof tussen theorie en praktijk, tussen hemel en aarde, door professionalisering ineens wèl overbrugd kunnen worden? Zou de rede in staat zijn om het geloofsleven van de mensheid te harmoniseren? Of is er nóg een proces gaande waar we rekening mee moeten houden.

 

De modernistische factor van de religiekritiek

 

Wat Cusanus in 1453 niet heeft ondervonden is de impact van de moderniteit, de secularisatie en de religiekritiek, resulterend in een volstrekt nieuwe beweging, namelijk die van de militante ‘nieuwe atheïsten’ en de naturalistische sciëntisten. De boeken van Richard Dawkins, Daniel Dennett, Christopher Hitchens, Sam Harris, etc, vliegen als warme broodjes de toonbank over. Genoemde auteurs hebben zich verenigd en zijn op de barricades geklommen onder de verzamelnaam “de Brights”, de nieuwe mensensoort die de intelligentie en rationaliteit bezit om zich voorgoed bevrijd te voelen van iedere vorm van geloof en religie. Zij voeren een fanatieke jihad tegen dat achterlijke begrip ‘God’ en die schadelijke gewoonte van godsdienst; eigenlijk tegen alles wat maar mythisch, spiritueel, mystiek of religieus aandoet, maar met name tegen georganiseerde religie. De ‘post-nine/eleven’ jihadi’s van het nieuwe atheïsme bedienen zich niet van islamistische zwaarden, bomgordels, kalashnikovs-met-koran, vrachtwagens vol explosieven, volgetankte Boeiings 747 of andere van dat soort overtuigingsmiddelen in het debat; nee, zij bedienen zich van het woord, de pen, het charismatische discours, met historische feiten en wetenschappelijke argumenten. Zij zijn trots als een pauw op hun identiteit als antitheïst en op hun heilige strijd tegen al dat bijgeloof.

 

De strijd tegen alle vormen van bijgeloof hééft ook iets heiligs! Het lijkt bijna alsof Gods eigen hand achter dat project van de naïeve Brights zit; alsof zij juist doen wat God wil. Niet alleen worden we ons bewust van de schadelijkheid van religieus fanatisme en extremisme, maar ook van de verstarring door het dogmatisme, het religieus exclusivisme, finalisme en triomfalisme. En daar zullen we op basisniveau, vanuit de grass-roots zelf dus, toch wat mee moeten. De premoderne religies zijn als bestuurde organisaties kennelijk niet in staat om zichzelf flexibel te maken, geschikt voor een nieuw transmodern tijdperk.

 

Hoe naïef de ‘nieuwe atheïsten’ hun verhaal ook doen, hoe groot hun blinde vlekken ook zijn, hoe simplistisch zij ook redeneren, hoe aandoenlijk ook hun zelfovertuigde enthousiasme en hun al te triomfantelijke sciëntisme: hun heilige vuur heeft genoeg charisma om juist de grote massa tot nadenken te brengen. Hoezeer het deze militante sciëntisten ook ontbreekt aan een basaal geesteswetenschappelijk overzicht, aan spirituele vorming of zelfs van psychologisch inzicht, toch hebben ze een soort Heilige Zaak te verdedigen. De leek wordt nu nog door hen gerustgesteld met een “Hier heb je tenminste de knappe wetenschappers zelf die eindelijk wetenschappelijk bewijzen hoe achterlijk religie is”. Maar zou de gewone burger zo dom zijn dat die zich definitief in slaap laat sussen met een eenzijdig geloof in de menselijke maat van het rationalisme? Misschien niet definitief. Maar toch:

 

In het Westen heeft zich een basaal soort Verlichtingsfundamentalisme gevestigd. Was er in de academische wereld al een hele poos sprake van een gestage toename van trotse sciëntisten, er is nu ook een groeiend ‘civiel sciëntisme’ op grass-roots niveau: het geloof dat het alleen de wetenschap zal zijn die alle antwoorden op alle vragen zal geven, ook op zingevingsvragen, en dat het de wetenschap is die de uiteindelijke vervanger zal worden van alle religies! Sciëntisme, materialisme, naturalisme en atheïsme gaan in de moderne Westerse burgerij nu probleemloos samen met de meest uiteenlopende New Age ietsismen en andere religieuze geloofsartikelen, bijvoorbeeld die gebaseerd zijn op de zogenoemde ‘nieuwe wetenschappen’, zoals ‘kwantumveldenreligiositeit’, of zelforganisatie-, chaos- en complexiteitsreligiositeit. De enige religieuze bron en autoriteit die gaandeweg vervaagt (en steeds bewuster geweigerd wordt) is de autoriteit met de naam “God”. In het SCP-onderzoek van 2006 leven 48% van de Hollanders onder de categorie “Gelukkiger zonder God”. De hamvraag is natuurlijk “Over welke ‘God’ heeft men het eigenlijk bij die afschaffingsdrift?” Het zou nog wel eens kunnen dat de menselijke soort in een evolutiefase terecht gekomen is om zich geheel te herbronnen, zich op een geheel nieuwe manier af te stemmen op de allesomvattende, allesdoordringende, alomtegenwoordige, allesbezielende, paradoxaal kenbare/onkenbare doch pertinent niet-‘bestaande’ Bron; een soort innerlijke 'make-over'.

 

Bert de Vries, atheïst, schreef in Trouw op 8 maart j.l. “In de discussie naar aanleiding van Richard Dawkins’ boek ’God als misvatting’ passeren steeds weer dezelfde bekende argumenten. In een oeverloze herhaling van zetten proberen gelovigen en ongelovigen het slimste te zijn in de onderbouwing van het eigen gelijk. Atheïsten proberen aan te tonen dat er geen God bestaat, dan wel dat zijn bestaan niet bewezen kan worden en dat hij dus irrelevant is. Theïsten zeggen ofwel dat er iets als een God moet bestaan, een ontwerper. Ofwel dat het bestaan van God niet bewezen kan worden, maar daarom niet minder waar is. Het echte probleem draait natuurlijk niet om de vraag wat de waarheid is, maar om de vraag hoe we met elkaars waarheid moeten omgaan. Atheïsten zou bescheidenheid passen in het bekritiseren van gelovigen. En religies zouden van de weeromstuit bescheiden moeten zijn in hun aanspraken: op universele waarheden, op alomvattende verklaringen, op moraliteit, op zingeving. Samenleven in een open, democratisch bestel vereist nu eenmaal een relativering van de eigen waarheidsclaims. En daarin zijn velen, gelovigen en ongelovigen, niet zo sterk.”

 

En dan vervolgt hij: “Het bewijs van Bertrand Russell tegen het bestaan van God en de recentere redeneringen van Herman Philipse of Julian Baggini leverden saaie lectuur, en vermoedelijk geen enkele bekeerling op. Geloof beweegt zich in een ander domein dan de wetenschap. Ik heb eigenlijk nooit begrepen waarom die twee elkaar zo bestrijden. Als we aanvaarden dat wetenschap gaat over verklaren en voorspellen, en geloof over het bieden van troost en rituelen, dan gaan ze heel goed samen. Godsdienst moet zich niet bemoeien met wetenschap, en omgekeerd.”

 

Wat mij bij atheïsten vaak opvalt is hun oeverloze herhaling van bekende zetten door monotoon te blijven beweren dat het uitsluitend de wetenschap is, die gaat over het verklaren en voorspellen, en dat religies slechts troost en rituelen bieden. Juist het kostbare religieuze vermogen van de wetenschapper is steeds bezig met verklaren en voorspellen. Uitkomsten via analyserende rekenformules verklaren niks. Dat doen de wetenschappers zelf, met hun religieus vermogen tot hypothese- en theorievorming op basis van die rekenuitkomsten. In de hele wereld is geen computer te vinden die in staat is tot dat holistisch synthetiserende vermogen, tot dat religieuze vermogen van hypothese- en theorievorming. Analyse via rationele logaritmen en syllogismen vormen de basis van wetenschappelijk onderzoek, maar uit logaritmen en syllogismen spruiten geen holistische theorieën voort over de werkelijkheid. Bleef het maar bij een ijverige wetenschapsbeoefening zelf. Bij vele wetenschappers gaat dat “verklaren en voorspellen” ver over de wetenschappelijke demarcatielijn heen.

 

Zij gaan dan “wetenschappelijk verklaren” hoe dom, achterlijk, primitief, gevaarlijk het menselijk geloofsleven is, zonder in de gaten te hebben dat zij dus ook hun eigen atheïstische geloofsleven voor dom, achterlijk, primitief, gevaarlijk verklaren. Het sciëntische geloof dat het uiteindelijk de wetenschap zal zijn die alle antwoorden op alle vragen zal geven, ook op zingevingsvragen, en dat het de wetenschap is die alle andere religies zal vervangen, is een religieus triomfalisme van zeer fundamentalistische aard. Het heeft dezelfde trekken als het religieus exclusivisme en finalisme. Het sciëntisme, en daarmee het dogmatisch materialisme en modieus rationalisme, gaan nu probleemloos samen met een religieuze devotie voor het toevallisme. En onder de eerder genoemde ‘Brights’ formeert zich eenzelfde religieuze hiërarchie van priesters, hogepriesters, voorgangers en volgelingen als in de kerken van vroeger.  Het heilige Toeval wordt nu aanbeden als dé Bron van alle leven, inclusief het leven van de menselijke geest en van de geopenbaarde religies. Naïever kan het haast niet. Als er één ding empirisch nooit aangetoond kan worden, dan is dat wel het bestaan van toeval. Toeval is en blijft een menselijk construct, een intellectuele abstractie die gebruikt kan worden bij stochastisch onderzoek. Het is en blijft gewoon een mathematische handigheid die we zelf hebben uitgevonden ter verfijning van onze onderzoekstechnologie. Toeval zelf bestaat gewoonweg niet. Waar de wetenschap het juist van moet hebben zijn de vele, betekenisvolle ontoevalligheden. Het hele fundament van alle wetenschappelijke kennis bestaat juist uit de empirische vaststelling van ontoevalligheden!

 

Datzelfde naïeve triomfalisme geldt voor “wetenschappelijke theorieën” die de geest, het bewustzijn en de vrije wil uit de werkelijkheid weg redeneren. Veelal doen zij dat op basis van neurowetenschappelijke technologie. De redenering gaat ongeveer als volgt: Wij hebben uit de wetenschap de oorzakelijke factor God kunnen verdrijven, dus… nu gaan we gewoon verder door ook het bewustzijn en de vrije wil uit de wetenschap te elimineren. Dit is het summum van het trotse sciëntisme, het eliminatief materialisme, sterker dan het oudere reductionistische materialisme. Het is dan ook geinig om vast te stellen dat dit soort sciëntisten geprikkeld reageren als je van hen veronderstelt dat zij “dus” hun theorieën geheel onbewust hebben opgesteld, dat zij geheel geestloos hun intellectuele arbeid hebben verricht, dat zij geheel verstoken waren van de vrije keuze en de vrije wil bij het opstellen van hun hypothesen en theorieën, en dat hun zienswijze volledig ‘toevallig’ en ‘automatisch’ ontstond en dus op geen enkele wijze een verdienste van henzelf was! Dezelfde irritatie vertonen atheïsten ook als volkomen terecht tegen hen gezegd wordt dat hun geloofsleven een ‘stealth religion’ betreft. Zij staan als nieuwe mensensoort immers ver boven homo religiosus, de gelovige soort. Zij zijn immers het superieure ras, de homo rationalis, de homo sciëntificus.

 

Nee, laten natuurwetenschappers nou gewoon ijverig hun natuurwetenschappelijk werk doen, dus zonder zich ver over de wetenschappelijke demarcatielijn te begeven om het geestelijk leven op “wetenschappelijke wijze” te elimineren. Zij hebben dan niet in de gaten dat zij dus ook zichzelf elimineren, en dat zij het wetenschapsbedrijf te schande zetten door zich in een compleet ander magisterium te begeven, het magisterium van de geesteswetenschappen en de religies.

Inderdaad: het magisterium van de geesteswetenschappen en religies stelt nog maar weinig voor en biedt absoluut nog geen tegenwicht tegenover het platte materialistische denken. Maar ik schat in dat juist de ‘clash van religies’ ertoe gaat bijdragen dat een nieuwe generatie van geesteswetenschappers zal opstaan die universalistisch onderzoek kunnen doen en ertoe kunnen bijdragen dat homo religiosus zich in haar geloofsleven kan herbronnen, tot een 'tweede naïviteit' kan komen, tot een volwassenwording van het geloofsleven, een geloofsleven in overeenstemming met de menselijke rede, in harmonie met de goddelijke rede.  


[1] Nicolaus Cusanus, from De pace fidei; cited by Udo Schaefer in Beyond the Clash of Religions, trans. Geraldine Schuckelt (Prague: Zero Palm Press, 1995), p.150.

[2] Nicolaas van Cusa: ‘Godsdienstvrede’, vertaling dr. Jos Lievens; inleiding prof. dr. Jos Decorte, Pelckmans/Agora, 2000, 120 blzz. ƒ 28,90