Weetnietkunde

Inhoud

  1. 1 Aanhalingstekens
  2. 2 Absurdisme
  3. 3 Adoxie
  4. 4 Apatheia en ataraxia
  5. 5 Apofatisch, via negativa, neti neti
  6. 6 Apeiron
  7. 7 Aporie
  8. 8 Asylum ignorantia
  9. 9 Athetisch
  10. 10 Autoclasme
  11. 11 Bewijs
  12. 12 Categoriefout
  13. 13 Conditio tacita
  14. 14 Cynisme
  15. 15 Denk-beeld
  16. 16 Denksteen
  17. 17 Denotatie
  18. 18 Dialectiek
  19. 19 Ding-an-sich
  20. 20 Dissensus
  21. 21 Dogma
  22. 22 Dwaalgids
  23. 23 Dwaalleer
  24. 24 Dwaalmeester
  25. 25 Dwaalspreuk
  26. 26 Dwaaltekst
  27. 27 Dwaaltekst, de orde van
  28. 28 Dwaaltuin
  29. 29 Dwijsbegeerte
  30. 30 Dwijsheid
  31. 31 Ellips
  32. 32 Epoche
  33. 33 Eschatologie
  34. 34 Existentialisme
  35. 35 Fideïsme
  36. 36 Filasofie
  37. 37 Gezond verstand
  38. 38 Ignoramus et ignorabimus
  39. 39 Ignotum per ignotius
  40. 40 Kenleer
  41. 41 Koekoeksbegrip
  42. 42 Koekoeksgedachte
  43. 43 Koekoekstekst
  44. 44 Kokerleer
  45. 45 Leeghoofd
  46. 46 Leegte
  47. 47 Leegte zonder leegte
  48. 48 het Lege begrip
  49. 49 de Lege blik
  50. 50 het Lege boek
  51. 51 de Lege boodschap
  52. 52 de Lege filosofie
  53. 53 de Lege gelofte
  54. 54 het Lege geloof
  55. 55 het Lege lichaam
  56. 56 de Lege mens
  57. 57 het Lege nest
  58. 58 de Lege leer
  59. 59 Lege spiritualiteit
  60. 60 De lege stelling
  61. 61 de Lege wereld
  62. 62 Niets
  63. 63 Nominalisme
  64. 64 Non-pluralisme
  65. 65 Nu-isme
  66. 66 Numinisme
  67. 67 Onderscheidingsonvermogen
  68. 68 Om-schrijving
  69. 69 Ontzeggingskracht
  70. 70 Oxymorons
  71. 71 Paradoxie
  72. 72 Perspectivisme
  73. 73 Polderspiritualiteit
  74. 74 Polyfonie
  75. 75 Postmodernisme
  76. 76 Quiëtisme
  77. 77 Regressie
  78. 78 Scepticisme
  79. 79 Sstiltecentrum
  80. 80 Stijlfiguren niet-weten
  81. 81 Terra incognita
  82. 82 Therapeutisch scepticisme
  83. 83 Trechterdenken
  84. 84 Trilemma van Agrippa
  85. 85 Utopie
  86. 86 De Varioloog
  87. 87 Verlichtingsdenken
  88. 88 Vinger naar de maan
  89. 89 de Volle leer
  90. 90 Voorwaardelijkheid
  91. 91 Waarheidszucht
  92. 92 Weetnietkunde
  93. 93 Wemelbeelden
  94. 94 Wormgat
  95. 95 Wijs
  96. 96 Wis-kunde
  97. 97 X
  98. 98 Zen
  99. 99 Zondeval



Aanhalingstekens

Als je niet weet waarheen wel, vraag je dan af waarheen niet, zo ongeveer luidt het maxime van de negatieve theologie.
Met zo'n chique naam moeten ze wel gelijk hebben, dunkt mij.
Goed nieuws dus voor de mensen die weten waarheen niet.
Maar wat als je dat nou ook niet weet?

Wie zich met de moed der wanhoop of met de moed der hoop of met de moed der drank of met de moed der verveling of met welke moed dan ook of zonder moed door het wormgat wurmt, of er zoals in mijn geval zijns ondanks doorheen wordt geperst, diegene, ik zeg dit met ingehouden blijdschap en gepaste trots, wordt wedergeboren in, ontwaakt in, realiseert zich in, vindt zichzelf terug in [tromgeroffel]...

Daar, of moet ik zeggen hier, of moet ik zeggen 'hier' ontdekt hij, of moet ik zeggen ik, of moet ik zeggen 'ik', tot zijn, of moet ik zeggen mijn, of moet ik zeggen 'mijn', verbijstering, als je de merkwaardige helderheid waarmee totale verwarring gepaard gaat tenminste verbijstering kunt noemen, dat er niets veranderd is – of toch?
Tja.
Wat kan ik zeggen zonder meteen te ver te gaan.
Of heb ik het al gezegd?
Of ben ik al te ver gegaan?

Alles lijkt nog bij het oude maar tegelijkertijd is het net of iemand overal aanhalingstekens omheen heeft gezet.
Wat heeft dit te betekenen?
Is dat nog wel de vraag?
Of is het al het antwoord?

Waar de mumonkan (Japans voor de poortloze poort) heen voert heb ik alleen uit de boekjes maar dit kan ik u uit eerste hand verzekeren: het wormgat van niet weten voert niet van hier naar daar met achterlating van het aardse tranendal, niet van samsara naar (pari)nirvana waar alle begeerte is uitgedoofd, niet van het relatieve naar het absolute waar nog geen grassprietje verkeerd ligt, niet van de dualiteit der woorden naar de non-dualiteit voorbij de woorden.
Het wormgat van niet-weten voert van gaan naar 'gaan', van hier naar 'hier', waar ik 'ik' is, jij 'jij' en voeren 'voeren', waar vrije wil 'vrije wil' is en overgave 'overgave', waar bergen 'bergen' zijn en rivieren 'rivieren'.
Waar werkelijkheid 'werkelijkheid' is en illusie 'illusie'.
Waar dualiteit 'dualiteit' is en non-dualiteit 'non-dualiteit'.
Waar verlichting 'verlichting' is, onwetendheid 'onwetendheid', geluk 'geluk', liefde 'liefde', haat 'haat', angst 'angst' en god 'god'.
Waar weten 'weten' is en niet weten 'niet weten'.

Ja, zul je zeggen, alles goed en wel maar wat moet dat met die aanhalingstekens?
Want als je dat weet, weet je alles en daar is het je uiteindelijk om te doen.
Tenminste: daar was het mij indertijd om te doen.
Zo komt het mij soms voor.
Zo komt het mij nu voor.

Nou, die vraag is gauw genoeg beantwoord.
Met aanhalingstekens geeft een schrijver aan dat hij niet bedoelt wat er staat.
Hij geeft er niet mee aan wat hij wel bedoelt.
Als hij dat wist dan zou hij het heus wel opschrijven.
Daar is hij schrijver voor.
Als ik met die aanhalingstekens bijvoorbeeld bedoelde dat de waarheid voorbij de woorden is dan zou ik dat toch gewoon even zeggen?

Nee, het is niet uit onmacht dat ik mij van aanhalingstekens bedien maar uit vernuft, zeg ik zelfingenomen en zelfuitgelaten – en uit noodzaak.
Meer uit noodzaak dan vernuft, vrees ik.
Met die aanhalingstekens geef ik op de meest economische manier die ik kan bedenken aan dat ik ten diepste niet weet wat ik zeg of waarom ik het zeg.
Ook niet als ik zeg dat ik ten diepste niet weet wat ik zeg of waarom ik het zeg.


Absurdisme

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.
Hoofdkenmerk is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.
Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l'absence.

Hoewel het absurdisme laatstelijk floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), kondigde het zich al aan in de taoïstische geschriften van Liezi, en bereikte het zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millennium in de Chinese Chan-literatuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan.

Voor de consequent volgehouden ontkenning kan men verder onder meer terecht bij de via negativa* van de mystici en in de advaita vedanta, vooral in de hedendaagse variant die steeds vaker aangeduid wordt met neo-advaita (Harding, Parsons), en waarvan de bijeenkomsten in elk geval op een nitwit als ik of niet-ik bepaald absurdistisch overkomen.
Men krijgt er te horen dat de stoel stoelt en de klok klokt, en terecht, want nu we toch van de persoonlijke voornaamwoorden afzien kunnen we net zo goed de bezem door de werkwoorden halen.
Simplicity, simplicity, simplicity.
De betaler betaalt, de gek gekt en de realisatie realiseert.
Perfect.

Het absurde vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning en de scepsis in de twijfel aan zichzelf.
Het is precies deze zelfvernietiging die de kern van niet weten uitmaakt.
Dwijsheid laat zich daarom misschien wel het beste uitdrukken in de vorm van dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt opgevoerd.
Niet om te verwijzen naar het "absolute dat voorbij de woorden ligt", niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát.


Adoxie

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we dwijsheid – het ontbreken of althans het tussen haakjes staan van iedere mening – adoxie (a- + doxie: geen mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie is onrechtzinnigheid.
Het is daarom niet vergezocht om adoxie terug te vertalen als onzinnigheid.
In normaal Nederlands duidt dit woord echter op een gebrek aan gezond verstand, wat voor de meeste mensen iets negatiefs schijnt te zijn.
Om het verschil tussen deze betekenis en die van adoxie aan te geven, schrijven we daarom on-zinnigheid, met een streepje tussen on en zinnigheid.
De bijbehorende adjectieven zijn respectievelijk adox en on-zinnig, in de betekenis van dwijs.
Zoals men van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan men van een dwijze zeggen dat hij on-zinnig is omdat hij in overeenstemming met de lege leer leeft.

Voor zover dwijsheid zich manifesteert als een eindeloze nevenschikking van meningen (standpunten, perspectieven, oordelen et cetera) waartussen de dwijze ten diepste geen onderscheid weet te maken, is paradoxie [Grieks, para, naast, bij + doxa] een voor de hand liggend synoniem.


Apatheia en ataraxia

Het stoïsche woord apatheia [Grieks, a, niet + pathè, emotie] betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.
Hiermee wordt niet zoals met het Nederlandse apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afgestomptheid of lusteloosheid bedoeld maar een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.
De intellectuele pendant van apatheia is ataraxia [Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken], letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik eveneens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.
Apatheia en ataraxia werden en worden door elkaar gebruikt en door sommigen als synoniem beschouwd.

Pyrronisme versus stoïcisme
Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is waarschijnlijk niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.
Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme, meer in het bijzonder het pyrronisme.
Apatheia bereikt de stoïcijn door het – binnen het radicale fatalisme van de Stoa – enige juiste oordeel te vellen, namelijk dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet, te weten, goed.
Ataraxia bereikt de scepticus door ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten, de zogeheten epoche.

Verlichting en nirwana
Apatheia en ataraxia zijn weliswaar Griekse woorden maar dat betekent nog niet dat het streven naar onverstoorbaarheid, als we het zo mogen noemen, typisch Grieks of westers is.
Boeddhistische en hindoeïstische beschrijvingen van nirwana (uitgedoofdheid) en moksha komen ongeveer op hetzelfde neer.
Zelfs wanneer er sprake is van "opperste gelukzaligheid" en "volkomen harmonie" blijkt men daarmee geen euforie, verrukking, vervoering of extase te bedoelen, die immers van voorbijgaande aard zijn, maar een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.

Wolken aan de hemel
Toch zijn er ook verschillen.
In de advaita vedanta en in het taoïsme bijvoorbeeld, komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën, maar om ze onaangedaan, als het ware van buitenaf, te ondergaan.
Rustig bezie je zelfs je heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn toneelspel.
Het is alsof je je hebt verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer en je in de eerste hebt teruggetrokken.
Je bent niet vrij van blijdschap, woede of verdriet maar je identificeert je er niet meer mee.
Je eigent je je lichaam, emoties, waarnemingen en gedachten niet meer toe.
Het is niet langer jouw pijn maar de pijn, niet langer jouw vooroordeel maar het vooroordeel, niet langer jouw jaloezie maar de jaloezie, niet langer jouw geluk maar het geluk.
Uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken langs als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren, of als een storm aan de oppervlakte die de diepzee onberoerd laat.

Het kennen van het gekende
Datgene wat niet verstoord wordt en ook niet verstoorbaar zou zijn – de hemel, de diepzee – wordt gewoonlijk voor onbeschrijflijk gehouden, maar dat weerhoudt niemand ervan er woorden aan vuil te maken.
Zo spreekt men in het non-dualisme dikwijls van het kennen, het waarnemen of het beminnen (versus het gekende, het waargenomene en het beminde); in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, waaruit de verschijnselen voortkomen en waarin ze weer verdwijnen; in het zenboeddhisme van je ware aard of je oorspronkelijke gezicht of je boeddhanatuur of de zoheid der dingen; in het taoïsme van de tao; in de mystiek van god of het ene of de ziel (tegenover de geest en het gemoed).
Hierbij gaat het steeds om iets dat zelf op geen enkele wijze voor te stellen of te ervaren is, maar voor elk ervaren, voor elk voorstellen de absolute voorwaarde zou zijn.
Ongeveer zoals dingen alleen maar kunnen bestaan in een ruimte die zelf niet als ding aanwezig is, of alleen maar gezien kunnen worden doorheen een onzichtbaarheid zoals de lucht, de lege ruimte of glas.

Hiermee zijn we inmiddels aardig afgedreven van de apatheia en ataraxia van onze Griekse vrienden, die alleen maar verwezen naar de afwezigheid van respectievelijk emoties en verwarde gedachten.

Niet weten
Wat heeft dit alles te maken met niet weten?
Niet weten is weliswaar aantoonbaar een ingrediënt van het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het zenboeddhisme, het taoïsme en de mystiek, maar ook niet meer dan een ingrediënt.
Geen van deze tradities kan beschouwd worden als een zuiver niet weten, want in een zuiver niet weten blijft geen enkel begrip, geen enkel ideaal en geen enkele methode overeind.
Aan een radicaal niet weten gaat alles te gronde – ook en vooral het niet weten zelf.

Zo weet ik bijvoorbeeld niet of er wel zoiets is als ataraxia of apatheia, en ook niet hoe ik de aanwezigheid van deze gemoedstoestanden bij mezelf zou moeten vaststellen.
Zou een actueel gevoel van innerlijke rust werkelijk een teken van apatheia zijn of gewoon een voorbijgaand gevoel hier en nu?

Ik heb geen idee of apatheia langs een bepaalde weg bereikt kan worden of niet.

Ik weet niet of ik niets kan weten, zoals de scepticus beweert, of dat ik zelfs dat niet kan weten, zoals de pyrronist beweert.

Ik weet niet of ik mijn oordeel op moet schorten, zoals de pyrronist adviseert, en ga er niet van uit dat dat kan (of niet kan).

Ik weet niet of alles wat gebeurt al van te voren vastligt, zoals de stoïcijn beweert, en ook niet hoe ik dat zou moeten vaststellen.

Ik snap niet hoe uit het stoïsche determinisme noodzakelijkerwijze volgt dat alles goed is zoals het is en niet, bijvoorbeeld, slecht of neutraal of onbestemd; en ook niet hoe het mogelijk is dat alle gebeurtenissen al vastliggen maar niet het oordeel daarover en de bijbehorende gevoelens.

Ik weet niet of ik de kenner ben of het kennen of het gekende of alle drie of geen van drieën en evenmin of het onderscheid daartussen bij nader inzien wel stand zal houden.

Ik weet niet hoe ik mij zou moeten verdubbelen in een waarnemer en een deelnemer en mij dan in de eerste zou moeten terugtrekken, en evenmin hoe ik mij daartegen te weer zou moeten stellen wanneer het mij toch overkwam.

Ik ken mijn ware aard en mijn boeddhanatuur niet en veronderstel niet dat ik die heb, maar ook niet dat ik die niet heb en ook niet dat ik het een dan wel het ander al dan niet zou kunnen bewijzen en ook niet dat iedere vorm van kennis een bewijs nodig heeft, of sommige vormen van kennis wel en andere niet, of wat dan ook.

De of het tao ontgaat mij volledig, evenals god, het ene en de ziel en alle andere benamingen en omschrijvingen van de of het naar verluid onnoembare en onbeschrijflijke – tenzij juist dit ontgaan de wijze is waarop het zich aan mij manifesteert.
Maar ja, hoe stel je zoiets vast?

Niet-weten betekent voor mij dus niet apatheia of ataraxia bereiken, het betekent niet weten waar apatheia en ataraxia nou eigenlijk voor staan, als ze al ergens voor staan, laat staan waarom ik ernaar zou streven – gesteld dat er een ik is die het voor het zeggen heeft, en een methode om ergens, waar dan ook, heen te gaan of weg te gaan of te verblijven of weg te blijven.

Voor mij betekent niet weten tja zeggen tegen apatheia en tja zeggen tegen ataraxia en tja zeggen tegen god en tja zeggen tegen verlichting en tja zeggen tegen nirwana en natuurlijk tja zeggen tegen niet weten.
Wie dit tja dan weer apatheia of ataraxia of god of verlichting of nirwana of niet weten wil noemen – ik zal hem geen strobreed in de weg leggen.
Maar voor mij hoeft het niet.


Apofatisch, via negativa, neti neti

Het bijvoeglijk naamwoord 'apofatisch' is afgeleid van het Griekse apophasis, 'ontkenning'.
'Apofatisch' staat dus voor 'ontkennend' en wordt gebruikt om datgene aan te duiden wat je slechts kunt omschrijven door te zeggen wat het niet is – het onzegbare, het ondenkbare, het onbenoembare, het onuitsprekelijke, het ondefinieerbare, het ongrijpbare.

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa en in het hindoeïsme het neti neti – niet dit, niet dat.
God wordt bijvoorbeeld omschreven als kenbaar noch onkenbaar, immanent noch transcendent, bestaand noch onbestaand.
Ook van een denkmethode of een filosofie kun je zeggen dat zij apofatisch is.
Denk bijvoorbeeld aan de socratische vraagmethode of de postmoderne deconstructie.

Apofatisch zijn ook de talloze uitdrukkingen van niet weten op NIET-WETEN.NL, die gewoonlijk bestaan uit een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen.
De apofase van niet weten heeft echter niet tot doel het ongrijpbare, het onzegbare, het onduidbare, het onkenbare aan te duiden maar de aandacht te vestigen op het niet grijpen, niet zeggen, niet duiden, niet kennen zelf, opgevat als – ja wat, proces, ervaring, activiteit, gebeurtenis of zo – maar in geen geval als toestand, resultaat of object.
Mijn dwaalteksten verwijzen niet naar iets transcendents boven en buiten zichzelf, zoals het absolute of het hoogste zijn, maar naar datgene wat ze doen.
Dwalen.
Ver dwalen.
Voor de doorsnee lezer een vieze tegenvaller, voor de schrijver een onuitputtelijke bron van vreugde en vertier.

Verwar 'apofatisch' niet met 'afatisch', het bijvoeglijk naamwoord van 'afasie', waarmee een neurologische taalstoornis wordt bedoeld.
Of weet je wat?
Doe maar wel.
Alle beetjes helpen.


Apeiron

Apeiron is Grieks voor datgene wat alleen apofatisch aangeduid kan worden als dit noch dat, te weten het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde, of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt maar waarvan men desondanks en/of juist daardoor zelfs niet kan zeggen dat het bestaat of niet bestaat.
In het algemeen lijkt apeiron te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke.

Bij Anaximander is het apeiron de 'oer', de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische atman of brahman.
Bij Parmenides is het apeiron het zijn zelf, het plenum.
Bij Aristoteles is het de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.
Bij Jezus is het apeiron de liefde, zou je kunnen zeggen, of het koninkrijk der hemelen.
In de advaita vedanta is het apeiron het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is, of beter: kenbaar noch onkenbaar.
Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles.
In de christelijke mystiek is het apeiron de immanente God.
De zenboeddhist spreekt van het oorspronkelijke gezicht, Immanuel Kant van het Ding-an-sich, Heidegger van het onverborgen zijn (het aletheia), neo-advaita simpelweg van 'dit'.
Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit in het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat in plaats van het apeiron spreekt van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere.
Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens het postmodernisme restloos te bepalen.
Er zijn steeds nieuwe interpretaties mogelijk en niemand heeft het laatste woord, niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.
Niemand heeft het laatste woord behalve het postmodernisme natuurlijk, wat dacht je dan.

Niet weten wordt regelmatig verward met postmodernisme, maar dat is een mis verstand.
Zo neem ik, om maar weer voor mezelf te spreken, geen standpunt in inzake bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of welke kwestie ook.
Ik erken noch ontken de werkelijkheid, laat staan dat ik deze probeer te scheiden in een kenbaar en een onkenbaar deel die in een bepaalde relatie tot elkaar zouden staan of integendeel samen een ondeelbare eenheid vormen.
Niet dat ik daar iets op tegen heb, maar zo liggen de feiten.
Niet weten omheint niet en niet weten ontheint niet.
Van een apeiron is in niet weten sprake noch geen sprake.

Is niet weten dan misschien het apeiron zelf?
Natuurlijk staat het iedereen vrij om het zo op te vatten.
Voor mij is niet weten echter niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als realiteit of als bron, maar het niet bepalen zelf, opgevat als proces, als activiteit, als gebeurtenis – als de spontane en niet aflatende en nooit afdoende deconstructie van de constructies die zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen en opdringen.
Dan nog is niet weten niet de ijsbreker die zich een weg naar het apeiron baant maar het breken van het ijs zelf, zonder onderliggend motief, bovenliggend oogmerk of achterliggende reden.

Hoe apofatisch om niet weten zelfs niet als het apeiron of de weg daarheen te willen duiden.
Ik mag dan in diverse opzichten een schaamteloze uitslover zijn, in dit opzicht toevallig niet.
Ik wil niet-weten juist zo gewoon houden als het van nature is.
Niet weten behoeft geen krans, geen rechtvaardiging, geen verklaring, geen definitie, geen beoefening en geen toetsing.
Niet weten is gewoon niet weten.

Wie weet nou niet wat dat is?


Aporie

Een aporie [etymologisch onverantwoord ezelsbruggetje: a-, geen + porie , gat; iets waar je geen gat in ziet] is een onoplosbaar raadsel, meestal van filosofische, mathematische, theologische of spirituele aard.
Een voorbeeld van een aporie is: ik weet niets en dat ook niet.

Zoals ik met mijn dwaalgesprekken duidelijk probeer te maken, is de weg naar verlichting bezaaid met aporieën, waarvan de grootste wel de weg en de verlichting zelf zijn.

Gewoonlijk streeft men ernaar aporieën op te lossen of ze te omzeilen door het paradigma dat er aanleiding toe gaf te verlaten of te overstijgen.
In beide gevallen ziet men ze als een tijdelijk, overwinnelijk kwaad.
Ikzelf zie aporieën als tijdelijk noch overwinnelijk noch kwaad (noch eeuwig noch onoverwinnelijk noch goed).
Als ik al ergens naar streef, dan is het om ze onder de aandacht te brengen.
Of gaat dat ook al vanzelf?
Dan zal het ook wel vanzelf mislukken.


Asylum ignorantia

[Latijn asylum, vrijplaats + ignorantia, onkunde]
1. vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet weten
2. vlucht uit niet weten in de onnozelheid van de wereld


Athetisch

Het woord athetisch [Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling] betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.
Postmoderne teksten worden – soms pejoratief – athetisch genoemd wanneer ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Thesen in dwaalteksten brengen expres niets te berde.
Brengen ze toch iets te berde, dan alleen om voorafgaande stellingen tegen te spreken.
Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is.
Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – zij het gestileerde en verdichte – weergave is van het dwijze denken.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, dat zich misschien nog het beste laat vertalen als de lege stelling: de enige 'stelling' van de lege leer.


Autoclasme

Iconoclasme is van alle tijden.
Iedere religie lokt zijn eigen tegenbeweging uit, soms zelfs meerdere.
Terwijl de oorspronkelijke religie uitdijt, diversifieert, inlijft, politiseert en verwatert, ontstaat vanzelf het verlangen om terug te keren naar de oorsprong, een roep om versobering.
Het orthodoxe christendom leidde tot de mystiek, het katholicisme tot het calvinisme, de islam tot het soefisme, het jodendom tot het chassidisme, het boeddhisme tot zen, het hindoeïsme tot de advaita vedanta en die weer tot neo-advaita.

Inderdaad is niet weten het zoveelste iconoclasme, zij het dat het zich niet tegen één specifieke traditie richt – cultureel, spiritueel, filosofisch, psychologisch, religieus of anderszins – maar tegen alle tegelijk.
Of liever, tegen geen van alle, want niet-weten is niet in de eerste plaats naar buiten gekeerd maar naar binnen.
Het is een autoclasme.
Niet-weten vreet je eigen idolen aan – ideeën, helden, standpunten, theorieën, overtuigingen, idealen – zonder zich verder om die van de buitenwereld te bekommeren.
Totdat het zelfs het onderscheid tussen binnen en buiten vernietigt.
Totdat het zelfs het onderscheid tussen weten en niet-weten vernietigt.
Als ten slotte ook het vernietigen ten prooi valt aan deze veelvraat, is alles gewoon weer bij het oude.
Maar wat was eigenlijk het oude?
En wat is nog gewoon?


Bewijs

Een bewijs kun je zien als een taalspel waarin je redenerenderwijs vanuit premissen (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) in een taal (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een logica naar keuze (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot 'ware' uitspraken probeert te komen.

Bewijsvoering is in zoverre een spel dat het pas gespeeld kan worden wanneer de  spelers het eens zijn over de spelregels die oneindige regressies moeten voorkomen.
Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht, is het spel uit.
Zodra iemand wil overschakelen op een andere logica is het spel uit.
Zodra iemand de taal waarvan men zich in de bewijsvoering bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal) ter discussie stelt, is het spel uit.

'Waar' is een gegeven uitspraak alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven, dat wil zeggen voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen – en alleen voor hen.
Zo bezien is waarheid een kwestie van conventie, van consensus, om niet te zeggen van sportiviteit.
Waarheid is voor teamspelers.
De rest staat buitenspel.

Het hoogste spel wordt gespeeld in de wiskunde en de exacte wetenschappen.
Daarin wordt relatief de meeste aandacht besteed aan het expliciteren van de postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels.
In de alfa-wetenschappen en de filosofie is eerder sprake van redeneren dan bewijzen, in het openbare debat en het dagelijks leven eerder van overreden dan redeneren.

Wat voor spel is niet weten?
Een spel van niks zeggen, niet beweren, of althans niet geloven wat je zo nodig schijnt te moeten beweren – dit ook niet.
Waar niets beweerd of geloofd wordt, hoeft niets bewezen te worden, ook niet met betrekking tot het bewijzen zelf.
Niet weten is een spel van niks.

Wat natuurlijk niet betekent dat de dwijze geen wiskunde, wetenschap of filosofie kan bedrijven.
Wel betekent het dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, en ook niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering heet, en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze, maar integendeel, vanuit steeds wisselende standpunten, waarvan hij er niet één voor waar of onwaar, superieur of inferieur houdt.
Deze ook niet.


Categoriefout

We spreken van een categoriefout als iemand een idee, zoals 'universiteit', aanziet voor een ding, zoals een universiteitsgebouw, of vice versa, met alle problemen van dien.
Zo kun je je aan een universiteitsgebouw niet inschrijven, aan een universiteit wel, en kun je de universiteit niet schilderen, een universiteitsgebouw wel.
Volgens de Britse filosoof Gilbert Ryle berust het idee van de geest, en daarmee het hele cartesiaanse dualisme, op een simpele categoriefout.

Een ander voorbeeld van een categoriefout is niet weten, in dit geval meestal geschreven als niet-weten, opgevat als een ding, in het bijzonder als een onkenbare immanentie of transcendentie zoals kracht, energie, ether, bewustzijn, god of liefde, of als een bron, een werkelijkheid, een wet of een principe.
Voor mij is niet weten niet de ontkenning van een dergelijke grootheid per se maar wel de ontkenning dat het dat zelf zou zijn of er toegang toe zou hebben of geven.

In mijn woordenboek betekent niet weten gewoon dat je het (met name) op het gebied van de levensvragen allemaal niet meer weet.
Maar om dat nou een categoriefout te noemen...


Conditio tacita

In de argumentatieleer onderscheidt men de noodzakelijke voorwaarde, of conditio sine qua non, van de vanzelfsprekende, impliciete voorwaarde, de conditio tacita.
In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet.
Kenmerkend voor het normale denken is nu juist dat zelfs noodzakelijke, non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende.
Sterker nog, de mogelijkheidsvoorwaarden zich doorgaans helemaal niet.
Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en zonder stil te staan bij de mogelijkheid van enig voorbehoud.
Dat is wat het woord vanzelfsprekend betekent:
Stilzwijgend.
Ongedacht en onbesproken blijvend.
Tacita.

Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden 'waar' te maken, zo komt het mij soms voor.
Mijn schuldgevoel bijvoorbeeld verschijnt altijd en uitsluitend in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter discussie staat.
Voor zover ik dat introspectief kan nagaan, is die wereld er niet op voorhand; hij ontstaat – en vergaat – samen met, als context van, het schuldgevoel in kwestie.
Ik krijg hem er gratis bij, niet in de vorm van een uitgesproken vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek, maar in de vorm van een ongevraagd uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.

Ga maar na.
Volg een gedachte maar eens op de voet.
Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de gedachte zelf wordt meegeleverd?
Alsof hij zijn eigen mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin de (en het) gedachte eventjes kan bestaan?
Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de gedachte zelf en toch lijkt die wereld voor zolang het duurt – voor zo kort het duurt – tijdloos, constant, absoluut en onbetwijfelbaar.

Als deze beschrijving klopt dan zijn gedachten kosmogeen, wereldwekkend.
Ze maken zichzelf waar door stiekempjes een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun bestaansvoorwaarden voldaan is.
Ze zijn als het ware zwanger van de wereld die ze waarmaakt.
Ze zijn pregnant of zelfevident.
De wereld die de gedachte waarmaakt is zelfrijzend.

Het idee van de zelfvoorzienende gedachte doet denken aan het dier dat zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel en de mens de stad.
Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich thuis voelt, en de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar lijkt.

Is dit waar?
Zijn gedachten inderdaad wereldwekkend en selbstverständlich?
Zo ja, dan geldt dat ook voor deze gedachten en weten we nog niets.
Zo nee dan weten we nog niets omdat het niet waar is.
In beide gevallen zijn we niets opgeschoten.
Alle moeilijke woorden ten spijt.

Maar in ieder geval heb ik ze uitgesproken.


Cynisme

Cynisme is een radicaal ongeloof in alles en iedereen dat tot uitdrukking komt in spot, sarcasme en negativiteit.

Zelf geloof ik net zomin in geloof als in ongeloof, net zomin in alles als in niets, net zomin in iedereen als in niemand, net zomin in uitdrukken als in zwijgen, net zomin in spot als in lof, net zomin in sarcasme als in oprechtheid en net zomin in positiviteit als in negativiteit.
Zelfs in niet weten geloof ik niet – en geloof dat ook maar niet.

Zeg nou zelf, wat is daar cynisch aan?


Denk-beeld

Wat ben je liever – denkbeeldhouwer of denkbeeldenstormer?

Dwazen en wijzen denken niet, ze houwen denk-beelden.
Ze zijn denkbeeldhouwers, denkbeeldenaars.
En als ze geen denk-beelden houwen dan eren ze ze wel.
Denkbeeldendienaars in een denkbeeldendienst.
Hun geest is een denkbeeldentuin vol denkbeeldengroepen.
En als ze geen denk-beelden eren dan venten ze ze wel.
Denkbeeldenkramers in een denkbeeldenkraam.

Dwijzen houden wel van denkbeelden maar niet van denk-beelden.
Ze houen ze niet en ze houden ze niet en ze eren ze niet en ze venten ze niet.
Maar ze breken ze met liefde.
Ze breken ze. Met liefde.
Ze breken ze uit liefde.
Ze breken zelfs de liefde.

Dwijzen zijn denkbeeldenbrekers, denkbeeldenstormers, verwikkeld in een vrolijke denkbeeldenstrijd tegen de horden uiterlijke denkbeeldhouwers, maar vooral tegen de onvermoeibare innerlijke denkbeeldhouwer.

Spreekt deze beeldspraak je aan?
Laat het dan geen beeld-spraak worden.


Denksteen

Erger dan drekstenen en inoperabel bovendien. Welke denksteen wil jij op je graf?

In de filosofie heet het product van een letterlijk (realistisch, essentialistisch, eternistisch, substantialistisch, dualistisch, divisionistisch, discursief, hypostatisch) denken een hypostase.
Ik noem het een denksteen of hersensteen.
Hiermee wil ik de antinominalistische mentaliteit, die achter ieder woord een entiteit weet, aan de kaak stellen:
"Ik denk dus ik ben." (Descartes)
"God bestaat, anders kon ik hem niet denken." (Anselmus)
Het Woord is Steen geworden, zou een theoloog, nee, geoloog, nee, paleontoloog, nee, psycholoog... nou ja, laat maar zitten.

Luchtige gedachten krijgen door letterlijkheid het gewicht van meteorieten.
Het ene moment spreek je nog terloops over "de armen van geest, zielen die het zonder rede moeten stellen", het volgende moment slaat diezelfde rede op hol en voor je het weet zit je gevangen in de vraag waar de geest, de ziel en de rede precies gelokaliseerd moeten worden en wat het verband is tussen de geest en de rede, de geest en de ziel, de geest en de Geest, en de Geest en de armoede van geest.
En zijn we tweeduizend jaar verder.

Denkstenen liggen zwaar op de, eh... geest.
Je kunt er net zoveel last van krijgen als van blaasstenen, nierstenen, galstenen, oorstenen, speekselstenen en drekstenen.
Vooral die laatste.
De geesteskramp die er het gevolg van is, zou je een denksteenkoliek kunnen noemen.
Iemand die regelmatig denksteenkolieken krijgt, is een denksteenlijder.
Slecht nieuws voor denksteenlijders:
Hoewel de denksteenvergruizer al in 1684 gepatenteerd is, heeft men nog altijd geen enkele denksteen kunnen lokaliseren.



Naschrift
Denk nou niet dat ik hierboven reclame maak voor het nominalisme.
Mocht het nominalisme al waar zijn dan heeft het zelf geen tegenhanger in de werkelijkheid.
Hetzelfde geldt voor het fictionalisme, het anti-platonisme, het anti-realisme, het formalisme, de boeddhistische leer van de leegte (sunyata) en van afhankelijk ontstaan, de hindoeïstische leer van maya en aanverwante doctrines.
Om over 'werkelijkheid' nog maar te zwijgen.


Denotatie

Nogmaals hetzelfde verhaal maar nu in de termen van de betekenisleer.
Nodeloos moeilijk dus.
De betekenis van een gedachte bestaat uit een kleine bewuste bovenbouw, de zogeheten denotatie of sensus superficialis, gedragen door een reusachtige latente onderbouw, de zogenaamde annotatie of sensus subliminalis, waarvan je je slechts vagelijk bewust bent.
Laten we dit maar even de ijsbergtheorie noemen.

De annotatie van een gedachte vormt als het ware de infrastructuur ervan.
De tijdelijke ongrond waarin zij wortelt, groeit en afsterft.
De wegwerpwereld waarin zij vanzelfsprekend lijkt.
Ik bedoel daarmee het geheel van onderscheidingen en onuitgesproken aannames dat aan de gedachte in kwestie ten grondslag ligt, en alle onderscheidingen en aannames daar weer onder, et cetera, zonder welke de denotatie letterlijk in de lucht zou hangen.
Kortom, het geheel van koekoeksgedachten dat erin verscholen zit als poppetjes in een matroesjka, die de context verschaffen waarbinnen de gedachte eerst betekenisvol kan zijn.

Bij een bewering is de denotatie het gestelde, de annotatie het veronderstelde.
Neem bijvoorbeeld de uitroep "Heet hier."
Zodra je deze zin van slechts twee woorden leest, weet je wat er staat.
Je weet wat "heet" betekent en je weet wat "hier" betekent en je weet wat "heet hier" betekent zonder dat iemand het je uit moet leggen.
Aan de oppervlakte, denotatief, is er geen vuiltje aan de lucht.
Annotatief wel.
Want wat is heet?
En wat is hier?

Om een en ander uit te leggen, ontkom je er niet aan je lichaam te introduceren.
Je moet het over zweten hebben, over hijgen, blossen op de wangen, kleding en het verlangen die uit te trekken, jezelf koelte toewapperen, een raam openzetten, een ventilator aanzetten; over warm, lauw, koud en ijskoud, thermometers, het weer, de verwarming, temperatuurverschillen en warmteregulatie.
En waar is hier?
Niet daar.
Nu begint je over ruimte, dimensionaliteit, punt, lijn, vlak, lichaam, afstand, richting, boven, onder, links, rechts, achter, voor, relatief, absoluut, stilstand, beweging, spierkracht, arbeid, massa en energie.

En dat is nog maar het begin.
Want alle woorden die je hebt gebruikt in je uitleg hebben hun eigen annotatie.
Wat is zweten?
Nu volgt een verhaal over de huid, over zweetklieren en warmtesensoren en doorbloeding en haarvaten en lichaamsvocht en nieren en vochthuishouding en zoutconcentraties en electrolytenbalans en lichaamstemperatuur en homeostatische regelsystemen.
Wat zijn zweetklieren?
Wat zijn warmtesensoren?
Wat is doorbloeding?
Wat zijn haarvaten?
Wat is lichaamsvocht?
Wat zijn nieren?
Enzovoort, enzovoort.

Hoe meer je uitlegt, hoe meer je uit te leggen hebt.
Alleen legt niemand ooit wat uit.
Niet echt.
De annotatie blijft eeuwig impliciet, net zoals de lucht die we inademen of de lege ruimte waar we doorheen moeten kijken om verderop iets te kunnen zien.

Dit onbegrensde enzovoort vormt volgens de ijsbergtheorie het impliciete wereldbeeld, het semantische en episodische netwerk, de annotatie die ogenblikkelijk door de denotatie wordt opgeroepen, deze legitimeert en er op haar beurt door gelegitimeerd wordt, waardoor beide vanzelfsprekend schijnen, zoals een weg direct de auto's verklaart en de auto's onmiddellijk de weg.
Maar wat verklaart de weg met de auto's?

Vanzelfsprekend is ook de annotatie van de ijsbergtheorie zelf gedoemd eeuwig impliciet te blijven.


Dialectiek

Dialectiek is het denken van these (stelling) via antithese (tegenstelling) naar synthese (samenstelling), waarna de laatste weer als these voor de volgende rondgang dient.
Dialectiek leidt volgens liefhebbers spiraalsgewijs van het bijzondere naar het algemene, van het relatieve naar het absolute, van het meervoudige naar het enkelvoudige, van het tegenstrijdige naar het harmonieuze.
Het zou een progressieve denkwijze zijn, die alleen maar kan eindigen in de hoogste waarheid.
Dat dezelfde methode in de loop der tijd tot steeds andere en grotendeels onverenigbare hoogste waarheden leidde, heeft het vertrouwen erin nauwelijks geschaad.
In elk geval niet in religieuze en spirituele kringen.

In niet weten is het denken eerder regressief of digressief dan progressief.
De dwijze denkt eerder achterwaarts of zijwaarts dan voorwaarts.
Het dwijze denken leidt van het algemene naar het singuliere.
Van stelling naar nevenstelling of onderstelling.
Van het enkelvoudige naar het meervoudige.
Van werkelijkheid naar mogelijkheid.
Van het hogere naar het lagere.
Van conclusie naar premisse.
Van synthese naar paradox.
Van zekerheid naar twijfel.
Van antwoord naar vraag.
Van orde naar chaos.

Het dwijze denken leidt van weten naar niet weten, en vandaar naar een onbestemd denkend niet denken, waarin weten 'weten' is, niet weten 'niet weten', denken 'denken', niet denken 'niet denken', denkend niet denken 'denkend niet denken' en onbestemd 'onbestemd'.
Om over de dialectiek nog maar te zwijgen.


Ding-an-sich

Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant is een Ding-an-sich een object zoals het is voordat het menselijk kenvermogen zich er meester van maakt.
Dat wil zeggen, een lege huls of een kaal raamwerk waaraan het verstand (Vernunft) zelf bepaalde kwaliteiten toekent, zoals ruimtelijkheid, tijdelijkheid, vorm, substantie, kleur, textuur, geur en smaak.

Hoewel iedere beeldspraak tekortschiet, of te ver gaat, kun je je het ding-op-zich voorstellen als een soort negatief, een ongemanifesteerd gat waarvan wij mensen zelf een positief maken door het op te vullen met kwaliteiten.
Deze kwaliteiten zijn in Kant's visie niet eigen aan het ding als zodanig maar aan het ding zoals het zich voordoet aan het kennende subject.
Een ding is geen ding in en op zichzelf maar een ding voor mij.

Als we Kant mogen geloven is de wereld an sich onkenbaar.
Object en subject zijn onlosmakelijk met elkaar verknoopt.
Wat het gezonde verstand ook zegt, onze voorstelling van de wereld is geen getrouwe afspiegeling van de objectieve werkelijkheid maar een constructie, een projectie van datzelfde verstand, dat zich niet alleen ex nihilo een fantoombeen en een regenboog weet te scheppen maar met evenveel gemak een heel lichaam en een wereld om in rond te lopen: für mich.

Zelf neem ik niet aan dat dingen op zichzelf genomen onkenbaar zijn of dat ze dat niet zijn.
Ik neem niet aan dat dingen bestaan, of dat ze niet bestaan, of dat ze bestaan en niet bestaan of dat ze bestaan noch niet bestaan.
Ik neem niet aan dat dingen alleen maar zijn wat ze zijn voor het subject, of dat dat niet het geval is.
Ik neem niet aan dat er zoiets is als een subject, of dat die er niet is of dat subject en object één ondeelbaar veld van wederkerigheden vormen of dat ze in essentie leeg zijn of wat dan ook.

Voor mij zijn dingen geen gaten die worden opgevuld door het menselijk verstand.
Ook is het menselijk verstand geen gat dat wordt opgevuld door de dingen.
Ikzelf ben dat gat.
Daarin verdwijnen niet alleen de Dinge an sich maar ook de Dinge für mich, de filosoof Immanuel Kant, de Kritik der reinen Vernunft, het kenvermogen, de kwaliteiten, het subject, de wereld, het weten, het niet-weten – de hele rataplan, met inbegrip van het gat dat ik zogenaamd zou zijn en het zogenaamde verdwijnen daarin van alle denkbare en ondenkbare zaken.
Waarna het hele liedje weer van voren af aan begint.

Maar of dat nog hetzelfde liedje is?


Dissensus

Dissensus is het tegenovergestelde van consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening.
Volgens Lyotard moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin je niet de waarheid najaagt maar slechts het verslaan van de tegenspreker.
Streefde het modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het postmodernisme streeft juist naar dissensus in de vorm van kleine verhalen die alleen maar een lokale geldigheid hebben.

Dwaalgesprekken kun je opvatten als taalspelen waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.
De een streeft naar consensus, de ander naar dissensus.
Dwaalgesprekken zijn een bijzonder geval van dwaalteksten, die er ongeacht hun vorm naar streven zichzelf tegen te spreken.

In zijn algemeenheid kun je niet weten opvatten als een radicale, niet aflatende dissensus waarin de dwijze ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Zelf heb ik geen bijzondere voorkeur voor dissensus.
Ik streef er in ieder geval niet naar.
Voor zover ik kan nagaan streef ik nergens naar, ook niet naar niet streven, noch weerstreef ik er iets mee.
Hoogstens constateer ik in mijn eigen denken en schrijven een sterke neiging tot dissensus.
Vooral met mezelf ben ik het graag oneens, hoewel...

Of dat ergens goed voor is?
Waarmee ik niet wil zeggen dat het nergens goed voor is.
Of toch?


Dogma

Een dogma is een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.
Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.
Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma's.
Aldus Van Dale.

Verstopt in deze definities zit een typisch westers verlichtingsideaal.
Ik doel op het idee dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke.
Deze zou zich hierin van dogmatische kennis onderscheiden dat zij voor rede vatbaar is.
Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens twee dogma's, namelijk het idee dat gefundeerde kennis mogelijk is en het idee dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen.

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden.
Niet weten is nou eenmaal de weg van het midden.
Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden.
Niet uit principe maar uit vermoeidheid; omdat er nog nooit eentje overeind gebleven is.
Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets te weten, in concreto voor iedere uitspraak die niet onmiskenbaar wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel uitmaakt of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.

Niet weten is niet anti-dogmatisch.
Dat kan ook niet want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma's is opnieuw een dogma.
Ik zou niet weten op welke gronden ik dat moest verdedigen.
Niet weten kunnen we eventueel adogmatisch noemen, dat wil zeggen zonder dogma's.
Opnieuw niet uit principe maar simpelweg als gegeven, als iets dat ik steeds opnieuw bij mezelf moet vaststellen.


Dwaalgids

Een dwaalgids is iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.
Zozeer is hij de weg kwijt dat hij niet eens meer weet of hij wel op weg was, of dat hij wás, of ís, of wat 'voorgoed' betekent, laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.
Legt hij toch getuigenis af, dan eerder ter vermaeck dan ter leering, want wat valt er te leren aan een lege leer?
Aan de andere kant, wat valt eraan te lachen?

Natuurlijk staat het iedereen vrij om een voorbeeld te nemen aan een dwaalgids of iemand die zich daarvoor uitgeeft, maar vroeger of later zul je deze kwestie onder ogen moeten zien:
Waarvan is de dwaalgids een voorbeeld?
Waarheen wijst zijn vinger, en wijst hij eigenlijk wel?

Tegen de tijd dat al je antwoorden op deze en andere brandende levensvragen in rook zijn opgegaan, en je vragen erbij, ben je hard op weg een voorbeeld te nemen aan je dwaalgids – maar dan hoeft het al niet meer.


Dwaalleer

De lege leer is de enige leer die géén eind probeert te maken aan onze onwetendheid.
Hij mag dan ook met recht een dwaalleer heten.
Niet in de klassieke zin van een leer die de verkeerde kant op wijst, maar in de postmoderne zin van een leer die helemaal niet wijst – niet de verkeerde kant op en niet de goede.
Een leer die zelfs het niet-wijzen niet tot norm verheft.
Een leer zonder leer.
Een 'leer'.


Dwaalmeester

Het woord 'meester' verwijst op deze website niet zoals gebruikelijk naar een wijze, een wetende, iemand die de waarheid reeds kent en/of leeft, maar integendeel naar iemand die niet weet.
Dwaalmeester is de officieuze anti-titel voor de anti-helden die in mijn dwaalteksten met of zonder toenaam het niet-weten personificeren: Meester Ach, Meester Bè, Meester Bijster, Meester Blabla, Meester Dement, Meester Eh, Meester Foetsie, Meester Haha, Meester Hak, Meester Hè, Meester Ik, Meester Kwenie, Meester Lijk, Meester Leerling, Meester Minder, Meester Mouche, Meester Nebbisj, Meester Nietes, Meester O, Meester Paf, Meester Quatsch, Meester Rara, Meester Sof, Meester Soit, Meester Spoorloos, Meester Spoorniet, Meester Sst, Meester Tja, Meester Wablief, Meester Ziemaar, Meester Zomaar en Meester Zuetsu.

Het woord 'leerling' verwijst op deze website niet zoals gebruikelijk naar een dwaas, een onwetende, iemand die de waarheid nog niet kent of leeft, maar integendeel naar iemand die weet of meent te weten, een gids, een raadgever, een coach, iemand die door anderen of door zichzelf voor wijs wordt gehouden.
Leerlingen blijven op deze website naamloos, op een enkele uitzondering na, zoals leerling Meester.

Waarom nog dit oubollige woordpaar gebruikt in een tijd dat steeds meer mensen zelfs het woordpaar leraar-leerling als te hiërarchisch ervaren en een uitgesproken voorkeur hebben voor het intervisiemodel van Hisamatsu of het idee van de meester/goeroe/leraar als slechts een vriend of medereiziger?
Daarom juist.
Ik heb geen betere manier kunnen vinden om het idee van de alwetende meester en de onwetende leerling te ondermijnen dan door de rollen volledig om te draaien met behoud van de oorspronkelijke terminologie, inclusief de bijbehorende beleefdheidsvormen.

De dialogen op deze website hebben al veel make-overs ondergaan.
De gesprekspartners hebben onder meer jij en ik geheten, X en H, A en B, Vraag en Antwoord, Leerling en Leraar, Jut en Jul en Weetal en Weetniet.
Ook heb ik geprobeerd de gesprekspartners van elkaar te onderscheiden door middel van cursivering en met behulp van aanhalingstekens.
Het was een heidens karwei om duizenden dwaalteksten keer op keer om te bouwen, en mijn website bevat als gevolg daarvan nog steeds een pak fouten, met name in de beleefdheidsvormen en de werkwoordsvormen.
Het zal nog wel een poosje duren voor ik ze allemaal heb weggewerkt.
Stom genoeg ben ik na al die conversies uiteindelijk teruggekeerd naar de oude en vertrouwde Leerling en Meester waarmee het allemaal begonnen is.
Had ik dat geweten...


Dwaalspreuk

Volgens Van Dale is een aforisme of sententie een bondige spreuk die een bepaalde wijsheid uitdrukt.

Onder een anaforisme [Grieks, an-, niet] of insententie [Latijn, in-, niet] versta ik een eveneens bondige spreuk die een bepaalde dwijsheid uitdrukt – een niet weten, voorbij wijsheid en dwaasheid.
Zoals een aforisme de weg wijst, zo leidt een anaforisme het bos in.

Nu houd ik erg van dure woorden, maar u misschien niet, dus laat ik anaforismen en insententies verder maar dwaalspreuken noemen.

Een goede dwaalspreuk is – wat zal ik zeggen – nietszeggend.
Volgens dit criterium ben ik er nooit in geslaagd om ook maar één goede dwaalspreuk te schrijven.
Geen van de honderden probeersels op deze website is dan ook geschikt voor opname in het Lege Boek.
Toch neem ik ze niet terug, al was het alleen maar om te laten zien dat het project om niet weten in één zin te vangen net zo hopeloos is als ieder ander project om het te vangen – of vrij te laten.


Dwaaltekst

Onder een dwaaltekst versta ik iedere tekst die, ongeacht zijn lengte en vorm, niet weten tot uitdrukking brengt.
Tegen de stroom in, bewegen dwaalteksten zich van de oplossing naar het probleem, van het antwoord naar de vraag, van de conclusie naar de premissen, van de stelling naar de onderstellingen, van begrip naar onbegrip, van zekerheid naar twijfel, van helderheid naar troebelheid, van vasthouden naar loslaten, van weten naar niet-weten – en daar dan weer voorbij.

Een dwaaltekst in de vorm van een woord of uitdrukking noem ik een dwaalwoord, een dwaaltekst in de vorm van een sententie een dwaalspreuk, een dwaaltekst in briefvorm een dwaalbrief, een dwaaltekst in de vorm van een dialoog, interview of correspondentie een dwaalgesprek, een dwaaltekst in de vorm van een betoog een dwaalrede, en zo verder met dwaaldicht, dwaalvers, dwaalverhaal, dwaallied...

Dwaallicht is het licht van niet weten dat een dwaaltekst doorstraalt.


Dwaaltekst, de orde van

Beschouw de volgende reeks van dwaalzinnen:
  1. Ik weet niets.
  2. Ik weet niets, en dat ook niet.
  3. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet.
  4. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet...
1. Een dwaaltekst van de laagste (eerste) orde ontkracht een gangbaar of voorafgaand denkbeeld, maar niet met zoveel woorden zichzelf.

2. Een dwaaltekst van de tweede orde herroept tevens zichzelf (en heeft daardoor altijd de vorm van een paradox).

3. Een dwaaltekst van de derde orde herroept tevens het herroepen.

4. Een dwaaltekst van de hoogste orde herroept zichzelf en iedere herroeping van zichzelf.

Vreemd genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een weten uit, al is het maar een weten van niet weten.
Zelfs een oneindige ontkenning is nog steeds een bewering.
Daarom: dwaalteksten reiken naar niet weten maar bereiken het nooit.


Dwaaltuin

De leidende metafoor van deze website, NIET-WETEN.NL, is die van een dwaaltuin, waarin men eeuwig kan zoeken zonder iets te vinden, als ik mijn werk tenminste goed heb gedaan, en dat heb ik niet, want menigeen blijkt er toch weer het zijne in te vinden.
Paaseieren die hij er zelf heeft verstopt of wegwerpwijsheden van mijn hand waarmee ik iets anders weerspreek maar die ik op hun beurt niet weersproken heb omdat je nou eenmaal niet aan de gang kunt blijven.

In groter verband is 'dwaaltuin' ook een metafoor voor de wereld, waarin de dwijze niet alleen de weg kwijt is maar ook zichzelf en daarmee zijn wereld, om nog maar te zwijgen over het kwijt zijn, dat is hij ook kwijt, en daarmee het zoeken en daarmee het vinden, want hij mag dan misschien het hoofd hebben verloren, maar om nou te zeggen dat hij een dwaaltuin heeft gevonden?


Dwijsbegeerte

Zoals het woord wijsheid het woord dwijsheid suggereert, zo wijst wijsbegeerte de weg naar dwijsbegeerte.

En zoals wijsbegeerte gedefinieerd kan worden als het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste, zo kunnen we dwijsbegeerte definiëren als het deconstrueren van onderscheidingen – met name de allerhoogste.
Onderscheidingen zoals: vrijheid - gebondenheid, macht - overmacht, hemel - aarde, eenheid - veelheid, vorm - leegte, het eendere - het andere, eenheid - tweeheid - veelheid, ik - gij, heilig - profaan, hoger - lager, afgescheiden - verbonden, immanent - transcendent, subject - object, buitenwereld - binnenwereld, geest - lichaam, teken - betekende, absoluut - relatief, verlicht - onverlicht, lijden - vreugde, waarheid - leugen, echt - vals, spontaan - berekenend, weg - doel, leven - dood, geboren - ongeboren, vergankelijk - onvergankelijk, in de tijd - buiten de tijd, bestaand - onbestaand,  reëel - illusoir, gegrond - grondeloos, weten - niet-weten, dualiteit - non-dualiteit, constructie - deconstructie, verlicht - onverlicht, wijsheid - dwaasheid, wijsbegeerte - dwijsbegeerte.


Systematische deconstructie heeft bij mij echter niet geleid tot een 'hoger inzicht' in de 'transcendente eenheid van schijnbare tegenstellingen', zoals ik pas weer ergens mocht lezen, maar gewoon tot een toestand van – ja, wat?
Kalme verbijstering?
Of mag het een toestand heten als je niet voortdurend kalm bent en niet voortdurend verbijsterd en niet voortdurend je?

Een dwijsgeer kunnen we definiëren als iemand die geneigd is tot het deconstrueren van onderscheidingen.

Dwijsgerig betekent dan deconstructief.

Dwijselijk betekent op de wijze van, zoals een dwijsgeer.


Dwijsheid

Niet weten is geen onwetendheid en ook geen hoger weten.
Het is geen dwaasheid en ook geen wijsheid.
Het is het onvermogen dwaasheid te onderscheiden van wijsheid.
Niet weten is steno voor: niet weten te onderscheiden.

Natuurlijk, ik kan wel onderscheid maken en dat doe ik ook.
Onophoudelijk.
Maar ik kan geen enkel onderscheid hard maken.
Hoe dieper ik op een verschil inga hoe meer het me ontglipt.
Bij nader inzien houden mijn onderscheidingen geen stand.
Ze zijn niet van schokbeton maar van ijs – ze smelten op mijn tong.
Ze zijn van kalksteen – ze verbrokkelen onder mijn voeten.
Ze zijn van drijfzand – ik zak er steeds dieper in weg.
Begrippen blijken zeepbellen, theorieën kaartenhuizen, visies oogkleppen, geboden schoten in het duister, leefregels slagen in de lucht.
Niet weten is een acuut, nee een chronisch, nee een chronisch-acuut besef van de grondeloosheid van ieder onderscheid – inclusief het onderscheid tussen gegrond en grondeloos.

Onderscheidingen verdwijnen niet in niet weten, zoals weleens gedacht wordt; ze worden erdoor gerelativeerd.
Ze komen tussen haakjes te staan.
Tussen aanhalingstekens.
Tussen vraagtekens.
Ze hangen in het luchtledige.
Steeds wanneer zich een gedachte voordoet, een weten, een verschil, een oordeel, een standpunt, een stellingname, haal ik spontaan mijn schouders op:

Heilig versus werelds? Tja.
Alles is liefde? Tja.
Goed versus slecht? Tja.
Begrippen zijn zeepbellen? Tja.
Ik versus anderen? Tja.
Het hoogste zelf is geen-zelf? Tja.
Dualiteit versus non-dualiteit? Tja.
De waarheid is voorbij de woorden? Tja.
Dwaas versus wijs? Tja.
Bewustzijn is mijn ware aard? Tja.
Iemand versus niemand? Tja.
Alles is één? Tja.
Weten versus niet weten? Tja.

Van zichzelf is niet weten wijs noch dwaas.
Daarom noem ik het maar dwijs.

Onder een dwijze of dwijsneus versta ik iemand die het heilige geloof in al zijn hokjes, hekjes en haakjes is kwijtgeraakt.
De dwijze is niet langer in de ban van onjuiste opvattingen, zoals de dwaas, maar ook niet meer in de ban van juiste, zoals de wijze.
De dwijze is niet meer in de ban van welke opvatting ook, zelfs niet van de opvatting dat hij niet meer in de ban is van welke opvatting ook.

Niet alleen is de dwijze het weten voorbij maar ook het niet weten – en daardoor geen van beide.
Vandaar dat hij zich zelfs niet het grote onbekende waant of de eeuwige stilte of het wonderbaarlijke of het numineuze of het mysterie; noch weet hij zich de getuige daarvan of een non-entiteit die alleen maar is en luistert naar de naam niemand; noch weet hij zich kwetsbaar of onkwetsbaar, almachtig of overgeleverd, alomvattend of leeg; noch leeft hij in overgave of genade; noch weet hij zich vrij of onvrij of iets ertussenin of ernaast of erboven of erachter of eronder.

Want de dwijze is iemand die het heilige geloof in al zijn hokjes, hekjes en haakjes is kwijtgeraakt.
Ook die van 'de wijze' en 'de dwaas'.
Laat staan dat van 'de dwijze'.


Ellips

Een retorische figuur die de dwijze goed van pas komt is de ellips: het weglaten van woorden die er makkelijk bij gedacht kunnen worden.
De paradox niet weten, zelfs niet van niet weten wordt bijvoorbeeld ingekort tot zelfs niet van niets weten.
Andere voorbeelden van ellipsen:

zelfs niet zonder principes zijn

zelfs het opgeven opgeven

en dat ook niet


Passen we de ellips toe op de beginterm van het eerste oxymoron, wetend niet weten dan verkrijgen we de ellips niet weten.
Doende niet doen wordt niet doen.
Zeggend niet zeggen wordt niet zeggen.

Langs elliptische weg is het niet alleen mogelijk langdradige paradoxen weer te geven met een enkel woord, maar ook om paradoxen aan te duiden die zich anders maar lastig laten formuleren: niet duiden, niet interpreteren, niet vragen, niet antwoorden.

In plaats van de beginterm kunnen we ook de eindterm van het oxymoron laten vallen.
Wetend niet weten wordt dan 'weten'.
Dat werkt goed, op voorwaarde dat we het overblijvende woord tussen aanhalingstekens zetten, want anders is het niet meer te herkennen als een elliptisch oxymoron.

Ook de ellips niet weten zouden we tussen aanhalingstekens kunnen zetten, om te benadrukken dat het niet om een letterlijk niet weten gaat – alsof ik kan weten dat ik niets weet – maar om een wetend niet weten, een niet weten tussen aanhalingstekens, een 'niet weten'.

Het gebruik van aanhalingstekens is doeltreffend en vanzelfsprekend.
Zelfs zonder bovenstaande uitleg weet je intuïtief wat ik bedoel wanneer ik 'ik' schrijf of spreek over 'de wereld'.
Zou ik steeds helemaal moeten uitleggen dat ik niet weet wat en óf de wereld is en wie of wat en óf ik ben en dat ik zelfs dat niet weet, dan zouden mijn teksten, net als deze zin, nog complexer en langdradiger worden dan ze al zijn.

Toegepast op de paradox niet weten, zelfs niet dat je niets weet, levert de ellips ons dus nog eens vier equivalente figuren op:
  1. zelfs niet van niets weten
  2. niet weten
  3. 'weten'
  4. 'niet weten'
Hieronder de vier formules van de ellips op een rijtje, met een zelfbedachte naam die je, net als bij de variaties op het oxymoron, meteen weer mag vergeten.
  1. halfparadox: zelfs niet-A niet
  2. rechterterm: niet-A
  3. linkerterm tussen aanhalingstekens: 'A'
  4. rechterterm tussen aanhalingstekens: 'niet-A'
Laten we uit formule 1 de specificatie niet-A weg, dan ontstaat de generieke spreuk 'zelfs dat niet' of 'en dat ook niet'.
Deze laatste formulering was de spontane mantra waarmee ik in oktober 2007, de eerste maand van mijn niet weten toen ik er nog nauwelijks woorden voor had, 'iedere' gedachte begroette.

Om zonder gebaren in gesproken tekst aan te geven dat een woord tussen aanhalingstekens staat, kun je woorden als quasi en verondersteld gebruiken: quasi-ik of de veronderstelde wereld, maar dat is wel uitkijken geblazen omdat ze al snel als ontkenning gaan fungeren.
Termen als de zogenaamde wereld en de hypothetische god bijvoorbeeld, wekken de indruk dat volgens de spreker de wereld een illusie is en god niet bestaat.
Daarmee zijn we alweer in het domein van het weten beland, en dat was nou net niet de bedoeling.

zie ook: ellips*


Epoche

Aangezien volgens de Griekse wijsgeer Pyrrho ieder bewijs op onbewezen premissen berust, zou opschorting van ieder oordeel voor onbepaalde tijd de enige juiste wijsgerige houding zijn.
Deze consequent doorgevoerde opschorting heet in het Grieks epoche.

Helaas en/of/noch gelukkig berust de redenering waaruit volgt dat epoche de enige juiste houding is, zelf op onbewezen premissen, waaronder de aanname dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is, de aanname dat je moet doen wat logisch is, de aanname dat je vrij kunt kiezen om je oordeel al dan niet op te schorten en de aanname dat je dan beter af bent, of althans het juiste doet.
Is dat allemaal wel waar?
Eerst bewijzen zou ik zeggen, het liefst zonder nieuwe premissen, anders blijven we aan de gang.
Tot die tijd moeten we het oordeel dat we alle oordelen voor onbepaalde tijd moeten opschorten voor onbepaalde tijd opschorten.
En dit oordeel?


Eschatologie

Volgens een gangbare interpretatie van het Thomas-Evangelie betekent de komst van het Rijk Gods niet het einde van het universum maar het einde van de subjectieve werkelijkheid, mijn werkelijkheid, die waarin ik, juist als subject, afgescheiden ben van de rest van de wereld, die mij tot object dient.
Het is deze persoonlijke, dualistische wereld die door de komst van het Rijk Gods vernietigd wordt, en wel precies op het moment dat ik tot inzicht kom omtrent haar ware, non-duale aard:
De werkelijkheid is al het rijk der hemelen, maar we zien het niet.
We leven de waarheid al maar we weten het niet.
De waarheid is onzegbaar en onkenbaar maar zij is.
Het is niet de werkelijkheid als zodanig die vernietigd moet worden, maar de schijnwerkelijkheid in ons, en wij met haar, opdat eindelijk de Ene Werkelijkheid die wij zijn aan de dag kan treden.
Aldus de non-dualistische interpretatie.

In niet weten vindt het idee van een hogere werkelijkheid geen onderdak, noch het tegengestelde idee dat er geen hogere werkelijkheid zou zijn, noch enig ander idee.
Niet weten betekent: geen idee.
Of, als het idee van een hogere werkelijkheid er toch onderdak vindt, dan ook het idee dat er geen hogere werkelijkheid is, en ieder ander idee.
Niet weten betekent: elk idee.
Zo raak je in niet weten de werkelijkheid in iedere zin kwijt, en iedere zin voor de werkelijkheid:
Je weet niet eens óf de werkelijkheid is, laat staan hoe zij is, of wát, of uit welke delen zij bestaat, laat staan in welk verband deze delen staan.

In niet weten hoeft de werkelijkheid niet vernietigd te worden want zij wordt niet verondersteld, noch als realiteit, noch als illusie.
Haar bestaan wordt ontkend noch bevestigd.
Niet weten maakt daarom niet alleen een einde aan de bekende wereld maar ook aan het einde daarvan.
Om over de onbekende wereld nog maar te zwijgen.
Van een hogere waarheid of een diepere werkelijkheid is in niet weten sprake noch geen sprake.

Noem dit het koninkrijk der hemelen of desnoods het honingrijk der zemelen.
Zelf zeg ik liever niks.


Existentialisme

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen waarin echte communicatie onmogelijk is en hij in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.

Heel wat mensen hebben mij al aangezien voor een existentialist.
Ten onrechte.
Tussen mijzelf en de existentialist gaapt een kloof die met geen worp, sprong of gedachtevlucht te overbruggen is.
Om kort te gaan:

De existentialist weet dat er een wereld is, ik niet.
De existentialist weet dat deze betekenisloos is, ik niet.
De existentialist weet dat hij bestaat, ik niet.
De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, de wereld in hem), ik niet.
De existentialist weet dat er andere geworpenen zijn, ik niet.
De existentialist weet dat echte communicatie met de andere geworpenen onmogelijk is, ik niet.
De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, ik niet.
De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, ik niet.
De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen; ik niet.

Om verdere misverstanden te voorkomen:
Ik claim ook niet dat er géén wereld is.
Ook niet dat de wereld toch betekenisvol is.
Ook niet dat ik niet besta.
Ook niet dat ik niet in deze wereld geworpen ben.
Ook niet dat er geen andere geworpenen zijn.
Ook niet dat echte communicatie met andere geworpenen toch mogelijk is.
Ook niet dat ik niet gedoemd ben tot eenzaamheid.
Ook niet dat ik niet tot vrijheid veroordeeld ben.
Ook niet dat iemand of iets anders zin aan mijn bestaan kan geven of dat ik dat voor anderen kan doen.
Ook niet dat je dit allemaal niet kunt weten.

Existentialisme kun je dit niet noemen.
Hoe je het wel moet noemen weet ik niet.
Daarom noem ik het niet weten.


Fideïsme

Fideïsme [Latijn, fides, geloof] is de doctrine dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven is.
Van menen te weten.
Niet alleen het religieuze weten maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Ikzelf geloof, meen of weet niets over weten, menen of geloven.
Zelfs niet dat ik daarover niets geloof, meen of weet.
Laat staan dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven zou zijn.


Filasofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia [philos, vriend + sophia, wijsheid].
Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte, dan komen we als vanzelf tot filasofie [Philos + a, niet + sophia].

Afleidingen van filasofie liggen voor de hand, maar ik noem ze toch maar even.
Een dwijsgeer, iemand die filasofie bedrijft, heet een filasoof.
Het bedrijven van filasofie heet filasoferen.
Iets filasofie-achtigs heet filasofisch.
Een filasofeem is een filasofische stelling of uitspraak.
Een filasofaster is iemand die voorwendt filasoof te zijn, oftewel een nepdwijze.

Van filasofie is het maar een kleine stap naar asofie.
We hoeven alleen maar het voorvoegsel philos (vriend van, liefhebber van) te amputeren en we houden de staart a- (niet) + sophia (kennis, wijsheid) over.
Asofie: geen-kennis, niet-weten.

Asofie laat zich net zo vervoegen als filosofie en filasofie.
Een asoof is iemand die niet weet, een dwijze.
Asofisch betekent niet wetend, dwijs.
Asoferen is dwijsheid beoefenen (of ondergaan; het is maar net hoe je het beleeft).
Een asofeem is een stelling of uitspraak die getuigd van niet weten.
Een asofaster is iemand die voorwendt niet-wetend te zijn.
Een asofisme is een dwaaltekst.
Een asofist is iemand die dwaalteksten schrijft (of spreekt, of denkt).

Asofia, ten slotte, is de naam van onze beschermheilige.
Zoals alle heiligen, bestaat ze niet meer of heeft ze nooit bestaan.
Juist dit is wat haar in staat stelt ons tegen het weten te beschermen, en niet-weten tegen ons.

Ziezo. Nog meer woorden om in te slikken of stikken.


Gezond verstand

Onder gezond verstand verstaat men de verzameling van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel eens zijn.
Alle zaken dus die vanzelfsprekend, om niet te zeggen vanzelfschreeuwend zijn.
Volgens het gezonde verstand is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.
Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse filosofie het gezonde verstand in ere wilde herstellen is de common sense philosophy van Thomas Reid.
Een ongelovige filosoof die zijn eigen non-filosofie bolstert door die van de goegemeente te legitimeren.
Het moet niet veel gekker worden, zeg je?
Dan heb je buiten de waard gerekend.

Het gezonde verstand waarop velen zich beroepen gaat in niet weten niet verloren, maar komt wel in de lucht te hangen en verliest daarmee vanzelf zijn (on)natuurlijke gezag.
Voor mij, wie dat ook moge wezen, is het vooral vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook moge wezen, verbijstert, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.
Omgekeerd is het voor diezelfde mij, zo die al bestaat, al even verbijsterend dat diezelfde wereld, als er al zoiets is, desondanks vanzelf blijft spreken en zijn/mijn/onze/eenieders/niemands verbijstering onophoudelijk overschreeuwt.

Daardoor of desondanks verkeer ik niet langer in de ban van het gezonde verstand, maar evengoed wel, en in nog heviger mate, in dat van het ongezonde, of laten we zeggen kortgesloten verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt ook al stelt het geen enkel belang meer in de antwoorden, en zich nog steeds geroepen voelt de antwoorden die desondanks uit allerlei bronnen blijven opborrelen onophoudelijk te herroepen – ook deze.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere.
Kan het gekker?


Ignoramus et ignorabimus

De Latijnse uitdrukking ignoramus et ignorabimus betekent zoveel als 'wij weten niet en zullen nooit weten'.
Wie meent dat dit een geschikt motto zou zijn voor Hans van Dam heeft niet begrepen dat ik geen uitspraken doe, zelfs niet de uitspraak dat ik geen uitspraken doe.
Doe ik ze toch, wat onvermijdelijk schijnt te zijn, dan steek ik er mijn hand niet voor in het vuur.
Ook niet voor deze.
Laat staan dat ik er motto's op na houd.
Wat niet wil zeggen dat ik tegen uitspraken of motto's ben of ernaar streef ze niet te doen of te hebben, of dat ik erop tegen ben ergens op tegen te zijn.
Wat het dan wel wil zeggen?


Ignotum per ignotius

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent: 'het onbekende herleiden tot het onbekendere'.
Zij is gewoonlijk bedoeld als ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar kan ook opgevat worden als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Wanneer een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard?
Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht?
Daarvoor moet je bij de natuurkundige wezen, zeg jij dan.
Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk relativistisch verhaal over massa en tijdruimte of een ander volstrekt onbegrijpelijk quantumfysisch verhaal over gravitonen en higgs-velden.
Dit heet: van kwaad tot erger.
Ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijk.
Integendeel.
De natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe.
Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgs-deeltjes.
Wat is de ontologische status van dit soort begrippen?
Daarvoor moet je bij de metafysicus wezen, zeg je.
Ik op zoek naar zo'n wezen, nergens te vinden.
Blijkt de hele metafysica op zijn gat te liggen.
En wat voor gat.
Zo zwart als wat.
Om nog maar te zwijgen over het feit dat zowel de doorijlende fysica zelf als wijlen de na-ijlende metafysica ongeacht hun resultaten, als ver schijnsel, als bezigheid, als bedrijf, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn.
Zeker in termen van hun eigen verklaringsmodellen.

Een vergelijkbare Latijnse term is obscurum per obscurius – het herleiden van het duistere tot het meer duistere.


Kenleer

Misschien ben jij een van die mensen die denkt dat epistemologie – de filosofie van de grenzen van het weten – de beste weg naar niet weten is.
Maar is niet weten wel een bestemming, is er wel een weg naartoe – laat staan meerdere waarvan er een de beste is – en wil je die wel gaan?

Als weg naar niet weten maakt kenleer sowieso een valse start door van meet af aan van alles te veronderstellen.
Zo maakt het zonder enige rechtvaardiging onderscheid tussen weten en niet weten en tussen een kennend subject en een uitwendig object waarvan de kenbaarheid onderzocht moet worden.
Verder neemt het zonder meer aan dat natuurlijke taal een geschikt instrument is om epistemologisch onderzoek mee te verrichten en de grenzen van het weten mee uit te drukken, dat het gebruik van logica de geldigheid van de gebruikte redeneringen garandeert, dat je vanuit onbewezen premissen tot bewezen conclusies kunt komen en dat geldige redeneringen volstaan als het erom gaat jezelf en je medemens ergens van te overtuigen.

Stevige aannames voor een discipline die weetbaarheid tot thema heeft.
Eigenlijk zou de kentheoreticus deze veronderstellingen eerst moeten onderzoeken voordat ze tot uitgangspunt van epistemologisch onderzoek kunnen dienen.
Maar hoe pleeg je onderzoek zonder onderscheidingen?
Hoe druk je je uit zonder taal?
Hoe redeneer je zonder logica?
Hoe overtuig je zonder redenen?


Koekoeksbegrip

Een begrip dat zit ingesloten in of wordt verondersteld door een ander begrip, noem ik een koekoeksbegrip of koekoek.

De term koekoeksbegrip is geïnspireerd op de gewoonte van de koekoek om haar ei stiekem in het nest van een andere vogel te leggen, zodat ze het zelf niet hoeft uit te broeden.

Voorbeelden van koekoeksbegrippen zijn ik in jij, hoog in laag, boom in bos, object in subject, oorzaak in gevolg, a posteriori in a priori, iets in niets, werkelijkheid in illusie, één in meer, daar in hier, nu en straks in toen.
Voorbeelden van klassen van koekoeksbegrippen zijn hyperoniemen, hyponiemen en antoniemen.

Structuralisten stellen dat ieder begrip alle andere bevat.
Wie meent dat dit aperte onzin is, daag ik uit een (eentalig) betekeniswoordenboek in een voor hem volkomen vreemde taal te nemen en louter met behulp van dit woordenboek de betekenis van één willekeurig trefwoord te achterhalen.
Niet bij de hand?
Ik ook niet.
Met een Nederlands woordenboek kan het ook.
Ik geef je één definitie uit onze eigen Van Dale.
Om het simpel te houden (meende ik) het elementaire woord boom:

"houtachtig gewas met een zeer groot wortelgestel en een enkele, stevige, houtige en zich secundair verdikkende, overblijvende stam, die zich eerst op zekere hoogte boven de grond vertakt"

Nemen we deze definitie als indicatie dan moeten we vaststellen dat een zogenaamd eenvoudig begrip als boom zeker vijftien eerste-orde koekoeksbegrippen bevat.
Zoeken we deze op dan blijken ze zelf ook weer vol koekoeksbegrippen te zitten, van de tweede orde dus, en die op hun beurt vol koekoeksbegrippen van de derde orde, enzovoort.
Je moet me maar op mijn woord geloven of zelf het woordenboek ter hand nemen, anders moet ik de hele Van Dale plagiëren.

Naarmate je op jacht naar de exacte betekenis dieper doordringt in het woordenboek, neemt het aantal koekoeksbegrippen steeds verder maar steeds langzamer toe terwijl tegelijkertijd steeds meer definities een vicieus karakter krijgen, tot alle woorden aan bod zijn geweest en we moeten vaststellen, zoals we van het begin af aan eigenlijk al wisten, dat een woordenboek een gesloten systeem van circulaire definities is.

Leidt elk begrip regressief naar alle andere begrippen? Heb ik dat voor alle woorden gecontroleerd?
Welnee.
Ik heb het voor geen enkel woord gecontroleerd.
Ik moet er niet aan denken.
Maar of we vanuit elk willekeurig woord uiteindelijk op alle woorden uit het woordenboek stuiten of slechts op clusters van enkele tientallen, honderden, duizenden of tienduizenden, doet niet ter zake.
Waar het om gaat is dat je voor ieder begrip waarvan je achteloos gebruikmaakt, er pakweg tien voor lief neemt, en voor elk daarvan weer tien, et cetera.
Waardoor iedere poging om vast te stellen wat je nou 'eigenlijk' bedoelt als je iets zegt of denkt, al na twee of drie ronden tot een complete semantische knock-out leidt.

Begrijpen is als schaatsen op dun ijs: je moet hard doorrijden om er niet doorheen te zakken.
En nooit naar beneden kijken.
Dus weet wat je zegt als je zegt dat je weet wat je zegt.
Weet ook wat je zegt als je zegt dat je niet weet wat je zegt.


Koekoeksgedachte

Een impliciete gedachte die ten grondslag ligt aan een manifeste gedachte en alleen bij nadere analyse aan het licht komt, noem ik een koekoeksgedachte of koekoek.

Een koekoeksgedachte is een verstekeling aan boord van een manifeste gedachte.
De manifeste gedachte stuurt haar koekoeksgedachten als kwartiermakers vooruit om de ongrond te bereiden waarin zij schijnbaar wortelt.
In ruil daarvoor overstraalt de manifeste gedachte haar eigen ongrond, waardoor deze voor grond kan doorgaan zonder ontmaskerd te worden.

Een voorbeeld.
De zin "ik zoek de waarheid" veronderstelt dat er een waarheid is, dat er maar één is, dat zij bekend is maar nog niet aan de zoeker, dat de zoeker haar zal vinden, dat hij haar zal kunnen begrijpen, dat hij haar zal kunnen vasthouden, dat hij dan beter af is, dat er een bestendige ik is, namelijk de zoeker, een zoektocht die al enige tijd gaande is, een verleden waarin die zoektocht tot op heden plaatsvond, een toekomst waarin de zoektocht zich zal voortzetten en tot een bevredigend besluit gebracht zal worden, en niet te vergeten een bestendige wereld waarbinnen de zoektocht zich voltrekt.
Tegen de achtergrond van deze koekoeksgedachten lijkt de manifeste gedachte "ik zoek de waarheid" vanzelfsprekend en onbetwistbaar.
Achter de voorgrond van de gedachte "ik zoek de waarheid" lijken de koekoeksgedachten op hun beurt vanzelfsprekend en onbetwistbaar.
De ene hand wast de andere.

Nog een voorbeeld.
De vraag "Waarom heeft u uw echtgenote doodgeschoten?", heeft als koekoeksgedachten (onder meer) "deze vrouw is uw echtgenote", "deze vrouw is dood", "zij is door een schot om het leven gekomen", "het dodelijke schot is door u gelost", "men schiet om redenen", "ook u had uw redenen", "uw redenen waren duidelijk voor u", "u kunt zich die redenen op dit moment correct herinneren", "u kunt ze duidelijk aan ons overbrengen" en "u bent daartoe bereid".

In de argumentatieleer wordt een vraag die op een onbevestigde veronderstelling berust een strikvraag genoemd.
Een goede rechter zou bovenstaande vraag pas toestaan nadat eerst was vastgesteld dat de aangesprokene inderdaad zijn echtgenote doodgeschoten had.
Naar analogie van het woord "strikvraag" zou je een koekoeksgedachte een strikgedachte kunnen noemen.
Deze term herinnert je eraan dat elke manifeste gedachte, hoe onschuldig ook, rust op een spijkerbed van strikgedachten.
Deze ook.

Elke vraag en iedere gedachte bevat oneindig veel koekoeken.
Hoe meer je er onder woorden brengt hoe meer er opduiken.
Daarom is het onmogelijk om de inhoud van een gedachte bloot te leggen.
Wat je ook denkt, je weet niet wat je denkt.
Niet precies en niet bij benadering.
Ook nu niet.

Voor de liefhebbers nog twee strikvragen.
Zijn de koekoeksgedachten die bij nader inzien in een manifeste gedachte aan het licht komen daadwerkelijk daarin aanwezig of is het de analyse zelf die ze produceert?
Wat betekent het dat verschillende mensen in dezelfde manifeste gedachte totaal andere koekoeksgedachten lezen?


Koekoekstekst

Een koekoekstekst is een om-schrijving (zie boven) waarin alleen enkele sleutelwoorden zijn vervangen.
Hierbij is de om-schrijver de koekoek en zijn de sleutelwoorden die hij in andermans tekst verstopt zijn koekoekseieren.

Voorbeelden van koekoeksteksten op NIET-WETEN.NL:

- Met andere woorden (liefde > niet-weten)
- Het Woord Gods (zie > sst)
- Wie Tja heeft (tao > tja)


Kokerleer

Op mijn startpagina maak ik een onderscheid tussen weten en 'weten'.
Weten is kijken vanuit één specifiek standpunt, dat voor jou het enige juiste is.
'Weten' is kijken zonder standpunt – of vanuit alle standpunten tegelijk.

'Weten' is niet beter of slechter dan weten, maar wel anders.
Weten is stellend, 'weten' ontstellend.
Weten is exclusief, 'weten' inclusief.
Weten is de deur dichtgooien, 'weten' de deur op een kier houden.
Weten kenmerkt de dwaas en de wijze, 'weten' de dwijze.

Een ander woord voor 'weten' is niet weten.
Een ander woord voor niet weten is 'niet weten'.
Een ander woord voor 'niet weten' is 'weten'.

Kijken vanuit één standpunt betekent iets zien en de rest niet zien.
Wat vanuit dit ene standpunt niet te zien is – doordat het schuilgaat achter iets anders of doordat het zich buiten je horizon bevindt – bestaat niet.
Je bekijkt bijvoorbeeld iets als optimist maar niet als pessimist.
Als slachtoffer maar niet als dader – laat staan als de moeder van de dader.
Vanuit je eigen belang maar niet vanuit dat van je tegenstrever.
Als socialist maar niet als fascist.
Als katholiek maar niet als moslim.
Als jongere maar niet als oudere.
Als automobilist maar niet als fietser.
Als werkgever maar niet als werknemer.
Als koper maar niet als verkoper.
En gelijk dat je hebt!

Maar je gelijk dank je helemaal aan je beperkte blik.
Gelijk heb je omdat je oogkleppen draagt.
Je kijkt door een koker die je gezichtsveld beperkt.
Je visie is een kokervisie.
Alleen binnen deze kunstmatige beperking is een eenduidig ja of nee mogelijk.
Zonder dat je het doorhebt, is het de koker zelf die je in het gelijk stelt.
Het is de bestaansvoorwaarde voor je heilige gelijk.

Om weten des te scherper van 'weten' te onderscheiden, zou je van kokerweten kunnen spreken.
De koker van wetendheid, die we kunnen duiden als het geheel van (veelal impliciete) aannames van waaruit je op een bepaald moment de wereld bekijkt, heet dan een weetkoker.
Tot je weetkoker behoren ook zeer fundamentele en vrijwel onzichtbare veronderstellingen, zoals het idee dat er een duurzame stoffelijke wereld bestaat waarvan je deel uitmaakt.
Of het idee dat je een vrije wil hebt waarmee je invloed op die wereld kunt uitoefenen.
Of het idee dat die wereld, of je vrije wil, een illusie is.
Of het idee dat er één enkele waarheid bestaat die door jou gevonden kan worden.
Of het idee dat waarheid relatief is (relativisme), meervoudig (pluralisme), of fictief (nihilisme).

Samenstellingen: kokerbewering, koker-oordeel, kokergedachte, kokerstelling, kokerbegrip, kokerkennis, kokervisie, kokerperspectief, kokerwaarheid, kokerbewijs, kokerzekerheid, kokerveiligheid, kokerspraak, vluchtkoker...

In plaats van koker kun je ook het woord tunnel gebruiken: tunnelweten, tunnelwaarheid, tunnelperspectief enzovoort.
Of cocon: coconperspectief, coconleer; veilig in je zencocon, je jezuscocon, je advaita-cocon.

Tegenover het tunnelperspectief staat, hoe zal ik het noemen, het lege perspectief, geen-perspectief, het standpuntloze standpunt van waaruit de dwijze de wereld beziet.
Dit non-perspectief kun je, omdat het nergens is, innemen noch verlaten, aanvallen noch verdedigen.
Ook kun je er niet in vast komen zitten en hoef je je er nooit aan te ontworstelen.
Hetzelfde geldt voor wat je het hyperperspectief of elk-perspectief of de tienduizend perspectieven zou kunnen noemen; een eveneens hypothetisch standpunt dat alle mogelijke gezichtspunten omvat.
Elk-perspectief komt op hetzelfde neer als geen-perspectief.

Een mooi voorbeeld van kokerweten is de Euclidische meetkunde.
Dit bouwwerk van Euclides is ruim twee millennia lang onaantastbaar geweest.
Zelfs de grootste wiskundigen meenden al die tijd dat de Euclidische meetkunde algemeengeldig was.
Pas in de negentiende eeuw drong het besef door dat er vele meetkundes mogelijk zijn, waarvan sommige beperkt toepasbaar zijn op geïdealiseerde objecten zoals platte vlakken of boloppervlakken of zadeloppervlakken, en andere (vooralsnog) zonder toepassing blijven.

Met Euclides meten is weten, op voorwaarde dat we zijn axioma's aanvaarden, evenals de logica die hij gebruikt om nieuwe stellingen te rechtvaardigen, en niet te vergeten de natuurlijke, symbolische en grafische talen waarvan hij zich bedient.
Binnen die orde, die trouwens alleen maar aangeduid kan worden, niet volledig expliciet gemaakt, kun je een spelletje Euclidische meetkunde spelen en – Euclidische – waarheden vinden.
Buiten die orde kun je niet weten, of het moet binnen een hogere orde zijn die de Euclidische meetkunde als een bijzonder geval insluit, maar dan kun je dáárbuiten weer niet weten.
Zelfs de Euclidische meetkunde, dat tijdloze bolwerk, die triomf van het menselijk vernuft, bestaat op de keper beschouwd helemaal uit kokerkennis.

Misschien kom je nu in de verleiding om een kokerleer te formuleren met stellingen als:
  1. elk denken is kokerdenken
  2. elk weten is kokerweten
  3. elk spreken is kokerspreken
  4. elke visie is een kokervisie
  5. elke leer is een kokerleer
Helaas is zo'n kokerleer zelf een voorbeeld van een kokerleer.
Het is een beperkte en beperkende visie, een standpunt over standpunten, op haar beurt een vorm van weten in plaats van 'weten'.

Weg ermee.


Leeghoofd

Een leeghoofd is niet iemand zonder gedachten (meningen, oordelen, filosofietjes) maar iemand in wie de gedachten niet blijven hangen.
Ze komen en gaan.
Dat geldt ook voor de gedachte dat hij een leeghoofd zou zijn in wie de gedachten niet blijven hangen maar komen en gaan.

Het is niet zozeer dat een leeghoofd zijn gedachten loslaat als wel dat ze hem ongeloofwaardig voorkomen.
Ze overtuigen niet.
Ze beklijven niet.
Dat geldt ook voor de gedachte dat een leeghoofd zijn gedachten niet zozeer loslaat als wel dat ze hem ongeloofwaardig voorkomen en daardoor overtuigen noch beklijven.

Daar al zijn gedachten slechts op doorreis zijn, krijgt het denken van het leeghoofd een merkwaardige vluchtigheid die makkelijk voor lichtzinnigheid of oppervlakkigheid wordt aangezien.
Maar wat betekent vluchtigheid nog bij ontstentenis van bestendigheid, zo die inderdaad ontbreekt?


Leegte

Om te laten zien wat de leegte van niet weten (niet) inhoudt, zet ik het hieronder af tegen zes andere soorten leegte.
Ik kan er nog wel meer bedenken, en hele andere indelingen maken ook, maar daar gaat het niet om.
Ik ben geen filosoof of antifilosoof, ik ben niet gelovig of ongelovig of agnostisch en mijn gezonde verstand laat het ook al jaren afweten, dus ik kan u niet, zoals de meeste andere mensen, vertellen hoe het allemaal zit en moet en hoort, of zelfs maar hoe het allemaal niet zit en niet moet en niet hoort.
Ik probeer hier alleen maar enkele voor de hand liggende misverstanden over de leegte van de lege leer uit de weg te ruimen.
Tip van de gesluierde: welke lege leer?

Een materieel niets: de lege ruimte

In realistische kringen, zowel filosofische als wetenschappelijke, wordt onder leegte vaak het niets of de ruimte verstaan waarin het iets, de materie, het zijnde, is.
Sommige denkers zien deze ruimte als een object van een hogere of de hoogste of een lagere of de laagste orde, andere slechts als een bestaansvoorwaarde voor materiële objecten, weer andere als het product van diezelfde objecten, die naar hun mening de ruimte niet innemen maar voortbrengen en definiëren.
Immanuel Kant ziet ruimte als een categorie van het verstand, een manier om de werkelijkheid te ordenen, die zelf niet als object in die werkelijkheid gegeven is.

Een ideëel niets: het lege bewustzijn

In idealistische kringen wordt leegte gewoonlijk begrepen als het bewustzijn zelf; een ongrijpbaar, tijdloos, plaatsloos, voor- of bovenzinnelijk medium, hetzij persoonlijk, hetzij universeel, waarin de 'tienduizend verschijnselen' zich kenbaar maken of waardoor ze gekend worden.

Een religieus niets: de lege godheid

In godsdienstige kringen verstaat men onder leegte dikwijls een kosmisch niets van goddelijke aard waarin de dingen ontstaan en vergaan.
Een niets dat tegelijkertijd als de schepper en de vernietiger van het iets fungeert; de eerste oorzaak en de laatste bestemming ervan, het alfa en omega.
De mystieke god is een niets in die zin dat hij substantie noch eigenschappen heeft, en wel in die mate dat je niet eens meer kunt zeggen dat hij bestaat of niet bestaat.
Eigenlijk is de mystieke god dus een iets-noch-niets, wat misschien nog wel leger is dan een gewoon niets – maar misschien ook niet.

Een boeddhistisch niets: de lege wereld

In boeddhistische kringen verstaat men onder leegte (sunyata) het idee dat dingen en mensen bij nader inzien geen wezen, geen essentie hebben.
Je zoekt naar de betekenis van een woord en je vind alleen maar andere woorden.
Je zoekt naar het wezen van een ding en je vindt alleen maar andere dingen.
Je zoekt naar een oorzaak of een aanleiding en je vindt de hele geschiedenis.
Je zoekt naar scherpe grenzen en je vindt vloeiende overgangen.
Je zoekt naar het zijn en je vind het worden.
Je zoekt jezelf en je vindt de wereld.
Je zoekt de wereld en je vindt jezelf.
Alles wijst alleen maar naar iets anders.

Het ding zoals wij het kennen daarentegen, het Ding-für-mich, is volgens Kant in alle opzichten een projectie van het menselijk verstand.
Het Ding-an-sich, en daarmee de Welt-an-sich, moet zijns inziens altijd een raadsel blijven.

Een spiritueel niets: de lege geest

Voor veel zoekers is leegte een aanduiding voor de geestestoestand van de ontwaakte: de complete afwezigheid van mentale activiteit tegen de achtergrond van een ononderbroken, oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk.
Persoonlijk moet ik de eerste mens wiens geest op deze manier leeg is nog tegenkomen.
Houdt moed; misschien heb ik gewoon niet hard genoeg gezocht of niet diep genoeg naar binnen gekeken.
Schijnbaar lege geesten ben ik wel tegengekomen – op de afdeling dementie van verpleeghuis Tamarinde in Utrecht bijvoorbeeld – maar van een oceanisch gevoel van liefde, vrede of geluk was bij deze patiënten, waaronder mijn beide ouders, voor zover ik kon beoordelen geen sprake.
Misschien vergis ik me.
Met mijn genen kan ik u over pakweg een kwart eeuw toemummelen als ervaringsdeskundige.
Duim voor mij.

Een ethisch niets: de lege moraal

Voor nihilisten, cynici, pessimisten, anarchisten, absurdisten, dadaïsten, defaitisten, fatalisten, existentialisten, relativisten, subjectivisten, pluralisten, postmoralisten en postmodernisten duidt het begrip leegte op het ontbreken van onbetwijfelbare, universele normen en waarden volgens welke de maatschappij kan worden ingericht en die als basis en richtsnoer kunnen dienen voor het individuele leven.

Een epistemologisch niets: de lege leer

In het wegwerpverhaal van niet weten staat het begrip leegte voor een epistemologisch manco: het ontbreken van iedere fundering van onze kennis, ook en vooral voor de theorie van het epistemologisch manco.
Dus daar sta je dan, wijsneus van de kouwe grond, met je scripties en je doctoranustitel: lauwe stront uit een ouwe kont.
Wij weten niets en dat ook niet, en denk maar niet dat ik nu iets zeg.
Want mijn weten is slechts 'weten' en mijn niet weten 'niet weten'.
Dat mag zelfs geen lege leer meer heten.
Nee hoor, dat mag echt geen naam hebben.

Samenhang

Het epistemologische niets dat niet weten heet is geen materieel niets, geen ideëel niets, geen religieus niets, geen boeddhistisch niets, geen spiritueel niets en geen ethisch niets.
Het gaat vooraf aan ieder ander niets, want wat is een niets dat niet gekend wordt?
Niets.
Of verschijnt het epistemologische niets net als ieder ander niets in het ideële niets dat bewustzijn heet?
Of verschijnt het epistemologische niets net als ieder ander niets in het iets of niets dat mens heet?
Of verschijnt het epistemologische niets net als ieder ander niets in het religieuze niets dat God heet?
Of is het epistemologische niets net als ieder ander niets zelf sunyata?
Of is sunyata net als ieder ander niets ook maar niets?
Wie maakt mij wat wijzer?
Wie maakt mij wat wijs?
Toe nou, zeg eens iets?


Leegte zonder leegte

Mensen vragen mij weleens of niet weten dan het enige is wat overblijft.
Dat is een misverstand.
Niet weten is niet iets dat overblijft, het is niet iets, het is wat verdwijnt, met medeneming van al het andere, zelfs van de medeneming zelf, waarna je niet eens meer kunt zeggen dat slechts de leegte rest.

De leegte van niet weten is een hiaat dat zich niet op laat vullen.
Een zwart gat waarin iedere theorie en elk concept verdwijnt.
Inclusief niet-weten zelf.
Inclusief het zwarte gat.
Wat er dan nog overblijft?
Tja.
Leegte in het kwadraat.
Leegte ontdaan van zichzelf.
Leegte-zonder-leegte.
Alles verdwenen, niets weg.

Als je dat vreselijk vindt, dan weet je nog iets.
Als je het prachtig vindt, dan weet je nog iets.
En als je er niets meer van vindt?


het Lege begrip

Neem een emmer, vul hem met water, giet hem leeg en je hebt een emmer zonder water.
Neem dezelfde emmer, vul hem met aardappels, gooi hem leeg en je hebt een emmer zonder aardappels.
Twee lege emmers: een zonder water en een zonder aardappels.
Identiek of niet?
Het hangt ervan af of je honger hebt of dorst.

Niet-weten voor dummy's ('niet weten') kun je opvatten als willekeurig welk leeg begrip:

Als filosofie zonder leerstellingen ('filosofie').
Als godsdienst zonder god ('godsdienst').
Als vrijheid zonder eigenmacht ('vrijheid').
Als overgave zonder onmacht ('overgave').
Als spiritualiteit zonder geest ('spiritualiteit').
Als eenheid zonder getal ('eenheid').
Als niets zonder leegte ('niets').
Als essentie zonder wezen ('essentie').
Als waarheid zonder inhoud ('waarheid').
Als helderheid zonder inzicht ('helderheid').
Als bewustzijn zonder besef ('bewustzijn').
Als wijsheid zonder kennis ('wijsheid').
Als dwaasheid zonder onbegrip ('dwaasheid').
Als oordeel zonder gelijk ('oordeel').
Als weten zonder weten ('weten').

Identiek of niet?
Zeg jij het maar.
O, moet ik het zeggen.

Niet weten: of je een emmer leeggooit.


de Lege blik

Niet weten is kijken met een lege blik.
Kijken zonder standpunt, perspectief of theorie.
Kijken zonder veronderstellingen of verwachtingen.
Dus ook zonder te veronderstellen of verwachten dat je zonder veronderstellingen of verwachtingen ergens naar zou moeten of kunnen kijken.
Dus ook zonder te veronderstellen of verwachten dat je op deze manier kijkend toegang krijgt tot de, hoe zegt men dat, "onbemiddelde werkelijkheid".
Dus ook zonder te veronderstellen of verwachten dat je op deze manier kijkend nergens toegang toe krijgt.
Dus ook zonder te veronderstellen of verwachten dat het aan jou is om te bepalen hoe je kijkt.
Dus ook zonder te veronderstellen of verwachten dat het niet aan jou is om te bepalen hoe je kijkt.

Ik bedoel maar.
Hoe leeg kan een blik zijn zonder verblind te raken door zijn eigen leegte?


het Lege boek


Als symbool voor de lege leer heb ik gekozen voor het lege boek.
De dummy.
Een dummy is een boek van niets.
Een boek van niets heeft geen titel, geen colofon, geen inhoudsopgave, geen tekst, geen noten, geen dankwoord, geen index en alle bladzijden zijn ongenummerd en ongelinieerd.
Het boek van de dwijze is zo leeg als zijn leer.
Het bevat alles wat hij weet, dat wil zeggen, niets:
  • niet wie hij is
  • niet wat hij is
  • niet dat hij is
  • niet dat hij niet is
  • niet wat de wereld is
  • niet dat de wereld is
  • niet dat de wereld niet is
  • niet wie god is
  • niet wat god is
  • niet dat god is
  • niet dat god niet is
  • niet wat goed is
  • niet wat slecht is
  • niet wat het leven is
  • niet dat het leven is
  • niet dat het leven niet is
  • niet wat de zin van het leven is
  • niet dat het leven geen zin heeft
  • niet wat hij moet doen
  • niet dat hij kan doen
  • niet wat hij moet laten
  • niet dat hij kan laten
  • niet dat hij niets kan weten
  • niet dat hij dat ook niet kan weten
Zelfs dat zijn boek leeg is, staat er niet in.

De vraag is nu: wat moet je met zo'n boek?
Maar ja.
Dat staat er ook niet in.


de Lege boodschap

De lege boodschap is niet de boodschap dat er geen boodschap is noch de boodschap dat de waarheid niet bestaat noch de boodschap dat de wereld een illusie is noch de boodschap dat wij geen zelf hebben noch de boodschap dat alle dingen leeg zijn noch de boodschap dat het leven geen zin heeft noch de boodschap dat wij niets kunnen weten noch een andere nihilistische boodschap waarin het bestaan van het een of ander of meteen maar van alles en iedereen wordt ontkend.

De lege boodschap is ook niet de boodschap dat iedere vorm van nihilisme verworpen moet worden noch de boodschap dat het verwerpen van iedere vorm van nihilisme verworpen moet worden noch de boodschap dat het verwerpen van het verwerpen van iedere vorm van nihilisme verworpen moet worden, enzovoort.

De lege boodschap is niet zozeer een boodschap als wel leeg.
Dus, lezer, laat uw boodschappentas maar thuis.


de Lege filosofie

Niet weten (dwijsbegeerte) kunnen we interpreteren als een lege filosofie, dat wil zeggen: een filosofie zonder vraagstellingen, leerstellingen, voorstellingen, doelstellingen, normstellingen, geruststellingen of instellingen, en zonder uitzicht daarop.
Natuurlijk kan er maar één lege filosofie zijn.
Waarin zou de ene lege filosofie van de andere moeten verschillen?
Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege filosofie noemen.

De lege filosofie kunnen we op haar beurt interpreteren als het eeuwigdurende eindspel van een denken uit alle macht dat, gevangen in een terminale lus, maar blijft concluderen dat het maar niet tot conclusies weet te komen, zelfs niet tot de conclusie dat het maar blijft concluderen dat het maar niet tot conclusies weet te komen.
Of we kunnen de lege filosofie interpreteren als een praxis van meedogenloze deconstructie, ten leste misschien alleen nog maar om de deconstructie zelf, ten leste misschien alleen nog maar van de deconstructie van de deconstructie zelf.
Of we kunnen de lege filosofie interpreteren als die gemoedstoestand waarin men zich verwonderd afvraagt waar de verwondering toch gebleven is terwijl de antwoorden toch uitgebleven zijn.

Ja, zo zouden we de lege filosofie kunnen interpreteren, en nog anders ook, maar op de keper beschouwd blijft het een lege emmer.


de Lege gelofte

Niet wetend of hij een vrije wil heeft, niet wetend wie of wat hij is, niet wetend dat hij is, niet wetend wie of wat de ander is, niet wetend dat de ander is, niet wetend wat de wereld is, niet wetend dat de wereld is, niet wetend dat hij in de wereld is, niet wetend wat goed of slecht is, zelfs niet wetend of hij niet weet, verkeert de dwijze niet in de gezegende omstandigheid de vijf, tien of tienduizend boeddhistische geloften af te leggen, de kloostergeloften, de bodhisattvageloften of welke geloften ook.

Het is niet dat hij zich tegen het afleggen van geloften verzet; hij is er simpelweg niet van overtuigd dat aan alle voorwaarden die een gelofte eerst mogelijk, geloofwaardig en haalbaar maken, of aan zelfs maar één zo'n voorwaarde, is voldaan.

Wat niet betekent dat de dwijze geen geloften aflegt – huwelijksgeloften, hypotheekgeloften, verzekeringsgeloften, katholieke geloften, spirituele geloften – of dat hij zijn eigen of andermans geloften voor illusoir of zinloos houdt.
Ook voor dat oordeel ontbreekt iedere basis.
Evenals voor dit.


het Lege geloof

Als religie is niet weten een leeg geloof, gespeend van de gebruikelijke parafernalia, zoals daar zijn goden, duivels, hemelen, hellen, geschriften, gebeden, voorschriften, priesters, gewaden, ornamenten, relikwieën, rituelen, gebedshuizen, biechthokjes en crypten.

Omdat dit lege geloof geen enkele vorm van afleiding of voorstelling biedt, is het wellicht de meest geconcentreerde religie onder de zon.
Maar waarop concentreert het zich?
Niet op de zon.
Op de duisternis?
Het lege geloof aanhangen mag dan wel hetzelfde zijn als ronddolen in dwijsheid maar waarin doolt men dan rond?
In dwijsheid ronddolen mag dan wel hetzelfde zijn als het lege geloof aanhangen maar wat hangt men dan aan?
En wie is toch die men?

Het lege geloof ontbeert iedere overtuiging, ook die met betrekking tot de gevestigde godsdiensten, om nog maar te zwijgen van die met betrekking tot het ontbreken van overtuigingen.


het Lege lichaam

De lege mens ziet zijn lichaam niet als bestaand en niet als onbestaand.
Hij ziet zijn lichaam niet als beschrijfbaar en niet als onbeschrijflijk.
Hij ziet het niet als bewoond en niet als onbewoond.
Hij ziet het niet als duaal en niet als non-duaal.
Hij ziet het niet als bezield en niet als onbezield.
Hij ziet het niet als objectief en niet als subjectief.
Hij ziet het niet als inwendig en niet als uitwendig.
Hij ziet het niet als hier en niet als daar.
Hij ziet het niet als persoonlijk en niet als onpersoonlijk.
Hij ziet het niet als middel en niet als doel.
Hij ziet het niet als privé en niet als openbaar.
Hij ziet het niet als vrijheid en niet als gevangenis.
Hij ziet het niet als zegen en niet als vloek.
Hij ziet het niet als reëel en niet als illusoir.
Hij ziet het niet als materieel en niet als ideëel.
Hij ziet het niet als ziek en niet als gezond.
Hij ziet het niet als substantieel en niet als etherisch.
Hij ziet het niet als goddelijk en niet als aards.
Hij ziet het niet als wezenlijk en niet als accidenteel.
Hij ziet het niet als begrensd en niet als onbegrensd.
Hij ziet het niet als geboren en niet als ongeboren.
Hij ziet het niet als sterfelijk en niet als onsterfelijk.
Hij ziet het niet als vlees en niet als vis.

Voor de lege mens is het lichaam niet zozeer onbemand als wel onbestemd.
Leeg van intrinsieke betekenis.
Leeg zelfs van betekenisleegte en onbestemdheid.

Niet wetend staat de lege mens tegenover het lichaam, het eigen zowel als het andere, niet in staat ertegenover te staan, niet in staat erin op te gaan, niet in staat het te duiden, ook niet als oneigen, ook niet als het andere, zelfs niet als onduidbaar.

Kan het duidelijker?


de Lege mens

Wie is toch die mens in wie de lege leer heeft postgevat en die als gevolg daarvan niet alleen zijn identiteit is kwijtgeraakt maar ook het kwijtraken daarvan?
Inderdaad: de lege mens.

De lege mens beeldt zich niet in dat hij iemand is.
Hij beeldt zich niet in dat hij niemand is.
Hij beeldt zich niet in dat hij iemand en niemand is.
Hij beeldt zich niet in dat hij iemand noch niemand is.
Hij beeldt zich niet in dat hij iedereen is.
Hij beeldt zich niet in dat hij alles is.
Hij beeldt zich niet in dat hij niets is.
Hij beeldt zich niet in dat hij alles en niets is.
Hij beeldt zich niet in dat hij alles noch niets is.
Hij beeldt zich niet in dat hij de eerste oorzaak is.
Hij beeldt zich niet in dat hij de laatste grond is.
Hij beeldt zich niet in dat hij essentie is.
Hij beeldt zich niet in dat hij bewustzijn is.
Hij beeldt zich niet in dat hij de getuige is.
Hij beeldt zich niet in dat hij alles weet.
Hij beeldt zich niet in dat hij iets weet.
Hij beeldt zich niet in dat hij niets weet.
Hij beeldt zich niet in dat alles inbeelding is.
Hij beeldt zich niet in dat hij zich niets inbeeldt.
Hij beeldt zich niet in dat hij een leeg mens is.

De lege mens beeldt zich ook niet in dat de lege leer in hem heeft postgevat en dat hij als gevolg daarvan niet alleen zijn identiteit is kwijtgeraakt maar ook het kwijtraken daarvan.

Ken jij zo'n mens?
Ben jij zo'n mens?

De lege mens niet.


het Lege nest

Waar verblijft de lege mens?
In het lege nest natuurlijk.
De leegte van het lege nest wordt niet teniet gedaan door de aanwezigheid daarin van de lege mens, wiens geest een lege geest is en wiens lichaam een leeg lichaam, zodat zijn aanwezigheid zonder tegenstrijdigheid of overdrijving in elk geval overdrachtelijk omschreven kan worden als zuivere afwezigheid.

Wie nestelt in het lege nest komt nooit vast te zitten, zelfs niet in niet vastzitten, zelfs niet in het idee of de waan of de werkelijkheid van het lege nest.
Evenmin raakt hij erin verdwaald, want dat was hij toch al.
De weg naar het lege nest kwijtraken kan hij ook niet want er is geen weg, er was geen weg, er kan nooit een weg geweest zijn, anders had hij die wel weten te mijden.

Bevindt de weg naar het lege nest zich soms in het lege nest?
Was de lege mens er altijd al maar waande hij zich erbuiten?
Of is hij er nog steeds niet maar waant hij zich erin?
Of waant hij zich wanende?
De lege mens – hij weet het niet.
Tenzij dat inbeelding is.
Tenzij dat inbeelding is.
Tenzij dat inbeelding is.

Zo leeg is nou zijn lege nest.


de Lege leer

Het is eigenlijk te gek voor woorden en daden om metaforen voor niet weten te verzinnen, maar vooruit: je hebt nou eenmaal een spiegel nodig om de bril op je neus te kunnen zien.
Ik bedoel, je hebt nou eenmaal een bril nodig om de spiegel voor je neus te kunnen zien.
Ik bedoel, je hebt nou eenmaal een neus onder je bril nodig om in de spiegel te kunnen zien.
Ik bedoel, met mij kun je alle kanten op.
Behalve naar Alicante.
Vandaar dat ik hier zonder verdere plichtplegingen durf te stellen: niet weten is een lege leer aanhangen.

Een lege leer is een leer zonder leerstellingen, richtlijnen of methoden.
Natuurlijk kan er maar één lege leer zijn.
Waarin zou de ene lege leer van de andere moeten verschillen?
Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege leer noemen.
Vandaar dat ik hier zonder verdere plichtplegingen durf te stellen: niet weten is de lege leer aanhangen.

De lege leer die, eh... 'ik', eh... 'verkondig', heeft geen doel en geen inhoud.
Hij stuurt je nergens heen, behalve misschien het bos in.
Maar niet met opzet, want de lege leer heeft geen opzet.
Hij biedt geen houvast, tenzij je het ontbreken van houvast als houvast wilt zien, maar daarmee begeef je je alweer buiten het domein van de lege leer.
Sowieso kan niemand binnen het domein van de lege leer blijven want de lege leer heeft geen domein.
Jij wel?
Dan ben je niet één met de lege leer.

Omdat de lege leer geen leerstellingen bevat, kun je hem verifiëren noch falsifiëren, bewijzen noch ontkrachten, verdedigen noch aanvallen, kennen noch ontkennen, vergeten noch onthouden, afwijzen noch aanhangen.
"Noch aanhangen", ik kijk er ook van op.
Vandaar dat ik hier zonder verdere plichtplegingen durf te stellen: niet weten is de lege leer.

De lege leer is wetenschappelijk steriel en filosofisch inert.
Hij is religieus noch antireligieus noch areligieus.
Hij is voor generlei uitleg vatbaar.
Zou je de lege leer toch willen uitleggen, bijvoorbeeld als het summum van wijsheid, goedheid, openheid, ontvankelijkheid, liefde, mededogen, vrede en meer van dat fraais, dan ontstaat er onmiddellijk een ideaal, namelijk dat wij wijs, goed, open, et cetera moeten worden, en een wereld- en mensbeeld volgens hetwelk wij in essentie of potentie wijs, goed, open et cetera zijn en waarin de keus om zus of zo te zijn aan ons is.
Daarmee zou de lege leer natuurlijk geen lege leer meer zijn.
Waarmee niet gezegd is dat wij niet wijs, goed, open, ontvankelijk, liefdevol, mededogend of vredig zijn of moeten zijn of kunnen zijn, of dat we er geen mensbeeld of wereldbeeld of idealen op na mogen houden, of dat we daar iets over te zeggen hebben, of dat we er niets over te zeggen hebben.
Ook hierover spreekt een lege leer zich niet uit.
Pardon: dé lege leer.

Bij gebrek aan inhoud is de lege leer onvoorstelbaar.
Je kunt hem vergelijken met de lege verzameling in de verzamelingenleer, de punt in de meetkunde, het getal nul in de getallenleer, het nulde element van het periodieke systeem, de ether in de natuurkunde, het Ding-an-sich in de metafysica, de witte vlek op de aardrijkskundige kaart, het neutrale land in oorlogstijd, de missing link in de biologie, het zwarte gat in de sterrenkunde en de stilte waarin het geluid zich kan laten horen.
Meer dan beeldspraak is dit alles niet.
Beeldspraak voor beeldspraak.
Het moet niet gekker woorden.

Eigenlijk is een leer zonder leerstellingen sowieso geen leer maar een gat in het weten.
Of moet ik zeggen, de achtergrond waartegen het weten figureert?
Of moet ik zeggen, de ongrond waarop het weten (niet) rust?
Ja, ik kan wel zoveel zeggen, maar de lege leer zwijgt in alle talen.
Ook over zichzelf.
Laat ik daar maar een voorbeeld aan nemen.

zie ook: de volle leer*


Lege spiritualiteit

De lege mens is weliswaar niet aspiritueel maar zijn spiritualiteit is al net zo leeg als zijn nest.
Lege spiritualiteit is spiritualiteit zonder weg, waarheid of leerstelling.
Zonder mensbeeld, wereldbeeld of godsbeeld.
Zonder metafysica, kosmologie of esoterie.
Zonder boeddha, dharma of sangha.
Zonder Tao of Te.
Zonder tempel, instituut of bibliotheek.
Zonder normen, waarden of idealen.
Zonder geboden, verboden of geloften.
Zonder symbolen, methoden, technieken of rituelen.
Zonder meesters, leerlingen, goeroes, discipelen of adepten.
Zonder bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.
Zonder bezwaar tegen welk bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.
Zonder bezwaar tegen welk bezwaar tegen welk bezwaar tegen welke andere vorm van spiritualiteit ook.

Lege spiritualiteit ontledigt zich onophoudelijk, zelfs van het ontledigen, en blijft daarom steeds zonder inhoud.


De lege stelling

De lege leer bevat maar één stelling: geen stelling.
Een ander woord voor geen stelling is een lege stelling.
Natuurlijk kan er maar één lege stelling zijn.
Waarin zou de ene lege stelling van de andere moeten verschillen?
Daarom kunnen we hem net zo goed dé lege stelling noemen.

Om het idee van de lege stelling concreet te maken kun je denken aan een stellig stilzwijgen of aan een ontstellend spreken door middel van loze uitspraken die niets beweren en niets voorschrijven of door middel van een reeks van tegenstrijdige uitspraken die gezamenlijk niets gezegd laten.

Net als de lege leer heeft de lege stelling vorm noch inhoud.
Ik bedoel, vorm noch leegte.
Leer mij het zenboeddhisme kennen.
Sterker nog, er is geen lege stelling.
Er is ook geen lege leer.
Het zijn allebei maar gimmicks van de dwijze.
Net zoals de dwijze zelf.
Zoals nul de gimmick is van de rekenaar.
Zoals papier de gimmick is van de tekenaar.
Het stelt niets voor en toch, of juist daardoor, kunnen ze absoluut niet zonder.
Kan ik absoluut niet zonder.
Laat staan relatief.
Wat donder.


de Lege wereld

Wat de wereld van de dwijze etherisch, leeg maakt is niet haar ontbreken per se als wel het ontbreken van ieder gefundeerd inzicht omtrent haar bestaan, wezen, karakter, betekenis en zin.
Te zeggen, bijvoorbeeld, dat de wereld een bordkartonnen illusie is, is nog altijd een wereld veronderstellen, een bordkartonnen illusie postuleren, en een identiteitsrelatie daartussen.
Om nog maar te zwijgen over het subject waarvoor dit alles inzichtelijk zou moeten zijn.
Nee, daar waagt de dwijze zich niet aan.
Ik in elk geval niet, als ik zo vrij mag zijn mezelf voor de duur van deze zin, dus totdat we de door het woord punt aangekondigde punt bereikt hebben, te geloven, punt.

Overigens, voor zover de wereld leeg is van intrinsieke betekenis, is zij tevens leeg van betekenisleegte, zodat we met evenveel recht, dat wil zeggen, geen enkel, kunnen zeggen dat zij vol betekenis is, desnoods uit betekenis bestaat, maar betekenis waarvan en voor wie?

En zo blijft zij in zekere (on)zin leeg.


Niets

In de meeste spirituele en mystieke literatuur is het niets een neutrale term voor de onkenbaar geachte grond van alle verschijnselen, namelijk datgene wat ze voortbrengt, in stand houdt en weer opslokt.

Het zogenaamde niets is dus eigenlijk een hoger iets dat niet voor niets bekend staat onder eufemistische namen als de of het Tao, het Absolute, het Ene, Eenheid, Non-dualiteit, het Geheel, het Al, het Universum, Big Mind, Dit, het Nu, het Hier-en-Nu, het Eeuwige Heden, het Eeuwige, het Ik, het Zelf, Geen-zelf, het Kennen, Keuzeloos Gewaarzijn, Ruimte, Openheid, het Bewustzijn, het Zijn, de Realiteit, Anatman, Brahman, Boeddhanatuur, de Boeddha, je Ware Aard, je Oorspronkelijke Gezicht, de Bron, Liefde, God, het Hoogste, het Diepste, de Grond, de Ongrond, het Mysterie, het Numineuze en Waarheid.

Voor de dwijze daarentegen staat het niets niet voor de onkenbare grond van alle verschijnselen maar gewoon voor de grond van al onze kennis, te weten, geen, en ook wel voor het geheel van onze kennis, te weten, geen.
Zelfs dat zijn kennis grondeloos is, ken de dwijze niet bewijze.
Beschaafd gezegd: het niets van de dwijze is geen metafysisch of kosmologisch niets maar een epistemologisch niets.
Grof gezegd: het niets van de dwijze stelt niets voor.
Geen reet, geen flikker, geen donder, geen moer, geen bal, geen ruk en geen fuchsia.

Ach, hoe bloemrijk is onze spreektaal wanneer het om het Onzegbare gaat.
Maar hoe we het ook (niet) zeggen, het niets van de dwijze is geen hoger iets.
Het brengt niets voort, het houdt niets in stand en het slokt niets op.
De dwijze weet alleen maar niet.


Nominalisme

Nominalisme is de sceptische opvatting dat universalia (algemene begrippen), zoals 'woord', 'ruimte', 'hoofd', 'wolk', 'voet' en 'grond' geen werkelijkheidsgehalte hebben.
Alleen het singuliere bestaat echt.
Aangezien al onze kennis vervat is in universalia en deze volledig losstaan van particularia, weten we eigenlijk niets.
Het nominalisme verzet zich met name tegen de ideeënleer van Plato, die concrete objecten als armzalige aftreksels van zuivere ideeën beschouwde.
Hoewel het nominalisme vooral in de middeleeuwen opgeld deed, is het in de twintigste eeuw in een postmodern jasje opnieuw aan de orde gesteld, onder andere in de filosofie van de verwondering van Cornelis Verhoeven.

Problematisch aan het nominalisme is in de eerste plaats de status van het nominalisme zelf.
Is het slechts een loze naam of een reële entiteit?
'Werkelijkheidsgehalte', heeft dat wel enig werkelijkheidsgehalte of is het ook maar een woord?
'Universalia', bestaan die eigenlijk wel, of zwetst het universalium 'nominalist' hier in het universalium 'ruimte'?
Want Plato mag zijn hoofd dan wel in de wolken hebben, daarom heeft de nominalist nog geen voet aan de grond.


Non-pluralisme

De term non-dualiteit of advaita (a-dvaita) betekent letterlijk niet-tweeheid enverwijst rechtstreeks naar de dualistische leer dat de mens uit twee substanties bestaat, namelijk lichaam en geest, of dat de werkelijkheid uit twee substanties bestaat, namelijk materie en bewustzijn.
Non-dualiteit betekent dus niet dat er maar één substantie is maar dat er niet twee zijn.
Non-dualisme is niet de bevestiging van een of andere nieuwe zijnsleer maar de ontkenning van iedere dualistische zijnsleer.
Op zichzelf beschouwd is het een non-leer.
Tenminste, zo kun je dat zien.

Dikwijls wordt de term non-dualistisch op een heel andere manier gebruikt, namelijk in de zin van niet-afgescheiden.
Afgescheidenheid – populair gezegd het idee dat ik maar een kleine Calimero ben in een grote boze wereld – is in deze zienswijze een illusie.
In werkelijkheid bevind ik mij niet in de wereld maar bevind de wereld zich in mij.
Ik ben het bewustzijn (brahman, de bron, de ruimte, de openheid, liefde, god, et cetera) waarin zowel de persoon (Calimero) als de wereld (maya) verschijnen.
Of liever, ik ben het geheel van het onvergankelijke bewustzijn en zijn vergankelijke inhouden.
Dit type non-dualisme is geen ontkenning van willekeurig welke vorm van dualisme maar een bevestiging van de absolute eenheid van het schijnbaar menigvuldige.
Het is geen onleer maar een ontologie, en wel een monisme.

Natuurlijk zit er in het idee van afgescheidenheid een soort tweeheid.
Door mijn afgescheidenheid ervaar ik immers een onoverbrugbare kloof tussen hier en daar, binnen en buiten, ik en jij, mijn en dijn, subject en object.
Ik is klein en zij zijn groot.
Hiermee hebben we echter het terrein van de filosofie verlaten en het terrein van de psychologie betreden.
Het gaat er niet meer om wat de wereld is of niet is maar hoe ik hem beleef.

Met de Calimero-interpretatie van het dualistische gedachtegoed benaderen we het wereldbeeld dat gewoonlijk als gezond verstand wordt aangeduid.
Alleen bestaat de wereld volgens het gezonde verstand niet uit twee maar uit een heleboel dingen en wezens.
De wereld van het gezonde verstand is geen dualiteit maar een pluraliteit.
Het gezonde verstande bepleit geen dualisme maar een pluralisme.
De wereld bestaat niet uit twee (soorten) dingen maar uit tienduizend.
En één daarvan ben ik.

Over naar niet weten, want daar is het me tenslotte om begonnen.
Niet weten staat (in deze context) voor niet weten te onderscheiden.
Hoe langer je nadenkt over de verschillen tussen jezelf en andere dingen, tussen wezens en verschijnselen, hoe onduidelijker ze worden.
Nauwkeuriger gezegd is niet weten het onvermogen om de onderscheidingen die zich onophoudelijk, spontaan, moeiteloos en ongevraagd aan je voordoen, ook maar enigszins te onderbouwen.
Niet weten is het onvermogen om je onderscheidingen serieus te nemen.
Maar net zo goed het onvermogen om ze helemaal links te laten liggen.
Je hangt er zo'n beetje tussenin.

Wanneer weten – als synoniem voor gezond verstand – de onvoorwaardelijke erkenning is van het intuïtieve pluralisme, dan is niet weten een onvoorwaardelijk voorbehoud ten aanzien van datzelfde pluralisme.
Niet uit principe maar de facto – voor zover je in de wereld van niet weten nog van feiten kunt spreken.
Je kunt niet zeggen dat je voor dit voorbehoud kiest, niet dat het je overkomt.
Je kunt niet zeggen dat je er een beter mens van wordt, niet dat je er een slechter mens van wordt.
Je kunt niet zeggen dat het je gelukkiger maakt, niet dat het je ongelukkiger maakt.
Enige normerende werking gaat er niet van uit.
Naar analogie van de term non-dualisme als antidotum van iedere dualistische zijnsleer zouden we niet weten hier misschien non-pluralisme moeten noemen.

Het onvoorwaardelijke voorbehoud van de dwijze ten aanzien van het gezonde verstand is natuurlijk niet de bevestiging van een of ander monisme – of het nou een materialisme, een idealisme, een holisme of een ander type eenheidsdenken betreft.
Niet-weten in de zin van non-pluralisme is net als het oorspronkelijke a-dvaita sowieso geen theorie maar een non-theorie, de onleus van een Tegenpartij zonder eigenprogramma anders dan het vaste voornemen zichzelf op te heffen zodra (en voor zolang) de Wederpartij door haar goddelijke mand is gevallen.
Uiteindelijk is niet weten met geen enkele stelling te verenigen.
Dus ook niet met de stelling dat de wereld (de wát?) niet-veel of niet-twee is; of niet-één of niet-geen of niet-wat-dan-ook.


Nu-isme

Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: "Nu."
Dan weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van het eeuwige heden.
Volgens deze leer is het altijd nu.
Het verleden is een herinnering nu.
De toekomst is een verwachting nu.
Tijd als zodanig is een illusie.
Alleen het huidige moment is reëel.

De leer van het eeuwige heden is in het huidige heden zo populair dat ik er maar een naam voor bedacht heb: nu-isme.
Iemand die het nu-isme aanhangt is een nu-ist.
De nu-ist leeft naar zijn idee buiten de tijd in een heden zonder begin of einde, waarbinnen de lineaire en de cyclische, de logische en de psychologische, de relatieve en de absolute, de omkeerbare en de onomkeerbare tijd als illusie verschijnen.
De nu-ist weet zich in zijn diepste wezen ex tempore.

Ik vind het nu-isme een mooie theorie.
Een prachtexemplaar tussen miljoenen andere prachtexemplaren aangaande de tijd en talloze andere thema's.
Ikzelf weet mij echter niet in een of ander eeuwig heden en ook niet erbuiten.
Ik weet mij niet in de tijd noch weet ik de tijd in mijzelf.
Ook in andere opzichten heb ik over tijd niets te melden.
Dat was het voor nu.
Welterusten, en morgen gezond weer op.


Numinisme

Het bestaan af en toe ervaren als een "goddelijk mysterie dat fascineert en doet beven" omdat men zich overgeleverd voelt aan "het grote onbekende", is één ding.
Het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.
In het laatste geval is er sprake van een niet-lege leer omtrent de ware aard van de werkelijkheid, waarvoor ik hier maar even de term numinisme* gebruik [Latijn, numen, goddelijke openbaring; Duits, das Numinose (Rudolf Otto); Nederlands, het numineuze, het goddelijke mysterie].
Een aanhanger van het numinisme heet dan een numinist.
Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet weten is geen numinisme.

Dat deze vier woorden niet mis te verstaan zijn is natuurlijk ijdele hoop, maar gelukkig geloofde ik het toch al niet.



* In plaats van numinisme zou je ook kunnen spreken van crypticisme [Grieks, kruptos, verborgen, geheim], delfisme [Delphi, Griekse stad waar in de tempel van Apollo orakels werden opgegraven; Nederlands, delfisch, orakelachtig, raadselachtig], sibillisme [Nederlands, sibillijns, raadselachtig; afgeleid van de naam van het Romeinse orakel Sibille van Cumae] of enigmatisme [Grieks, ainigma, raadsel]. Een aanhanger heet dan een crypticus, een delfist, een sibillist of een enigmaticus. Deze toevoegingen aan onze wondere taal hebben nog minder zin behalve dat ik nu ook kan zeggen: niet-weten is geen crypticisme, delfisme, sibillisme of enigmatisme. En een dwijze is geen crypticus, delfist, sibillist of enigmaticus. Jij?


Onderscheidingsonvermogen

Dat de wijze over wijsheid beschikt – kennis, inzicht, onderscheidingsvermogen – betekent nog niet dat de dwijze over dwijsheid beschikt.
Dwijsheid is eerder een onderscheidingsonvermogen.
Het is niet zozeer iets waarover je beschikt als iets waarover je de beschikking bent kwijtgeraakt – of waardoor je niet langer wordt beschikt.

Willen we ons voor de verandering positief uitdrukken, dan moeten we dwijsheid omschrijven als het inzicht dat al onze onderscheidingen grondeloos zijn.
Met deze kunstgreep introduceren we onwillekeurig het onderscheid gegrond - grondeloos, dat uitgaande van bovenstaande omschrijving zelf niet anders dan grondeloos kan zijn.
Is het dat niet dan volgt daaruit op grond van de logica alsnog de grondeloosheid van onze eigen dwijsheid, zodat we geen steek zijn opgeschoten.
Bovendien positioneert het woord dwijsheid, dat het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid wil overstijgen, zich ongewild tussen deze termen in en introduceert het, of ik het nou leuk vind of niet, maar liefst drie nieuwe onderscheidingen: dwaasheid - dwijsheid, dwijsheid - wijsheid, en (dwaasheid - wijsheid) - dwijsheid.

Voor het geval je eroverheen hebt gelezen: ik heb en passant ook nog onderscheid gemaakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden, tussen inzicht en geen inzicht en tussen ik en jij, en ik sta op het punt onderscheid te maken tussen (onder meer) onder en boven, meer en minder, dit en dat, ons en de anderen, opzadelen en afzadelen, spreken en zwijgen, en verdelen en verenigen.
Dit heet: van kwaad tot erger.
Wat ons weer met de onderscheidingen kwaad - goed en erger - beter opzadelt.
Want spreken is verdelen.
Maar daarom is zwijgen nog geen verenigen.


Om-schrijving

Vaak lees ik teksten van anderen waarvan ik denk: "Jammer, nét mis.
Zonde van dat ene woord, die ene zin, had hij of zij daar nou maar ... gezegd.
Niet dat zo'n tekst op zich verkeerd geschreven is; waarschijnlijk heeft de auteur precies gezegd wat hij wilde zeggen.
Het probleem is dat de auteur precies niet gezegd heeft wat ik wilde zeggen.
Het is ook niet dat ik een auteur voor mijn karretje wil spannen.
Trekken kan ik als de beste.
Wat ik nodig heb is zijn karretje.
Andere mensen kunnen nou eenmaal veel mooier schrijven dan ik.
Waarom zou ik hun pareltjes dan niet recyclen, een tweede leven geven in een nieuwe omgeving?
Beter goed gejat dan slecht bedacht, luidt het spreekwoord, en met die smoes construeer ik gewetenloos mijn om-schrijvingen.
Mijn wat?

Onder een om-schrijving (nadruk op de eerste lettergreep) versta ik een tekst waarin ik sleutelwoorden en sleutelzinnen van de oorspronkelijke auteur ongevraagd vervang door die van mezelf, zoals een koekoek haar eieren ongevraagd in het nest van een vreemde vogel legt.
Een goede om-schrijving spreekt niet meer namens zijn auteur maar namens mij, of beter nog, namens niet weten, want daar is het me natuurlijk om te doen.
Om-schrijvingen hoeven niet per se dwaalteksten te zijn, maar op deze website wel.
Noem het annexatie, noem het plagiaat, noem het ivf, noem het jatwerk; ik noem het koekoekswerk.

Voorbeelden van om-schrijvingen op NIET-WETEN.NL:

- Het Woord Gods (Ruusbroec)
- Bestaans-wijzen (Roemi)
- Nachtgebed (Pseudo-Dionysius)
- Voorbij aan alles (idem)
- Eine kleine Nachtmystik (idem)
- Ode aan alle wezens en dingen (idem)


Ontzeggingskracht

De effectiviteit waarmee een bepaald weten onder woorden wordt gebracht, heet de zeggingskracht. Net zo kunnen we de effectiviteit waarmee een bepaald (of onbepaald) niet weten onder woorden wordt gebracht, de ontzeggingskracht noemen.

Een dwaaltekst waarin afgerekend wordt met een groot aantal verschillende ideeën over, laten we zeggen, god, waarheid, wijsheid, verlichting, ethiek, de mens, de geest, het lichaam, de liefde, de dood of de (on)zin van het leven, heeft dan een grote ontzeggingskracht.


Oxymorons

Een oxymoron is een troop, een stijlfiguur, een wijze van spreken, net als bijvoorbeeld het understatement, de overdrijving of de toespeling.
Kenmerkend voor het oxymoron is de bevestigende of ontkennende verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld 'van een hemelse platvloersheid' of 'een levende dode' of 'een oorverdovende stilte'.
Vaak is de eerste term een bijvoeglijk, de tweede een zelfstandig naamwoord.
'Oxymoron' is trouwens zelf een oxymoron, samengesteld uit de Griekse woorden oxys (slim) en moros (dom).

Voorbeelden van oxymorons met betrekking tot niet weten:

Mijn spreken is even nietszeggend als mijn zwijgen welsprekend.

Wat goed is in het ene opzicht is kwaad in het andere.


Een van de meest bekende oxymorons komt uit de traditie van het zenboeddhisme.
Ik heb het natuurlijk over de poortloze poort.
Een andere is afkomstig uit de Daodejing: wei wu wei oftewel doende niet doen.
Ook in de neoplatoonse filosofie, in de negatieve theologie en in de oosterse filosofie is het oxymoron gemeengoed.

Veel voorkomende formats van het oxymoron zijn A en niet-A, A noch niet-A, en voorbij A en niet-A. Bijvoorbeeld goed én kwaad, goed noch kwaad, voorbij goed en kwaad.
Deze formuleringen worden dikwijls als synoniem beschouwd.

Door in de tweede formule, A en niet-A, de tweede term, niet-A, te vervangen door zonder A verkrijgen we een vijfde formule: A-zonder-A, in ons voorbeeld goed-zonder-goed of kwaad-zonder-kwaad.
Knoflookkruid, dat wel naar knoflook ruikt maar geen knollen vormt, dankt aan dit verschil zijn naam: look-zonder-look.

Toegepast op niet weten levert het oxymoron ons zes equivalente uitdrukkingen op:
  1. wetend niet weten
  2. weten én niet weten
  3. weten noch niet weten
  4. voorbij weten en niet weten
  5. weten zonder weten
  6. niet weten zonder niet weten
Daarvan is de laatste misschien wat zonderling, maar toch een goede waarschuwing tegen de onweerstaanbare neiging niet weten te verabsoluteren tot een zaak, toestand, persoon, waarheid of god.

Voor niet zeggen verkrijgen we op analoge wijze de volgende zes oxymorons:
  1. zeggend niet zeggen
  2. zeggen én niet zeggen
  3. zeggen noch niet zeggen
  4. voorbij zeggen en niet zeggen
  5. zeggen zonder zeggen
  6. niet zeggen zonder niet zeggen
En voor niet doen:
  1. doende niet doen
  2. doen én niet doen
  3. doen noch niet doen
  4. voorbij doen en niet doen
  5. doen zonder doen
  6. niet doen zonder niet doen
Tot slot de zes formules van het oxymoron op een rijtje.
Ik heb ze voor de herkenbaarheid een naam gegeven, die je meteen weer mag vergeten.
  1. bijvoeglijke ontkenning: A' niet-A
  2. dubbele bevestiging: A én niet-A
  3. dubbele ontkenning: A noch niet-A
  4. overstijging: voorbij A en niet-A
  5. positieve herroeping: A-zonder-A
  6. negatieve herroeping: niet-A zonder niet-A
Hierbij staat A' voor het van A afgeleide bijvoeglijk naamwoord.

Zie ook: ellips*

Paradoxie

Tegenstrijdigheden in een tegenstrijdig heden

De werkelijkheid is een wijd opengesperde muil die oorverdovend zwijgt.
Of rochelt.
Of schreeuwt, net hoe zijn pet staat.
Maar gewoon antwoord geven is er niet bij.
Tenzij ik zijn taal niet versta.
Zijn kakofonie niet als taal herken.
Misschien spreekt hij perfect Rochels, wie zal het zeggen.
Snateren eenden maar wat of kwekken ze over weer en wind?
Maar ik hoor er niks in, in die muil.
Zelfs dat hij geen antwoord geeft hoor ik hem niet zeggen.
Zelfs dat er geen antwoorden zijn hoor ik hem niet zeggen.
Een nihilist is hij dus ook al niet.
Maar wat dan wel?

Niet weten betekent onverschrokken in de gapende muil van de werkelijkheid kijken.
Of verschrokken, dat mag ook.
Maar niet wegkijken.
Nooit!
Nou ja, bij wijze van spreken dan.
Zoals alles wat ik zeg.
Want wegkijken maakt deel uit van de werkelijkheid.
Niet willen wegkijken ook.
Niet willen weten dat je wegkijkt ook.
Dát niet willen weten ook.
En die muil is ook maar beeldspraak.
Om nog maar te zwijgen over de werkelijkheid.
Dus waar hebben we het over.

Niet weten is leven in onduidelijkheid, dubbelzinnigheid en tegenspraak.
Je weet niet waar jij ophoudt en waar de wereld begint.
Je weet niet of je het voor het zeggen hebt of dat het alleen maar zo lijkt.
Je weet niet of je iemand bent of niemand, deelnemer of toeschouwer, alles of niets of beide of geen van beide of nog iets anders.
Je weet niet wie, wat of waar god is en ook niet of hij bestaat of niet bestaat of bestaat en niet bestaat of bestaat noch niet bestaat of voorbij bestaan en niet bestaan is of wat dan ook.
Je weet niet of jij het bent die straks dood gaat of alleen je lichaam of je ziel of je geest of je hart, gesteld dat daar een verschil of een verband tussen is, als je al leeft.
Je weet niet waar lijden goed voor is en of het wel ergens goed voor is maar ook niet dat het nergens goed voor is, als het al geen nare droom is of een gedachte nu.
Je weet niet wat het leven is, als het al meer is dan een woord, laat staan wat de zin ervan is of de zin daar weer van of de zin daar weer van, maar ook niet dat het geen zin heeft.

Je vat het allemaal niet en je krijgt er geen vat op.
Zelfs niet door niet vatten.
Hoe zit het nou toch?
Er is geen rust zo diep of hij maakt plaats voor onrust en omgekeerd.
Als hij er al niet mee gepaard gaat.
Zo ook met orde en wanorde.
Goed en kwaad.
Zin en onzin.
Lijden en vreugde.
Pijn en genot.
Verlies en winst.
Haat en liefde.
Vrede en oorlog.
Liefdadigheid en zelfzucht.
Wreedheid en mededogen.
Schoonheid en lelijkheid.
Voorspoed en tegenslag.
Nadeel en voordeel.
Ziekte en gezondheid.
Betrokkenheid en onverschilligheid.
Alles heeft zijn keerzijden, denk je soms, maar is dat wel zo?
En wat is daarvan de keerzijde?
Alles is vergankelijk, denk je dikwijls, maar hoe stel je zoiets vast?
En geldt dat ook voor vergankelijkheid?

Niet weten betekent de paradox in je leven toelaten – of hem niet langer buiten weten te sluiten.
Niet weten betekent de paradox in jezelf vinden – of jezelf vinden in de paradox.
Jezelf verliezen in de paradox.
Niet weten betekent in de paradox verblijven.
Erin blijven.
Niet weten betekent onder ogen zien dat je (in) de paradox leeft en altijd al geleefd hebt – tenzij dat het zoveelste verhaaltje voor het slapengaan is.
Ook daar kom je niet achter en dat maakt deel uit van de paradox – tenzij dat het zoveelste verhaaltje voor het slapengaan is.

Sommige mensen noemen dit: leven in eenheid.
Verbijsterend vind ik dat.
Ik noem het: leven in de paradox.
In niet weten is tegenstrijdigheid niet langer een reductio ad absurdum waar je met een grote boog omheen loopt of waarvoor je subiet een dialectische oplossing probeert te vinden, maar een poortloze poort, een wormgat, een anus, het wordt er niet beter op zeg.
Van waar naar waar?
Jezus, wat een vraag.
Maar dat is natuurlijk geen antwoord.
Al is er wellicht geen beter.


Perspectivisme

Wijdverbreid in filosofische en spirituele kringen is de relativistische opvatting dat wij de werkelijkheid alleen kunnen bezien vanuit een concreet en beperkt perspectief.
Weliswaar kun je volgens dit zogeheten perspectivisme van standpunt wisselen maar je kunt niet alle standpunten verlaten om de werkelijkheid te zien zoals ze van zichzelf is, noch bestaat er een bevoorrecht perspectief dat als laatste grond en toetssteen zou kunnen dienen.
Ieder perspectief is slechts een gekleurde bril, een koker, die ons een eenzijdig en incompleet beeld oplevert.
Iedere visie is een kokervisie.

Als je het mij vraagt is het perspectivisme zelf ook een beperkt en beperkend perspectief, en, voor zover het waar is, juist daardoor evenmin 'waar' of 'onwaar' als welk perspectief ook.

Maar ja, wie vraagt mij wat.


Polderspiritualiteit

Niet weten is als de polder.
Vlak en open.
De grootste hoogte is de grootste diepte.
Je voetstuk steekt niet boven het maaiveld uit, het maaiveld niet boven je voetstuk.
Geen bergen, geen rivieren.
Geen bergen die geen bergen meer zijn, geen rivieren die geen rivieren meer zijn.
Geen bergen die weer bergen zijn, geen rivieren die weer rivieren zijn.
Niets om je achter te ver bergen, niets om in te ver dwalen, niets om in te ver zuipen, niets om naartoe te lopen, niets om vandaan te lopen, niets om de weg terug te vinden.
Niets dan meer van hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder.
De polder biedt maat noch houvast.
De ene polder is de andere.
In de polder zijn is blind zijn voor de polder.*

In aansluiting op deze metafoor kunnen we dwijsheid polderspiritualiteit of polderwijsheid noemen.
Een ander woord voor dwijselijk is polderwijs, een ander woord voor dwaalgesprek een polderkoan, et cetera.



* polderblindheid: onvermogen tot het schatten van de juiste afstand, door het ontbreken van markante herkenningspunten in een polderlandschap (Van Dale)


Polyfonie

Ik wil het even over je stem hebben.
De stem die in jou spreekt en zich bij gelegenheid door jouw mond een weg naar buiten baant.
Die stem die de ene keer zulke vreselijke dingen beweert en de andere keer zulke sympathieke, de ene keer zulke diepzinnige en de andere keer zulke banale.
Die stem: is dat werkelijk jouw stem?
Bent jij daar de eigenaar van? Ben jij de spreker of wordt er in en door jou heen gesproken, of beide, of geen van beide?

Als de stem in jou jouw stem is, waarom kun je hem dan niet het zwijgen opleggen?
Hoe komt het dat hij dingen zegt waar je zelf nooit opgekomen zou zijn?
En als het niet jouw stem is, hoe kan het dan dat hij klinkt als de jouwe?
Hoe kan het dat jij meestal de enige bent die hem hoort?
Hoe kan het dat je er toch een zekere mate van zeggenschap over schijnt te hebben?

Zeg mij, als het niet jouw stem is die in jou spreekt, van wie is hij dan wel?
Van niemand?
Van een ander?
Van de collectieve mensheid?
Van de geheime dienst?
Van het universum?
Van het bewustzijn?
Van god?

Horen wij onbedoeld het vertoog in zichzelf mompelen, of is het slechts het brein dat wauwelt in den blinde – de cortex om precies te zijn, het gebied van Broca om nog preciezer te zijn?
Of is het niet Broca maar Brahman die zijn stem in jou verheft?
Zeg het me, en zeg me wie het me zegt, en zeg me hoe ik weet of ik hem kan vertrouwen als hij over zichzelf spreekt, als hij zegt dat jij het bent of dat jij het niet bent of dat ik het ben of dat we helemaal niet kunnen weten wie het is die dit alles zegt.

Jouw stem, is die steeds dezelfde?
Is je kinderstem dezelfde als je volwassen stem?
Met welke stem sprak je voordat je leerde spreken?
Met welke stem spreek je als je dronken bent?
Met welke stem spreek je in je dromen?
Met welke stem spreek je als je droomt dat je iemand anders bent?
Wiens stem is het die in jouw droom spreekt namens een ander?
Wiens stem is het die ijlt als je koorts hebt?
Wiens stem is het die in jouw herinneringen en toekomstdromen de rol van de ander vervult?
Wiens stem is het die daar raaskalt na een hersenbeschadiging door een auto-ongeluk?
Wiens stem is het die al na een paar maanden Alzheimer niets meer van euthanasie wil weten?
Wiens stem is het die je kromgebogen van de pijn hoort kreunen voordat je hem eindelijk als eigen herkent?

Als het steeds dezelfde stem is die tegen je spreekt, waarom spreekt hij zichzelf dan steeds tegen?
Als het steeds andere stemmen zijn, waarom klinken ze dan allemaal hetzelfde?
Klinken ze wel allemaal hetzelfde?
Als je steeds maar één stem tegelijk hoort, hoe weet je dan of alle stemmen in jou hetzelfde of anders klinken?
Wiens stem hoor je nu werkelijk terwijl je deze woorden leest: die van mij, je ingebeelde schrijver, als ik mezelf tenminste die eer mag gunnen, of die van jezelf, je ingebeelde ik, als ik je tenminste die eer mag opdringen – of spreken wij samen met dezelfde stem, of zijn wij beiden slechts toehoorders?
Als je deze vragen niet alleen léést, zoals ik zelf denk ik zou doen, maar daadwerkelijk beantwoordt, zoals de bedoeling is (wie zegt dat en waarom?), van wie is dan de stem die antwoord geeft op deze vragen?
Had hij ook géén antwoord kunnen geven?
Zo niet, waarom noem je hem dan toch de jouwe?
Of, als hij geen antwoord geeft, had hij dat ook wel kunnen doen?
Zo niet, waarom noem je hem dan toch de jouwe?

Als je denkt dat er meerdere stemmen in jou spreken, welke dan?
Zijn het de al dan niet vermeende jantjes in je hoofd die allemaal wat anders willen, de krent, de vragensteller, de aanhouder, de bruinwerker, de hulpvaardige, de gevoelige, de verlegene, de susser en de twijfelaar?
Spreekt daar het kind in jou dat zijn zin wil doordrijven, de ouder in jou die hem dat verwijt en de volwassene in jou die de verantwoordelijkheid neemt, zoals de transactionele analyse het wil?
Liever een ander drietal?
Id, ego en superego?
Small mind, big mind en supermind?
Liever een tweetal?
Dr. Jekyll en mr. Hyde?
Good cop, bad cop?
Is het de duivel zelf die je verleidt, en je geweten dat zich verweert?
Of heb je het meervoudig persoonlijkheidssyndroom, met een eigen stem voor elk van je (je!) twee- tot tweehonderd persoonlijkheden?
Of heeft iedere gedachte zijn eigen stem.
Dat zou toch kunnen: iedere gedachte een eenmalige, een wegwerpstem, steeds anders maar altijd schijnbaar eigen, en jij zelf niets meer of minder dan die ene zelfbedwelmende eigengedachte op dat ene onvergankelijke moment.
Nee?
Wie zegt dat?
Die stem zeker weer.
Vertrouw je hem dan nog steeds?
Nee?
Wie zegt dat?
Diezelfde stem zeker weer.
Vertrouw je hem dan nog steeds?
Nee?
Wie zegt dat?
Diezelfde stem zeker weer.
Vertrouw je hem dan nog steeds?


Postmodernisme

Het postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes.
Toch is met het postmodernisme het einde van het relativeren nog niet bereikt.
Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn, dan kunnen we op termijn een nieuw tijdperk tegemoet zien, dat we hier maar even het postpostmodernisme of gewoon het einde der tijden zullen noemen, waarin men zich niet meer in een volgend tijdperk waant, of terug in een vorig, of gevangen in een eeuwig heden, dat ook niet, en daaromtrent geheel vrij van verwachtingen en verlangens is.
Ook van de verwachting en het verlangen daaromtrent geheel vrij van verwachtingen en verlangens te zijn.
Daarmee zou het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zijn, evenals het doemdenken, zodat we ook niet meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren.
Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Het schijnt dat Baudrillard al in 1992 in Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd.
Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander: van de wereld (eschatologie), van de filosofie (scepticisme, pyrronisme), van de oorlog ("the war to end all wars") van de kunst (Arthur Danto), van het subject (advaita vedanta, zen), van het boek, van de roman, van de poëzie, van de schilderkunst, van de muziek, van de godsdienst, van de staat, van de geschiedenis (Francis Fukuyama), van het metaverhaal (Lyotard) en van de representatie (Derrida), om maar eens wat te noemen.
De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt endisme ("endism") genoemd, een psychiatrische term die zonder meer een plaatsje in een toekomstige DSM-versie verdient, als die er tenminste nog komt.

Naar verluid werkt voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn dood op 6 maart 2007 in alle rust aan een studie getiteld: Illusion de la fin de la fin.
Zelf werk ik aan een definitieve studie over het laatste woord, getiteld de illusie van het laatste woord.
Bij deze kondig ik ook het einde van het endisme aan, voordat iemand mij weer voor is, in de hoop ten minste één keer in mijn leven gelijk te krijgen.
Al is het maar postuum.


Quiëtisme

Het quiëtisme is een mystieke beweging uit de zeventiende eeuw gericht tegen de scholastiek en het dogmatisme, die zwijgzaamheid, niet denken, contemplatie en overgave predikt.
In ruimere zin staat quiëtisme voor de gedachte dat de waarheid voorbij de woorden is, en zich alleen in daden laat uitdrukken.

Vanuit Wittgenstein's adagium dat men moet zwijgen over datgene waarover men niet kan spreken, kun je gemakkelijk tot de conclusie komen dat de dwijze in het algemeen, of tenminste Hans van Dam in het bijzonder, dan maar zijn mond dicht moet houden.
Deze conclusie berust op twee misverstanden.
Ten eerste weet Hans van Dam zelfs niet dat hij niet weet, ten tweede heeft Wittgenstein in zijn ijver de helft vergeten, namelijk dat je moet spreken over datgene waarover je niet kunt zwijgen.
Dus waarom zou uitgerekend Hans van Dam zijn mond moeten houden?
Laat Wittgenstein eerst maar eens het goede voorbeeld geven.


Regressie

Onder regressie versta ik het stapsgewijs herleiden van een doorgaans bijzondere zaak, de regressor (een begrip, bewering, bewijs, interpretatie, oorzaak of verklaring) tot een gelijksoortige en doorgaans algemenere zaak.

Wanneer een regressie na een of meer achterwaartse stappen doodloopt in een beginpunt – een eerste oorzaak, een laatste zin, een hoogste doel, een diepste betekenis, een universele wet, een theorie van alles, een absolute autoriteit, een hoogste werkelijkheid, een ultieme waarheid, een basiswaarde – dan spreken we van een eindige regressie, anders van een oneindige regressie.

Datgene waarin een eindige regressie ten einde loopt, noemen we de grond van de regressor.

Zodra je vaste grond onder je voeten hebt, is het probleem waarvoor je je gesteld zag, namelijk het funderen van kennis, opgelost.
Tot die tijd schuif je het probleem maar voor je uit en ben je grondeloos.

Prijsvraag:
Hoe noem je iemand die geen gronden (nodig) heeft en zich toch niet grondeloos waant?

Onder een hypervraag versta ik een vraag die zo is geformuleerd dat het regressieve karakter ervan duidelijk wordt, bijvoorbeeld:

  • Wat is het doel van het doel?
  • Wat is de reden van de reden?
  • Wat is de functie van de functie?
  • Wat is het nut van het nut?
  • Wat is de waarde van de waarde?
  • Wat is de betekenis van de betekenis?
  • Wat is de oorzaak van de oorzaak?
  • Wat is de verklaring van de verklaring?
  • Wat is de zin van de zin?
  • Wie autoriseert de autoriteit?
  • Welke wet verklaart de wet?
  • Waaraan toetsen we de toetsingscriteria?
  • Welke premissen rechtvaardigen de premissen?
  • Wat is de logica van de logica?

Regressieleer is het kentheoretisch dogma dat ieder gezag – god, paus, kerk, bijbel, wetenschap, empirie, verstand, opleiding, intuïtie, ervaring – waarop je je beroept om iets (een daad, een maatregel, een stelling) te rechtvaardigen, op zijn beurt autorisatie behoeft, zonder eind, zodat je nooit ook maar de geringste zekerheid kunt verkrijgen.
Iedere verklaring vraagt immers om een onderliggende verklaring, iedere interpretatie om een hogere interpretatie, ieder principe om een achterliggend principe, et cetera.

Wat je ook opvoert, god, de wetenschap, intuïtie, ervaring, ratio, instinct – de vraag vanuit de regressieleer zal altijd zijn: hoe weet je dat die grond onbetwijfelbaar is?
Dit obstinate doorvragen, waartegen geen kruid gewassen is, maakt van elke regressie een oneindige regressie die verloren loopt in het ongewisse – tenzij je net als de wiskunde je toevlucht neemt tot postulaten.
Daardoor krijgt kennis echter hetzij een hypothetisch hetzij een fundament(al)istisch karakter en schiet je het doel, het onderbouwen van kennis, alsnog voorbij.

Als dit in algemene zin waar is dan geldt het uiteraard ook voor de regressieleer zelf.
Als het daarentegen niet voor de regressieleer geldt dan is het in algemene zin niet waar.
Dat de regressieleer zichzelf kan onderbouwen is daarom al op voorhand uitgesloten.
Tenzij we de logica overboord zetten natuurlijk, maar dan kan het helemaal niet meer.
De regressieleer is dus zelf per definitie dogmatisch.

Het probleem van het funderen van kennis noem ik het regressieprobleem.
Het betoog dat je vanwege het regressieprobleem niets kunt weten, noem ik het regressie-argument.
Op mijn startpagina ga ik dieper in op deze kwesties.

Regressieanalyse staat hier voor het in kaart brengen van een of andere vorm van regressie, in het bijzonder van de aannames en onderscheidingen die ten grondslag liggen aan een bewering.
Regressieanalyse zou je kunnen omschrijven als het afgraven van de ongrond waarop een bewering berust.
Of als het begraven van een bewering in zijn eigen ongrond.

Omdat onder onderstellingen onder andere andere onderstellingen schuil gaan en onder onderscheidingen onder andere andere onderscheidingen en zo voort, is een regressieanalyse nooit volledig.
Daarom is een eerste aanzet niet minder compleet dan een ver doorgevoerde analyse en kun je het eigen lijk net zo goed helemaal achterwege laten.
Tenzij je het, zoals ik, voor je lol doet natuurlijk.

Een tekst waarin verslag wordt gedaan van een regressieanalyse is (een voorbeeld van) een dwaaltekst.

Regressieleer is geen niet weten, dat immers geen enkele uitspraak doet over wat dan ook, zelfs niet over de grondeloosheid van alle kennis.
Uit de lege leer die niet weten is, volgt niets, dus ook geen regressieleer.
Omgekeerd volgt de lege leer nergens uit, dus ook niet uit de regressieleer.

Meer heb ik over een eventuele via regressiva naar dwijsheid niet te zeggen.


Scepticisme

Van het scepticisme bestaan talloze varianten, die lang niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte, en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:
  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten en ook niet hoe je moet leven (radicaal scepticisme)
  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten maar wel hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis)
  • je kunt niets weten, behalve dat je niets weet (dogmatisch scepticisme)
  • je kunt niets zeker weten maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme)
  • je kent alleen de associaties van het verstand (Hume)
  • je kunt alleen iets weten doorheen de categorieën van het verstand, te weten tijd, ruimte, oorzaak en getal (Kant)
  • je kunt alleen weten wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.)
  • je kunt alleen bewustzijnsinhouden kennen (idealisme, Bacon)
  • je kunt alleen maar de inhoud van je eigen bewustzijn kennen (solipsisme)
  • je kunt alleen maar weten hoe je iets moet doen (pragmatisme, Peirce)
  • je kunt alleen maar weten wat niet waar is (falsificationisme, Popper)
  • je kunt alleen maar iets weten voor jezelf (subjectivisme)
  • je kunt alleen maar weten wat in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf hypothese)
  • je kunt alleen iets weten binnen een gegeven context (contextualisme)
  • je kunt alleen iets weten binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme)
Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet weten?
Geen enkel.
Niet weten is 'tja' zeggen tegen ieder isme.
Omdat je van binnenuit niet anders kunt.
Dus ook tegen iedere vorm van scepticisme.
En ook tegen iedere vorm van niet-wetisme.
Dat is nog wel geen woord, maar dan weet u het vast.


Sstiltecentrum

Nieuwsste woorden voor de armssten van geesst

Als je het allemaal niet meer weet, zoals ik, dan is het net alsof je de hele tijd "sst" ("tja", "eh"... ) zegt tegen je gedachten.
Net alsof, maar niet letterlijk.
Want in werkelijkheid zeg ik nooit "sst" ("tja", "eh"... ) tegen mijn gedachten.
Ik voel ook helemaal niet de behoefte om ze te sussen of te bezweren.
Van mij mogen ze tot volle wasdom komen, ketens vormen, hele kaartenhuizen, geen probleem, maar al die tijd hoor ik ze aan ALSOF (daar is hij weer) ik naar een kind, een fantast, een dwaas, een vertegenwoordiger, een conferencier, een confabulist luister.
Dat geldt ook voor de gedachten die ik daarnet heb opgeschreven, en ook voor de gedachten die ik zometeen ga opschrijven, wat dacht je dan?

"Sst" is voor mij dus geen mantra of methode om mezelf gerust te stellen of om tot niet-weten te komen of om in niet-weten te verblijven.
Evenmin is het een instructie of oefening voor de adept op weg naar niet-weten.
Het is alleen maar een wijze van spreken over mijn eigen niet weten.
Oefeningen in stilzwijgen (silentie), meditatie- en concentratieoefeningen om de geest tot rust te brengen of leeg te maken – ik doe ze nooit en ik heb ze nooit gedaan.
Integendeel, de beste manier om rustig te worden is in mijn geval praten met mijn lief.
Urenlang.
Als geen ander hou ik van denken, spreken, schrijven.
Als er al een oorzaak is aan te wijzen voor mijn dwijsheid (alweer een wijze van spreken) dan is het dat het denken, spreken en schrijven zichzelf onomkeerbaar ten einde heeft gedacht, gesproken en geschreven, en maar ten einde blijft denken, spreken en schrijven.
Dat geldt ook voor deze gedachten, wat dacht je dan?

De stilte waarover ik hieronder en in het algemeen op deze website spreek is dus alleen maar een figuurlijke stilte.
De figuurlijke stilte van niet-weten.
Een levende stilte, geen doodse.
Levend als een vrolijke keuken.
Stil als een olifant in een porseleinkast.
Niet-weten is trouwens ook maar een wijze van spreken.
Of zal ik het toch maar een wijze van zwijgen noemen.
Bij wijze van lachen.

Met deze kanttekeningen, presenteer ik hier mijn nieuwsste wegwerpwoorden voor de armssten van geesst:

sst
antwoord van de dwijze op alle levensvragen
synoniemen: tja, eh, och...

fluissteren
"sst" ("tja", "eh", "och"...) zeggen tegen al je gedachten

geesst
geest die fluisstert; synoniem: fluisstergeest

fluissteraar
iemand met een fluisstergeest; synoniem: gedachtenfluissteraar

russt
gemoedstoestand van de geesst; synoniemen: gemoedsrusst, zielenrusst, berussting; afleidingen: russtig, gerusst, berusstend

russten
rusten in de geesst

welterussten
een versstild bewustzijn toewensen

dwaalteksst
dwaaltekst opgevat als middel om de geesst te wekken

misst
metafoor voor de toestand van de geesst: "Dwalend in de misst van niet-weten"; zo ook duissternis, duisster: "verzaligd in de duissternis van mijn ziel"

sstilte
stilte van de geesst; afleidingen: sstil, sstillen, versstild

mysstiek
mystiek van de sstilte

eksstase
buiten alle denkbeelden (zelfbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, tijdsbeelden, ideaalbeelden) sstaan

bewusst
met een versstild bewustzijn; afleiding: bewusstzijn

sstom
sprekend niet spreken of zwijgend niet zwijgen in de geest van niet-weten; synoniem: sstilzwijgend

meester Sst
verpersoonlijking van de sstilte; kloon van meester Tja (dus een echte ouwehoer)

Meester Sst zegt:

"Stilte maakt nog lang geen sstilte."

Meester Sst zegt ook:

"Sstilte is beslist niet stil."


Stijlfiguren niet-weten


Spreken zonder spreken en zwijgen zonder zwijgen over weten zonder weten – hoe doe je dat?


Niet weten is onmogelijk uit te drukken zonder de stijlfiguren paradox, oxymoron, antithese, accumulatie, dubitatie en percontatie.
Ook de retorische vraag en de verschillende vormen van ironie, zoals understatement, overdrijving en omkering zijn onmisbaar.
Daarnaast heb ik een persoonlijke voorkeur voor alliteratie, dubbelzinnigheid, herhaling, nieuwvorming, rijm, en woordspeling.

De tautologie – ik ben die ik ben, ik denk wat ik denk, ik doe wat ik doe, ik voel wat ik voel, het gaat zoals het gaat, het is wat het is, en dergelijke, is al zo vaak gebruikt om de onbepaaldheid en/of onbepaalbaarheid van het een of ander of meteen maar van het hele leven aan te geven, dat ze eerder als dooddoener fungeert dan als oprechte uiting van weteloosheid.
Om die reden zul je in mijn teksten nauwelijks een tautologie tegenkomen.

Paradox

Tegenstrijdige bewering, bijvoorbeeld:

Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker

Ik weet niets en dat ook niet.

Oxymoron

Verbinding van tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld:

wetend niet-weten

wissend schrijven

de wijsheid zonder wijsheid

Antithese

Nevenschikking van tegengestelde begrippen teneinde door de contrastwerking iets te benadrukken, bijvoorbeeld:

De hoogste waarheid een lage leugen.

Haast je langzaam.

Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

Accumulatie

Opsomming van gelijksoortige elementen, bijvoorbeeld in de (negatieve) definitie

Verlichting is geen plaats, geen tijd, geen weg, geen (on)grond, geen gemoedstoestand, geen staat, geen transformatie, geen ervaring, geen filosofie, geen houding, geen manier van doen, geen levenskunst, geen bewustzijnstoestand, geen identiteit, geen hogere werkelijkheid, geen orgaan, geen hoger inzicht, geen verwondering, geen eenwording, geen godgelijkheid en geen einde.

Dubitatie

Opsomming in vraagvorm om twijfel uit te drukken, bijvoorbeeld:

Heeft de verlichte nou iets bereikt of juist niet? Heeft hij het niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-en-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-noch-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het niet-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken en het niet-bereiken en het bereiken-en-niet-bereiken en het bereiken-noch-niet-bereiken en het niet-niet-bereiken achter zich gelaten? Heeft hij zelfs het achterlaten achter zich gelaten? Dit alles tegelijk? Niets van dit alles? Iets anders? Niets anders? Wat denkt u?

Percontatie

Verzonnen dialoog, bijvoorbeeld de dwaalgesprekken op NIET-WETEN.NL.

Retorische vraag

Vraag die geen antwoord behoeft, bijvoorbeeld:

Ik wil best het goede doen, maar wat is het goede?

Ironie

Vorm van (zelf)spot waarbij je niet zegt wat je bedoelt, bijvoorbeeld een understatement, overdrijving of omkering.

Understatement

Vorm van ironie waarbij je iets zwakker uitdrukt dan je het bedoelt, bijvoorbeeld:

'Inshallah' duidt nou niet direct op een heilig geloof in de vrije wil.

Overdrijving

Vorm van ironie waarbij je iets sterker uitdrukt dan je het bedoelt, bijvoorbeeld:

Zen betekent zitten tot je een ons weegt.

Omkering

Vorm van ironie waarbij je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt, bijvoorbeeld:

Niet-weten is de grootste intellectuele uitdaging van onze tijd.



Terra incognita

Terra incognita betekent 'onbekend gebied'.
Het is een term uit de cartografie waarmee je een oord aanduidt waarover niets bekend is.

Op globes en kaarten werd terra incognita vroeger aangegeven met witte vlekken, en soms met de tekst 'Hier zijn draken' (Latijn: Hic sunt dracones) of 'hier zijn leeuwen' (Hic sunt leones), want het onbekende werd en wordt als vreeswekkend ervaren.
Niettemin, of juist daarom, of los daarvan, werden er met name vanaf de vijftiende eeuw vanuit Europa tal van ontdekkingsreizen georganiseerd om de witte vlekken op de Europese kaarten in te vullen en het areaal van het terra cognita te vergroten.

Het spirituele pad kun je opvatten als een uitnodiging om het bekende terrein van je eigen persoon en de wereld waarin je leeft, diepgaand te onderzoeken.
Je weet nooit wat je daarbij zult ontdekken, ook al denk je misschien van wel.
Zelf moest ik tot mijn ontsteltenis constateren dat het oppervlakkig bekende ten diepste onbekend was.
Mijn 'weg' werd geen ontdekkingsreis waarbij onbekende gebieden ontsloten werden maar, tegen wil en dank, een 'toedekkingsreis' waarbij ik met gum en witkwast in de hand en met pijn in het hart – althans in eerste instantie – mijn terra cognita stukje bij beetje prijsgaf aan het onverkende, waarvan het natuurlijk, zeg ik achteraf, al die tijd deel was blijven uitmaken.

Naarmate mijn wereld en mijn persoon witter werden, kon ik ze steeds moeilijker uit elkaar houden, en ten slotte heb ik het maar opgegeven.
Wat niet betekent dat ik één ben met de wereld, want hoe kan iets wat je niet kunt onderscheiden nou één zijn met iets wat je ook niet kunt onderscheiden?

In deze knusse winterse beeldspraak, die we zo direct weer gaan uitgummen, is wit een metafoor voor eh... tja.
Je zou iemand wit kunnen noemen wanneer zijn wereld- en zelfbeeld alleen nog maar terra incognita omvatten.
Het witte staat dan voor het nieuwe onbekende, dat zich zelfs niet meer laat scheiden in een onbekende wereld en een onbekend zelf; de werkwoorden witten en witwassen voor het moeizaam uitgummen (of gaandeweg verbleken) van je uitgangspunten, waarden, idealen en zekerheden; witte vlekken voor thema's zoals waarheid, vrijheid, bewustzijn, metafysica, vrije wil, waarneming, geloften, mededogen, God, mystiek, denken, logica, identiteit, gemoedsrust, verlichting, liefde, de dood, ethiek en de zin van het leven, die je tot op de spreekwoordelijke bodem hebt onderzocht en waarover je na afloop niets meer met, of zelfs maar zonder, stelligheid durft beweren.

Na het witten rest de witte alleen nog het witten van het witten zelf.
Pas als hij ook zijn witte bril heeft afgezet, is hij werkelijk wit, dat wil zeggen, niet.
Want werkelijk wit bevat alle kleuren van de regenboog.
Kleurrijk is mijn persoon, kleurrijk is mijn wereld.
Ik bedoel natuurlijk, 'kleurrijk' 'is' 'mijn' 'persoon', 'kleurrijk' 'is' 'mijn' 'wereld'.


Therapeutisch scepticisme

Volgens een variant van het scepticisme die tegenwoordig bekend staat als het therapeutisch scepticisme, is de hoofddoelstelling van de sceptische levenshouding ataraxie, volstrekte gemoedsrust.
De eerste westerse exponent van deze visie is naar verluid Pyrrho van Elis (360 - 275 voor Christus).
Die meende dat ataraxie te bereiken is door in te zien dat wij niets kunnen weten, zodat oordelen geen zin meer heeft en het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust komt.

Merkwaardig genoeg staat het therapeutisch scepticisme bol van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.
Om te beginnen is er het weten dat wij niets kunnen weten en, voor gevorderden, dat wij zelfs dat niet kunnen weten.
Vervolgens is er het weten dat dit besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk sereniteit, en niet, bijvoorbeeld, depressiviteit, apathie, agitatie, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets, al dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden.
Ten derde is er het idee dat wij meester over ons lot zijn en ervoor kunnen kiezen ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden teneinde tot het gewenste besef te komen.
Ten vierde is er het geloof in de suprematie van de rede, die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten wanneer wij eenmaal kennis nemen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Dat dit soort gedachten voor sommige mensen therapeutisch werkt, wil ik best aannemen, al behoor ik zelf niet tot de gelukkigen.
Maar wat er sceptisch aan is?


Trechterdenken

Het herleiden van meerdere onbegrepen verschijnselen tot één onbegrepen principe, concept, hypothese of verklaring, zouden we trechterdenken kunnen noemen.
De theorie van de zwaartekracht is dan een voorbeeld van trechterdenken, evenals de evolutieleer, evenals het atomisme.

Iedere keer als iemand zegt dat iets eigenlijk iets anders is, hanteert hij de denktrechter.
Volgens de fysicus is scheikunde eigenlijk natuurkunde.
Volgens de chemicus is fysiologie eigenlijk scheikunde.
Volgens de fysioloog is biologie eigenlijk fysiologie.
Volgens de bioloog is psychologie eigenlijk biologie.
Volgens Freud is kunst eigenlijk een sublimatie van de oerdrift.
Maar wie is eigenlijk Freud?

Volgens het materialisme is alles eigenlijk stof.
Volgens het idealisme is alles eigenlijk bewustzijn.
Volgens het boeddhisme is alles eigenlijk leeg.
Volgens zen is alles eigenlijk geest.
Volgens het non-dualisme is alles eigenlijk een.
Volgens de mystiek is alles eigenlijk god.

Wetenschap is het prototype van trechterdenken, zou je haast denken, ware het niet dat het opvatten van wetenschap als een prototype van trechterdenken zelf weer een voorbeeld van trechterdenken is.
Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor mystiek, zen, boeddhisme, non-dualisme, idealisme, materialisme, universalisme, enzovoort.

De mond van de trechter afzagen en de wereld door het overgebleven buisje bekijken, leidt tot kokervisie.
De mond van de trechter aan de mond van het lichaam zetten en omroepen hoe het eigenlijk zit, heet megafonie.
Het denken dat getuigt van kokervisie heet kokerdenken.

Wie meent dat iedere visie een kokervisie is, heeft zelf last van kokervisie.
Wie meent dat alle denken kokerdenken is, is zelf een kokerdenker.
Wie meent dat wat volgt op het woord eigenlijk eigenlijk het eigen lijk van de voorafgaande gedachte is, kijkt naar zijn eigen lijk.

Wat heb ik nou eigenlijk gezegd?


Trilemma van Agrippa

Volgens sceptici kun je een stelling S eigen lijk maar op twee manieren rechtvaardigen:

1. Door botweg te stellen dat het nou eenmaal zo is: S want S.
2. Door een beroep te doen op een onderliggende stelling, S', waaruit S langs logische weg wordt afgeleid.

Ad 1
Te zeggen dat het nou eenmaal zo is – S want S – heet dogmatisme.
De bewering "S want S" heet een tautologie.
Meestal doet de dogmaticus een beroep op het gezonde verstand.
S heet dan vanzelfsprekend of zelf-evident te zijn.

Ad 2
Wie een beroep doet op een onderliggende stelling S' verschuift het probleem.
Gevraagd naar een rechtvaardiging van S' zal hij zich opnieuw moeten beroepen op een onderliggende stelling S'', en zo voort.
Deze terugtrekkende beweging heet regressie.
Hiervan bestaan drie soorten:

1. Eindige regressie
2. Circulaire regressie
3. Oneindige regressie

Ad 1
Een eindige regressie bestaat uit een beperkt aantal unieke stellingen, waarvan de laatste alle andere draagt terwijl ze zelf ongerechtvaardigd blijft.
Iemand die gelooft dat de stapsgewijze herleiding van een stelling tot een onbetwijfelbare vanzelfsprekendheid voldoende rechtvaardiging biedt, heet een fundamentist – een aanhanger van het fundamentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kortst denkbare eindige regressie, met een lengte van 1.

Ad 2
Het kan ook zijn dat je achteruit redenerend na een of meer stappen op een stelling stuit waarop je je eerder ook al hebt moeten beroepen, zodat er een cirkelredenering ontstaat.
Iemand die gelooft dat de hechte, vicieuze samenhang van een groep uitspraken voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak afzonderlijk, heet een coherentist – een aanhanger van het coherentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kleinst mogelijke cirkelredenering, met een lengte van 1.

Ad 3
Het kan ook zijn dat je almaar achteruit blijft redeneren.
Hierdoor ontstaat – in theorie – een oneindige regressie.
Iemand die gelooft dat een in principe oneindige regressie voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak in de reeks, heet een infinitist – een aanhanger van het infinitisme.

Iemand die gelooft dat dogmatisme, fundamentisme, coherentisme en infinitisme onvoldoende rechtvaardiging bieden voor welke stelling dan ook, heet een scepticus – een aanhanger van het scepticisme.

Het trilemma van Agrippa vat het probleem van het rechtvaardigen van een uitspraak puntig samen.
Volgens Agrippa moet je kiezen uit drie kwaden: dogmatisme, een cirkelredenering of een oneindige regressie.
De enige uitweg uit dit trilemma is volgens hem het scepticisme.

Niet weten
Wat dit laatste betreft heeft Agrippa beslist een bok geschoten.
Wie niet weet, zoals ik, voelt zich niet gehouden aan welke logica dan ook.
Wie zich niet gehouden weet aan welke logica dan ook, kan niet gevangen raken in welk dilemma, trilemma, monolemma of polylemma dan ook.
Wie nergens in gevangen zit hoeft zich ook nergens van te bevrijden en heeft niets te rechtvaardigen, bewijzen of ontkrachten.
Hoe makkelijk kan het zijn.

Afgaand op mezelf, zeg ik:
Niets grijpt de dwijze aan.
Geen enkele vraagstelling.
Geen enkele probleemstelling.
Geen enkele leerstelling.
Geen enkele tegenstelling.
Geen enkele onderstelling.
Geen enkele gelijkstelling.
Geen enkele vooropstelling.
Geen enkele normstelling.
Geen enkele doelstelling.
Geen enkele patstelling.
Geen enkele geruststelling.
Geen enkele terechtstelling.
Niets grijpt de dwijze aan.
En dat is alles.


Utopie

Een ideaalbeeld van de wereld of een staat heet een utopie [Grieks, eu-, goed of ou, niet, nergens + topia, plaats].
Een van de bekendste utopieën is de socialistische heilstaat Utopia van Thomas Moore (1516).
De christelijke heilstaat is een staatsbestel op kerkelijke grond waarin iedere burger allereerst onderdaan van God is.
Het Derde Rijk was een heilstaat op eugenetische grondslag.
De boeddhistische heilstaat is die van een wereld zonder grenzen waarin het lijden is uitgebannen en iedereen verlicht is.

Een schrikbeeld van de wereld of van een staat heet een dystopie [Grieks, dus-, moeilijk, slecht].
Dystopieën vinden we onder meer terug in Brave new world van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell.
Volgens sommigen is de huidige wereld de ergst denkbare.
Volgens anderen, zoals Gottfried Leibniz, is de huidige wereld, hoe erg ook, juist de beste van alle mogelijke werelden.

Wat voor de een een utopie is, is voor de ander een dystopie.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de socialistische heilstaat, de christelijke heilstaat en de boeddhistische heilstaat.
Wat voor de een een dystopie is, is voor de ander een utopie.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan het Derde Rijk, Brave new world en de huidige wereld.

Een utopie koesteren betekent een wereld veronderstellen, weten hoe een volmaakte wereld eruit ziet en geloven in de maakbaarheid ervan.
Niet-weten is geen utopisme.

Een dystopie vrezen betekent een wereld veronderstellen, weten hoe een onvolmaakte wereld eruit ziet en geloven in de vermijdbaarheid daarvan.
Niet-weten is geen dystopisme.


De Varioloog

Onder variologie versta ik de inventarisatie van alle mogelijke vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te beantwoorden; van alle mogelijke antwoorden zonder het oogmerk het juiste vast te stellen; en van alle verborgen aannames zonder het oogmerk ze te onderbouwen.

Variologie is niet gericht op de werkelijkheid maar op de mogelijkheid, niet op de details maar op de grote lijn, niet op het ene maar op het menigvuldige.

Liever dan een standpunt te bepalen inventariseert de varioloog alle mogelijke standpunten en alle mogelijke argumenten voor en tegen onder het motto: Beter tien perspectieven aan de horizon dan één door mijn hart.

Zo bedrijft men natuurlijk geen politiek.
Maar wat dan wel?

Liever dan de werkelijkheid te doorgronden brengt de varioloog alle denkbare gronden en ongronden in kaart onder het motto: Beter tien kuub beton in de molen dan één om mijn voeten.

Zo bedrijft men natuurlijk geen filosofie.
Maar wat dan wel?

Liever dan een hypothese te toetsen zet de varioloog alle mogelijke hypothesen op een rij onder het motto: Beter tien verklaringen op papier dan één in mijn hoofd.

Zo bedrijft men natuurlijk geen wetenschap.
Maar wat dan wel?

Liever dan naar motto's te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto: Liever dan naar motto's te leven gooit de varioloog ze weg.

Zo bedrijft men natuurlijk geen variologie.
Maar wat dan nog?


Verlichtingsdenken

In het postmodernisme wordt met de term "verlichtingsdenken" verwezen naar het rationele denken dat karakteristiek is voor de Verlichting (circa 1650-1900) en gebaseerd is op een groot vertrouwen in de rede en de vooruitgang.
De "grote verhalen" (Lyotard) van de twintigste eeuw, zoals het fascisme, de eugenetica, het socialisme en het communisme, gezamenlijk aangeduid als het modernisme, vertonen dezelfde kenmerken en worden daarom eveneens tot het verlichtingsdenken gerekend (maar natuurlijk niet tot de Verlichting).
Het postmodernisme wil niet alleen afrekenen met het modernisme maar met iedere vorm van rationalisme.
Vandaar dat het postmodernisme ook wel antiverlichtingsdenken wordt genoemd, en antirationalisme, wat tussen haakjes niet hetzelfde is als irrationalisme.

De term 'verlichtingsdenken' is ook geschikt voor een ander type denken, namelijk het geloof in spirituele verlichting waarbij je ontwaakt tot – ja, tot wat eigenlijk?
Tot de waarheid, de weg, een principe, een alomtegenwoordigheid, een hogere werkelijkheid, wat dan ook.
Tot een schokvrije rotsbodem waarop we eindelijk zekerheid en veiligheid vinden, onder meer aangeduid als de realiteit, non-dualiteit, de waarheid, nirwana, het absolute, het hart, de bron, energie, essentie, het ene, god, brahman, tao, het leven, bewustzijn, openheid, het kennen, het koninkrijk der hemelen, en zo meer.
Evenals het filosofische verlichtingsdenken is het spirituele verlichtingsdenken optimistisch van aard en behoort het tot de grote verhalen – ook al zijn ze vaker antiek dan modern.
Anderzijds ziet het spirituele verlichtingsdenken (net als de Romantiek) de ratio (het verstand, het denken, de geest, het ego, de mind) eerder als hinderpaal dan als instrument tot bevrijding.
Uitzonderingen zoals advaita vedanta, het Werk van Byron Katie en de autolyse van Jed McKenna daargelaten.

Het spirituele verlichtingsdenken kan afgezet worden tegen wat ik hier voor de duur van deze alinea mijn eigen verduisteringsdenken zal noemen.
Daarin is sprake is van een radicaal ongeloof in alle verhalen, groot en klein, inclusief het postmodernisme, inclusief het verhaal van het radicale ongeloof in alle verhalen, groot en klein.
Niet uit keuze of overtuiging, maar als gegeven, en slechts voor zolang het duurt.
Hoewel dit 'verduisteringsdenken' nergens tegen gekant is, en we het dus ook geen antiverlichtingsdenken of antirationalisme kunnen noemen, zaagt het wel voortdurend aan de stoelpoten van het weten, en dan vooral aan het weten van een vaste grond onder onze voeten, dat karakteristiek is voor de verlichting, het modernisme en wat we hierboven het spirituele verlichtingsdenken hebben genoemd.


Vinger naar de maan

Sinds jaar en dag waart door de wijsheidsliteratuur van talloze tradities de metafoor van de meester die met zijn vinger naar de maan wijst (een hogere werkelijkheid) terwijl de leerling alleen de vinger ziet.
Niet weten is niet zo'n traditie, al was het maar omdat niet weten als zodanig nooit een traditie is geweest maar slechts een ondergeschikt element van een aantal heel verschillende spirituele, religieuze en filosofische tradities.

Getuigen van niet weten is net zo lastig als je vinger laten zien aan iemand die denkt dat je ermee wijst.*
Ik kan het weten want ik heb al heel wat pogingen achter de rug.
Toch is ook deze omgekeerde beeldspraak misleidend.
Je zou in de aandachtsverschuiving naar de vinger een vermaning kunnen lezen om je te bepalen tot alleen-maar-dit of ik-ben-dat of het absolute of het ene of zo.
Helaas heb ik geen Flauw-Benul wat dat allemaal mag wezen.
En heus niet uit onwil.
Integendeel, misschien wilde ik wel te graag en ben ik er juist daardoor niet in geslaagd vast te stellen wat nou helemaal het verschil is tussen dit en dat, zijn en worden, hier en daar, ik en gij, toen en nu en straks, eeuwig en vergankelijk, eenvoudig, tweevoudig, niet-tweevoudig, meervoudig en veelvoudig, wezen en bijzaak, flauw en hartig, kul en benul, enzovoort. Van de weeromstuit weet ik van voren niet meer dat ik van achteren leef, of was het nou andersom, en gebruik ik mijn vingers gewoon weer waar ze volgens de wet en de profeten en de regelen der kunst en Joost en Bartjens voor bedoeld zijn.


* Met dieren is het precies andersom. Of het nou honden, apen, geiten, eenden, vissen of kalfjes zijn, ze komen allemaal even aan mijn vinger ruiken, trekken, knabbelen, pikken, sabbelen of zuigen en houden het dan voor gezien.


de Volle leer

De lege leer kent zijn gelijke niet maar er bestaat een equivalente tegenhanger en dat is de volle leer.
Een volle leer is een leer die iedere denkbare leerstelling en iedere denkbare combinatie van leerstellingen omvat.
Natuurlijk kan er maar één volle leer zijn.
Waarin zou de ene volle leer van de andere moeten verschillen?
Daarom kunnen we hem net zo goed dé volle leer noemen.

Net als de lege leer kun je de volle leer verifiëren noch falsifiëren, bewijzen noch ontkrachten, verdedigen noch aanvallen, kennen noch ontkennen, vergeten noch onthouden, afwijzen noch aanhangen.
Vandaar dat ik hier zonder verdere plichtplegingen durf te stellen: niet weten is de volle leer aanhangen.

Natuurlijk is de volle leer net zozeer een bedenksel als de lege.
Laat dat maar aan Hans over.
Hoe groter het ruim, hoe groter de duim.
Beide zijn fictief.
Het zijn maar hulpmiddelen om iets duidelijk te maken over niet weten.
Niet weten is ook maar een hulpmiddel om iets duidelijk te maken.
Of onduidelijk, daar wil ik vanaf zijn.
Maar wat?
En aan wie?
En door wie?
Ik zeg niks.
Of alles.
Wat jij wilt.


Voorwaardelijkheid

Onder voorwaardelijkheid versta ik het voorbehoud dat een bewering, nog los van de vraag of zij waar is, pas waar kan zijn wanneer de onderliggende onderscheidingen geldig en de onderliggende aannames waar zijn.
Vanwege het regressieve karakter van dit voorbehoud is nooit met zekerheid vast te stellen of een bewering waar is.
Het voorbehoud is principieel, eeuwig.

Voorbeelden van voorwaardelijkheid:
  • Wie de waarheid zoekt, neemt aan dat de waarheid bestaat, gevonden kan worden, begrijpelijk is en de moeite van het weten waard.
  • Wie meent dat de wereld een illusie is, veronderstelt dat de illusie zelf geen illusie is.
  • Wie meent dat hij werkelijk bestaat, veronderstelt dat hij op dat moment niet droomt.
  • Wie meent dat niets toeval is, veronderstelt een universele orde.
  • Wie meent dat alles toeval is, veronderstelt een universele chaos.
  • Wie meent dat ware premissen tot ware conclusies leiden, veronderstelt de logica.
  • Wie meent dat de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtig graden is, veronderstelt een vlakke ondergrond.
  • Wie claimt iets waars te kunnen zeggen veronderstelt dat taal daarvoor een geschikt medium is.
  • Wie meent dat bladeren groen zijn, veronderstelt dat kleuren buiten de hersenen om bestaan.
  • Wie meent dat tijd absoluut is (zoals ene Isaac Newton) veronderstelt dat tijd onafhankelijk is van beweging.
  • Wie schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een vrije wil.
  • Wie veronderstelt dat iemand zonder vrije wil geen schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een oorzakelijk verband.
  • Wie meent dat hij gelijk heeft omdat wat hij zegt in de bijbel staat, veronderstelt dat de bijbel waar is en eenduidig.
  • Wie meent dat de bijbel waar is omdat hij het woord van god bevat, veronderstelt dat de schrijvers geen fouten hebben gemaakt, dat god bestaat en dat hij niet liegt.
  • Wie (met Descartes) meent dat god niet liegt omdat hij anders niet volmaakt zou zijn, veronderstelt dat volmaaktheid liegen uitsluit.
  • Wie meent dat het leven zin heeft (of juist niet) veronderstelt dat er zoiets is als 'het leven'.
  • Wie meent dat er niet zoiets is als 'het leven', veronderstelt (bijvoorbeeld) dat algemene woorden (universalia) geen tegenhanger hebben in de wereld.
Ook in het boeddhisme komen we het begrip voorwaardelijkheid tegen.
Hier heet het sunyata (leegte), een term uit het Sanskriet, die staat het voor het idee dat dingen niet op zichzelf bestaan maar het gevolg zijn van ontelbare oorzaken en omstandigheden, die op hun beurt niet op zichzelf bestaan, enzovoort.

Om de twee soorten voorwaardelijkheid van elkaar te onderscheiden, zou je de eerste epistemologische voorwaardelijkheid kunnen noemen en de tweede ontologische voorwaardelijkheid.
Vanuit metafysische invalshoek kom je uit op ontologische voorwaardelijkheid, vanuit kentheoretische invalshoek op epistemologische voorwaardelijkheid.

Mooie woorden weer, fraaie onderscheidingen, maar wat schiet je ermee op?
Als alle beweringen voorwaardelijk zijn, dan ook de bewering dat alle beweringen voorwaardelijk zijn.
Dus daar sta je dan met je goeie gedrag.


Waarheidszucht

Vroeger werd overdreven weetgierigheid weetziekte genoemd.
Net zo kun je een heftig verlangen naar de waarheid waarheidsziekte of waarheidszucht noemen.

Waarheidszucht berust op de grondeloze veronderstelling dat (de) waarheid bestaat, dat zij tijdloos en universeel is, belangrijk om te kennen en fijn om te weten, verkrijgbaar, houdbaar en overdraagbaar, ter meerdere eer en glorie van ieder individu afzonderlijk en de mensheid in het algemeen.

Waarheidszucht wordt door, of in niet-weten niet zozeer bevredigd als wel uitgedoofd, wat toevallig de betekenis van het woord nirwana is, maar dit terzijde.
De dwijze veronderstelt niet dat de waarheid bestaat, laat staan dat zij geheel of overwegend aangenaam van karakter is.
Hierdoor komt het zoeken ernaar vanzelf op losse schroeven te staan.
De dwijze veronderstelt evenmin dat de waarheid niet bestaat, of dat zij geheel of overwegend onaangenaam van karakter is.
Hierdoor komt ook niet-zoeken op losse schroeven te staan.

De lijn van dit betoog doortrekkend kom je misschien in de verleiding dwijsheid te definiëren als, bijvoorbeeld, zoeken en niet-zoeken, of zoeken noch niet-zoeken, of zoekend niet-zoeken, of het zoeken en niet-zoeken voorbij.
Maar draait het niet veeleer om de losse schroeven zelf, waarop niet alleen de waarheid is komen te staan maar ook het niet weten, om nog maar te zwijgen over de dwijze zelf en – grote stappen, snel thuis – meteen maar de hele mikmak, wat dat ook moge wezen?

De dwijze meent niet dat hij de waarheid heeft noch dat hij haar niet heeft, niet dat hij haar leeft noch dat hij haar niet leeft, niet dat hij haar is noch dat hij haar niet is, en zo verder voor alle werkwoorden in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal en daarbuiten.


Weetnietkunde

Weetnietkunde is de studie van niet weten in de filosofie en de filosofie van niet weten.


Wemelbeelden

Hoe moet je je het zwarte gat van niet weten in concreto voorstellen?
Ik kan alleen maar voor mezelf spreken.
Voor mezelf sprekend zeg ik: als het onvermogen om je eigen denkbeelden serieus te nemen.
De vorige incluis.
De volgende incluis.
Je krijgt er smedige meningen van.
Floppy visies.
Een plooibare geest.
Het vermogen om snel tussen standpunten heen en weer te schakelen.
Of het onvermogen er lang in te blijven hangen, weet ik veel.
Ik wil het beslist niet ophemelen.
Of neersabelen.
Zo neutraal mogelijk gezegd is niet weten de verweking van min of meer stabiele, eenduidige en sluitende denk-beelden* tot instabiele, meerduidige en paradoxale, eh... wemelbeelden.
Wat voor beelden?
Wemelbeelden.
'Wemelbeeld' is volgens Van Dale een literair woord dat verwijst naar een onvast, steeds verschietend beeld:

't water met zijn wemelbeeld

Ben ik ook eens literair.
'Literair, verouderd', zegt het woordenboek.
Het is ook nooit goed.

Combineren we de beeldspraak van de beelden met de truc met de aanhalingstekens dan krijgen we de volgende litanie:

Met het verweken van mijn zelfbeelden wordt ik 'ik'.
Met het verweken van mijn mensbeelden wordt gij 'gij'.
Met het verweken van mijn godsbeelden wordt Hij 'Hij'.
Met het verweken van mijn boeddhabeelden wordt leegte 'leegte'.
Met het verweken van mijn heiligenbeelden worden iconen 'iconen'.

Met het verweken van mijn voorbeelden worden idolen 'idolen'.
Met het verweken van mijn wensbeelden wordt willen 'willen'.
Met het verweken van mijn ideaalbeelden wordt hoop 'hoop'.
Met het verweken van mijn schrikbeelden wordt wanhoop 'wanhoop'.
Met het verweken van mijn angstbeelden wordt vrees 'vrees'.

Met het verweken van mijn kruisbeelden wordt lijden 'lijden'.
Met het verweken van mijn ziektebeelden worden gebreken 'gebreken'.
Met het verweken van mijn doodsbeelden worden sterven 'sterven'.
Met het verweken van mijn lichaamsbeelden wordt stof 'stof'.
Met het verweken van mijn denkbeelden wordt geest 'geest'.

Met het verweken van mijn wereldbeelden wordt werkelijk 'werkelijk'.
Met het verweken van mijn toekomstbeelden wordt later 'later'.
Met het verweken van mijn herinneringsbeelden wordt vroeger 'vroeger'.
Met het verweken van mijn tijdsbeelden wordt nu 'nu'.
Met het verweken van mijn wemelbeelden...

Sommige lezers denken nu misschien dat ik mij vergis.
Dat met het verweken van mijn zelfbeelden 'ik' ik wordt, en met het verweken van mijn mensbeelden 'gij' gij.
Dat, met andere woorden, in de gang van weten naar niet weten het onware ik en het onware gij vervangen worden door het ware ik en het ware gij.
Onwaar in de zin van bemiddeld door ideeën die tussen mij en de Hoogste Werkelijkheid in staan; wáár in de zin van onbemiddeld door ideeën, dus rechtstreeks aanschouwd.

Maar dat bedoel ik helemaal niet.
Het verweken van denkbeelden heeft mij niet naar de hoogste waarheid, de onbemiddelde werkelijkheid of de directe ervaring geleid maar gewoon naar niet weten.
Ik wordt dus wel degelijk 'ik' en gij wordt 'gij' en tijd wordt 'tijd' en god wordt 'god', et cetera, maar wat ik daar nou mee bedoel?
En nee, ik heb niets tegen denkbeelden.
Dat zou gewoon het volgende denkbeeld zijn.
Ik wil op deze site alleen maar getuigen van niet weten.
Joost mag weten waarom.
Het is niet mijn bedoeling niet-weten tot norm te verheffen.
Ik ben geen evangelist en als ik het preken al een keertje niet kan laten dan is mijn boodschap gelukkig nog altijd nietszeggend.
Een dubbele beveiliging, als een ketelfluit op een fluitketelfluit.
Een fluitketelfluitketelfluit.

Ik verlang er oprecht niet naar dat jij tot niet weten komt, laat staan dat er een uitdijend weetnietveld om mij heen ontstaat en als een tsunami over de aardbol raast.
Onder ons gezegd, ik moet er niet aan denken.
Dat hoeft ook niet, stel ik mij gerust.
Weliswaar voelen velen zich geroepen aan niet weten lippendienst te bewijzen, het liefst op enigszins gedragen toon alsof het een overledene betreft, maar zelden langer dan twee, drie zinnen achtereen.
Alles met mate, zei het Orakel van Delphi, en zij kon het weten.

Ik wil hier trouwens niet suggereren dat paradoxen weekmakers zijn en dat contemplatie ervan een weg naar niet weten zou zijn, zoals koanmeditatie volgens de zenboeddhistische rinzaitraditie een weg uit het rationele denken naar het ware zelf.
Ik wil ook niet suggereren van niet.

Niet suggereren, dat is mijn ding.


Wormgat

Wormgat is een alternatieve metafoor voor de poortloze poort.
Een wormgat is een doorgang van hier, waar alles vanzelfsprekend is, naar 'hier', waar alles tussen aanhalingstekens* staat, zelfs de aanhalingstekens.

Zelf ging ik door het wormgat toen ik besefte dat mijn laatste houvast, een radicaal perspectivisme, ook maar een perspectief was.
Er ontstond kortsluiting, mijn laatste denk-beeld explodeerde en wat mij altijd een regelrechte ramp had geleken bleek een regelrechte zegen.

Ieder laatste houvast kan bij kortsluiting als wormgat naar 'hier' functioneren, zo stel ik mij voor, al heb ik het persoonlijk nooit bij iemand anders op deze manier zien gebeuren.
In het lijstje hieronder heb ik de wormgaten gecursiveerd.

  1. niet weten – zelfs niet van niet weten
  2. niets doen – zelfs niet het niet doen
  3. niets zeggen – zelfs niet dat je niets moet zeggen
  4. je gedachten niet geloven – ook deze niet
  5. niemand geloven – ook jezelf niet
  6. alles relativeren – ook dit
  7. niets aannemen – zelfs niet dat je niets aanneemt
  8. nergens nestelen – zelfs niet in niet nestelen
  9. alles loslaten – zelfs het loslaten
  10. nergens weerstand aan bieden – zelfs niet aan je weerstand
  11. niets afwijzen – zelfs niet het afwijzen
  12. alles afbreken – zelfs het afbreken
  13. overal aan twijfelen – zelfs aan het twijfelen
  14. onvoorwaardelijke liefde – zelfs voor de haat
  15. alles tussen haakjes zetten – zelfs het tussen haakjes zetten
  16. alles opgeven – zelfs het opgeven
  17. nergens aan hechten – zelfs niet aan onthechting
  18. alles ontkennen – zelfs het ontkennen
  19. niets aanhangen – zelfs niet de neutraliteit
  20. totale vrijheid – zelfs van de vrijheid
  21. ruimte voor alles – zelfs voor bekrompenheid
  22. overal voor open staan – zelfs voor geslotenheid
  23. alles tegenspreken – zelfs het tegenspreken
  24. niet reiken – zelfs niet naar niet reiken
  25. ieder oordeel opschorten – ook dit oordeel
  26. geen standpunt innemen – zelfs niet over het innemen van standpunten
  27. alles rustig ondergaan – ook je onrust
  28. geen conclusies trekken – zelfs niet dat je geen conclusies moet trekken
  29. niets verbieden – zelfs niet het verbieden
  30. geen principes – zelfs niet tegen principes
  31. overal klaar mee zijn – zelfs met defaitisme
  32. overal aan ontsnapt zijn – zelfs aan het escapisme
  33. alles als illusoir zien – zelfs de illusie
  34. alles afwijzen – zelfs het negativisme
  35. totale ontlediging – zelfs van de leegte


Wijs

Wetend noemen we degene die in de ban is van standpunten, overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen, waarden en andersoortige gedachten.
Zijn we het met hem eens dan noemen we hem wijs.
Zijn we het met het niet met hem eens dan noemen we hem dwaas.

Dwijs noemen we degene die niet in de ban is van zijn gedachten.
Zelfs niet van de gedachte dat hij niet in de ban is van zijn gedachten.
Zelfs niet van de gedachte dat er gedachten zijn waarvan je in de ban kunt raken.
Zelfs niet van de gedachte dat er geen gedachten zijn waarvan je in de ban kunt raken.
Zelfs niet van de gedachte dat je je aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat je je niet aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat er een hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat er geen hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat...

Dood noemen we degene die zonder gedachten is.


Wis-kunde

Omdat de dwijze voortdurend van standpunt wisselt en onophoudelijk zijn gedachten wist, zou je hem een wiskunstenaar kunnen noemen, zijn dwijsheid wis-kunde of wis-kunst, zijn levenshouding wiswijs.

Zelf gebruik ik die woorden niet.
Voor je het weet gaan mensen weer wis-kunde bedrijven en zich wiswijs wanen en prijzen uitreiken aan en wierook branden voor de beste wiskunstenaars.
Dank je lekker.
Dan wis ik ze liever meteen.


X

In de wiskunde wordt de letter X gebruikt om een onbekende grootheid aan te duiden.
Derrida gebruikt dezelfde letter voor wat hij semi-begrippen of halfbegrippen noemt.
Hiermee bedoelt hij met name postmoderne begrippen als differantie, deconstructie, hymen en parergon, die onzegbaar en ondefinieerbaar zouden zijn.

Halfbegrippen komen we ook tegen in de religie en de spiritualiteit, waar ze worden aangeduid met woorden en uitdrukkingen als god, tao, brahman, het ene, het absolute, het mysterie, dit, de bron, het eeuwige, het bewustzijn, boeddhanatuur en non-dualiteit.
Een van de meest universele spirituele doctrines luidt dat de waarheid onuitsprekelijk is en uitsluitend apofatisch kan worden gedefinieerd, dat wil zeggen, als dit noch dat.

Het onderscheid tussen begrippen en halfbegrippen wordt niet door iedereen onderschreven.
Het nominalisme erkent alleen particularia en houdt universalia als 'mens', 'levendbarend' en 'verandering' voor betekenisloos.
Sommige boeddhistische scholen gaan nog een stapje verder en houden alle begrippen voor leeg, dat wil zeggen, zonder wezen of substantie.
In deze visie heeft het onderscheid tussen hele begrippen en halfbegrippen natuurlijk geen zin meer.

Ikzelf erken of ontken geen enkel onderscheid tussen begrippen en aanverwante zaken zoals gevoelens, vermoedens, waarnemingen en handelingen, en ook niet tussen begrippen onderling.
Van mij mag ieder begrip X genoemd worden, waarmee ik echter niet wil beweren dat alle begrippen onzegbaar en ondefinieerbaar zijn, noch het tegendeel, noch iets ertussenin, noch iets anders.
X is X en verder niks.
Of niet soms?


Zen

Het oorspronkelijke boeddhisme is een verlossingsleer, een weg waarlangs je kunt ontsnappen aan de eeuwige kringloop van wedergeboortes, aan samsara en de karmische wetten.
In het zenboeddhisme is dit aspect van verlossing samen met de reïncarnatieleer grotendeels komen te vervallen.
Net als advaita, is zen geen ingewikkelde verlossingsleer maar een eenvoudige realisatieleer.
Er is geen doel dus ook geen weg.
Er is niets om je van te verlossen en niemand om te verlossen.
Je hoeft niets te doen of te laten of te worden.
Je hoeft alleen maar te beseffen dat je het onvergankelijke en ongeboren en vormeloze ene bent, altijd al was en eeuwig zult zijn.
Realisatie is niets anders dan je realiseren dat er niets te realiseren valt.

Aangezien er in zen geen weg is, kun je gewoon gaan zitten wachten tot het inzicht zich spontaan aandient.
Dit heet zazen.
Je moet alleen niet bewegen want dan jaag je het inzicht weg.
Niet bewegen doet zeer, maar pijn is goed voor je inlevingsvermogen, en dat is weer goed voor je mededogen, waar de dolende medemens naar verluid nooit genoeg van krijgt.
Om de tijd te verdrijven, die anders wel erg langzaam gaat, krijg je raadseltjes op.
Die heten koan, want 'raadsel' is zo plat.
Koan hebben geen oplossing en dat is de oplossing, maar dat ga ik jou niet aan je neus hangen.
In de loop der tijd zijn er door excellente zenmeesters toch weer oplossingen bedacht en vastgelegd in antwoordboeken, die echter strikt geheim zijn.
Diezelfde excellente zenmeesters hebben ook stadia van verlichting bedacht, drie, vier, vijf, zeven, tien, tweeënvijftig, waaruit we in ieder geval één ding met zekerheid kunnen opmaken, dat ze zelf het hoogste stadium hebben bereikt.
Zodoende kunnen ze ook bij anderen feilloos de graad van verlichting vaststellen.
Verschil moet er zijn.
Zelfs in het ene.
Al met al lijkt zen net een weg, maar daar kom je nog wel achter.
Erachter komen heet realisatie en dat is een opluchting van jewelste.
Een tijdelijke opluchting heet kensho, een opluchting waar geen eind aan komt satori.

En niet weten dan?
Daar wordt je ook niet vrolijk van.
Aan de andere kant word je er ook niet verdrietig van.
Je wordt er eigenlijk niks van.
Het laat je in je eigen sop gaarkoken, en wie wil dat nou niet.
Niet weten is geen verlossingsleer en ook geen realisatieleer.
Eigenlijk is het helemaal geen leer.
Het is het zwarte gat waarin iedere leer verdwijnt.
Hoe kan het ook anders.
Welk leren zou in hemelsnaam tot niet weten kunnen leiden?
Wil je niet weten toch graag als een leer zien?
Dat kan.
Dan noemen we het gewoon de lege leer*.

Ook daarmee valt niets te verdienen.


Zondeval

Een van de oudste christelijke teksten die in verband kan worden gebracht met non-dualiteit staat in het eerste boek, Genesis, van het Oude Testament.
Hij gaat over Adam en Eva in het paradijs, die zich op een goede of kwade dag door een slang laten verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad.
De slang stelt hen wijsheid in het vooruitzicht.
Hun ogen zullen geopend worden!

En inderdaad, na het eten van de verboden vruchten zijn hun ogen geopend.
Adam en Eva zien elkaar aan en beseffen voor het eerst van hun leven dat ze naakt zijn.
Hun schaamte bedekken ze met een vijgenblad en ze trekken zich terug in de bosjes.
De kennis van goed en kwaad heeft voorgoed een einde gemaakt aan hun onschuld.

Intussen is God hevig vertoornd omdat Adam en Eva de enige verboden vrucht in de Hof van Eden niet konden laten hangen.
In zijn ogen hebben ze iets verkeerd gedaan, maar hoe moesten zij dat weten?
Ze hadden immers nog niks gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad.
God wel.
Die heeft die boom zelf geschapen en klaarblijkelijk meteen zijn buikje rond gegeten.
Verschil moet er zijn.

Gods oordeel is hard, zijn straf meedogenloos.
Zonder pardon stuurt hij Adam en Eva het paradijs uit, en met hen de hele mensheid.
Want hun zonde is niet zomaar een zonde.
Het is een erfzonde, die samen met de kennis van goed en kwaad tot op de dag van vandaag van generatie op generatie wordt overgedragen.

Interpreteren we dit antieke verhaal conform de tijdgeest in non-dualistische zin dan staat de boom van de kennis van goed en kwaad voor het maken van onderscheid en het vellen van oordelen.
Het paradijs staat voor kinderlijke onschuld, zorgeloosheid, niet-oordelen, gewoon maar zijn en doen.
"Zalig zijn de eenvoudigen van geest", schreef Mattheüs al in het naar hem vernoemde Evangelie (11:25).

Een van de vele vragen waarop ik geen antwoord heb, is deze:
Voor wie is nou eigenlijk dat paradijs?
Niet voor degene die weet van goed en kwaad.
Die mag er niet in.
Ook niet voor degene die geen weet heeft van goed en kwaad.
Voor hem bestaat het paradijs niet, evenmin als de hel.
Aan hem is het niet besteed; hij zou het verschil niet weten.
Adam en Eva mogen er dan wel een blauwe maandag hebben gewoond, zodra ze het doorkregen werden ze eruit gezet.
Tel uit je winst.

Volgens mij staat het paradijs eeuwig leeg – is het althans nooit bewust bewoond geweest en zal het ook nooit bewust bewoond worden.
Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad dan wel?
Hoe zullen we het eens noemen, dit non-paradijs waarin je niet langer meent het aangezicht van God te aanschouwen of Zijn eeuwigdurende straf te ondergaan of voorgeborgen te zijn of door een vuur gelouterd te worden; dit ergens noch nergens waarin je niet langer iemand of niemand meent te zijn en geen idee meer hebt wat je moet doen of laten of waar je aan toe bent of wat je er allemaal van moet vinden of zelfs maar wat het is om ergens geen idee van te hebben?
Niet de hemel natuurlijk.
Niet de hel.
Niet het voorgeborchte.
Niet het vagevuur.
Het vage dan maar?

Of zullen we gewoon 'tja' zeggen als iemand ons vraagt waar we zijn?