De bijna-dood-ervaring (BDE)
 

de tunnel

 

[vervolg van geest/lichaam-vraagstuk]

 

Bijna dood, dat zijn we natuurlijk allemaal. Voor de één is dat over een paar dagen, voor de ander over een paar jaar, voor nog een ander over een paar decennia. Maar allemaal zijn we vol ijver op weg naar de dood. “Oef, ik leef me dood!”, riep iemand eens uit. OK, dan is ons lichaam dood. Het brein, ons lichamelijk verzamelorgaan, is dan dood. Maar is onze geest dan ook dood? Trouwens: een bijna-dood-ervaring overkomt sommigen ook wel eens midden in het volle leven, bijvoorbeeld als iemand van een bergwand valt en het toch nog overleeft, of iemand die bijna verdronk, of iemand die op een dikke boom reed, etc. Zo’n BDE heeft vaak een ‘vergeestelijkend’ effect op iemands leven.

 

Laten we ons eerst eens bezig houden met het verschijnsel van de ‘dementering’, vaak meer ‘verstoffelijking’ dan ‘vergeestelijking’. Tegenwoordig kun je in je codicil de uitdrukkelijke wens/opdracht opnemen dat je bij verregaande dementering een ‘zachte dood’ toegediend krijgt; euthanasie dus. Waarom? Wel, simpel: zonder brein is het ‘geen leven’. Bij dementering is sprake van breinverval. Op de MRI-scan is duidelijk waarneembaar dat er in ons brein letterlijk gaten vallen. Breinweefsel verdwijnt uit de neocortex, progressief en vaak met grote happen tegelijk. En je merkt dan concreet hoe ook het bewustzijn en de geest ‘gaten’ gaan vertonen, steeds meer gaten, totdat er in de rolstoel een zogenoemd ‘vegeterend’ en ‘geestloos’ lichaam zit. De persoon zelf is bezig te ‘verdwijnen’. Is dan zijn ‘geest en ziel’ ook aan het verdwijnen? Het lichaam is bijna dood zegt de arts, en eerlijk gezegd had iedereen al wel gemerkt dat de geestelijke persoon ook ‘bijna dood’ was. Hugo Claus, beroemd Belgisch auteur, had het al besloten: zodra hij zijn ‘onttakeling’ zou gaan meemaken, zijn ‘ontluisteringsproces’ ging beleven, zodra hij de ‘waardigheid’ en ‘persoonlijkheid’ zou verliezen, nam hij ‘de pil van Drion’. Geestelijk dood, dan ook maar meteen terug naar de stof, onder de zoden.  Blijft er dan tóch die ene regel uit de Bijbel over: “stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren”? Via dementering en euthanasie tot de stof wederkeren in plaats van de geestenhemel in zweven? Het ‘rijk der geesten’, de ‘eeuwige jachtvelden’, het ‘land van ooit’, het ‘hiernamaals’, maar ook een kwantum-geestkrachtveld, etc’, zijn dat geen volstrekt overbodige hypothesen als je van ‘geest’ een soort natuurkundig meetbare en ‘bestaande substantie’ maakt? Waarom zouden we natuurkundig met ‘geest’ omgaan? Is ‘geest’ niet veel meer iets voor geesteswetenschappers dan voor cardiologen?

 

Een ander verschijnsel gaat juist om ‘vergeestelijking’ en ‘spiritualisering’ in plaats Claus’ verstoffelijking! In het volgende voorbeeld gaat het om een hersenbloeding waardoor een deel van het brein wordt uitgeschakeld. Beluister de uitleg maar eens [ zie video ] van een vrouwelijke neurowetenschapper, Jill Bolte Taylor, die tot ervaringsdeskundige werd doordat haar linkerhersenhelft het geheel liet afweten door een hersenbloeding. Ze leefde een poos uitsluitend op haar rechterhersenhelft. Wat ze rapporteert is een spirituele beleving die dezelfde trekken heeft als de zogenoemde ‘Bijna Dood Ervaring’ (BDE). Genoemde video is één van het groeiende aantal rapportages van mensen die met hun spirituele ervaringen bijdragen aan het ontraadselen van het geest/lichaam-vraagstuk.

 

Pim van Lommel, cardioloog te Arnhem, werd in 2001 bekend in de hele medische wereld door zijn degelijke en wetenschappelijk verantwoorde onderzoeksverslag over de BDE in het prestigieuze vakblad The Lancet. (Je moet bedenken dat slechts 1 van de 10 inzendingen door the Lancet wordt toegelaten!) Bij van Lommel gaat het om BDE-onderzoek van 1986 tot 1992 bij 344 patiënten, en sinds november 2007 beleeft zijn boek ‘Eindeloos Bewustzijn’ z’n achtste druk in januari 2008. De schatting is dat het boek in 2008 een bestseller wordt. Aan het onderzoek hebben 20 ziekenhuizen deelgenomen hoewel Van Lommel zelf op slechts 4 ziekenhuis-locaties in en rondom Arnhem persoonlijk voor onderzoek aanwezig was.

 

Maar bedenk wel dat de bijnadoodervaring al vanaf het verhalende begin van de mensheid werd meegenomen, in anekdotes, legendes, later in de literatuur, de kunst, de film, het theater. Plato beschreef al een BDE van een soldaat op het slagveld. Pas in de moderne tijd, bij de opkomst van de moderne geneeskunde en psychologie komt er serieuze belangstelling voor echt BDE-onderzoek. Albert von Sankt Gallen Heim (1892) was zo’n beetje de eerste die een onderzoeksverslag naliet. Dan heb je natuurlijke de bekende Elisabeth Kübler-Ross (1969) en de nog bekender Raymond Moody (1975). Later kwamen er steeds meer onderzoekers bij, George Ritchie, Michael Sabom, Kenneth Ring, Bruce Greyson, P.M.H. Atwater, Sam Parnia, Melvin Morse, Peter Fenwick, Mario Beauregard, etc. Gaandeweg werd het onderzoek steeds professioneler.

 

Prof. Gerding over BDE: “Mensen die letterlijk bijna dood zijn, hebben soms de ervaring dat zij ‘ergens anders’ geweest zijn. Met ‘bijna dood’ bedoelt men dikwijls klinisch dood, bijvoorbeeld na een verkeersongeluk, in een oorlogs-situatie, of in een ziekenhuis op de operatietafel. Klinisch dood wil zeggen dat er ‘geen tekenen van leven’ (hartslag, ademhaling, bewustzijn en reflexen) meer waargenomen worden. Als deze levenstekenen langer dan zo’n vijf of zes minuten uitblijven, kan men aannemen dat iemand overleden is. De klinische dood is dan overgegaan in de biologische dood. Doordat artsen de beschikking hebben over geavanceerde apparaten, kunnen klinisch dode mensen soms ‘teruggehaald’ worden naar het rijk der levenden op aarde. Niet zelden blijkt dat zij in die toestand niet ‘buiten westen’ waren, maar indrukwekkend heldere ervaringen hadden. Tot voor kort werd een bijna-dood-ervaring gezien als een ‘psychiatrische complicatie’, een psychische reactie die het gevolg was van een levens-bedreigende situatie. Toen echter bleek dat juist geestelijk gezonde mensen dergelijke ervaringen hadden, is men begonnen dit soort ervaringen serieus te nemen en te onderzoeken. Om een indruk te geven van zo'n bijna-dood-ervaring, laten we hieronder een fictieve bijna-dood-ervaring volgen. Dr. R.A. Moody heeft deze verzonnen ‘standaard BDE’ opgesteld, een ‘model-ervaring’, die bedoeld is als kennismaking:

 

Een man ligt op sterven en als al zijn lichamelijke pijnen een hoogtepunt bereiken, hoort hij hoe zijn dokter hem dood verklaart. Dan verneemt hij een onaangenaam geluid, een luid gerinkel of gezoem en tegelijkertijd voelt hij dat hij met grote snelheid door een lange donkere tunnel gaat. Daarna bevindt hij zich plotseling buiten zijn stoffelijke lichaam, maar nog steeds in de onmiddellijke omgeving ervan en ziet hij zijn lichaam van een afstand, alsof hij een toeschouwer is. Vanuit deze ongewone positie slaat hij de pogingen hem weer tot leven te wekken gade en verkeert hij in een staat van emotionele beroering. Na een poosje herkrijgt hij zijn zelfbeheersing en raakt hij iets meer aan zijn vreemde toestand gewend. Hij merkt dat hij nog steeds een ‘lichaam’ heeft, maar dat heeft een heel andere aard en andere vermogens dan het stoffelijke lichaam dat hij verlaten heeft. Nieuwe gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Er komen anderen naar hem toe om hem te helpen. Hij ziet vluchtig de geesten van verwanten en vrienden die reeds dood zijn, en een liefde en warmte uitstralende geest van een hem volkomen vreemde aard -een wezen van licht- verschijnt aan hem. Dit wezen stelt hem een woordenloze vraag, om hem zijn leven te laten evalueren en helpt hem daarbij door hem een panoramische terugblik te tonen op de voornaamste gebeurtenissen uit dat leven. Op een zeker ogenblik merkt hij dat hij een soort grens of barrière nadert, die kennelijk de scheiding tussen het aardse leven en het hiernamaals voorstelt. Toch merkt hij dat hij terug moet naar de aarde, dat zijn stervensuur nog niet geslagen heeft. Op dat moment verzet hij zich, want hij wordt zo in beslag genomen door zijn ervaringen in het hiernamaals, dat hij niet terug wil keren. Hij wordt overweldigd door intense gevoelens van vreugde, liefde en vrede. Ondanks zijn houding echter, wordt hij toch op een of andere manier met zijn stoffelijke lichaam verenigd en hij leeft voort.” Aldus Gerding.

 

Wat zijn typische kenmerken van een BDE? Het gaat hier om mensen die klinisch al minuten lang “dood” waren maar binnen zo’n 10 minuten nog gereanimeerd konden worden. Nadat zij weer wat op normaal energiepeil waren gekomen, werd hen gevraagd wat ze hadden beleefd tijdens hun ‘breindood’. Van de 344 gereanimeerden had 18% een BDE te melden. BDE-kenmerken in het onderzoek van Pim van Lommel komen kortweg op het volgende neer:

 

Tijdens hun klinische toestand van ‘bijna-dood’ hadden de patiënten een opvallend helder en gedetailleerd bewustzijn! Na hun BDE maakten zij definitief onderscheid tussen het (vaak ietwat gesluierde) bewustzijn van het normale dagelijkse leven en dit ervaren ‘heldere bewustzijn’. Zij hadden een dieper gevoelsleven dan normaal, meer empathie, herkenning, liefde, etc. De hele beleving is voor hen in feite onbeschrijfelijk en onuitsprekelijk. In gangbare termen was alles eigenlijk nogal  onbenoembaar. Om hun BDE onder woorden te brengen moesten ze echt naar (gebrekkige) woorden zoeken, en dat vonden ze nogal banaal. Ze ervoeren tijdens hun BDE geen enkel lichamelijk gebrek meer. Een slechtziende kon scherp zien, zelfs een blinde kon gewoon alles zien. Pijn en ongemak (van de ziekte, van verwondingen, van de operatie, van een handicap) werden niet gevoeld. Gebreken (het missen van een been of zo) waren er niet meer. Ze waren zelf ‘heel’ en ervoeren een grotere heelheid en eenheid-met-alles dan in het dagelijkse leven.

 

Opmerkelijk is de zogenoemde ‘tunnel-ervaring’. Ze werden door een soort ‘worm-hole’ of ‘geboortetunnel’ getrokken naar een soort aanzuigend lichtpunt. ‘Boven aangekomen’ ervoeren ze een soort ‘hemels tafereel’ en konden ‘directe communicatie’ (vanuit het hart) met anderen aangaan, niet alleen met de hen bekende overledenen. Het ‘levenslicht’ ontmoeten is ook zo’n opmerkelijk terugkerend moment in zo’n BDE. Het gaat dan om de ontmoeting met ‘de bron van het licht van ‘weten’, van liefde, van alle leven. Interessant bij het naderen van dat ‘licht’ was de ervaring van een ‘grens’, een soort ‘vlies’, en voor die grens verschijnt dan de vraag en/of keuze: ‘terug’ naar de aarde of ‘permanent de grens overgaan’?

 

Een ‘levenspanorama krijgen’ is ook een vast onderdeel; de BDE-er ziet in een flits heel z’n leven als een soort film voor zich afspelen waardoor ineens meer begrip ontstaat rondom handelingen en daden die de BDE-er jegens anderen (of omgekeerd) had verricht.

 

En als wetenschappelijk interessant verschijnsel doen zich ‘uittredings-verschijnselen’ voor; de BDE-er (wiens lichaam immers levenloos op de operatietafel lag) kon zich in de fysieke, nabije en locale(!) ruimte bewegen en concreet bepaalde empirische zaken ‘waarnemen’, dus zoals dat heet ‘buitenzintuiglijk’.

 

Welnu, volgens de gevestigde wetenschappelijke criteria is de patiënt ‘lichamelijk dood’ en tijdens diezelfde episode ‘geestelijk levend’ en paranormaal waarnemend. Hoe is dat mogelijk? Zoals al eerder gezegd: fysieke zaken zijn vrij nauwkeurig te meten en wetenschappelijk vast te stellen, zoals de toestand van fysieke ‘dood’, maar ons geestelijke en spirituele leven zal zich altijd blijven onttrekken aan iedere vorm van meetbaarheid! De natuurwetenschap kan daar dus niet bij. Hooguit de geesteswetenschap. Maar nogal wat natuurwetenschappers hebben een broertje dood aan geesteswetenschappen. Want die volgen immers niet de kwantificerende regels van de materialistische methode.

 

Ons geestelijke leven blijft zich immer onttrekken aan de kwantificerende regels van de materialistische methode, en bepaalde wetenschappers kunnen dat maar moeilijk verkroppen. “Iets wat niet meetbaar is, is flauwekul. BDE? Flauwekul. Paranormaal waarnemen? Flauwekul”. En Pim van Lommel kan wel aantonen dat zijn onderzoeksverslag door The Lancet niet tot flauwekul werd verklaard en voor publicatie niet werd geweigerd, tóch is het voor de fundamentalistische materialist ‘allemaal flauwekul, boerenbedrog en volksverlakkerij’. Dit zijn overigens de letterlijke uitdrukkingen die door hen gebruikt worden! Tevens zijn deze uitdrukkingen op zich al een bewijs van een primitief onderbuikreactionisme, oprispend uit het materialistisch dogmatisme en de ondeugdelijkheid van het reductionistisch materialisme als ideologie.

 

Van Lommel onderzoekt de BDE-verhalen uitsluitend op het niveau waar de BDE-verhalen thuishoren, het narratieve niveau van persoonlijke, dus subjectieve ervaringen. Hij gaat de BDE-verschijnselen op zich niet ‘inhoudelijk geschikt maken’ voor geïsoleerd, herhaalbaar experimenteel onderzoek op natuurwetenschappelijk niveau! Zijn onderzoek is integer omdat hij systematisch onderscheid maakt tussen de narratief-geesteswetenschappelijke kant van het verschijnsel en het natuurwetenschappelijke feitenmateriaal als situering. Zoals ik al eerder zei: De basis van de natuurwetenschappen is de ‘mechanica’ die ontdekt wordt in exact herhaalbare en geïsoleerde ‘experimenten’ binnen de stoffelijke wereld. En die betreffen in deze situatie het vaststellen van alle mogelijk meetbare medische feiten per ‘klinisch dode’ patiënt. De geesteswetenschappen omvatten de narratieve onderzoekingen die plaatsvinden binnen de context van de feitelijke en plaatselijke situatie. Hij voldoet uitstekend aan die criteria. En die integriteit was ook de reden waarom The Lancet zijn onderzoek opnam.

 

Wat geesteswetenschappelijk dan opvalt, is de verbazingwekkende overeenkomst tussen alle verhalen van BDE-ers over heel de wereld, onafhankelijk van hun religie, gelovig zijn of atheïst, hun wel of niet geïnformeerd zijn over BDE, van welk ras of cultuur ook afkomstig, man of vrouw, kind of volwassene, rationalist of idealist, etc. Als we de onderzoeksverslagen van de vele BDE-onderzoekers naast elkaar leggen, valt op dat BDE’s ook voorkomen bij zeer nuchter en zakelijk ingestelde mensen, vaak met een rationalistische en materialistische levensstijl. Eén van de vaste onderdelen die ook bij hen werden vastgesteld, is de zogenoemde ‘transformatie’ die zo’n BDE bij hen teweeg had gebracht. Zij rapporteerden dat ze 1) niet meer bang voor de dood waren, 2) alle wereldse zaken veel makkelijker konden relativeren, 3) veel meer zorg kregen voor de spirituele dimensie van hun geestelijke leven, 4) een beter lange-termijn emotioneel geheugen hadden gekregen, 5) veel meer zelfkennis hadden verkregen, of 6) inzicht en begrip voor sociale situaties, etc.

 

Kenmerkend voor vele BDE-ers was hun teleurstelling dat ze afscheid moesten nemen van ‘de volgende wereld’. Sommigen waren zelfs boos op de medische stand die de gewoonte had ontwikkeld om iedere ‘klinisch dode’ tóch maar te reanimeren. Zij hielden er een voortdurende ‘hunkering’ naar het hiernamaals aan over.

 

Prof. dr. J.L.F. Gerding, Universiteit Leiden, 2005: "De Britse onderzoeker Susan Blackmore presenteert een verklaringsmodel voor de bijnadoodervaring waarin hersenprocessen centraal staan. Toch is het geen uitgemaakte zaak dat wij deze ervaringen uitputtend onderzocht hebben als we ze fysicalistisch benaderen en reduceren tot hersenprocessen. De opvatting dat hersenprocessen ons mentale domein zouden produceren is fysicalistisch reductionisme, een model waarin ons bewustzijn lijkt op een schaduw die ons lichaam volgt, van onze geboorte tot onze dood. Reduceren als wetenschappelijke strategie kan zeker een vruchtbaar uitgangspunt zijn, maar is niet hetzelfde als de ‘niets-anders-dan’-filosofie van het fysicalistisch reductionisme. Het in kaart brengen van neuropsychologische parallel processen van bijnadoodervaringen impliceert niet dat deze grensoverschrijdende ervaringen in epistemologische en ontologische zin reductionistisch verstaan moeten worden. Het fysicalistisch reductionisme is immers niet het enige paradigma dat zijn bestaansrecht in de moderne psychologie heeft bewezen. Onderzoek op gebieden als psycho-neuro-immunologie, parapsychologie, en (auto)suggestieve processen als bio-feedback en hypnose leert dat het bewustzijn ook gezien kan worden als een causale factor die de fysiologie van het menselijk lichaam ‘doet volgen’. Er zijn daarom neuropsychologen die ervoor waarschuwen om de fysicalistisch-reductionistische opvatting inzake grensoverschrijdende ervaringen als het enig mogelijke uitgangspunt te beschouwen.

 

Het is niet vanzelfsprekend dat de ‘objectieve werkelijkheid’ van het gewone dagbewustzijn een hogere ontologische status zou moeten hebben dan het ‘hyperlucide’ en hogelijk geïntegreerde en integrerende inzicht van een mystieke ervaring (D’Aquili & Newberg 1993 p. 197). Diverse onderzoekers die vanuit een neutrale grondhouding werken, kunnen na verloop van tijd geen weerstand bieden aan de overweldigende indruk die sommige van deze ervaringen maken (Wulf 2001, p. 428).

 

De BDE is universeel. Onderzoekers verschillen van mening over de interpretatie. Moet de BDE vanuit psychologische ‘defensiemechanismen’ verklaard worden of vanuit de neuropsychologie? Of gaat het om de ervaring van een mystiek domein? Het publiek is vooral gericht op de gedachte dat de BDE zou wijzen op een leven na de dood. Veel BDE-ers zelf en psychotherapeuten zijn geïnteresseerd in de therapeutische waarde van de na-effecten.”

Welnu: die transformationele effecten zijn dermate opvallend dat psychotherapeuten een BDE wèl serieus nemen.

 

De eeuwige worsteling van de wetenschapaanbidders

 

Voor de sciëntistische sceptici blijft het trouwens eeuwig worstelen met dat geest/lichaam-vraagstuk dat ze het liefst willen oplossen door het eerste deel van dat vraagstuk (de geest) tot louter ‘epifenomeen’ te verklaren, gewoon maar weg te verklaren. Want in vele BDE’s gebeurde het dat mensen ‘zichzelf zagen liggen en het ambulancepersoneel zagen sjorren’ daar op de plek waar ze dat zware verkeersongeval hadden en vrijwel ‘de geest gegeven hadden’. Het lastige van die ‘buitenzintuiglijke waarnemingen’ was de situatie dat deze meldingen geverifieerd werden en vaak treffend klopten met de feiten!

 

Verhalen zoals “Ik zag daar beneden op de operatietafel mijn levenloos lichaam liggen en wist dat ik dood was. Ik zag hoe de chirurg een opdracht aan een ander gaf, waarop die ander ineens bezig ging met mijn liezen, terwijl ze immers met mijn hoofd bezig waren. Wat moesten ze dan met mijn liezen?” Bij nadere verificatie bleek dat er inderdaad, wegens complicaties bij de operatie, tóch behoefte ontstond om de liesslagader te openen teneinde daar een alternatieve toegang in het lichaam te maken.

 

Een reeds vele jaren in het operatieprotocol opgenomen regel is het ‘zachtjes praten’ door chirurgen en assistenten. Waarom? Vastgesteld werd dat mensen onder totale narcose tóch nog wel eens konden ‘horen’ wat de één tegen de ander zei in die operatiekamer. Vaak ondanks de in de oren ingebrachte ‘klik-apparaatjes’ die klikgeluidjes maken teneinde op de monitor te zien of het brein van de patiënt nog wel goed functioneerde onder die totale narcose. Maar in het normale leven kun je elkaar niet eens verstaan met zulke storende klikgeluidjes! En onder totale narcose ineens wèl?!

 

Voor wetenschappers die zich trots bekennen tot het ‘sciëntisme’ (of met andere termen het ‘naturalisme’, het ‘causaal deterministische materialisme’, het ‘rationalisme’ of met de laatste, modieuze term: ‘de Brights’) zijn alle ‘paranormale’ verschijnselen net zulke illusies als ‘bewustzijn’, ‘geestelijk leven’, ‘vrije wil’, etc. Voor hen zijn al die ‘qualia’ te scharen onder de categorie ‘epifenomenen’, minderwaardige bijverschijnselen van het materiële brein. Volgens deze visie zijn geestelijke verschijnselen slechts illusoire nevenverschijnselen van fysische verschijnselen in de wereld. Fysische gebeurtenissen konden andere fysische gebeurtenissen veroorzaken, maar fysische gebeurtenissen konden ook mentale gebeurtenissen voortbrengen als bijverschijnsel, maar deze mentale gebeurtenissen konden zelf niets veroorzaken, aangezien ze ‘causaal inerte bijproducten’ zijn van de fysische wereld. In het vervolg hiervan ontstond dan ook het ‘eliminativisme’, al die niet-stoffelijke verschijnselen moesten wetenschappelijk eigenlijk verloochend worden, geëlimineerd. Voor hen was de beoefening van de geesteswetenschappen geen optie maar volksverlakkerij.

 

Was er in de academische wereld al een hele poos sprake van een gestage toename van trotse sciëntisten, er is nu ook een groeiend ‘civiel sciëntisme’ (burgerlijk geloof) dat het alleen de wetenschap zal zijn die alle antwoorden op alle vragen zal geven, ook op zingevingsvragen, en dat het de wetenschap is die de uiteindelijke vervanger zal worden van alle religies! Sciëntisme, materialisme, naturalisme en atheïsme gaan in de moderne Westerse burgerij nu probleemloos samen met de meest uiteenlopende New Age ietsismen.

 

Er heerst inderdaad een naïef triomfalisme m.b.t. “wetenschappelijke theorieën” die de geest, het bewustzijn en de vrije wil uit de werkelijkheid wegredeneren. Boeken zoals van Daniel Dennett, Susan Blackmore, etc, worden gretig gelezen door het lekenpubliek. Deze populariteit is het ultieme genot van het eliminatief materialisme. Het is dan ook geinig om vast te stellen dat vele ‘Brights’ geprikkeld reageren als je van hen veronderstelt dat zij “dus” hun theorieën geheel onbewust hebben opgesteld, dat zij geheel geestloos hun intellectuele arbeid hebben verricht, dat zij geheel verstoken waren van de vrije keuze en de vrije wil bij het opstellen van hun hypothesen en theorieën, en dat hun zienswijze volledig ‘toevallig’ en ‘automatisch’ ontstond en dus op geen enkele wijze een verdienste van henzelf was! Dezelfde irritatie vertonen atheïsten ook als volkomen terecht tegen hen gezegd wordt dat hun geloofsleven een ‘stealth religion’ betreft. Zij staan als nieuwe mensensoort immers ver boven homo religiosus, de gelovige soort. Homo sciëntificus, homo rationalis, is immers het superieure ras. Zij hebben niet in de gaten dat zij zowel zichzelf als het wetenschapsbedrijf te schande zetten door zich zo blindelings en fanatiek af te zetten tegen de geesteswetenschappen en de religies.

 

De geesteswetenschappen en religies stellen in dit tijdsgewricht nog niet veel voor en bieden bepaald nog geen tegenwicht tegenover het platte materialistische denken. Maar ik schat in dat  deze ‘onmacht’ gaandeweg juist door die ‘clash’ met het materialisme gaat leiden tot meer inspiratie en inspanning om tot een volwassen, vernieuwde geesteswetenschap te komen, een geesteswetenschap van de ‘tweede naïviteit’ volgens Paul Ricoeur.

 

De a-duale mens leeft monoduaal

 

De mens ervaart zichzelf als één, en niet als twee, bijvoorbeeld dan weer ‘geest’, dan weer ‘lichaam’, afwisselend. Wij ervaren onszelf als een geest/lichaam-eenheid, als één entiteit met één identiteit; en het begrip ‘niet-twee’ heet vanouds ‘a-duaal’ of non-duaal, kortom: één.

Maar wij beseffen maar al te goed dat we weliswaar in één wereld leven, maar dat die ene wereld twee kanten heeft, een geestelijke en een stoffelijke, in wisselwerking met elkaar. We leven dus in een ‘mono-duale’ wereld. Maar binnen die wereld ‘leven’ wij vanuit onze geest!

 

Het vinden van een ‘neurobiologische grondslag van het bewustzijn’ blijft een hachelijke onderneming omdat de materiewetenschappen nooit in staat zijn om ook maar iets structureels van ons bewustzijn zelf te zeggen. Antonio Damasio zei in december 1999 nog: “Er wordt wel gezegd dat we in het 'decennium van het brein’ (1990-2000) meer over geest en lichaam te weten zijn gekomen dan gedurende de gehele geschiedenis van de psychologie en neurowetenschappen vóór 1990.” (Dit decennium werd door het Amerikaanse Congres uitgeroepen) Hij zei “De neurowetenschappen in het bijzonder hebben bij het ontrafelen van de geheimen van het leven zulke grote successen geboekt dat het vinden van de neurobiologische grondslag van het bewustzijn in feite de laatste uitdaging is geworden, een hamvraag als moderne variant van het klassieke probleem van lichaam en geest. Het lijkt dus voor de hand te liggen dat het vraagstuk van lichaam en geest, dat ik het vraagstuk van de bewuste geest zal noemen, binnenkort zal worden opgelost. Maar achter deze euforie schuilen lastige zaken die te midden van het enthousiasme vaak over het hoofd worden gezien. Ik geef een korte opsomming van de belangrijkste problemen:

1) Het ik-perspectief: de geest is alleen 'waarneembaar' voor de persoon die hem bezit. De geest is een persoonlijk, verborgen, innerlijk en onbetwist subjectief iets.

2) Intentionaliteit: geestestoestanden zijn gericht op of uitwendige zaken of gevoelens binnen je organisme. (Je bewustzijn is altijd doelgericht op iets anders dan zichzelf gericht.)

3) De begrensde geest: Het vraagstuk zelf moet worden onderzocht met het instrument dat men juist wil onderzoeken, onze begrensde geest! (Het bewustzijn kan zichzelf niet zien.)

4) De film in ons brein: Het vraagstuk van de 'film in onze hersenen' heeft de meeste aandacht gekregen. (Waar komen die BDE’s bijvoorbeeld vandaan?)

 

En tegelijk beseffen wij dat ons geestelijke leven belangrijker is dan ons lichamelijke leven.

De menselijke geest heeft het primaat, de prioriteit en de preferentie boven de ‘materie’. Dat zie je trouwens juist aan de triomfen van de wetenschappen! Zij overschaduwen tegenwoordig de ‘triomfen’ van de religies. Maar met dat ‘primaat’ van ons geestelijke leven bedoelen we geen ‘spiritueel monisme’ en ook geen ‘dualisme’, want de mens is aduaal (één), ook al leeft hij monoduaal. De voorlopig beste benadering vanuit de eenzijdige materiewetenschap vormt het ‘emergentiematerialisme’ want dat erkent "leven" en "geest" als verschijnselen van materiële organisatie (dus zonder enige vorm van zelfstandig bestaan van twee aparte ‘substanties’). De menselijke soort is de enige soort die zichzelf en zijn leefwereld mensvormig definieert vanuit het primaat van de geest, binnen de specifiek menstalige beperkingen. In feite is de menselijke werkelijkheid geheel narratief, veel meer dan ‘materieel’! Muriel Rukeyser 1913-1980 zei het al “Het Universum is gemaakt van verhalen, niet van atomen.” Hans Peter Dürr, fysicus: “Wat materie ook is, ze bestaat niet uit materie.” Sir Arthur Eddington, fysicus: “De materie is overwegend een spookachtig lege ruimte.”

 

“Materie” bestaat in werkelijkheid uit intellectuele abstracties, mechanistisch meetbare abstracties. Niet uit ‘balletjes’ maar uit ‘narratief materiaal’. Onze geest creëert narratief, met woorden, met benamingen, attribueringen, formuleringen. Wij mensen creëren onze eigen, antropomorfe bestaanswereld (als co-creators – Philip Hefner) Alle namen en attributen worden beheerd in één collectieve matrix. Religieuze mensen zoals Philip Hefner noemen ons ‘geschapen medescheppers’. Ons gezamenlijke en innerlijke beheer wordt in religieuze tradities ‘het scheppende Woord van God’ genoemd. Het enige “probleem” waar we mee zitten – zo stel ik – is onze eenzijdige adoratie voor de productieve materiewetenschappen boven de onderontwikkelde(!) geesteswetenschappen. Ik pretendeer dat de mensheid toe is aan de ontwikkeling van een volwassen, mondiale en universele geesteswetenschap voor de menselijke soort, homo religiosus.

 

Hieronder een paar citaten uit “The Fallacy of Materialism and a Mechanist Universe” van de filosoof Edward Craig op de e-philosopher discussielijst:

“This very mechanistic concept of the universe is in itself a nonmaterial phenomenon of mind, and all mind is of nonmaterial origin, no matter how thoroughly it may appear to be materially conditioned and mechanistically controlled. Our partially evolved mental mechanism is not over-endowed with consistency and wisdom. Our conceit often outruns our reason and eludes our logic. Logic is contradictory.”

“If the universe were truly what the materialist regards it to be, man as a human machine would then be devoid of all conscious recognition of that very fact. Without the consciousness of the concept of values within the conscious mind, the fact of universe materialism and the mechanistic phenomena of universe operation would be wholly unrecognized by man. One machine cannot be conscious of the nature or value of another machine.”

“A mechanistic philosophy of life and the universe cannot be scientific because science recognizes and deals only with materials and facts. Philosophy is inevitably super-scientific. Man is a material fact of nature, but his life is a phenomenon which transcends the material levels of nature in that it exhibits the control attributes of mind and our creative qualities.

If the universe were only material and man only a machine, there would be no science to embolden the scientist to postulate this mechanization of the universe.”

“The experience of self-conscious evaluation of one's self is never an attribute of a mere machine. A self-conscious and avowed mechanist is the best possible answer to mechanism. If materialism were a fact, there could be no self-conscious mechanist.”

“The very claim of materialism implies a super-material consciousness of the mind which presumes to assert such dogmas. A mechanism might deteriorate, but it could never progress. Machines do not think, create, dream, aspire, idealize, hunger for truth, or thirst for righteousness. They do not motivate their lives with the passion to serve other machines and to choose as their goal of eternal progression the sublime task of becoming perfect. Machines are never intellectual, emotional, aesthetic, ethical, moral, or even, "spiritual".”