Disclaimer

In memoriam

Zen

Zenboeddhisten weten het ook niet. Juweeltjes uit de citatenschat van Hans van Dam.





Blauwe Rots

De Hekiganroku of Bi Yan Lu of Pi-yen-lu of Blue-Cliff Record of Blauwe Rots, is een collectie van honderd koans met inleidingen van Engo en gedichten van Setcho.




Bron: Two Zen Classics: Mumonkan & Hekiganroku, vertaald uit het Japans in het Engels en van commentaar voorzien door Katsuki Sekida, Weatherhill, New York, 1977.

Engo's inleiding bij koan 1:

Vuur zien
Waar rook is, ziet u vuur. U ziet geen hoorns boven het hek maar een os erachter. Ik geef u de vinger, u neemt de hand. Eén blik en u heeft het hele gebied al in kaart gebracht. Dit soort uitgekooktheid komt al te vaak voor onder kloosterlingen. Maar een pij maakt nog geen monnik. Pas als de mallemolen in uw geest eindelijk tot rust komt, zult u u de volmaakte vrijheid mogen smaken - in voorspoed en in tegenspoed, in geven en ontvangen. Maar zeg eens, hoe zal een dergelijk iemand zich gedragen?

Koan 1: Kwenie
Keizer Wu van Liang vroeg Bodhidharma: Wat is het hoogste principe van de heilige leer?
Bodhidharma zei: Alles leeg, niets heilig.
De keizer zei: Wie is het die hier voor me staat?
Bodhidharma zei: Kwenie.
De keizer begreep hem niet. Daarop stak Bodhidharma de rivier de Yangtze over en zocht zijn heil in het noordelijke koninkrijk Wei.
De keizer deed zijn relaas aan Shiko, die zei: Weet u wel wie u voor u had?
De keizer zei: Kwenie?
Shiko zei: Niemand minder dan Bodhisattva Kannon, de drager van het Hartzegel van de Boeddha!
Dat speet de keizer zeer. Hij wilde Bodhidharma graag terugroepen, maar Shiko zei: Dat heeft geen zin. Al stuurde u de hele wereld op hem af, die komt nooit weerom.

Gedicht van Setcho bij deze koan:

Hij kan m'n kont kussen
De heilige leer? "Alles leeg!"
Wat is er heilig aan?
Dan: "Wie is het die hier voor me staat?"
"Kwenie!"
Ongetwijfeld weer aanleiding tot eindeloze interpretaties.
In het holst van de nacht stak hij heimelijk de rivier over.

Geen mens kon hem terugbrengen.
Nu, vele jaren later
vult Bodhidharma nog steeds uw geest - voor niets.
Denk niet meer aan hem!
Waaien doet het overal.

De meester kijkt om zich heen:
"Heeft iemand de aartsvader gezien?
- Daar! Breng hem bij me:
Hij kan mijn kont kussen!"

Koan 2: Geen idee
Tijdens een bijeenkomst zei Joshu: De Weg is niet moeilijk voor wie geen onderscheid weet te maken. Maar spreek slechts één woord, en er zal verschil zijn - of eenheid. Deze oude monnik weet niets van eenheid. Begrijpt iemand wat ik bedoel?
Een monnik vroeg: Als u niets van eenheid weet, waarin maakt u dan onderscheid?
Joshu zei: Ik heb geen idee.
De monnik zei: Hoe kunt u dan beweren dat u niet weet wat eenheid is?
Joshu zei: Die vraag staat. Een mooi moment om te stoppen.
Met deze woorden maakte hij een einde aan de bijeenkomst.

Uit het commentaar van Sekida bij koan 10:

Vijf soorten blindheid
Zen onderscheid vijf soorten blindheid:
  1. De naïeve blindheid van de onwetende mens.
  2. De opzettelijke blindheid van de ketter.
  3. De ware blindheid van de verlichte: zijn wereldse ogen nu ziende blind.
  4. De blindheid van degene die zich vastklampt aan zijn verlichting en er fier op is.
  5. De overstijgende blindheid van de Boeddha. Deze verschijnt wanneer de ware blinde tot rijping komt in de beoefening van Zen.

Koan 15: Geen gezever
Een monnik vroeg Ummon: Wat als er geen gedachten opkomen en er zich niets voordoet?
Ummon zei: Geen gezever over eenheid.

Koan 25: Omdat je er niets aan hebt
De meester van Rengeho stak zijn staf op en zei tot zijn discipelen: Wanneer in vroeger tijden een man de toestand van verlichting bereikte, waarom bleef hij daar dan niet in hangen?
Niemand wist het antwoord en hij antwoordde voor hen: Omdat je er niets aan hebt in het dagelijks leven.
Toen vroeg hij: Of wel soms?
Opnieuw antwoordde hij voor hun:

Zich niets van anderen aantrekkend,
Gooit hij zijn staf over zijn schouder
en reist linea recta
diep de duizend bergen in.

Gedicht van Setcho bij deze koan:

Geen spoor
Met zijn ogen vol zand, zijn oren vol klei,
Blijft hij zelfs niet in de duizend bergen hangen.
Vallende bloesem, bloeiende beken, geen spoor laat hij na.
Kijk goed uit je doppen en je zult hem nergens zien.

Koan 28: Genoeg
Nansen bezocht Hyakujo Nehan Osho (Jo).
Jo zei: Bestaat er een leer die de heiligen niet hebben gepredikt?
Nansen zei: Jazeker.
Jo zei: Wat is de leer die nooit is gepredikt?
Nansen zei: Het is niet de geest, het is niet de Boeddha, het zijn niet de dingen.
Jo zei: Dat was een preek.
Nansen zei: Zo gaat het bij mij nou altijd. En bij u?
Jo zei: Ik ben geen wijze. Hoe moet ik weten of iets een preek is of niet?
Nansen zei: Ik kan u even niet volgen.
Jo zei: Ik heb anders wel genoeg gezegd.

Koan 29: Met al het andere
Een monnik zei: Wanneer het allesverslindende kalpa-vuur weer oplaait en de hele kosmos vernietigt, zal 'het' dan ook ten onder gaan of niet?
Daizui zei: Het zal ook ten onder gaan.
De monnik zei: Het zal verdwijnen met al het andere?
Daizui zei: Het zal verdwijnen met al het andere.

Gedicht van Setcho bij deze koan:

Tevergeefs
Versperd door de dubbele barrière
Stelt de monnik zijn brandende vraag vanuit het hart van het kalpa-vuur.
Wonderbaarlijk de woorden: 'Het zal verdwijnen met al het andere.'
Duizenden mijlen heeft hij rondgezworven, tevergeefs op zoek naar een meester.

Koan 44: De trom slaan
Kasan zei: Leren door studie wordt 'aanhoren' genoemd; niet meer leren heet 'nabijheid'; leren en niet-leren achter je laten heet waarlijk overgaan.
Een monnik zei: Wat is waarlijk overgaan?
Kasan zei: De trom slaan.
De monnik probeerde: Wat is de ware leer van de Boeddha?
Kasan zei: De trom slaan.
De monnik hield aan: Ik zal u niet vragen naar de frase 'deze geest is de Boeddha', maar wat betekent 'geen geest, geen boeddha'?
Kasan zei: De trom slaan.
De monnik liet zich niet uit het veld slaan en zei: Als de verlichte arriveert, wat zult u dan doen?
Kasan zei: De trom slaan.

Engo's inleiding bij koan 51:

Nog verder van huis
Zolang je ook maar het geringste onderscheid tussen goed en kwaad weet te maken, zal je geest in verwarring blijven. Pas wanneer al je prioriteiten in rook zijn opgegaan, zul je niet langer in het duister tasten. Maar zeg eens, wat is wijsheid: loslaten of vasthouden? Als je de oplossing nog steeds zoekt in concepten en gedachtenconstructies, ben je als een geest die verdwaald is in de mist. Wanneer je daarentegen het denken opgeeft ben je nog veel verder van huis. Snap je?

Koan 65: De schaduw van de zweep
Een filosoof zei tegen Boeddha: Ik vraag niet om woorden, ik vraag ook niet om iets anders.
De Boeddha zweeg een poosje.
De filosoof zei bewonderend: De Gezegende, in zijn eindeloze goedheid, heeft de mist van mijn illusies weggeblazen en mij eindelijk op Weg geholpen.
Nadat de filosoof was heengegaan, vroeg Ananda aan de Boeddha: Hoe heeft u hem in hemelsnaam op weg geholpen?
De Gezegende zei: Een goed getraind paard rent al bij de schaduw van de zweep.

Koan 67: Met stomheid geslagen
Keizer Wu van Liang vroeg Fu Daishi om een lezing te houden over de Diamantsoetra. Fu Daishi beklom het spreekgestoelte, sloeg met zijn stok op de lessenaar en klom weer naar beneden. De keizer was met stomheid geslagen.
Shiko zei tegen hem: Heeft Uwe Majesteit het begrepen?
De keizer zei: Nee, ik begrijp er niets van.
Shiko zei minzaam: Daishi heeft niettemin zijn zegje gedaan.

Uit het commentaar bij deze koan:

Niet preken, niet toehoren
Deze scene vond plaats in de magnifieke keizerlijke aula, ongetwijfeld in aanwezigheid van een groot aantal hoogwaardigheidsbekleders. Fu Daishi, in diepe concentratie, besteeg het spreekgestoelte en nam plaats. Er viel een aandachtige stilte. Toen nam hij zijn stok, sloeg op de lessenaar, en verliet zwijgend het spreekgestoelte weer. De toehoorders, die vol verwachting hadden zitten toekijken, waren verbijsterd. Toch was dit een zuivere demonstratie van de Diamantsoetra, waarin we uitdrukkingen aantreffen als "Er is geen leer om te prediken en dit wordt het prediken van de leer genoemd"; "De voorbije geest is niet bereikbaar, de huidige geest is niet bereikbaar, de toekomstige geest is niet bereikbaar"; en "Verblijf nergens, laat de geest zijn eigen gang gaan". Een andere soetra zegt: "U predikt niets, ik hoor niet toe. Niet spreken, niet luisteren, dat is ware wijsheid."

Koan 79: Ezel
Een monnik zei tegen Tosu: Men zegt, 'Iedere stem is een stem van de Boeddha'. Is dat waar?
Tosu zei: Ja, dat is waar.
De monnik zei: Nou, meester, dan zou ik maar geen winden meer laten.
Waarop Tosu hem een stokslag gaf.
Toen vroeg de monnik: De soetra zegt, 'Harde woorden en zachte woorden, beide wijzen naar het Eerste Principe.' Is dat waar?
Tosu zei: Ja, dat is waar.
De monnik zei: Nou, meester, dan mag ik u voortaan zeker wel ezel noemen?
Waarop Tosu hem nog een stokslag gaf.

Koan 80: En niets ligt vast
Een monnik vroeg Joshu: Heeft een pasgeboren baby nou zes zintuigen of niet?
Joshu zei: Alsof je een bal in een stroomversnelling gooit.
Later vroeg de monnik: Wat bedoelde u daarmee?
Tosu zei: Het ene volgt op het andere, en niets ligt vast.

Engo's inleiding bij koan 84:

Naakt uitgestald
Niets goeds is volkomen goed. Niets slechts is volkomen slecht. Zonder goed of kwaad valt er niets te winnen en niets te verliezen. Alles ligt naakt uitgestald. Nu wil ik u vragen, wat bevindt zich voor mij en wat bevindt zich achter mij? Ongetwijfeld staat er nu weer een of andere goed bedoelende monnik op om mij te vertellen dat zich voor mij de boeddhazaal en de tempelpoort bevinden, en achter mij de zitkamer en de slaapkamer. Wat denkt u, heeft deze man het licht gezien? Als u hem doorziet, wil ik graag toegeven dat u de oude Boeddha in de ogen heeft gezien.

Koan 98: Mijn eerste fout
Op een keer verbleef Tempyo tijdens zijn bedevaart langs verschillende meesters, bij Sai-in. Steeds herhaalde Tempyo: Zeg niet dat u het Boeddhisme begrijpt. Niemand kan er een zinnig woord over zeggen.
Op een dag hoorde Sai-in hem weer bezig en zei: Ju-i! (Tempyo's eigennaam).
Tempyo keek op.
Sai-in zei: Mispoes!
Tempyo liep weg en Sai-in riep: Mispoes!
Tempyo kwam terug en Sai-in zei: Ik zei net 'Mispoes!' Wie heeft het nu mis: jij of ik?
Tempyo zei: Ik.
Sai-in zei weer: Mispoes!
Tempyo zei niets.
Sai-in zei: Blijf deze zomer hier, dan kunnen we samen die mispoezen onderzoeken.
Maar Tempyo vervolgde zijn bedevaart.

Later, toen Tempyo abt was van zijn eigen tempel, zei hij tegen zijn discipelen: Tijdens een bedevaart kwam ik terecht bij Sai-in, die twee keer 'mispoes!' tegen me zei. Maar het was niet op dat moment dat ik het mis had, maar toen ik aan mijn bedevaart begon. Dat was mijn eerste fout: de leer is immers overal.

Gedicht van Setcho bij deze koan:

Beuzelaars
Zenbeoefenaars zijn zo beuzelachtig.
Ze leren maar, ze studeren maar, en alles tevergeefs.
Hoe zielig, hoe belachelijk is de oude Tempyo.
Hij zegt dat hij nooit op bedevaart had moeten gaan.
Mispoes! Mispoes!
Sai-in's vriendelijke woorden verbleken naast de mijne.
Setcho vraagt: Hoedt u voor de monnik die 'mispoes!' gaat zeggen.
Kunt u mij misschien vertellen wat het verschil is tussen mijn 'mispoes' en die van Tempyo?

Inleiding van Engo bij koan 100:

Ontwaak
We zaaien de oorzaak en oogsten het gevolg. We begonnen voorzichtig en eindigen in volmaaktheid. Van het begin af aan heb ik niets voor u achtergehouden. Wanneer ik sprak, had ik immers niets te zeggen.
Sommigen van u zullen vragen: U bent zo veel aan het woord geweest tijdens deze zomerretraite, en nu pas vertelt u ons dat u niets te zeggen had. Wat bedoelt u daarmee?
Mijn antwoord luidt: Ontwaak, en ik hoef u niets meer uit te leggen.
Nu vraag ik u: Zeg ik dit omdat ik zuiver in de leer ben of heeft het misschien bepaalde voordelen?


Boek van Sereniteit


De Ts'ung-jung lu of Shoyoroku of het Book of serenity of het Boek van Sereniteit is een collectie van honderd koans, met inleidingen en commentaren van Wansong en gedichten van Tiantong, die op hun beurt weer van commentaar zijn voorzien door Wansong.

Bron: Book of Serenity, One hundred Zen Dialogues, vertaald uit het Chinees in het Engels door Thomas Claery, Shambhala, Boston & London, 1988 / 2005:

Koan 1: De Gezegende geeft les
Op een dag nam de Gezegende plaats op het spreekgestoelte.
Manjusri gaf met de hamer een klap op het klankbord en zei: "Luister aandachtig naar de Dharma van de Dharmakoning; de Dharma van de Dharmakoning luidt aldus:"
Waarna de Gezegende meteen weer opstond.

Koan 2: Bodhidharma's weet niet wie hij is
Keizer Wu van Liang vroeg aan de grote meester Bodhidharma: Wat is de diepste betekenis van de heilige waarheden?
Bodhidharma zei: Leeg - heilig bestaat niet.
De keizer zei: Wie bent u eigenlijk?
Bodhidharma zei: Niet weten.
De keizer begreep het niet.
Bodhidharma stak daarop de Yangtse over, kwam naar Shaolin en zat negen jaar lang voor een muur.

Uit het commentaar bij deze koan:

Korte metten
Ik zeg, de kwestie van de diepste betekenis daargelaten, wat moet je aan met heilige waarheden? Tianhuang zei: "Maak korte metten met profaniteit - heilige inzichten bestaan niet." In het geschrift De Heldhaftige Mars staat geschreven: "Wie zich inlaat met heiligheid zal ten prooi vallen aan alle denkbare fouten." Bodhidharma's antwoord, "Leeg - heilig bestaat niet", getuigt ontegenzeggelijk van diep begrip en een scherpe tong. Keizer Wu stond daar maar, zeverend als een oude dwaas, en wilde het nog niet opgeven. Hij vroeg: "Wie is het die mij antwoord geeft?" Hij bedoelde het misschien niet verkeerd, maar scheen niet te beseffen dat hij Bodhidharma net zo goed in zijn gezicht had kunnen spugen. Deze had niets anders te bieden dan nog een "weet ik niet".

Uit het commentaar bij koan 6:

Wanspraak
De Mahayansamgraha zegt: "'Bestaan' is een overdrijving; 'niet-bestaan' is een onderschatting; 'bestaan en niet-bestaan' is een tegenstrijdigheid, en 'bestaan noch niet-bestaan' is een intellectualisering." Laat dit tetralemma (van bestaan, niet-bestaan, beide, geen van beide) achter je, en de honderd ontkenningen worden spontaan uitgewist. ...
Anderzijds, zonder het tetralemma of de honderd ontkenningen prijs te geven, in welk opzicht is de betekenis van het levende Boeddhisme niet duidelijk?

Wijsheid
De grote meester Nagarjuna heeft gezegd, "Wijsheid is als een groot vuur, dat men van geen enkele kant kan ingaan." Maar hij heeft ook gezegd: "Wijsheid is als een heldere poel, die men van alle zijden kan ingaan."

Koan 12: De wat?
Dizang vroeg aan Xiushan: Waar kom jij vandaan?
Xiushan zei: Uit het zuiden.
Dizang zei: Hoe staat het met het zuidelijke Boeddhisme?
Xiushan zei: Er wordt stevig gediscussieerd.
Dizang zei: En hoe verhoudt dat zich tot mijn bezigheid, het planten van rijst?
Xiushan zei: Zo is de wereld nou eenmaal.
Dizang zei: De wat?

Koan 19: De berg Sumeru
Een monnik vroeg Yunmen: Als je geen gedachten hebt, kun je dan iets fout doen of niet?
Yunmen zei: De berg Sumeru.

Uit het commentaar bij deze koan:

Pas dan
Nationaal Leraar Yuantong Shan zei: "Deze kwestie wordt overal besproken. Sommigen stellen dat men gedachten produceert zodra men deze vraag toelaat, een fout zo groot als de berg Sumeru. Sommigen vergelijken het met de berg Sumeru: onberoerd door de acht winden, standvastig door de eeuwen heen. Sommigen vergelijken de Weg met de berg Sumeru, waar men nou eenmaal niet doorheen kan. Dergelijke ideeën getuigen alle van onbegrip voor Yunmen's bedoelingen, maar dat kan men pas inzien als de bodem uit de emmer gevallen is en de rode draad voorgoed is gebroken.

Koan 20: Niet-weten is het meest nabij
Dizang vroeg aan Fayan: Waar ga jij heen?
Fayan zei: Op bedevaart.
Dizang zei: Waar is dat goed voor?
Fayan zei: Dat weet ik niet.
Dizang zei: Niet-weten is het meest nabij.

Commentaar, toespraken en preken over deze koan vind je op mijn pagina Niet-weten is het meest nabij.

Koan 37: Geen enkel houvast
Guishan vroeg Yangshan: Als iemand plotseling zei: "Alle kennende wezens hebben niets dan een actief bewustzijn, grenzeloos en onhelder, en verder geen enkel houvast", hoe zou je dat bewijzen in de ervaring?
Yangshan zei: Als er een monnik komt, dan roep ik: "Hé, jij daar!" Als hij opkijkt, zeg ik: "Nou?" Als hij dan aarzelt, zeg ik: "Het actieve bewustzijn is grenzeloos en onhelder en er is geen enkel houvast."
Guishan zei: Prima!

Uit het commentaar bij koan 37:

De fundamentele aandoening
Een monnik vroeg Yunan: "De Bloemenkrans Soetra stelt dat de fundamentele aandoening van onwetendheid zelf de onveranderlijke kennis van alle boeddha's is. Dit principe is uiterst diepzinnig en mysterieus, en moeilijk te verstaan."
Yunan zei: Dit principe is uiterst helder en duidelijk, en eenvoudig te verstaan.
Op dat moment was er net een jongen aan het vegen. Yunan riep hem en de jongen keek op.
Yunan wees naar hem en zei: "Is dit geen onveranderlijke kennis?"
Toen vroeg Yunan aan de jongen: "Waar is je boeddhanatuur?"
De jongen keek vertwijfeld om zich heen en maakte dat hij wegkwam.
Yunan zei: "Is dit niet de fundamentele aandoening?"

Als je dit kunt begrijpen, wordt je onmiddellijk een boeddha. De verbijstering van de jongen en de aarzeling van de monnik verschillen niet; de fundamentele aandoening van onwetendheid en het grenzeloze, onheldere bewustzijn zijn ook hetzelfde. (163)

Uit het commentaar bij koan 40:

Dat was het al
Koning Milinda vroeg de eerbiedwaardige Nagasena: Ik wil u wat vragen. Kunt u antwoorden?
Nagasena zei: Gaat uw gang.
De koning zei: Dat was mijn vraag al.
Nagasena zei: Dat was mijn antwoord al.
De koning zei: Hoe luidde het antwoord?
Nagasena zei: Hoe luidde de vraag?
De koning zei: Ik heb niets gevraagd.
Nagasena zei: Ik heb niets geantwoord.

Inleiding tot koan 43:

Steen der wijzen
Eén aanraking met de steen der wijzen en ijzer wordt goud; één woord van de ultieme waarheid en een gewoon man wordt een wijze. Maar als je weet dat goud en ijzer niet twee zijn, dat gewoon en wijs op hetzelfde neerkomen, dan heb je er eigenlijk niets aan. Maar zeg eens, wie of wat moet er nou eigenlijk aangeraakt worden?

Koan 45: Kennis noch geen-kennis
Het Geschrift der Volmaakte Verlichting zegt: Breng geen waangedachten voort maar probeer ze ook niet te onderdrukken of te vernietigen. Voeg geen kennis toe maar zoek het ook niet in geen-kennis.

Koan 48: Vimalakirti zwijgt
Vimalakirti vroeg aan Manjusri: Hoe gaat een Bodhisattva de non-dualiteit binnen?
Manjusri zei: Geen woorden, geen begrippen, geen verklaringen en geen instructies. Alle vragen en antwoorden achter je laten - dit is hoe men de non-dualiteit binnengaat.
Toen vroeg Manjusri aan Vimalakirti. We zijn nu beiden aan het woord geweest. Zeg eens, beste man, hoe gaat een Bodhisattva de non-dualiteit binnen?
Vimalakirti zei niets.

Uit het commentaar bij het gedicht bij koan 67:

Ten dode
Een monnik vroeg Zhaozhou: Wat is het mysterie in het mysterie?
Zhaozhou zei: Hoe lang ben je al verbijsterd?
De monnik zei: O, al zo lang.
Zhaozhou zei: Iedereen behalve ik verbijstert zich ten dode.

Koan 74: Grondeloze grond
Een monnik vroeg aan Fayan: Volgens een boeddhistisch gezegde rusten alle dingen op een grondeloze grond. Wat is die grondeloze grond?
Fayan zei: Vorm gaat vooraf aan vormgeving, namen gaan vooraf aan benoemen.

Uit het commentaar bij deze koan:

Grondeloosheid is de grond
Manjusri vroeg Vimalakirti: Wat is de grond van het lichaam?
Vimalakirti zei: Begeerte is de grond van het lichaam.
Manjusri zei: Wat is de grond van begeerte?
Vimalakirti zei: Vals onderscheid is de grond van begeerte.
Manjusri zei: Wat is de grond van vals onderscheid?
Vimalakirti zei: Verkeerde begripsvorming is de grond van vals onderscheid.
Manjusri zei: Wat is de grond van verkeerde begripsvorming?
Vimalakirti zei: Grondeloosheid is de grond van verkeerde begripsvorming.
Manjusri zei: Wat is de grond van grondeloosheid?
Vimalakirti zei: Grondeloosheid heeft geen grond, Manjusri, alle dingen berusten op een grondeloze grond.

Uit het commentaar bij het gedicht bij koan 74:

Waar vandaan?
Magistraat Liu Yudan vroeg aan Yunju: Waar komt de regen vandaan?
Yunju zei: Van uw vraag.
De magistraat bedankte hem opgetogen.
Yunju vroeg: Waar komt de vraag vandaan?
De magistraat zei niets.

Inleiding tot koan 89:

Trossen los!
Verroer je, en je begraaft je lichaam op tienduizend voet diepte; verroer je niet en je schiet ter plekke wortel. Je moet zowel aan stuurboord als aan bakboord de trossen losgooien en het midden laten voor wat het is; daarna moet je een paar sandalen aanschaffen en nog wat verder reizen voordat realisatie binnen handbereik komt.

Uit het commentaar bij het gedicht bij koan 90:

Echte dromen
In het noordoosten ligt een land waar ze altijd waken en nooit dromen. In het midden ligt een land waar ze de helft van de tijd dromen en de andere helft waken - ze beschouwen hun droomleven als onwerkelijk en hun waakleven als werkelijk. In het zuidoosten ligt een land waar ze praktisch altijd dromen en maar eens in de vijftig dagen wakker worden; zij houden de waaktoestand voor onwerkelijk en hun dromen voor onwerkelijk. De realiteit of irrealiteit van waken en dromen zijn niet eenvoudig vast te stellen.


John Cage


Uit Silence, 1968:

Ik heb niets te zeggen en dat zeg ik.


Dogen


Uit Shobogenzo zuimonki, Dogen Zenji, 2001:

Doe afstand
Je moet afstand doen van alles wat je tot nog toe voor waar hebt aangenomen. (84)

Vier zinsneden
Denk aan de volgende vier zinsneden: 'Niet gehandeld, niet beloond; niet gehandeld, wel beloond; wel gehandeld, niet beloond; wel behandeld, wel beloond. (93)

Geen instructie
Verwacht geen instructie van de kant van een leraar of van de sutra's. (96)

Denk alleen aan dit uur
Denk alleen aan vandaag, aan dit uur, want over morgen valt niets met zekerheid te voorspellen. Niemand weet wat de toekomst zal brengen. (96)

En waartoe dient dat?
Toen ik in een zenklooster in China verbleef en de uitspraken van befaamde oude zenmeesters las, vroeg een monnik van Szechuan me: "Wat is de zin van het lezen van deze uitspraken?"
   Ik zei: "Om de daden van de oude zenmeesters beter te begrijpen."
   De monnik hield aan: "En waartoe dient dat?"
   "Om goed te kunnen doen aan alle levende wezens," zei ik.
   De monnik was nog niet tevreden en bleef doorvragen: "Maar wat voor zin heeft het op de lange duur?" (108/109)

Vergeet lichaam en geest
Een oude meester zei het volgende: 'Je bent bovenop een honderd meter hoge paal geklommen. Hoe ga je verder?' De meeste mensen die de top hebben bereikt, schrikken, bang als ze zijn om de grond onder hun voeten te verliezen, te vallen en te sterven. [...] Maar een stap verder maken, betekent elke gedachte over welk onderwerp dan ook vergeten [...]. Als je zo niet handelt, zul je er niet in slagen de weg te bereiken, ook al bestudeer je hem zo serieus en fanatiek dat de vlammen uit je kop slaan. Neem telkens weer het besluit om zowel het lichaam als de geest te vergeten. (129)

Vrij van de tijd
Als je de Boeddhadharma wilt bestuderen, laat dan alle geconditioneerde ideeën over je verleden, je heden en je toekomst achter. (181)

Vrij van vooroordelen
Zet lichaam en geest opzij en je zult, als je vrij bent van allerlei ingebakken vooroordelen over de weg, uiteindelijk ontwaken. (186)

Doorgaan
Niet stoppen waar de Boeddha verkeert; doorgaan met snelle tred naar de plaats waar geen Boeddha is. (188)



Fragment van het hoofdstuk Ganzei uit Dogen's Shobogenzo (Tanahashi, K.: Treasury of the true Dharma eye; Zen master Dogen's Shobo Genzo. Boston 2010, p. 615-620; vertaling: Ad van Dun). Bron: Dogen-oogbol.pdf

Ha ha!
Rujing besteeg het spreekgestoelte van het Jingci klooster in de prefectuur Linan, en zei:

Vanochtend is het de eerste dag van de tweede maand.
De abtskwast rukt de oogbol uit.
Dit is helder als een spiegel,
zwart als een laklaag.
Het snelt om te springen en
verslindt het universum - één tint.
Maar mijn leerlingen botsen tegen hekken en muren.
Waarom toch?
Maak een eind aan je denken en barst uit in lachen.
Ha ha! Laat alles over aan de lentewind tot niets meer over is.



uit Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:

Wegvallen
'De Weg van de Boeddha leren kennen is jezelf leren kennen. Jezelf leren kennen is jezelf vergeten. Jezelf vergeten is bevestigd worden door de tienduizend dingen. Door de tienduizend dingen bevestigd worden is je eigen lichaam en geest laten wegvallen en ook die van anderen. Alle sporen van verlichting verdwijnen dan en die verlichting zonder sporen zet zich eindeloos voort.'  (94)


Huineng

Uit de Platform Soetra van Huineng; overgenomen uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Niet-denken
Goede vrienden, deze leer van mij is van oudsher gebaseerd op het prinicpe van niet-denken; ze heeft de kenmerkloosheid als essentie, en niet-hechten als grondslag. 'Niet-hechten' betekent dat men zich vrijmaakt van kenmerken, ook al bevindt men zich in [de wereld van de] kenmerken; 'niet-denken' betekent dat men vrij is van denken, ook al houdt men zich op in [de wereld van] het denken; 'niet-hechten' is de fundamentele Natuur van de mens. Gedachten houden nooit op; ze vormen een onafgebroken reeks in verleden, heden en toekomst. Maar [ als het ons gelukt] om één moment het denken te onderbreken, dan maakt het transcendente lichaam zich los van het materiële lichaam, en dan is men te midden van al het denken onthecht van de verschijnselen. Maar als één moment het denken verbonden is met gehechtheid, dan is al het denken gehecht; dat noemt men 'gekluisterd zijn'. (483)

Overdenken
Mensen van de wereld, maak je los van zienswijzen, laat geen gedachte opkomen! Als er geen denken is, dan heeft ook niet-denken geen bestaansgrond meer. 'Niet': wat nou niet? 'Denken': wat nou denken? [Het ware] 'Niet' is de afwezigheid van bezoedeling die voortkomt uit dualiteit. [Het ware] Denken is het overdenken van het wezen van de absolute werkelijkheid. (483)


Willigis Jäger


Uit Zen in de 21e eeuw, Willigis Jäger, Doris Zölls, Alexander Poraj, 2010:



Uit de inleiding:

De voltrekking van niet weten
Zen is geen filosofie. Zen is geen wereldbeschouwing. Zen is ook geen gebruiksaanwijzing om het leven beter of anders te kunnen leven. Wat is zen dan? Zen is de diepste voltrekking van ‘niet weten’; een ontspannen schouderophalen tussen alle theorieën en opvattingen over onszelf, de anderen en de wereld. (7)

Helemaal overbodig
Zen is gewoon maar een ander woord voor dat wat is en zoals het is. Zen voegt aan de dingen en de gebeurtenissen niets toe en doet er ook niets aan af. Eigenlijk is zen volslagen overbodig. We zijn slechts vergeten dat we al thuis zijn. (7)

Van iemand die niets weet
Wanneer je dus, beste lezer, de volgende teksten leest, doe dat dan alsjeblieft met de gelijkmoedige houding van iemand die aanvoelt dat hij niets weet. Dat komt namelijk overeen met de houding die wij als auteurs bij het schrijven hadden. Op die manier komen we in elk geval dichter bij elkaar, los van wat jij of wij intussen ook denken te weten. (7)



Willigis Jäger:

Fata morgana
Het woord dat het dichtst bij zen komt luidt bhavana. Je kunt het vertalen met 'geestelijke ervaring'. In de yoga is dat woord yogachara. Letterlijk vertaald betekent het: de school die inzicht leert. Het gaat om het ware inzien. Hoe dieper een mens komt, hoe meer hij ervaart dat de dingen slechts uit kennisprocessen bestaan, niet als objecten buiten onze ervaring. Omdat er geen object is, is er ook geen subject dat ervaart. Ons ik is een grote illusie, een bril die ons het zicht op de werkelijkheid ontneemt. Het is een hypnotiseur die ons een werkelijkheid voorspiegelt die niet bestaat. We vallen voortdurend aan een fata morgana ten prooi. (29)

Nada
De laatste ervaring overstijgt tenslotte ook nog het bewustzijn van eenheid en wordt als leegte beleefd. 'Nada', het niets, werd het door de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis genoemd en Dionysius sprak van de niet benoembare 'eerste werkelijkheid' die voor alles staat en waaruit alles voortkomt. Meester Eckhart schreef: 'Wanneer ik in de grond, in de bodem, in de stroom en in de bron van de godheid kom, dan vraagt niemand me waar ik vandaan kom en waar ik geweest ben. Daar heeft niemand me gemist. Daar wordt 'God'' (preek 26). Daar lossen onze voorstellingen en concepten van God en wereld zich op. Daar bestaat ook geen ander of een persoonlijk wezen. (32)

Horror vacui
Wie daartoe doordringt, schrikt eerst. Horror vacuï noemde de mystiek deze toestand, angst voor de leegte. Mijzelf gaf (en geeft) deze ervaring een volstrekt nieuwe duiding van mijn menszijn en leven. Alle concepten en mentale kennis zijn dan verdwenen. Vanuit de ervaring van deze oergrond zijn alle religieuze duidingen slechts beelden die komen en gaan maar geen substantie bezitten. (33)

Diepe ontreddering
Nietzsche drong tot dit niveau door, toen hij op een dag in 1881 langs de rots van Surlei liep. Hierna schreef hij: 'Wat doen we met de rest van ons leven - wij die het grootste deel ervan in wezenlijke onwetendheid hebben doorgebracht?' Nietzsche beleefde hier de diepe ontreddering van veel mystici dat dat wat ze beleefd hebben eerst geen plaats kunnen geven. Het doet ze huiveren. Ze gaan door 'hemel en hel'. Het gewone leven en dat wat ze aanschouwden laten zich in het begin maar moeilijk met elkaar verenigen. Praktische toepassing en vertaling naar het leven schijnen onmogelijk. Het individu als drager van rechtschapen verstandigheid heeft niet meer die gebruikelijke betekenis. (61)

Verbazing
Een doorbraak in zen begrijpt de identificatie met ons ik, doorziet ze en relativeert ze. De spirituele bewustwording bevrijdt ons van deze inperking. Onze meningen over onszelf worden transparanter en kunnen zich oplossen. Het bewustwordingsproces ontwikkelt zich tot bewustheid, tot een getuigend bewustzijn, dat zichzelf gewaar wordt. Achter het 'ik' ontsluit zich een wijde ruimte, een nieuwe vrijheid waarin we de concepten van onszelf en de rollen die we spelen leren kennen. Deze bewustheid is ruimt, wakker en stil en kan uitmonden in een grote vrijheid, in een satori-ervaring zoals we in zen zeggen en in een onvergelijkelijke 'verbazing', die in het ik een grote dankbaarheid en liefde achterlaat. (43)

We krijgen er niets bij
Er is niets te bereiken, het is alleen zaak aan te komen waar we al zijn en tot ons ware wezen door te dringen. Het is leeg, alomtegenwoordig, stil en rein. We krijgen er niets bij. We worden alleen wakker. Verlichting laat zich het beste vertalen met 'ontwaken'. Ook van een meester is niets te krijgen. De meester kan de leerling slechts helpen te ontwaken. (43)

Niemand weet
Thomas Blochowicz, zenleraar en doctor in de fysica, zou tegen een groep fysici hebben gezegd: 'De fysicus kan met behulp van zijn onderzoek nooit iets te weten komen over de wereld, maar alleen over hoe de menselijke geest werkt.' Men zegt dat zijn collega's hem pas durfden te bekritiseren nadat hij de zaal had verlaten. Maar tegenwoordig staat hij niet meer alleen. Uiteindelijk is er geen substantie. Veel fysici zijn aangekomen op het niveau waarop alles hun tussen de vingers door glipt. Al het materiële vervluchtigt tot energie en vervliegt dan in het niets. (51)



Doris Zölls:

Rudimentair
De zinvolle samenhang echter die we met ons verstand zoeken is een constructie van ons brein en houdt niet onmiddellijk verband met de werkelijkheid. We proberen met ons verstand causaliteiten te ontdekken om de wereld te begrijpen en het leven hanteerbaar te maken, maar dit zijn altijd maar heel rudimentaire pogingen en we ontdekken heel snel dat het onmogelijk is met ons verstand de totaliteit van het leven te bevatten. (84)

Beperkt
Ons brein is beperkt. Het kan de zintuiglijke indrukken slechts selectief verwerken. Onze individuele, culturele alsook historische vorming als mens stelt grenzen aan onze wereldbeschouwing. Door de ontmoeting met andere culturen en hun visie op de wereld en door onze eigen ervaringen wordt ons steeds opnieuw onze eigen beperkte kijk op de wereld en besef van de werkelijkheid onder ogen gebracht. (84)

Schijnbare zekerheid
Ondanks de selectieve waarneming van de werkelijkheid geven de hieruit ontstane concepten en voorstellingen ons mensen een schijnbare zekerheid. Meestal zijn we ons hier echter niet van bewust en baseren we hierop ons denken, onze voorstellingen en concepten waarmee we de waarde van het leven bepalen. Hieruit ontstaat dan weer een beperkte waarneming van de werkelijkheid. (85)

Het echte wonder
Zen beschrijft dit met het beeld van verschillende brillen die we op hebben en waardoor we de wereld bekijken en die ons de wereld als door een mist laten zien. Zen wil ons vanuit deze wereld van concepten en beelden naar de onmiddellijkheid van het beleven leiden. Zenmeester Sosan beschrijft dit als volgt: 'Willen we de dingen zien zoals ze zijn, dan moeten we onze gekleurde brillenglazen afnemen. Dat is het hele geheim. Dit zo-zijn van de dingen, waar we niets aan toevoegen of bovennatuurlijks inleggen, is het echte wonder. (85)

Alles wordt niets
Dit kan gebeuren wanneer alle begrippen en voorstellingen, alle waardebepalingen en benamingen wegvallen, er geen relatie meer is met een ik of jij en wij de waarneming zelf zijn. Op dat moment staan zijn en niet-zijn niet meer tegenover elkaar. Ze worden als één beleefd en dat niet alleen. Op dat ogenblik vallen geest en lichaam weg, alles wordt niets. (86)

Als het rommelen van de buik
Vooroordelen, patronen, concepten waarmee mijn alledaagse geest de wereld beschouwt, begrijpt en een plaats geeft, worden herkend als gedachten die het brein produceert, te vergelijken met het 'rommelen van de buik'. Hierdoor heeft een deïdentificatie plaats van gedachten en emoties. Ik ben niet meer mijn gedachten en emoties, maar ik leer mijn gedachten als 'babbelen' van mijn brein en mijn emoties als 'stofwisseling' van mijn lichaam te zien. (92)


Alexander Poraj



Mijn ik
Toen ik de eerste teisho's las en later in sesshins beluisterde, had ik het diepe gevoel een objectieve werkelijkheid te zijn tegengekomen. Daarin gaat het er namelijk niet meer om hoe de wereld, of ik, moet zijn of met te gedragen heb. Het werd onmiskenbaar duidelijk dat er zoiets als mijn ik, op de wijze waarop ik mezelf tot nu toe als gegeven had aangenomen, helemaal niet bestond. (121)

Noch ik noch mij noch mijn
Anders dan alle mij bekende filosofisch-theologische verklaringsmodellen van het Westen (meester Eckhart uitgezonderd), berust de bevrijdingsweg van zen erop, mijn ik noch op te voeden noch te verbeteren en ook niet te ontkennen of af te wijzen. De zenoefening verwerkelijkt zich in het besef dat er, zoals Shakyamuni Boeddha onmiddellijk na zijn ervaring bericht, noch ik noch mij noch mijn bestaat. (121)

Een nieuwe vicieuze cirkel
Ik heb altijd gedacht dat het ik iets statisch was, een bepaalde grootheid, een iets, een subject, dat met een hele reeks van talenten was uitgerust die van mens tot mens kunnen verschillen. En zo begon ik mijn oefening erop af te stemmen dit iets te laten verdwijnen. Hierbij merkte ik natuurlijk niet dat ik, hoe meer ik er mijn best voor deed mijn ik uit de weg te ruimen, druk bezig was alleen een bepaald beeld van mijn zelf te bestrijden, terwijl mijn ik zich tegelijkertijd als concept van zijn eigen bestrijding vestigde. Het was een nieuwe vicieuze cirkel, die ik zonder voortdurende en geduldige begeleiding niet had kunnen herkennen. (122)

Het ik is vasthouden
Er is namelijk helemaal geen ik dat aan iets vasthoudt en dientengevolge in staat zou zijn loslaten te oefenen. Het ik houdt niet vast. Het ik is vasthouden. Het ik denkt ook niet, het ik is denken. Het ik oordeelt en veroordeelt niet. Het ik is oordelen en veroordelen. Hiermee zijn vanuit het perspectief van de zenoefening bezien alle zelfverbeteringsconcepten niets anders dan pogingen tot zelfbehoud van het ik zelf, hoe edel ze zich ook voordoen. (122)


Karl Jaspers


Uit Socrates, Boeddha, confucius, Jezus, Karl Jaspers, 1999 (1960):

Onmiddellijk weer gebruikt
Het verstand wordt niet verworpen, wanneer het wordt overwonnen. Het wordt onmiddellijk weer gebruikt, wanneer moet worden medegedeeld wat in de overwinning werd ervaren. (55)

Nergens een vast punt
Wat is dan eigenlijk? - De stroom van het worden, die nooit is. De schijn van het ik, dat in waarheid geen zelf is. Wat is, dat is tegelijk dwaling en niet-weten en heilloosheid. Het worden is de keten van verdwijnende momenten van het bestaan, zoals het latere boeddhisme dat doordenkt, het is in zijn verdwijnen het niet-zijn van wat schijnt te zijn. Niets bestaat, niets blijft zichzelf gelijk, nergens is een vast punt. Het ik of het zelf is niets dan de illusie van een iets, dat in zijn vergankelijkheid onophoudelijk verandert en zichzelf voor een ik houdt. (63)

Geen zijn of niet-zijn
Onder de stroom van het worden en de schijn van het ik ligt niets anders. Maar beide moeten worden opgeheven in dat geheel andere, waarvoor alle denkvormen, die zijn afgestemd op het misleidende worden en het ik, niet meer gelden. Daar is geen zijn of niet-zijn. Het geheel andere wordt geschouwd in het verlichte kennen en bereikt in nirvana. (63)

Zijn of niets
Hoe kan Boeddha over nirvana spreken?
   Wanneer hij spreekt, moet hij dat toch doen in de ruimte van het bewustzijn, dat ons misleidt. Als hij over nirvana spreekt, wordt het een zijn of het wordt niets. (64)

Daar waar het denken ophoudt
Onder de schijn van het worden en van het zelf ligt - zo werd ons gezegd - niets. Er is geen uitwijken naar een 'grond' of naar een 'hogere' wereld mogelijk. Toch kunnen het worden en het zelf in hun geheel worden opgeheven naar daar waar met de schijn ook het denken, dat wij in het gewone leven gebruiken, ophoudt. (64)

Noch licht noch lucht
'Er is een plaats, waar noch water noch aarde is, noch licht noch lucht, noch oneindige ruimte noch oneindigheid van de rede, noch het zijn van wat dan ook, noch de opheffing van het zich voorstellen en het zich niets meer voorstellen tegelijk [...]. Het is zonder grond, zonder voortgang, zonder vastheid; dat is het einde van het lijden.' (64)

Geen maat
'Geen maat meet hem, die tot rust is gekomen. Er zijn geen woorden om over hem te spreken. Wat het denken zou kunnen omvatten is tenietgedaan, tenietgedaan is ook ieder pad van de taal.' (65)

Niet noodzakelijk
Een weten dat niet noodzakelijk is voor het heil wijst Boeddha af. Stellingen waarover hij zich niet heeft uitgesproken en dus ook vragen die hij heeft afgewezen, zijn bijvoorbeeld de volgende: 'De wereld is eeuwig' en 'De wereld is niet eeuwig' of 'De wereld is eindig', 'De wereld is niet eindig' of 'De volmaakte is er ook na zijn dood', 'Na zijn dood is de volmaakte er niet meer'. (65)

Niets meer
[Boeddha] heeft afstand genomen van zichzelf en zijn hele werkelijkheid achter zich gelaten, en hij heeft afstand genomen van de mensen, wier eigen leven, wier geheim en verborgenheid hij niet te na komt. Zoals Boeddha uiteindelijk is geworden, is er niets meer wat hij zoekt. (68)

Niet te kennen
Boeddha is onpersoonlijk geworden, talloze Boeddha's hebben in eerdere wereldtijden gedaan en zullen in komende wereldtijden doen wat hij nu doet. Hij verdwijnt in zekere zin als individu in de niet te tellen menigte van zijn gelijken. Hij is de enige, maar hij is het slechts als een herhaling. [...] Hij is niet te kennen. 'Boeddha, die door de oneindigheid schrijdt, de spoorloze, hoe zoudt gij hem dan naspeuren.' (68)

Steeds ontoegankelijker
Wanneer de enkeling zijn roep volgt, wordt zijn innerlijk opgeëist en hij wordt met formules en inzichten waarin het eigenlijke toch niet wordt gezegd tot een afdalen in de diepte gebracht dat voor de anderen steeds ontoegankelijker wordt. (70)


Linji


Andere namen waaronder Linji  (? - 867) bekend staat: Yixuan, Huichao, Rinzai.

Uit Linji Huichao chanshi Yulu (Opgetekende uitspraken van de Chan-meester Huichao van het Linji-klooster); overgenomen uit Uit 25 Eeuwen Oosterse Filosofie, Jan Bor & Karel van der Leeuw (red.), 2e druk, Boom, Amsterdam:

Niet vastspijkeren
Een monnik vroeg: "Wat is de essentiële betekenis van de leer van de Boeddha?" De Meester schreeuwde. De monnik betuigde zijn eerbied [als teken van dank]. De meester zei: "Wat is dit een prima discussie tussen Meester en discipel!" Daarop vroeg de discipel: "Meester, welk deuntje zingt u na? Welke schooltraditie zet u voort?" De Meester zei: "Toen ik een discipel van Huangbo was, heb ik hem dat driemaal gevraagd, en driemaal heeft hij mij een pak slaag gegeven." De monnik aarzelde met zijn antwoord, waarop de Meester een kreet slaagde en hem sloeg, met de woorden: "Spijker geen plank vast in de lege ruimte!" (486)

Poepen en pissen
De meester zei tot de verzamelde toehoorders: "Volgelingen van de Weg, het beoefenen van de leer van de Boeddha eist geen enkele inspanning. Het gaat om alledaagse dingen waar je je niet druk om hoeft te maken: poepen en pissen, je aankleden, en gaan liggen als je moe bent. De stommeling zal me hierom uitlachen, maar de wijze weet wat ik bedoel. (486)

Ook die term is leeg
Iemand vroeg: "Wat bedoelt u als u zegt de de geest altijd vrij moet zijn van onderscheid?" De Meester zei: "Toen je besloot om deze vraag te stellen was je al verschil aan het maken! Er was al een scheiding gekomen tussen je [wezenlijke] Natuur en [onderscheidende] kenmerken. Volgelingen van de Weg, maakt die fout niet! Aardse en bovenaardse verschijnselen hebben geen eigen natuur, en evenmin hebben ze een causale natuur. Ze worden alleen maar als 'leeg' aangeduid, maar ook die term is 'leeg'. Waarom zouden jullie zo'n zinloze term als werkelijk beschouwen? Dat is een grote fout! (488)

Denkbeeldig
De leer van de Boeddha met al zijn canonieke teksten is niet anders dan papier om smerigheid mee af te vegen; de Boeddha is niet meer dan een denkbeeldig persoon, de patriarch is alleen maar een oude monnik die [net als jullie] uit een moeder geboren is. Als je je richt op de Boeddha, dan word je door de boeddhademon bezeten; als je je richt op de patriarch, dan word je door de patriarch in de boeien geslagen. Zolang als je naar iets streeft, zul je lijden. Het is beter om je daar niet mee bezig te houden. (488)

Sla ze dood!
Volgelingen van de Weg, als jullie het ware begrip willen krijgen, laat je dan door niemand bedriegen. Als je iemand in jezelf of daarbuiten tegenkomt, sla hem dood! Als je de Boeddha tegenkomt, sla de Boeddha dood. Als je een Heilige tegenkomt, sla hem dood! Als je je ouders tegenkomt, sla ze dood! Als je je vrienden en verwanten tegenkomt, sla ze dood! Eerst dan zullen jullie verlost zijn, niet meer gebonden aan de dingen, vrij en soeverein! (488)



Uit: Kloppen waar geen poort is, Ton Lathouwers, 2007:

Koppen afhakken
We zouden de koppen moeten afhakken van al die esoterische boeddha's. Degenen die de tien stadia van de bodhisattvapraktijk in vervulling gebracht hebben, zijn geen haar beter dan gewone arbeiders op het veld. Degenen die de verlichting bereikt hebben van de eenenvijftigste of de tweeënvijftigste graad, zijn nog altijd geketende gevangenen. De arhats en boeddha's zijn drek in het toilet. Volmaakte verlichting en nirwana zijn palen, waaraan ezels hun jeuk kwijt kunnen. (26)

Nergens op steunen
Jullie, die nu naar de dhamma [leer] luisteren, als jullie werkelijk mensen van de weg zijn, die van niets afhankelijk zijn en zich op niets verlaten, ja, dan zijn jullie de moeder van de boeddha's. De boeddha's worden immers geboren vanuit een werkelijkheid die nergens op steunt. Als jullie kunt ontwaken tot dit 'nergens op steunen',  dan heb je ook geen boeddha meer nodig om je aan vast te houden. (29)

Nog geen kruimeltje
De twaalf voorbije jaren heb ik overal uitgekeken of ik zoiets als 'karma' aantrof. Maar ik heb nog nooit iets van dit karma gevonden, nog geen kruimeltje zo klein als een mosterdzaadje. (32)

Blinde idioten!
Ik heb jullie nog geen tikkeltje dhamma te bieden. [...] Er is geen Boeddha, er is geen dhamma, er is geen praktijk, er is geen verlichting. En toch blijven jullie maar allerlei zijwegen inslaan in de hoop iets te vinden. Blinde idioten! Wil je soms een ander hoofd zetten op het hoofd dat je al hebt? Wat is het, dat je nog ontbeert? (35)

Zoek en gij zult niet vinden
Zoek de Boeddha en je zult de Boeddha verliezen. (39)

Zonder draagvlak
Volgers van de weg, klamp je ook niet vast aan mijn boude beweringen. En waarom niet? Omdat ook die boude beweringen de basis van een draagvlak missen. (41)


Dennis Genpo Merzel


Uit De Weg van de Mens, 2007:

Tot het uiterste gaan
Eigenlijk maakt het niet zoveel uit welke vraag je neemt, als je je er maar in stort met alles wat je hebt. Onderzoek elke mogelijkheid, elk mogelijk antwoord. Aan het eind sta je nog steeds met lege handen. En daar gaat het nou net om. (p39/40)

Geen-perspectief
Wat lastig is, is dat we altijd weer snel in een nieuw perspectief komen vast te zitten. Er zijn twee manieren om niet weer vast te lopen: we kunnen álle perspectieven opgeven of we kunnen míjn perspectief opgeven en alle perspectieven omarmen. [...] We worden op school en door familie en vrienden beloond voor begrijpen, weten, bewijzen. Maar wat kunnen we weten of begrijpen als we geen perspectief hebben en geen standpunt? Boeddhageest heeft geen perspectief. De ervaring van boeddhageest overstijgt elk weten en begrijpen. (58)

Elk-perspectief
Maar de zenervaring is altijd: ik kán het niet weten. Het is duidelijk dat we de ervaring niet vertrouwen. We gaan twijfelen en vragen onszelf af: 'Misschien, heel misschien, is er íets dat ik kan weten of begrijpen, grijpen, uitvissen. Waaraan ik me kan vastklampen. Waarop ik kan vertrouwen.' Maar elke keer als we het onderzoeken, ontdekken we hetzelfde: het is ongrijpbaar. Boeddhageest is voorbij elk perspectief. Het omvat alle perspectieven: echt, vals, goed, slecht, juist, verkeerd, bekend, onbekend. Elk perspectief is slechts een deel, nooit het geheel. (59)

Brand het op
We stellen allemaal onmogelijke vragen: ben ik goed of slecht? Is mijn leven geslaagd? Ben ik op de goede weg? Zen zegt: ga ervoor, brand het helemaal op. (60)

Maak je kop leeg
Toen hij eindelijk ontvangen werd in de vertrekken van de leraar, deelde de professor mee: 'Ik wilde u ontmoeten omdat ik hier graag wil trainen, om verlicht te raken.' De leraar zei niets en ging door met thee schenken. Hij schonk de kop van de professor vol en bleef maar doorschenken. De professor riep uit: 'Wacht, stop! Mijn kop is vol!' De meester antwoordde: 'Maak je kop dan leeg.' Dit is de eerste les in zen. En ook de laatste. (61)

De hoop voorbij
We moeten de hoop opgeven dat er iets te vinden valt. (104)

Cyclus
[Maar] zolang we niet diep in onszelf zoeken zullen we ons nooit realiseren dat er helemaal niets te bereiken of te begrijpen valt. Het volstaat meestal niet, dit één keer te ontdekken. De zoekende geest komt ook dan nog niet tot rust. Op een gegeven moment komt de twijfel weer op: 'Misschien heb ik niets gevonden omdat ik niet hard genoeg gezocht heb.' Hoe vaak moeten we deze cyclus doorlopen: zoeken en niets vinden? Het antwoord is denk ik: tot we eruit zijn, tot we niet meer hoeven te zoeken. (107)

Verwachtingsloos
Als ik niet weet wat ik van mezelf kan verwachten, hoe kan ik dan in vredesnaam weten wat ik van jou kan verwachten? (110)

Zonder vaste grond
Elke dag leven zonder vaste grond onder onze voeten, zonder ideeën over wie we zijn, dát is bevrijding van het zelf. (112)

Niets te bevestigen
We kunnen ons niet nestelen in wat comfortabel en veilig voelt, want de zenbeoefening heeft een verrassing in petto: als je er komt, nergens dus eigenlijk, wéét je dat. Je weet, zonder een spoor van twijfel, dat je niets hebt bereikt. Je bent nergens heen gegaan en je hebt niets bereikt. Waarom zou je dan iemand nodig hebben om dat te bevestigen? (154)

Ware intelligentie
Ware intelligentie is níet weten. Als ik denk dat ik iets weet, heb ik alleen maar een concept. (154)

Geen-identiteit
Leven met niet-weten is leven als de ongeboren boeddhageest. [...] Je ware identiteit is geen-identiteit. (154)

Weg ermee
Het maakt niet uit hoe lang we al met zenmeditatie bezig zijn of hoeveel realisaties we al gehad hebben, de taak waar we ons voor gesteld zien blijft dezelfde: het opgeven van onze ideeën. (165)

Boodschappen neerzetten
Als we onze armen vol boodschappen hebben, moeten we ze eerst neerzetten voordat we de deur open kunnen doen. (180)

Geen-brug
Zen bouwt niet aan een veilige brug naar succes, maar haalt de grond onder onze voeten vandaan. (182)

Volmaakte twijfel
Twijfel kan in eerste instantie klein zijn, zeurend als een mug, maar het kan uitgroeien totdat het volmaakt is, alles omvattend. Als de twijfel onvolmaakt is, als er grenzen zijn aan hoever deze reikt, kunnen we ons iets voorstellen voorbij de twijfel en denken dat dat 'iets' misschien de waarheid is. Zolang we een keuze denken te hebben, houden we hoop. [...] We kunnen geen steen op de andere laten; enkel volmaakte twijfel kan alles opheffen. (192)

Geen-inzicht én elk-inzicht
We kunnen natuurlijk proberen een houvast te vinden in 'geen-inzicht', maar dat is slechts wéér een inzicht, een idee over geen gezichtspunt hebben. Kunnen we de uitersten van alle inzichten en geen-inzicht omarmen? (200)

Niet-verblijven
We moeten alleen één ding onthouden: in beweging blijven. Nooit ophouden met inzichten en gezichtspunten loslaten. Zoals een van de voorouders [zenpatriarchen] zei: 'Verblijf in niet-verblijven. Installeer je nergens. (201)

Geen-zelf
Meester Hakuin zei het als volgt: 'Het ware zelf is je realiseren dat er geen ware zelf is.' [...] Als we ons ware zelf vinden, raken we alle criteria kwijt voor wie we moeten zijn en hoe we moeten zijn. Al onze referentiepunten verdwijnen. (221)

Geen-nu
Het ware nu is geen-nu. Geen nu. Er is niets tussen verleden en toekomst. Wat betekent dat? Niets. Het eeuwige nu is niets. Dus waarom doen alsof je iets bent? Er is absoluut geen hoop, geen ontsnapping, geen antwoord. Er is geen vrijheid, er is geen nirvana. Er is geen lijden, geen hel, geen dukkha. Dat is allemaal illusie. (247)

Geen-hoop
Er is echt geen enkele hoop, dat is wat ik probeer te zeggen. Als je dat ziet, dan ben je er. (247)

Geen-verlichting
Joshu had iets bereikt dat heel zeldzaam is, zelfs onder onze grote, historische voorgangers: hij was volslagen gewoon geworden, niets bijzonders. Dat klinkt misschien simpel, maar dat is het niet. Daarvoor moet je alles loslaten. [...] Joshu had alles opgegeven, vooral alles wat op verlichting leek. (253/4)


Poortloze Poort



De Wumenguan of Wumen Kuan of Mumonkan of Poortloze Poort is een verzameling van 48 koans verteld en becommentarieerd door de Chinese zenmeester Wumen Huikai (1183 - 1260), ook wel Ekai of Mumon genoemd, en opgetekend door zijn leerlingen.

Hieronder vind je enkele (fragmenten) van deze koans in de Nederlandse vertaling door T. Meurs en R.H. Bathgate van de Engelse transcriptie van (naar ik aanneem) het Chinese origineel door Nyogen Senzaki en Paul Reps uit de bundel Zen-zin, Zen-onzin, Paul Reps, 1972.

Alle 48 koans vind je op mijn pagina De Poortloze Poort.

(nummers en titels origineel)

3. Gutei's vinger
Steeds als Gutei een vraag gesteld werd over zen, stak hij zijn vinger op. Een bediende begon hem hierin na te doen. Als iemand de jongen vroeg waar zijn meester over gepreekt had, stak de jongen zijn vinger op.
Gutei hoorde van de streken van de jongen. Hij greep hem en hakte zijn vinger af. De jongen huilde en liep weg. Gutei riep hem en deed hem halthouden. Toen de jongen zijn hoofd naar Gutei keerde, stak Gutei zijn eigen vinger op. Op dat moment werd de jongen verlicht.
Toen Gutei op het punt stond van deze wereld heen te gaan, verzamelde hij zijn monniken om zich heen. Ik kreeg mijn vinger-zen van mijn leraar Tenryu, zei hij, en in mijn hele leven heb ik er niet alles kunnen uithalen wat erin zat. Toen stierf hij.

4. Een vreemdeling zonder baard
Wakuan klaagde, toen hij een afbeelding van Bodhidharma met baard zag: Waarom heeft die vent geen baard?

uit 6. Boeddha draait een bloem rond
Toen Boeddha op de berg Grdhrakuta was, draaide hij een bloem rond tussen zijn vingers en hield haar voor de ogen van zijn toehoorders. Iedereen was stil. Alleen Mahakasyapa glimlachte bij deze openbaring, hoewel hij probeerde om zijn gezicht in de plooi te houden.

7. Joshu wast de schaal af
Een monnik zei tegen Joshu: Ik ben pas in het klooster. Onderricht me alstublieft.
Joshu vroeg: Hebt u uw rijstepap gegeten?
De monnik antwoordde: Ik heb gegeten.
Joshu zei: Dan moest u uw schaal maar eens gaan afwassen. Op dat moment werd de monnik verlicht.

11. Joshu stelt de meditatie van een monnik op de proef
Joshu ging naar een plaats waar een monnik zich had teruggetrokken om te mediteren, en vroeg hem: Wat is, is wat? De monnik hief zijn vuist op.
Joshu antwoordde: Er kunnen geen schepen zijn waar het water te ondiep is. En hij ging.
Een paar dagen later ging Joshu de monnik opnieuw opzoeken en stelde dezelfde vraag. De monnik antwoordde op dezelfde manier. Joshu zei: Goed gegeven, goed genomen, goed gedood, goed gered. En hij boog voor de monnik.

12. Zuigan roept zijn eigen meester
Zuigan riep elke dag tegen zichzelf uit: Meester. Vervolgens antwoordde hij zichzelf: Ja, heer. En daarna voegde hij er aan toe: Matig u.
Opnieuw antwoordde hij: Ja, heer.
En als u zover bent, ging hij verder, laat u niet door anderen bedriegen.
Ja, heer; ja, heer, antwoordde hij.

14. Nansen hakt de kat in twee
Nansen zag de monniken van de oostelijke en westelijke hallen om een kat vechten. Hij pakte de kat en zei tot de monniken: Als een van u een goed woord zegt, kunt u de kat redden.
Niemand antwoordde. Dus hakte Nansen onbeschaamd de kat in twee stukken.
Die avond kwam Joshu terug en Nansen vertelde het hem. Joshu deed zijn sandalen uit, legde ze op zijn hoofd en ging naar buiten. Nansen zei: Als u er geweest was, had u de kat kunnen redden.

16. Tempelklokken en gewaden
Ummon vroeg: De wereld is zo wijd; waarom antwoordt u op een tempelklok en doet u rituele gewaden aan?

18. De drie pond van Tozan
Een monnik vroeg aan Tozan, terwijl deze wat vlas aan het wegen was: Wat is Boeddha?
Tozan zei: Dit vlas weegt drie pond.

19. Het leven van elke dag is de weg
Joshu vroeg Nansen: Wat is de weg?
Nansen zei: Het leven van elke dag is de weg.
Joshu vroeg: Kan het geleerd worden?
Nansen zei: Als je het probeert te leren, zul je er ver vanaf zijn.
Joshu vroeg: Als je het niet leert, hoe kun je dan weten dat het de weg is?
Nansen zei: De weg behoort niet tot de wereld van waarneming, noch behoort hij tot de wereld van niet-waarneming. Kennis is een begoocheling en niet-kennis is zinloos. Als je de ware weg, over de twijfel heen, wilt bereiken, plaats jezelf dan in dezelfde vrijheid als de lucht. Je noemt hem evenmin goed als niet goed.
Bij deze woorden werd Joshu verlicht.

20. De verlichte
Shogen vroeg: Waarom staat de verlichte niet op en verklaart hij zichzelf niet?
En hij zei ook: De spraak hoeft niet van de tong te komen.

21. Gedroogde mest
Een monnik vroeg Ummon: Wat is Boeddha?
Ummon antwoordde hem: Gedroogde mest.

uit 28. Het uitblazen van de kaars
Tokusan studeerde zen onder leiding van Ryutan. Op een avond kwam hij bij Ryutan en stelde veel vragen. De leraar zei: De avond is al ver gevorderd. Waarom gaat u niet naar bed?
Dus boog Tokusan, opende het scherm om naar buiten te gaan, en merkte op: Het is erg donker buiten.
Ryutan bood Tokusan een brandende kaars aan om hem te helpen zijn weg te vinden. Op hetzelfde ogenblik dat Tokusan hem aannam, blies Ryutan hem uit. Op dat moment werd de geest van Tokusan geopend.

29. Niet de wind, niet de vlag
Twee monniken debatteerden over een vlag. De een zei: De vlag beweegt.
De ander zei: De wind beweegt.
De zesde patriarch kwam er toevallig langs. Hij vertelde ze: niet de wind, niet de vlag; de geest beweegt.

32. Een filosoof stelt Boeddha een vraag
Een filosoof vroeg aan Boeddha: Zonder woorden, zonder het woordeloze, wilt u mij de waarheid vertellen?
De Boeddha bleef zwijgen.
De filosoof boog en dankte de Boeddha, zeggend: Met de hulp van uw liefde heb ik mijn waanideeën opgeruimd en heb ik de ware weg betreden.
Nadat de wijsgeer was vertrokken, vroeg Ananda aan de Boeddha wat hij had bereikt.
De Boeddha antwoordde: Een goed paard rent zelfs bij de schaduw van de zweep.

34. Leren is niet de weg
Nansen zei: De geest is niet Boeddha. Leren is niet de weg.

35. Twee zielen
Seijo, het Chinese meisje, merkte Goso op, had twee zielen, een die altijd ziek thuis was en de andere in de stad, een getrouwde vrouw met twee kinderen. Welke was de ware ziel?

39. Het zijspoor van Ummon
Een zenstudent zei tegen Ummon: De schittering van Boeddha verlicht het hele heelal.
Voor hij de zin af had, vroeg Ummon: Je bent een gedicht van een ander aan het citeren, is het niet?
Ja, antwoordde de student.
Je bent op een zijspoor, zei Ummon.
Later vroeg een andere leraar, Shishin, aan zijn leerlingen: Waar raakte de student het spoor bijster?

40. Een vaas met water omgooien
Hyakujo wilde een monnik uitzenden om een nieuw klooster te openen.
Hij vertelde zijn leerlingen dat degene die het meest vaardige antwoord op een vraag gaf, aangewezen zou worden. Hij zette een vaas met water op de grond en vroeg: Wie kan zeggen wat dit is zonder de naam ervan te noemen?
De hoofdmonnik zei: Niemand kan het een houten schoen noemen. Isan, de kok-monnik, stootte de vaas met zijn voet om en ging naar buiten.
Hyakuho glimlachte en zei: De hoofdmonnik heeft verloren. En Isan werd de meester van het nieuwe klooster.

41. Bodhidharma brengt de geest tot vrede
Bodhidharma zit naar de muur te staren. Zijn toekomstige opvolger staat in de sneeuw en biedt zijn afgehouwen arm aan Bodhidharma aan. Hij roept uit: Mijn geest is niet in vrede. Meester, breng mijn geest tot vrede.
Bodhidharma zegt: Als je mij die geest wilt brengen, zal ik hem voor je tot vrede brengen.
De opvolger zegt: Als ik mijn geest doorzoek, kan ik hem niet bevatten. Bodhidharma zegt: Dan is uw geest al tot vrede gebracht. 

43. De korte staf van Shuzan
Shuzan hield zijn korte staf naar voren en zei: Als u dit een korte staf noemt, verzet u zich tegen zijn werkelijkheid. Als u het geen korte staf noemt, negeert u het feit. Nu, hoe wilt u dit noemen?

44. De staf van Basho
Basho zei tegen zijn leerling: Als je een staf hebt, zal ik je hem geven. Als je geen staf hebt, zal ik hem van je afnemen.

45. Wie is hij
Ho-en zei: De vroegere en toekomstige Boeddha's, beiden zijn zijn dienaren. Wie is hij?


Samurai zen

uit Samurai zen; the warrior koans; Trevor Leggett, Routledge, London, 1985 / 2003

uit 30. Spiegel-zen
Wanneer de geest nergens op berust, is er geen onhelderheid.
Dan hoeft de spiegel ook niet gepolijst te worden.

39. De geboorte van de boeddha
Ishida Yamamoto-no-kami bestudeerde de Weg in het klooster Enkakuji, waar hij gesprekken over zen voerde met Ikka, de 124-ste meester aldaar. Op een dag zei hij: 'De geschriften die ik heb gelezen sinds ik hier begonnen ben, zijn het niet eens over de geboortedatum van de Boeddha. Welke is de juiste?'
Meester Ikka zei: 'Waar maak je je druk om? De dag dat je je eigen boeddhanatuur realiseert zal de geboortedatum van de Gezegende zijn.'

48. De grondwaarheid van het boeddhisme
Kono Sadakuni was een ridder uit Ofuna die tevens zen studeerde. Vanwege zijn vurige temperament probeerde iedereen hem te ontlopen. Op een dag klopte hij aan bij meester Setsuo, de vijfentwintigste leraar van de Kenchoji tempel, en schreeuwde zo hard als hij kon: 'Wat is de grondwaarheid van het boeddhisme?'
De meester gaf zijn bediende opdracht de kachel aan te doen en zei: 'Welkom, welkom!'
De ridder vroeg opnieuw: 'Wat is de grondwaarheid van het boeddhisme?'
De meester gebaarde naar zijn bediende om thee in te schenken en cakejes te serveren.
De ridder vroeg nogmaals: 'Wat is de grondwaarheid van het boeddhisme?'
De meester droeg de bediende op rijst te serveren.
Ten slotte zei de ridder: 'Ik moet u hartelijk danken voor uw onberispelijke gastvrijheid. Jammer genoeg heeft u mij nog steeds niet verteld wat de grondwaarheid van het boeddhisme is.'
De meester zei: 'De grondwaarheid van het boeddhisme is precies dit. Als het koud is, de kachel aandoen. Als je dorst hebt, drinken. Als je honger hebt, eten. Als je uitgeput bent, slapen. Kijk maar, ik verberg niets. Het is de spirituele waarheid van actie en reactie, en als de ridder over het derde oog beschikt, zal hij onmiddellijk inzien dat dit principe ten grondslag ligt aan alles wat ik doe, of ik nou loop of stilsta, zit of lig.'
De ridder bedankte hem en vertrok. Buiten zei hij tegen de bediende: 'Toen ik de meester daarnet naar de grondwaarheid van het boeddhisme vroeg, demonstreerde hij die met vuur in de kachel, met thee en cakejes, met een rijstmaaltijd. Maar stel dat ik hem onderweg was tegengekomen en hem naar de grondwaarheid van het boeddhisme had gevraagd, wat zou hij dan gedaan hebben?'
De bediende zei: 'Wat de meester gedaan zou hebben weet ik niet, maar zelf zou ik het ene been voor het andere gezet hebben en mijn armen in tegengestelde richting hebben gezwaaid teneinde de grondwaarheid van het boeddhisme te demonstreren.'
De ridder zei: Stel dat ik inderdaad over het derde oog beschikte maar jij kon geen gebruik maken van je armen of je benen of je mond of je neus om de grondwaarheid van het boeddhisme te demonstreren, wat zou je dan doen?'
De bediende zweeg.

uit 50. Je eigen gedachten lezen
[Een kluizenaar zei:] 'Ik heb in de soetra's gelezen dat er in het boeddhisme zes bovennatuurlijke vermogens zijn (vliegen, gedachten lezen et cetera). Heeft u die ook?'
Net op dat moment kokkelde er een fazant in de tuin. De meester wees ernaar en zei: 'Zelfs deze gouden fazant geeft er blijk van - steeds wanneer hij vliegt.'
De kluizenaar zei: 'Dat bedoel ik niet. Kunt u bijvoorbeeld andermans gedachten lezen?'
De meester zei: 'Probeer eerst maar eens je eigen gedachten te lezen. Als je dat al niet kunt, hoe wil je dan die van anderen lezen?'
De kluizenaar zei: Wat ziet hij die zijn eigen gedachten leest?
De meester zei: Een achtkantige maalsteen rondrazend in het niets.

55. De hartsoetra in één woord
Teneinde het wereldse de rug toe te keren, betrad zenmeester Daikaku als boeddhistische novice de Tempel van het Grote Mededogen in Szechuan. Daar moest hij driemaal daags soetra's lezen ten overstaan van de beeltenissen van de boeddha's en de patriarchen. Al gauw besloot hij dat hij zich niet meer met de voorgeschreven soetra's wilde bezighouden maar alleen nog met de hartsoetra.
Daikaku verklaarde: 'De 84.000 rollen van de boeddhaleer komen allemaal neer op de ene rol van de hartsoetra, en die ene rol van 262 woorden komt neer op maar één woord. Veel verschillende soetra's lezen is twijfelen aan de Boeddha.'
Geheel in overeenstemming met zijn diepste overtuiging beperkte de dappere novice zich vanaf dat moment tot het lezen van die ene rol.

63. Zo!
In het eerste jaar van Tokuji (1306), op de achttiende dag van de vijfde maand, slaakte priester Musho, die wist dat hij ging sterven, een katzu-kreet en riep:

Zo komen alle boeddha's,
Zo gaan alle boeddha's,
Hoe alle boeddha's komen en gaan?
Dat zeg ik toch: Zo!

(Aantekening van Imai: Zijn postume naam was Hokai. Hij ontving de dharma van meester Sekkai in China tijdens de Sung-dynastie en stichtte na zijn terugkeer een bijtempel bij Jochiji. Daar ontving hij geduldig iedereen die iets over zen wilde weten, maar welke vraag hem ook gesteld werd, hij gaf altijd hetzelfde antwoord: 'Zo', en weigerde resoluut iets uit te leggen.)

72. Boeddhistisch onderricht
Op een dag klopte Nobuchika aan bij de Jufuku-tempel in Kamakura voor een gesprek met Butchi Enno, ook wel Kengai genoemd.
Nobuchika zei: 'Tenryu heeft maar één vinger nodig om het boeddhisme te onderwijzen. Maar deze oude krijger zou het boeddhisme nog kunnen onderwijzen als hij op het slagveld beide armen was kwijtgeraakt: met één been!' En hij tilde demonstratief zijn rechterbeen op.
De meester greep het been, duwde het weg en zei: 'En als je ook geen benen meer had?'
De krijger trok zijn wenkbrauwen op en knipperde met zijn ogen.
De meester zei: 'En als je ook geen ogen meer had?'
Nobuchika opende zijn mond om iets te zeggen, maar de meester greep hem vast, bedekte zijn mond en zei: 'En als je ook geen mond meer had?'
De oude krijger wist niets uit te brengen.

74. Toon me je ware aard
Ekichu, de zevende meester van Jufukuji, was een beroemd schilder. Op een dag zocht Nobumitsu hem op en vroeg of hij de geur kon schilderen die beschreven wordt in de beroemde dichtregel 'Na door bloemen gelopen te hebben, is een paardenhoef welriekend.' De meester schilderde een paardenhoef waar een vlinder omheen vloog.
Toen citeerde Nobumitsu de dichtregel 'Lentebries aan de oever van de rivier' en vroeg om een afbeelding van de lentebries. De meester schilderde een wuivende wilgentak.
Nobumitsu citeerde de beroemde zen-uitspraak 'Een vinger die rechtstreeks naar het hart wijst, zie de Boeddha zelf als je ware aard.' Hij vroeg om een afbeelding van het hart. De meester nam zijn penseel en knipte een druppel inkt op het gezicht van Nobumitsu. De krijger was verbaasd en geïrriteerd, en de meester schetste vlot zijn boze gezicht.
Toen vroeg Nobumitsu om een weergave van zijn ware aard. De meester brak zijn penseel doormidden en zei: Alsjeblieft.
Nobumitsu begreep het niet en de meester merkte op: 'Je kijkt met het verkeerde oog.'
Nobumitsu zei: Neem een ander penseel en schilder alstublieft mijn ware aard!
De meester antwoordde: 'Toon mij je ware aard en ik zal hem voor je schilderen.'

75. Zonder te gaan of te komen
Op een nacht tijdens de week van Rohatsu, in het derde jaar van Iowa (1347) te Kenchoji, begaf priester Doshu zich naar een grot voor een late zenmeditatie, waarvan hij terugkeerde tijdens de derde wacht (rond middernacht). De monnik die de wacht hield gaf hem een standje en zei: Waar bent u al die tijd geweest?
Doshu antwoordde met een soetra-vers:

Zonder te gaan, zonder te komen, de oorspronkelijke diepte -
Noch van binnen, noch van buiten, noch ertussenin.

De monnik die de wacht hield zei: Deze soetra-kopiist heeft beide ogen; ik denk dat ik hem maar binnen zal laten.
(opmerking van Imai: Het was bekend dat Doshu ooit het vijfentwintigste hoofdstuk van de Lotussoetra overgeschreven had met zijn eigen bloed.)


Seido Ray Ronci


Uit The Skeleton of the Crow: New & Selected Poems, 1980–2008:
[titels origineel]

De Bel Rinkelen Aan het Einde van Meditatie
Er zit een bij in de roos
met een rozengeur

en er is geen hemel
en er is geen hel

Mijn Moeder en de Zenmeester
Je onthoudt te veel,
zei mijn moeder,
Leer liever vergeten.

Op zijn honderdste verjaardag
Vroeg een verslaggever aan de oude man,
Wat is het geheim van een lang leven?

De Meester zei,
Zonder aarzeling:
Alles meteen vergeten.

Dharmapraatje in April
De lente spreekt voor zich.
Ga liever naar buiten
En pluk de dag
Dan hier te zitten
En naar mij te luisteren.


Stiltij

Hieronder twee "collectieve gedichten", de eerste ontstaan tijdens een expressietraining op 17 januari 2011 (titel origineel), de andere op 1 november 2009. Bron: www.stiltij.nl.


Het oefent
Vrageloos gemaakt
bodemloze bodem
schrikbarend
zacht en warm

hoe leef je dit
geheime
voorgoed geëindigde
bekende?

Wie roert hier?
Vreugde slaat in,
krachtig als niets
opwellend in mij

duizelingwekkend de stilte,
stabiel het hart:
wie roert hier?

genietend ervaar ik
duisternis, op weg
het zoeken verloren.


D.T. Suzuki


Uit Meester Eckhart versus Advaita, C.B. Zuijderhoudt 2008:

Intellectuele catastrofe
'Satori', zegt professor (en zenkenner) D.T. Suzuki, 'is geen extase of trance - zoals in de yoga - maar een algehele geestelijke omwenteling die vroegere intellectuele inzichten omverhaalt, en dus leidt tot een soort van intellectuele catastrofe.' (71)



uit Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005:

Destructieve kracht
D.T. Suzuki: Zen bezit echter wel een revolutionaire geest, en wanneer zaken dreigen vast te lopen - zoals dat gebeurt wanneer we zuchten onder het gewicht van conventionalisme, formalisme of daaraan verwante ismen - doet zen zich gelden en toont het zich als een destructieve kracht. (184)

Gapende leegte
Jos de Mul: Zen is een kracht die zich verzet tegen orde, omdat orde, van welke orde dan ook, ons verhindert de wereld te ervaren in haar volheid, die door geen enkel begrip, geen enkele vorm kan worden gevat. En die daarom voor de kennende geest nauwelijks kan worden onderscheiden van een gapende leegte. (185)


Shunryu Suzuki


Uit Zen-begin, 1976 / 2009, Ankh-Hermes:

Niet twee en niet een
Onze lichaam en onze geest zijn niet twee en niet een. Als je van mening bent dat je lichaam en geest twee zijn, dan heb je het verkeerd; als je denkt dat ze een zijn, dan heb je het ook mis. (29)

Sterven noch niet-sterven
Na een aantal jaren zullen we sterven. Als we alleen maar denken dat dit het einde van ons leven betekent, begrijpen we het verkeerd. Maar van de andere kant, als we denken dat we niet sterven, is dit ook niet juist. (29)

Tijdruimte
Je kunt zeggen: 'ik moet vanmiddag iets doen', maar eigenlijk is er geen 'vanmiddag'. We doen de dingen een voor een. Dat is alles. Er is geen tijd als 'vanmiddag' of 'één uur' of 'twee uur'. Om één uur lunch je. Lunchen is zelf één uur. Je zult je ergens anders bevinden, maar die plek kan niet worden losgemaakt van één uur. (36)

Niet-doen doen
Of je kunt zeggen: 'Dit is slecht, daarom kan ik het beter niet doen.' Op hetzelfde moment dat je zegt, 'ik kan het beter niet doen', doe je eigenlijk 'niet-doen'. Je hebt dus geen keuze. Als je de notie van tijd en plaats scheidt, denk je dat je een keuze hebt, maar in feite moet je wat doen, of je zult 'niet-doen' moeten doen. Iets niet-doen is iets doen. (36)

Zwaaideur
Als we werkelijk worden die we zijn, worden we een zwaaideur en zijn we volledig onafhankelijk en tegelijkertijd afhankelijk van alle dingen. (38)

De wanorde van het leven
Zo bestaan alle dingen in het rijk van de Boeddha-natuur, ze raken uit hun evenwicht tegen een achtergrond van volmaakte harmonie. Als je dus de dingen ziet zonder besef van de achtergrond van de Boeddha-natuur, lijkt het net of alles op de een of andere manier aan lijden onderhevig is. Maar als je de achtergrond van het bestaan begrijpt, kom je tot het besef dat juist het lijden zelf het leven is dat we leven, en het leven dat we verder geven. Daarom leggen we in Zen soms de nadruk op de onevenwichtigheid en de wanorde van het leven. (39)

Niets bijzonders
Zoals een Chinees gedicht zegt: 'Ik ging en ik keerde terug. Het was niets bijzonders. Rozan beroemd om zijn mistige bergen; Sekko om zijn water.' De mensen denken dat het prachtig moet zijn de beroemde bergketen te zien, gehuld in nevels, en het bovengenoemde water dat zich uitstrekt over de hele aarde. Maar als je erheen gaat, zie je alleen maar water en bergen. Niets bijzonders. (62)

Niet zo
Als je een spoor van je denken achterlaat op je handeling, raak je gehecht aan het spoor. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: 'Dit heb ik gedaan!' Maar in feite is dat niet zo. In je herinnering kun je zeggen: 'Ik deed dat op een bepaalde manier',  maar feitelijk is dat nooit precies wat er gebeurde. ... Vaak denken we dat wat we deden goed is, maar in werkelijkheid hoeft dat helemaal niet zo te zijn. Als we oud worden, zijn we vaak heel trots op wat we gedaan hebben. Als anderen luisteren naar iemand die trots vertelt wat hij allemaal gedaan heeft, zullen ze zich vaak wat opgelaten voelen, omdat ze weten dat zijn herinnering eenzijdig is. Zij weten dat wat hij hun vertelde niet precies is wat hij deed. (81)

Opbranden
Je moet geen rokend vuur zijn. Je moet jezelf helemaal opbranden. (82)

Het onvolmaakte
Het volmaakte bestaan moeten we vinden door het onvolmaakte. We moeten volmaaktheid in onvolmaaktheid vinden. Voor ons verschilt volmaaktheid niet van onvolmaaktheid. (135)

Goed is slecht
We zoeken niet naar iets buiten onszelf. We moeten ín deze wereld de waarheid vinden, door onze moeilijkheden, door ons lijden. Dit is de grondgedachte van het Boeddhisme. Plezier verschilt niet van moeilijkheid. Goed is niet anders dan slecht. (135)

Bestaan of niet-bestaan
Als je het Boeddhisme wilt begrijpen, moet je al je vooropgezette ideeën loslaten. En allereerst moet je het idee van stoffelijkheid of bestaan opgeven. De gewone kijk op het leven is stevig verankerd in het idee van bestaan. Voor de meeste mensen bestaat alles; ze denken dat alles dat zij zien of horen ook degelijk bestaat. Natuurlijk bestaat de vogel die we zien of horen. Hij bestaat, maar wat ik daarmee bedoel zou wel eens heel iets anders kunnen zijn dan wat jullie ermee bedoelen. De boeddhistische levensvisie houdt zowel bestaan als niet-bestaan in. De vogel bestaat en bestaat niet tegelijkertijd. (145)

Geen vastgestelde weg
Zolang we nog een vaststaand idee over of hoop in de toekomst hebben, kunnen we niet werkelijk ernst maken met het moment dat nu bestaat. Je kunt zeggen: 'Ik doe het morgen wel, of volgend jaar', in de veronderstelling dat zoals het nu is het morgen ook wel zijn zal. Ook al doe je niet zo je best, toch geloof je dat er wel iets veelbelovends zal komen als je maar een bepaalde weg blijft volgen. Maar er is geen bepaalde weg die altijd blijft bestaan. Er is geen weg die speciaal voor ons is ingesteld. Elk moment opnieuw moeten we onze eigen weg zien te vinden. Een of ander volkomen ideaal of een of andere weg der volkomenheid die door een ander voor ons is opgezet, is niet de ware weg voor ons. (146)

Grote schoonmaak
We zeggen daarom dat het ware begrijpen voortkomt uit leegheid. Als je het Boeddhisme bestudeert, moet je in je geest grote schoonmaak houden. (147)

Gereedheid
Met wijsheid bedoelen we niet een bijzondere vaardigheid of filosofie. De gereedheid van de geest, dat is wijsheid. ... Maar we moeten ons niet vastklampen aan de een of andere speciale wijsheid, zoals bijvoorbeeld die door Boeddha onderwezen. Wijsheid kun je niet aanleren. (152)

Niets geloven
Ik ben erachter gekomen dat het absoluut noodzakelijk is in niets te geloven. (153)

Verlichting
Met verlichting bedoel ik in niets geloven, geloven in iets dat vorm noch kleur heeft, dat gereed is vorm of kleur aan te nemen. (156)

Geen nadruk
Soms leggen de mensen de nadruk op eenheid, maar dat doen wij niet. Wij leggen nergens speciaal de nadruk op, zelfs niet op eenheid. Eenheid is waardevol, maar verscheidenheid is ook prachtig. (157)

Geen hiaat
Er is geen hiaat tussen de onwetende en de wijze. Een dwaas is een wijze; een wijze is een dwaas. Maar meestal denken we: 'Hij  is gek en ik ben wijs', of 'ik was dwaas, maar nu ben ik wijs'. (159)

Niets om te begrijpen
Als we de dingen kennen zoals ze zijn, kunnen we nergens speciaal op wijzen; we kunnen op geen enkele manier iets grijpen; er is niets om te begrijpen. Er is niets waarop we de nadruk kunnen leggen. Toch, zoals Dogen zei: 'Een bloem valt af, ook al houden we ervan; en onkruid groeit, ook al houden we er niet van.' Zo is nu eenmaal ons leven. (159)

In de ban
Omdat je een of ander idee van eenheid of verscheidenheid creëert, ben je in de ban van dat idee. Dan moet je eindeloos doorgaan met denken, hoewel je eigenlijk niet hoeft te denken. (160)

Geluk is verdriet
Geluk is verdriet; verdriet is geluk. Er is geluk in moeilijkheden, moeilijkheden in geluk. Ook al zijn onze gevoelens verschillend, in werkelijkheid is er geen verschil, in wezen zijn ze hetzelfde. (16)

Schat
Voor zenleerlingen is onkruid een schat. (160)

Je moet niks
Zelfs iets goeds in gedachten te hebben is niet zo goed. Boeddha zei soms: 'Je moet zo zijn. Je moet niet dat zijn. Maar het is niet zo goed zijn raad in gedachten te houden. Het kan een last voor je betekenen, waarbij je je heel onplezierig kunt voelen. Misschien kun je veel beter een zekere wrok koesteren dan erover te broeden wat goed is of wat je zou moeten doen. Het is soms erg fijn van boosaardige gedachten vervuld te zijn. (171)


Jeroen Witkam


Uit Zitten in stilte, Jeroen Witkam 2009:

Onwetend
Al onze kennis omtrent onszelf en omtrent God volstaat niet. Al onze kennis is ontoereikend en vertekend, en is dus eigenlijk onwetendheid. Ook al zijn er bibliotheken vol geschreven met psychologische literatuur over zelfkennis, eigenlijk zijn we onwetend. (17)

Niets
Bij sommigen breekt dit inzicht door via een heel ingrijpende crisis: alle geobjectiveerde kennis over God en mezelf volstaat niet. De enige weg om tot inzicht, tot kennis te komen, is de weg van de leegte: neti in het Sanskriet, mu in de zentraditie, nada bij de Spaanse mysticus St. Jan van het Kruis: niets, niets, leegte. ... Niet ingaan op gedachten, altijd opnieuw. (17)

Ik weet niet wie ik ben
Bij het loslaten van je gedachten kom je tot het besef dat je het geheim binnengaat van je eigen bestaan. Je laat je niet door je gedachten - welke het ook zijn - bepalen, maar je krijgt het besef dat er onder en door al die gedachten heen een diepere werkelijkheid is. Ik weet niet wie ik ben. Eerst besef je dit als een niet-weten. Dit is geen ontkenning, maar het niet-weten is een aandacht voor het geheim van je bestaan. Gedachten waarnemen, gedachten loslaten: de inhoud, het oordeel, en ook het gevoel en de emotie die je erbij hebt, neem je waar en daarna ga je eraan voorbij en leer je voeling krijgen met het geheim van jouw bestaan. (34)

Thuis
Dat niet-weten is een heel nieuwe vorm van aandacht die in het begin heel moeilijk is. Het is moeilijk om daaraan te wennen want je gaat de onbekendheid binnen. Geheim... Onbekendheid... Maar toch in een vertrouwen, in een aanvoelen dat je juist in dat geheim echt thuiskomt in jezelf. Eigenlijk is dat heel mooi. De Nederlandse etymologie van het woord geheim duidt op 'thuis'; denken we maar aan 'heimwee'. 'Heim komen' is thuiskomen bij het geheim in jezelf. Maar dit uitsprekend, vul ik het misschien al te veel in; je moet het eerder zien als een aanvoelen, een vermoeden, een besef. (34)

De onbekende bekendheid
De grote genialiteit van Boeddha is dat hij gezien heeft dat het precies jouw gedachten zijn die je beklemmen, die je doen lijden, en wel door het oordeel waarin je jezelf verengt en verkleint. Zo heeft hij gezien dat door het loslaten van die gedachten het besef kan ontstaan dat er een innerlijke ruimte is. Een ruimte waarin je vrij wordt van die beklemming, waarin je vrij wordt van die verenging door jouw gedachten. Weten dat er een innerlijke ruimte is, onbekend en toch bekend: de onbekende bekendheid. (34)

Daar kom je vandaan
Ik sprak van de weg van de onbekende bekendheid. Onbekend: het proces van het sterven van de grote dood, is een proces van onbekendheid. Je gaat iets nieuws binnen, je gaat iets binnen wat je niet kent. Bekendheid: het is een onbekend geheim waarin je toch thuiskomt. Onbekende bekendheid omdat het aansluit bij je diepste oorsprong. Daar kom je vandaan. (38)

Mu
De weg naar binnen, wordt in de zentraditie begeleid door het woordje Mu, dat als een mantra werkt, heel krachtig. ... Mu is tegelijk een koan, een raadsel. Een uitnodiging om de weg te gaan van de 'onbekende bekendheid'. Je gaat die onbekende dimensie van jezelf binnen totdat je in dat onbekende toch bekendheid vindt. 'Onbekend' omdat het voorbij is aan de werkelijkheid buiten je, onbekend aan je zelfbeeld, aan alle oordelen en begrippen die je meedraagt. ... Het beeld van het water waarin je moet leren zwemmen geeft heel goed het proces weer van de bedreiging, de afschrikking die het heeft, van er geen weg mee weten, totdat je er toch vertrouwd meer raakt. Vertrouwd raken met die onbekende bekendheid, die dimensie van je bewustzijn die in eerste instantie helemaal nieuw is en die je toch gaat herkennen als het meest eigene van jezelf. (41)

Sterven
We onderscheiden drie aspecten, drie gebieden van ons vertrouwde bewustzijn, die we achter ons moeten laten, waaraan we moeten sterven. We moeten sterven aan ons vertrouwde kennen, ons spreken en onze relaties. (45)

Donkere nacht
Een stervensproces wordt op verschillende manieren ervaren. Ik wil nu de nadruk leggen op het aspect van duisternis, van het niet-weten. In de zentraining, waarbij koans, dat wil zeggen raadsels, gebruikt worden, is één van de eerste koans waar je doorheen moet breken, de koan mu, het raadsel mu. Het Japanse woordje mu betekent zoveel als niet, niets, de donkere nacht, het niet-weten. Je moet het niet-weten niet verstaan als een soort onnozelheid, domheid - je weet het gewoon niet -, maar als een andere heel diepe vorm van aandacht. (46)

Ik zeg het niet
De zenmeester Dogo, zo wordt verhaald, gaat met een leerling op condoléancebezoek, en de leerling stelt de vraag, wijzend op de overledene: 'Is dat nu dood of is dat leven?' En het antwoord van de zenmeester is: 'Ik zeg het niet, ik zeg het niet!' Natuurlijk, die man is dood... of is hij toch levend? De vraag van de leerling komt voort uit de drang naar zekerheid ... En het antwoord is: Ík zeg het niet!' Dan gaat die leerling bijna lichamelijk geweld gebruiken tegenover zijn zenmeester, omdat die onzekerheid niet te dragen is. Maar de zenmeester blijft erbij: 'Ik zeg het niet, ik zeg het niet!' Niet weten. Mu. (47)

Gedachtenpatronen
Het is heel belangrijk door dit proces heen te gaan en heel bewust te leren niet in te gaan op je gedachten, op al die gedachtenpatronen die in de stilte steeds weer naar boven komen. Je moet ze wel even gewaarworden, om ze los te kunnen laten. En dan leer je jezelf ook kennen in al die gedachtenpatronen, die in je opkomen en die je wilt vasthouden als invulling van een zekerheid. (47)

Zanmai
Maar de zenliteratuur, voortgekomen uit de ervaring van de grote dood, zegt ook heel duidelijk: er komt een moment waarop de vertrouwdheid met de duisternis zo groot is, dat je daarin kunt verwijlen, dat je daarin kunt wonen. Men noemt dat zanmai. Het denken valt weg en je hoeft jezelf niet meer telkens opnieuw aan te sporen om los te laten, nee, het gebeurt nu vanzelf: je woont in het niet-weten, je bent daar thuis in gekomen: zanmai. (47)

Diepe natuur
De duisternis waarin je thuisgekomen bent, wordt dus licht wanneer die duisternis zich verbindt met ... het zelfbesef, het ikbesef. Daardoor krijgt het ikbesef een heel andere dimensie en is ze niet meer gebonden aan ... je gedachtenstructuur; ze wordt nu verbonden met je diepe natuur, met wie je werkelijk bent. (48)

Voorbij
Voorbij, dat is het eigenlijke geheim van zen. We horen het in de hartsutra 'voorbij, voorbij, totaal voorbij, nog voorbij aan het voorbij'. De kern daarvan is naar mijn aanvoelen: voorbij aan de woorden. Zen kent een hele traditie van woorden, van geschriften. Zen heeft een leer maar de kern ervan is, dat je er op een bepaald moment aan voorbijgaat. Voorbij aan de woorden... in de lege helderheid, de intimiteit met jouw diepste zelf, dat juist daardoor ontstaat: voorbij aan de woorden. (51)

Geen leer
Je kunt de vraag stellen: heeft zen een geheime leer? Nee, je kunt alle boeken op tafel leggen, zelfs de koans. De gehele leer is openbaar en toegankelijk voor iedereen. Een koan lijkt in zoverre een beetje op een geheime leer dat je het antwoord niet aan anderen mag vertellen. Maar stel nu eens dat je wel alle antwoorden op de koans zou krijgen, dan heb je er nog niets aan. Zolang je de vraag van die koan niet zelf hebt opgelost hebben die antwoorden, ook al krijg je ze allemaal op een briefje, geen betekenis. Waar het om gaat is dat je zelf het proces doormaakt.
   Zen heeft dus geen geheime leer. Zen heeft zelfs helemaal geen leer... Het is juist het zoeken naar een leer waar je aan voorbij moet leren gaan. Voorbij. (53)

Jij
Het geheim van zen ben jij! Jij, in het unieke onvervangbare proces. Pas wanneer je door dat proces bent heen gegaan, kun je het bij jezelf en anderen herkennen en met elkaar uitwisselen. Maar jij maakt dat proces door, in alle eenzaamheid, in alle onbegrijpelijkheid, in alle zwakte. Voorbij aan de woorden. Voorbij aan alles wat nog maar enigszins houvast kan geven. Het geheim van zen, dat ben jij! (54)

Opnieuw een ontkenning
In eerste instantie gaat het om een voorbij aan de dualiteit, om het ervaren van de eenheid van alles, om éénwording: niet twee maar één. In tweede instantie is het weer: niet één maar twee, want er is ook weer het verschijnsel binnen de grote werkelijkheid; ze vallen samen en toch weer niet. ... En dan komt er opnieuw een ontkenning: het is niet alleen niet één en niet twee, het is nog anders, want verschijnsel en werkelijkheid doordringen elkaar. (57)

Gebruik het zwaard
'Alleen in het heelal': dit is een uitdrukking die je nogal eens in de zenliteratuur tegenkomt, met name in de koans. Het is ook een aspect van de grote dood. Je vindt het ook terug in de bijbelse taal. Abraham is daar een type voor: 'Trek weg uit je land, je stam en je familie.' En Jezus zegt in het evangelie: 'Gebruik het zwaard dat alle banden doorsnijdt.' (58)

IJdel
... zin en zinloosheid of twijfel en zekerheid. Daar zitten we mee en dan hopen we door kennis aan de zinloosheid te ontkomen. Op school worden we overladen met kennis: van in de lagere school tot en met het universitair onderwijs. Er worden bibliotheken vol geschreven. Allemaal kennis, kennis, kennis... en toch ontdekken we op een bepaald moment dat al onze kennis niet volstaat om betekenis te geven aan het leven waarin wij ons geplaatst weten. Op een bepaald moment komen we toch in de zinloosheid terecht: 'ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdel'. Alles is ijdel of zinloos. Leegte. (66)

Een nieuwe kwaliteit van licht
De vraag is: waar vind ik uiteindelijk zekerheid, een antwoord op de vraag van mijn onrust, die twijfel, die een mens zo kwellen kan? Al ons denken helpt niet, al ons zoeken naar zekerheid, waar dan ook, in allerlei systemen, in allerlei groeperingen waar ik mij bij aan wil sluiten, het helpt niet. Ik word toch steeds weer teruggeworpen in de onzekerheid, in de twijfel, in de zinloosheid... tot ik leer dat ik juist in het doormaken van die leegte tot schouwen kan komen. Alleen het doorleven van die leegte leert mij schouwen. Eerst is alles duister en zie ik helemaal niets, maar in het schouwen blijf ik wel alert en waakzaam. Ik blijf kijken in het duister totdat het duister de kwaliteit van licht ontvangt. Het is dan wel ander licht dan dat wat ik eerst in mijn kennis, in mijn denken, gevonden had. Het is een schouwen met een nieuwe kwaliteit van licht. (67)

De grote twijfel
De grote twijfel is het inzicht dat heel veel overtuigingen en ideeën waarmee je je vereenzelvigd hebt, niet kloppen. ... Binnen het gezin waarin je geboren bent, door de school, langs velerlei verbanden en invloedssferen waaraan jonge mensen blootstaan, in allerlei levensbeschouwelijke verbanden, worden je overtuigingen bijgebracht over het leven en over jezelf, overtuigingen die samenhangen met de rol die je hebt in een gezin en de rol die je te vervullen hebt in de maatschappij. Zo worden ook gewoontes gevormd, dwangmatige gewoontes vaak, waarmee je je vereenzelvigt , waar je je aan vasthoudt, en die jou zekerheid geven. (79)

Zazen
De stilte van zazen, van stille meditatie, het proces van de stilte dat we doormaken, is de uitnodiging: leer al die beperkte zekerheden - het gaat altijd over begrensde, beperkte zekerheden - los te laten. Er is een andere zekerheid. Laat je leiden door innerlijk licht. Dat is vaak een heel eenzame stap, omdat zekerheden ons bijna altijd verbinden met groepen waartoe we behoren. Durf die eenzaamheid aan. (79)

Zekerheid
Bij de grote twijfel ga je op weg, je vertrouwt erop dat er wel een zekerheid is, maar een zekerheid van een andere orde dan die je tot dan toe beleefd had. Er is zekerheid! En de grote twijfel helpt je om de schijnzekerheden die je tot dan toe had, te verlaten. (81)

Dat ben jij
Als we de stilte ingaan gaat het om de uiteindelijke zekerheid. En die uiteindelijke zekerheid vraagt ons om te twijfelen aan alle zekerheden en overtuigingen die de overgave aan die uiteindelijke zekerheid in de weg staan. Die uiteindelijke zekerheid wordt in de Upanishaden verwoord: 'Dat ben jij!' Tat tvam asi. (83)

Parabels
[Parabels] zijn verhalen waar gaten of spleten in zitten. Dit in tegenstelling tot verhalen waar je geen speld tussen kunt krijgen en die zich beperken tot ons besloten en begrensd aards bestaan. Politici en economen komen met zulke verhalen waar je geen speld tussen kunt krijgen. Maar een verteller die jou wil openen voor een andere dimensie vertelt je juist geen verhalen waar je geen speld tussen kunt krijgen; integendeel, in zijn verhalen zitten als het ware hele gaten, gaten van leegte... raadsels, zoals parabeles en koans. (110)

Thuiskomen in het niet-weten
'Raadsel' wil zeggen: datgene wat allerlei vragen oproept en waarvan de oplossing niet voor de hand ligt. Van het raadsel ga je naar het geheim. 'Geheim' wil zeggen: thuiskomen. 'Heim' betekent thuis. Thuiskomen in het meest voor het hand liggende. (110)

Onbegrensd
Door ons denken brengen we de wereld om ons heen begrippelijk in kaart. Aan alles wat we zien, horen, wat zintuiglijk bij ons binnenkomt geeft ons verstand een begrippelijke voorstelling; het wijst op essenties, het fixeert; met ons denken wordt alles vastgelegd. Dit en niet dàt: dualiteit. Zo is ons bestaan geordend, en schijnbaar beveiligd. Maar uiteindelijk is het niet veilig en lopen we erin vast, omdat die ordening een begrenzing schept, terwijl wij feitelijk niet begrensd zijn. We hebben die begrenzing wel nodig, maar uiteindelijk zijn wij onbegrensd. (131)

Ontgrenzing
Ik moet sterven aan mijn ego, mijn afgescheiden ik, dat zichzelf krachtig voelde, dat zelf de zaak in handen had, in een wereld van begrippelijkheid, in een wereld van emoties. Dat vraagt een heel proces, een heel verfijnde en tegelijk sterke aandacht, waarin we onze gedachten en emoties op het spoor komen en ze kunnen loslaten. We moeten door de begrenzing heen. Gewaar worden helpt ons los te laten. We kunnen onze neiging om greep te willen hebben op onze grenzen gewaarworden. We moeten echter het risico nemen van de ontgrenzing, naar het licht toe, het risico nemen onszelf niet in handen te hebben, onszelf op te geven, ons toe te vertrouwen aan een geheim dat groter is dan wijzelf. (134)

Geen steen
In bijbelse taal: de bergen vallen op je; de sterren vallen van de hemel; de tempel, dit wil zeggen: jouw tempel, stort in elkaar. De heilige stad, jouw heilige stad, wordt verwoest. Dat zijn hele sterke beelden die je in hun oorspronkelijke belevingskracht moet ervaren, toegepast op die fase van de Grote Dood waar jij doorheen gaat. Totale eenzaamheid, geen steen om je hoofd op neer te leggen. Totale beklemming, geen kant meer op kunnen. Je wereld stort in elkaar, die hele wereld van opvattingen en veronderstellingen die de jouwe was. Er blijft niets anders over dan je gekwetste ik, dat niet meer weet waarheen. (138)

Nu
Een aspect van de verkondiging van Jezus is dat de wereld in elkaar stort. We kennen dat wel, maar in het christelijke denken wordt dat meestal verplaatst naar het 'einde van de wereld', ergens ver weg. Terwijl de eigenlijke boodschap van Jezus is: de wereld stort nu in elkaar. Jouw wereld stort in elkaar. (149)