Disclaimer

In memoriam

Weetnietkunde

Dwijsbegeerte of wijsbegeerte? Niet weten in de filosofie en de mystiek.





Weetnietkunde

Onder weetnietkunde versta ik de studie van niet weten in al zijn verschijningsvormen doorheen de geschiedenis van de mensheid.
Ik zeg het er meteen maar bij: zelfs in de weetnietkunde ben ik geen professor.
Veel verder dan wat er op deze pagina staat, reikt mijn kennis niet.
Mijn geheugen kennende zal mijn kennis spoedig veel minder ver reiken dan wat er op deze pagina staat.
Soit.
Iets is beter dan niets.
Of was het nou andersom?


Apatheia en ataraxia

Het stoïsche woord apatheia [Grieks, a, niet + pathè, emotie] betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.
Hiermee wordt niet zoals met het Nederlandse apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afgestomptheid of lusteloosheid bedoeld maar een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.
De intellectuele pendant van apatheia is ataraxia [Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken], letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik eveneens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.
Apatheia en ataraxia werden en worden door elkaar gebruikt en door sommigen als synoniem beschouwd.

Pyrronisme versus stoïcisme
Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is waarschijnlijk niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.
Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme, meer in het bijzonder het pyrronisme.
Apatheia bereikt de stoïcijn door het – binnen het radicale fatalisme van de Stoa – enige juiste oordeel te vellen, namelijk dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet, te weten, goed.
Ataraxia bereikt de scepticus door ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten, de zogeheten epoche.

Verlichting en nirwana
Apatheia en ataraxia zijn weliswaar Griekse woorden maar dat betekent nog niet dat het streven naar onverstoorbaarheid, als we het zo mogen noemen, typisch Grieks of westers is.
Boeddhistische en hindoeïstische beschrijvingen van nirwana (uitgedoofdheid) en moksha komen ongeveer op hetzelfde neer.
Zelfs wanneer er sprake is van "opperste gelukzaligheid" en "volkomen harmonie" blijkt men daarmee geen euforie, verrukking, vervoering of extase te bedoelen, die immers van voorbijgaande aard zijn, maar een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.

Wolken aan de hemel
Toch zijn er ook verschillen.
In de advaita vedanta en in het taoïsme bijvoorbeeld, komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën, maar om ze onaangedaan, als het ware van buitenaf, te ondergaan.
Rustig bezie je zelfs je heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn toneelspel.
Het is alsof je je hebt verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer en je in de eerste hebt teruggetrokken.
Je bent niet vrij van blijdschap, woede of verdriet maar je identificeert je er niet meer mee.
Je eigent je je lichaam, emoties, waarnemingen en gedachten niet meer toe.
Het is niet langer jouw pijn maar de pijn, niet langer jouw vooroordeel maar het vooroordeel, niet langer jouw jaloezie maar de jaloezie, niet langer jouw geluk maar het geluk.
Uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken langs als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren, of als een storm aan de oppervlakte die de diepzee onberoerd laat.

Het kennen van het gekende
Datgene wat niet verstoord wordt en ook niet verstoorbaar zou zijn – de hemel, de diepzee –  wordt gewoonlijk voor onbeschrijflijk gehouden, maar dat weerhoudt schijnbaar niemand ervan er woorden aan vuil te maken.
Zo spreekt men in het non-dualisme dikwijls van het kennen, het waarnemen of het beminnen (versus het gekende, het waargenomene en het beminde); in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, waaruit de verschijnselen voortkomen en waarin ze weer verdwijnen; in het zenboeddhisme van je ware aard of je oorspronkelijke gezicht; in het taoïsme van de tao; in de mystiek van god of het ene of de ziel (tegenover de geest en het gemoed).
Hierbij gaat het steeds om iets dat zelf op geen enkele wijze voor te stellen of te ervaren is, maar voor elk ervaren, voor elk voorstellen de absolute voorwaarde zou zijn.
Ongeveer zoals dingen alleen maar kunnen bestaan in een ruimte die zelf niet als ding aanwezig is, of alleen maar gezien kunnen worden doorheen een onzichtbaarheid zoals de lucht, de lege ruimte of glas.

Hiermee zijn we inmiddels aardig afgedreven van de apatheia en ataraxia van onze Griekse vrienden, die alleen maar verwezen naar de afwezigheid van respectievelijk emoties en verwarde gedachten.

Niet weten
Wat heeft dit alles te maken met niet weten, het onderwerp van deze website?
Niet weten is weliswaar aantoonbaar een ingrediënt van het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het zenboeddhisme, het taoïsme en de mystiek, maar ook niet meer dan een ingrediënt.
Geen van deze tradities kan beschouwd worden als een zuiver niet weten, want in een zuiver niet weten blijft geen enkel begrip, geen enkel ideaal en geen enkele methode overeind.
Aan een radicaal niet weten gaat alles te gronde – ook en vooral het niet weten zelf.

Zo weet ik bijvoorbeeld niet of er wel zoiets is als ataraxia of apatheia, en ook niet hoe ik de aanwezigheid van deze gemoedstoestanden bij mezelf zou moeten vaststellen.
Zou een actueel gevoel van innerlijke rust werkelijk een teken van apatheia zijn of gewoon een voorbijgaand gevoel hier en nu?

Ik heb geen idee of apatheia langs een bepaalde weg bereikt kan worden of niet.

Ik weet niet of ik niets kan weten, zoals de scepticus beweert, of dat ik zelfs dat niet kan weten, zoals de pyrronist beweert.

Ik weet niet of ik mijn oordeel op moet schorten, zoals de pyrronist adviseert, en ga er niet van uit dat dat kan (of niet kan).

Ik weet niet of alles wat gebeurt al van te voren vastligt, zoals de stoïcijn beweert, en ook niet hoe ik dat zou moeten vaststellen.

Ik snap niet hoe uit het stoïsche determinisme noodzakelijkerwijze volgt dat alles goed is zoals het is en niet, bijvoorbeeld, slecht of neutraal of onbestemd; en ook niet hoe het mogelijk is dat alle gebeurtenissen al vastliggen maar niet het oordeel daarover en de bijbehorende gevoelens.

Ik weet niet of ik de kenner ben of het kennen of het gekende of alle drie of geen van drieën en evenmin of het onderscheid daartussen bij nader inzien wel stand zal houden.

Ik weet niet hoe ik mij zou moeten verdubbelen in een waarnemer en een deelnemer en mij dan in de eerste zou moeten terugtrekken, en evenmin hoe ik mij daartegen te weer zou moeten stellen wanneer het mij toch overkwam.

Ik ken mijn ware aard niet en veronderstel niet dat ik die heb, maar ook niet dat ik die niet heb en ook niet dat ik het een dan wel het ander al dan niet zou kunnen bewijzen en ook niet dat iedere vorm van kennis een bewijs nodig heeft, of sommige vormen van kennis wel en andere niet, of wat dan ook.

Ook de of het tao ontgaat mij volledig, evenals god, het ene en de ziel en alle andere benamingen en omschrijvingen van de of het naar verluid onnoembare en onbeschrijflijke – tenzij juist dit ontgaan de wijze is waarop het zich aan mij manifesteert.
Maar ja, hoe stel je zoiets vast?.

Niet-weten betekent voor mij dus niet apatheia of ataraxia bereiken, het betekent niet weten waar apatheia en ataraxia nou eigenlijk voor staan, als ze al ergens voor staan, laat staan waarom ik ernaar zou streven – gesteld dat er een ik is die het voor het zeggen heeft, en een methode om ergens, waar dan ook, heen te gaan of weg te gaan of te verblijven of weg te blijven.

Voor mij betekent niet weten tja zeggen tegen apatheia en tja zeggen tegen ataraxia en tja zeggen tegen god en tja zeggen tegen verlichting en tja zeggen tegen nirwana en tja zeggen tegen niet weten.
Wie dit tja dan weer apatheia of ataraxia of god of verlichting of nirwana of niet weten wil noemen – ik zal hem geen strobreed in de weg leggen.

Maar voor mij hoeft het niet.


Absurdisme

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.
Hoofdkenmerk is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.
Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l'absence.

Hoewel het absurdisme laatstelijk floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), kondigde het zich al aan in in de taoïstische geschriften van Liezi, en bereikte het zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millenium in de Chinese Chan-literatuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan.

Voor de consequent volgehouden ontkenning kan men verder onder meer terecht bij de via negativa* van de mystici en in de advaita vedanta, vooral in de hedendaagse variant die steeds vaker aangeduid wordt met neo-advaita (Harding, Parsons), en waarvan de bijeenkomsten in elk geval op een nitwit als ik dan wel niet-ik bepaald absurdistisch overkomen.
Men krijgt er te horen dat de stoel stoelt en de klok klokt, en terecht, want als we toch al van de persoonlijke voornaamwoorden afzien kunnen we net zo goed de bezem door de werkwoorden halen.
Simplicity, simplicity, simplicity.
De betaler betaalt, de gek gekt en de realisatie realiseert.
Perfect.

Het absurde vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning en de scepsis in de twijfel aan zichzelf.
Het is precies deze zelfvernietiging die de kern van niet weten uitmaakt.
Dwijsheid laat zich daarom misschien wel het beste uitdrukken in de vorm van dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt opgevoerd.
Niet om te verwijzen naar het "absolute dat voorbij de woorden ligt", niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát.


Apofatisch, via negativa, neti neti

Het bijvoeglijk naamwoord 'apofatisch' is afgeleid van het Griekse apophasis, 'ontkenning'.
'Apofatisch' staat dus voor 'ontkennend' en wordt gebruikt om datgene aan te duiden wat je slechts kunt omschrijven door te zeggen wat het niet is – het onzegbare, het ondenkbare, het onbenoembare, het onuitsprekelijke, het ondefinieerbare, het ongrijpbare.

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa en in het hindoeïsme het neti neti  –- niet dit, niet dat.
God wordt bijvoorbeeld omschreven als kenbaar noch onkenbaar, immanent noch transcendent, bestaand noch onbestaand.
Ook van een denkmethode of een filosofie kun je zeggen dat zij apofatisch is.
Denk bijvoorbeeld aan de socratische vraagmethode of de postmoderne deconstructie.

Apofatisch zijn ook de uitdrukkingen van niet weten op deze site, die gewoonlijk bestaan uit een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen.
De apofase van niet weten heeft echter niet tot doel het ongrijpbare, het onzegbare, het onduidbare, het onkenbare aan te duiden maar de aandacht te vestigen op het niet grijpen, niet zeggen, niet duiden, niet kennen zelf, opgevat als – ja wat, proces, ervaring, activiteit, gebeurtenis of zo – maar in geen geval als toestand, resultaat of object.
Mijn dwaalteksten verwijzen niet naar iets transcendents boven en buiten zichzelf, zoals het absolute of het hoogste zijn, maar naar datgene wat ze doen.
Dwalen.
Ver dwalen.
Voor de doorsnee lezer een vieze tegenvaller, voor de schrijver een bron van vreugde en vertier.

Verwar 'apofatisch' niet met 'afatisch', het bijvoeglijk naamwoord van 'afasie', waarmee een neurologische taalstoornis wordt bedoeld.
Of weet je wat?
Doe maar wel.

Alle beetjes helpen.


Apeiron

Apeiron is Grieks voor datgene wat alleen apofatisch aangeduid kan worden als dit noch dat, te weten het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde, of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt maar waarvan men desondanks en/of juist daardoor zelfs niet kan zeggen dat het bestaat of niet bestaat.
In het algemeen lijkt apeiron te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke.
Deze duiding is niet apofatisch, waarvoor mijn excuus.

Bij Anaximander is het apeiron de 'oer', de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische atman of brahman.
Bij Parmenides is het apeiron het zijn zelf, het plenum.
Bij Aristoteles is het de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.
Bij Jezus is het apeiron de liefde, zou je kunnen zeggen, of het koninkrijk der hemelen.
In de advaita vedanta is het apeiron het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is, of beter: kenbaar noch onkenbaar.
Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles. In de christelijke mystiek is het apeiron de immanente God.
De zenboeddhist spreekt van het oorspronkelijke gezicht, Immanuel Kant van het Ding-an-sich, Heidegger van het onverborgen zijn (het aletheia), neo-advaita simpelweg van 'dit'.
Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit in het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat in plaats van het apeiron spreekt van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere.
Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens het postmodernisme restloos te bepalen.
Er zijn steeds nieuwe interpretaties mogelijk en niemand heeft het laatste woord, niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.
Niemand heeft het laatste woord, behalve het postmodernisme natuurlijk, wat dacht je dan.

Niet weten is geen postmodernisme, anders had ik deze website nooit gemaakt.
Zo neem ik, om maar weer voor mezelf te spreken, geen standpunt in inzake bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of welke kwestie ook.
Ik erken noch ontken de werkelijkheid, laat staan dat ik deze probeer te scheiden in een kenbaar en een onkenbaar deel die in een bepaalde relatie tot elkaar zouden staan of integendeel samen een ondeelbare eenheid vormen.
Niet dat ik daar iets op tegen heb, maar zo liggen de feiten.
Niet weten omheint niet en niet weten ontheint niet.
Van een apeiron is in niet weten sprake noch geen sprake.

Is niet weten dan misschien het apeiron zelf?
Natuurlijk staat het iedereen vrij om het zo op te vatten.
Voor mij is niet weten echter niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als realiteit of als bron, maar het niet bepalen zelf, opgevat als proces, als activiteit, als gebeurtenis – als de spontane en niet aflatende en nooit afdoende deconstructie van de constructies die zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen en opdringen.
Dan nog is niet weten niet de ijsbreker die zich een weg naar het apeiron baant maar het breken van het ijs zelf, zonder onderliggend motief, bovenliggend oogmerk of achterliggende reden.

Hoe apofatisch om niet weten zelfs niet als het apeiron of de weg daarheen te willen duiden.
Ik mag dan in diverse opzichten een schaamteloze uitslover zijn, in dit opzicht toevallig niet.
Ik wil niet-weten juist zo gewoon houden als het van nature is.
Niet weten behoeft geen krans, geen rechtvaardiging, geen verklaring, geen definitie, geen beoefening en geen toetsing.
Niet weten is gewoon niet weten.

Wie weet nou niet wat dat is?


Aporie

Een aporie [etymologisch onverantwoord ezelsbruggetje: a-, geen + porie , gat; iets waar je geen gat in ziet] is een onoplosbaar raadsel, meestal van filosofische, mathematische, theologische of spirituele aard.
Een voorbeeld van een aporie is: ik weet niets en dat ook niet.

Zoals ik met mijn dwaalgesprekken duidelijk probeer te maken, is de weg naar verlichting bezaaid met aporieën, waarvan de grootste wel de weg en de verlichting zelf zijn.

Gewoonlijk streeft men ernaar aporieën op te lossen of ze te omzeilen door het paradigma dat er aanleiding toe gaf te verlaten of te overstijgen.
In beide gevallen ziet men ze als een tijdelijk, overwinnelijk kwaad.
Ikzelf zie aporieën als tijdelijk noch overwinnelijk noch kwaad (noch eeuwig noch onoverwinnelijk noch goed).
Als ik al ergens naar streef, dan is het om ze onder de aandacht te brengen.
Of gaat dat ook al vanzelf?
Dan zal het ook wel vanzelf mislukken.


Asylum ignorantia


[Latijn asylum, vrijplaats + ignorantia, onkunde]



1. vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet weten




2. vlucht uit niet weten in de onnozelheid van de wereld


Athetisch

Het woord athetisch [Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling] betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.
Postmoderne teksten worden – soms pejoratief – athetisch genoemd wanneer ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Thesen in dwaalteksten brengen expres niets te berde.
Brengen ze toch iets te berde, dan alleen om voorafgaande stellingen tegen te spreken.
Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is.
Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – zij het gestileerde en verdichte – weergave is van het dwijze denken.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, dat zich misschien nog het beste laat vertalen als de lege stelling: de enige 'stelling' van de lege leer.


Categoriefout

We spreken van een categoriefout als je een idee, zoals 'universiteit', aanziet voor een ding, zoals een universiteitsgebouw, of vice versa, met alle problemen van dien.
Zo kun je je aan een universiteitsgebouw niet inschrijven, aan een universiteit wel, en kun je de universiteit niet schilderen, een universiteitsgebouw wel.
Volgens de Britse filosoof Gilbert Ryle berust het idee van de geest, en daarmee het hele cartesiaanse dualisme, op een simpele categoriefout.

Een ander voorbeeld van een categoriefout is niet weten, in dit geval meestal geschreven als niet-weten, opgevat als een ding, in het bijzonder als een onkenbare immanentie of transcendentie zoals kracht, energie, ether, bewustzijn, god of liefde, of als een bron, een werkelijkheid, een wet of een principe.
Voor mij is niet weten niet de ontkenning van een dergelijke grootheid per se maar wel de ontkenning dat het dat zelf zou zijn, of daar via het verstand of langs andere weg toegang toe zou hebben of geven.

In mijn woordenboek betekent niet weten gewoon dat je het (met name) op het gebied van de levensvragen allemaal niet meer weet.
Maar om dat nou een categoriefout te noemen...


Conditio tacita

In de argumentatieleer onderscheidt men de noodzakelijke voorwaarde, of conditio sine qua non, van de vanzelfsprekende, impliciete voorwaarde, de conditio tacita.
In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet.
Kenmerkend voor het normale denken is nu juist dat zelfs noodzakelijke, non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende.
Fenomenologisch gezien manifesteren mogelijkheidsvoorwaarden zich doorgaans zelfs helemaal niet.
Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en zonder stil te staan bij de mogelijkheid van enig voorbehoud.
Dat is wat het woord vanzelfsprekend betekent:
Stilzwijgend.
Ongedacht en onbesproken blijvend.
Tacita.

Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden 'waar' te maken, zo komt het mij soms voor.
Mijn schuldgevoel bijvoorbeeld verschijnt altijd en uitsluitend in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter discussie staat.
Voor zover ik dat introspectief kan nagaan, is die wereld er niet op voorhand; hij ontstaat – en vergaat – samen met, als context van, het schuldgevoel in kwestie.
Ik krijg hem er gratis bij, niet in de vorm van een uitgesproken vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek, maar in de vorm van een ongevraagd uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.

Ga maar na.
Volg een gedachte maar eens op de voet.
Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de gedachte zelf wordt meegeleverd?
Alsof hij zijn eigen mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin de (en het) gedachte eventjes kan bestaan?
Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de gedachte zelf en toch lijkt die wereld voor zolang het duurt – voor zo kort het duurt – tijdloos, constant, absoluut en onbetwijfelbaar.

Als deze beschrijving klopt dan zijn gedachten kosmogeen, wereldwekkend.
Ze maken zichzelf waar door stiekempjes een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun bestaansvoorwaarden voldaan is.
Ze zijn als het ware zwanger van de wereld die ze waarmaakt.
Ze zijn pregnant of zelfevident.
De wereld die de gedachte waarmaakt is zelfrijzend.

Het idee van de zelfvoorzienende gedachte doet denken aan het dier dat zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel en de mens de stad.
Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich thuis voelt, en de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar lijkt.

Is dit waar?
Zijn gedachten inderdaad wereldwekkend en selbstverständlich?
Zo ja, dan geldt dat ook voor deze gedachten en weten we nog niets.
Zo nee dan weten we nog niets omdat het niet waar is.
In beide gevallen zijn we niets opgeschoten.
Alle moeilijke woorden ten spijt.

Maar in ieder geval heb ik ze uitgesproken.


Cynisme

Cynisme is een radicaal ongeloof in alles en iedereen dat tot uitdrukking komt in spot, sarcasme en negativiteit.

Zelf geloof ik net zomin in geloof als in ongeloof, net zomin in alles als in niets, net zomin in iedereen als in niemand, net zomin in uitdrukken als in zwijgen, net zomin in spot als in lof, net zomin in sarcasme als in oprechtheid en net zomin in positiviteit als in negativiteit.
Zelfs in niet weten geloof ik niet – en geloof dat ook maar niet.

Zeg nou zelf, wat is daar cynisch aan?


Dialectiek

Dialectiek is het denken van these (stelling) via antithese (tegenstelling) naar synthese (samenstelling), waarna de laatste weer als these voor de volgende rondgang dient.
Dialectiek leidt volgens liefhebbers spiraalsgewijs van het bijzondere naar het algemene, van het relatieve naar het absolute, van het meervoudige naar het enkelvoudige, van het tegenstrijdige naar het harmonieuze.
Het zou een progressieve denkwijze zijn, die alleen maar kan eindigen in de hoogste waarheid.
Dat dezelfde methode in de loop der tijd tot steeds andere en grotendeels onverenigbare hoogste waarheden heeft geleid, heeft het vertrouwen erin nauwelijks geschaad.
In elk geval niet in religieuze en spirituele kringen.

In niet weten is het denken eerder regressief of digressief dan progressief.
De dwijze denkt eerder achterwaarts of zijwaarts dan voorwaarts.
Het dwijze denken leidt van het algemene naar het singuliere.
Van stelling naar nevenstelling of onderstelling.
Van het enkelvoudige naar het meervoudige.
Van werkelijkheid naar mogelijkheid.
Van het hogere naar het lagere.
Van conclusie naar premisse.
Van synthese naar paradox.
Van zekerheid naar twijfel.
Van antwoord naar vraag.
Van orde naar chaos.

Het dwijze denken leidt van weten naar niet weten, en vandaar naar een onbestemd denkend niet denken, waarin weten 'weten' is, niet weten 'niet weten', denken 'denken', niet denken 'niet denken', denkend niet denken 'denkend niet denken' en onbestemd 'onbestemd'.
Om over de dialectiek nog maar te zwijgen.


Dissensus

Dissensus is het tegenovergestelde van consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening.
Volgens Lyotard moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin je niet de waarheid najaagt maar slechts het verslaan van de tegenspreker.
Streefde het modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het postmodernisme streeft juist naar dissensus in de vorm van kleine verhalen die alleen maar een lokale geldigheid hebben.

Dwaalgesprekken kun je opvatten als taalspelen waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.
De een streeft naar consensus, de ander naar dissensus.
Dwaalgesprekken zijn een bijzonder geval van dwaalteksten, die er ongeacht hun vorm naar streven zichzelf tegen te spreken.

In zijn algemeenheid kun je niet weten opvatten als een radicale, niet aflatende dissensus waarin de dwijze ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Zelf heb ik geen bijzondere voorkeur voor dissensus.
Ik streef er in ieder geval niet naar.
Voor zover ik kan nagaan streef ik nergens naar, ook niet naar niet streven, noch weerstreef ik er iets mee.
Hoogstens constateer ik in mijn eigen denken en schrijven een sterke neiging tot dissensus.
Vooral met mezelf ben ik het graag oneens, hoewel...
Maar of dat ergens goed voor is?
Waarmee ik niet wil zeggen dat het nergens goed voor is.
Of toch?


Dogma

Een dogma is een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.
Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.
Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma's.
Aldus Van Dale.

Verstopt in deze definities zit een typisch westers verlichtingsideaal.
Ik doel op het idee dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke.
Deze zou zich hierin van dogmatische kennis onderscheiden dat zij voor rede vatbaar is.
Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens twee dogma's, namelijk het idee dat gefundeerde kennis mogelijk is en het idee dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen.

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden.
Niet weten is nou eenmaal de weg van het midden.
Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden.
Niet uit principe maar uit vermoeidheid; omdat er nog nooit eentje overeind gebleven is.
Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets te weten, in concreto voor iedere uitspraak die niet onmiskenbaar wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel uitmaakt of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.

Niet weten is niet anti-dogmatisch.
Dat kan ook niet want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma's is opnieuw een dogma.
Ik zou tenminste niet weten op welke gronden ik dat moest verdedigen.
Niet weten kunnen we eventueel adogmatisch noemen, dat wil zeggen zonder dogma's.
Opnieuw niet uit principe maar simpelweg als gegeven, als iets dat ik steeds opnieuw bij mezelf constateer.


Epoche

Aangezien volgens de Griekse wijsgeer Pyrrho ieder bewijs op onbewezen premissen berust, zou opschorting van ieder oordeel voor onbepaalde tijd de enige juiste wijsgerige houding zijn.
Deze consequent doorgevoerde opschorting heet in het Grieks epoche.

Helaas en/of/noch gelukkig berust de redenering waaruit volgt dat epoche de enige juiste houding is, zelf op onbewezen premissen, waaronder de aanname dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is, de aanname dat je moet doen wat logisch is, de aanname dat je vrij kunt kiezen om je oordeel al dan niet op te schorten en de aanname dat je dan beter af bent, of althans het juiste doet.
Is dat allemaal wel waar?
Eerst bewijzen zou ik zeggen, het liefst zonder nieuwe premissen, anders blijven we aan de gang.
Tot die tijd moeten we het oordeel dat we alle oordelen voor onbepaalde tijd moeten opschorten voor onbepaalde tijd opschorten.
En dit oordeel?


Existentialisme

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen waarin echte communicatie onmogelijk is en hij in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.

Heel wat mensen hebben mij al aangezien voor een existentialist.
Ten onrechte.
Tussen mijzelf en de existentialist gaapt een kloof die met geen worp, sprong of gedachtenvlucht te overbruggen is.
Om kort te gaan:

De existentialist weet dat er een wereld is, ik niet.
De existentialist weet dat deze betekenisloos is, ik niet.
De existentialist weet dat hij bestaat, ik niet.
De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, de wereld in hem), ik niet.
De existentialist weet dat er andere geworpenen zijn, ik niet.
De existentialist weet dat echte communicatie met de andere geworpenen onmogelijk is, ik niet.
De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, ik niet.
De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, ik niet.
De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen; ik niet.

Om verdere misverstanden te voorkomen:
Ik claim ook niet dat er géén wereld is.
Ook niet dat de wereld toch betekenisvol is.
Ook niet dat ik niet besta.
Ook niet dat ik niet in deze wereld geworpen ben.
Ook niet dat er geen andere geworpenen zijn.
Ook niet dat echte communicatie met andere geworpenen toch mogelijk is.
Ook niet dat ik niet gedoemd ben tot eenzaamheid.
Ook niet dat ik niet tot vrijheid veroordeeld ben.
Ook niet dat iemand of iets anders zin aan mijn bestaan kan geven of dat ik dat voor anderen kan doen.
Ook niet dat je dit allemaal niet kunt weten.

Existentialisme kun je dit niet noemen.
Hoe je wel moet noemen weet ik niet.
Daarom noem ik het niet weten.


Fideïsme

Fideïsme [Latijn, fides, geloof] is de doctrine dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven is.
Van menen te weten.
Niet alleen het religieuze weten maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Ikzelf geloof, meen of weet niets over weten, menen of geloven.
Zelfs niet dat ik daarover niets geloof, meen of weet.
Laat staan dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven zou zijn.


Gezond verstand

Onder gezond verstand verstaat men de verzameling van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel eens zijn.
Alle zaken dus die vanzelfsprekend, om niet te zeggen vanzelfschreeuwend zijn.
Volgens het gezonde verstand is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.
Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse filosofie ten einde raad het gezonde verstand in ere wilde herstellen is de common sense philosophy van Thomas Reid.
Een ongelovige filosoof die zijn eigen non-filosofie bolstert door die van de goegemeente te legitimeren.
Het moet niet veel gekker worden, zeg je?
Dan heb je buiten de waard gerekend.

Het gezonde verstand waarop velen zich beroepen gaat in niet weten niet verloren, maar komt wel in de lucht te hangen en verliest daarmee vanzelf zijn (on)natuurlijke gezag.
Voor mij, wie dat ook moge wezen, is het vooral vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook moge wezen, verbijstert, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.
Omgekeerd is het voor diezelfde mij, zo die al bestaat, al even verbijsterend dat diezelfde wereld, als er al zoiets is, desondanks vanzelf blijft spreken en zijn/mijn/onze/eenieders/niemands verbijstering onophoudelijk overschreeuwt.

Daardoor of desondanks verkeer ik niet langer in de ban van het gezonde verstand, maar evengoed wel, en in nog heviger mate, in dat van het ongezonde, of laten we zeggen kortgesloten verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt ook al stelt het geen enkel belang meer in de antwoorden, en zich nog steeds geroepen voelt de antwoorden die desondanks uit allerlei bronnen blijven opborrelen onophoudelijk te herroepen – ook deze.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere.
Kan het gekker?


Ignoramus et ignorabimus

De Latijnse uitdrukking ignoramus et ignorabimus betekent zoveel als 'wij weten niet en zullen nooit weten'.
Wie meent dat dit een geschikt motto zou zijn voor Hans van Dam heeft niet begrepen dat ik geen uitspraken doe, zelfs niet de uitspraak dat ik geen uitspraken doe.
Doe ik ze toch, wat onvermijdelijk schijnt te zijn, dan steek ik er mijn hand niet voor in het vuur.
Ook niet voor deze.
Laat staan dat ik er motto's op na houd.
Wat niet wil zeggen dat ik tegen uitspraken of motto's ben of ernaar streef ze niet te doen of te hebben, of dat ik erop tegen ben ergens op tegen te zijn.

Wat het dan wel wil zeggen?


Ignotum per ignotius; obscurum per obscurius

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent: 'het onbekende herleiden tot het onbekendere'.
Zij is gewoonlijk bedoeld als ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar kan ook opgevat worden als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Wanneer een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard?
Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht?
Daarvoor moet je bij de natuurkundige wezen, zeg jij dan.
Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk relativistisch verhaal over massa en tijdruimte of een ander volstrekt onbegrijpelijk quantumfysisch verhaal over gravitonen en higgs-velden.
Dit heet van kwaad tot erger.
Ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijk.
Integendeel.
De natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe.
Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgs-deeltjes.
Wat is de ontologische status van dit soort begrippen?
Daarvoor moet je bij de metafysicus wezen, zeg je.
Ik op zoek naar zo'n wezen, nergens te vinden.
Blijkt de hele metafysica op zijn gat te liggen.
En wat voor gat.
Zo zwart als wat.
Om nog maar te zwijgen over het feit dat zowel de doorijlende fysica zelf als wijlen de naijlende metafysica ongeacht hun resultaten, als ver schijnsel, als bezigheid, als bedrijf, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn.
Zeker in termen van hun eigen verklaringsmodellen.

Een soortgelijke Latijnse term is obscurum per obscurius – het herleiden van het duistere tot het meer duistere.


Kenleer

Misschien ben jij een van die mensen die denkt dat epistemologie – de filosofie van de grenzen van het weten – de beste weg naar niet weten is.
Maar is niet weten wel een bestemming, is er wel een weg naartoe – laat staan meerdere waarvan er een de beste is – en wil je die wel gaan?

Als weg naar niet weten maakt kenleer sowieso een valse start door van meet af aan van alles te veronderstellen.
Zo maakt het zonder enige rechtvaardiging onderscheid tussen weten en niet weten en tussen een kennend subject en een uitwendig object waarvan de kenbaarheid onderzocht moet worden.
Verder neemt het zonder meer aan dat natuurlijke taal een geschikt instrument is om epistemologisch onderzoek mee te verrichten en de grenzen van het weten mee uit te drukken, dat het gebruik van logica de geldigheid van de gebruikte redeneringen garandeert, dat je vanuit onbewezen premissen tot bewezen conclusies kunt komen en dat geldige redeneringen volstaan als het erom gaat jezelf en je medemens ergens van te overtuigen.

Stevige aannames voor een discipline die weetbaarheid tot thema heeft.
Eigenlijk zou de kentheoreticus deze veronderstellingen eerst moeten onderzoeken voordat ze tot uitgangspunt van epistemologisch onderzoek kunnen dienen.
Maar hoe pleeg je onderzoek zonder onderscheidingen?
Hoe druk je je uit zonder taal?
Hoe redeneer je zonder logica?
Hoe overtuig je zonder redenen?


Nihilisme


Sommigen houden jou voor een nihilist, Hans.

Sinds wanneer noem jij jezelf sommigen?

Bén jij een nihilist?

Nihilisme is nog altijd een strohalm.

Waaraan klampt de nihilist zich dan vast?

Aan de overtuiging dat er niets is om in te geloven.

Moet men dan alles maar loslaten?

Alles loslaten is nog steeds een strohalm.

Bedoel je dat we ook het loslaten moeten loslaten?

Het loslaten loslaten is nog steeds een strohalm.

Ben jij de strohalmen voorbij?

Dat zou opnieuw een strohalm zijn.

Blijft er dan helemaal niets over?

Nihilist.


Nominalisme


Nominalisme is de sceptische opvatting dat universalia (algemene begrippen), zoals 'woord', 'ruimte', 'hoofd', 'wolk', 'voet' en 'grond' geen werkelijkheidsgehalte hebben.
Alleen het singuliere bestaat echt.
Aangezien al onze kennis vervat is in universalia en deze volledig losstaan van particularia, weten we eigenlijk niets.
Het nominalisme verzet zich met name tegen de ideeënleer van Plato, die concrete objecten als armzalige aftreksels van zuivere ideeën beschouwde.

Hoewel het nominalisme vooral in de middeleeuwen opgeld deed, is het in de twintigste eeuw in een postmodern jasje opnieuw aan de orde gesteld, onder andere in de filosofie van de verwondering van Cornelis Verhoeven.

Problematisch aan het nominalisme is in de eerste plaats de status van het nominalisme zelf.
Is het slechts een loze naam of een reële entiteit?
'Werkelijkheidsgehalte', heeft dat wel enig werkelijkheidsgehalte of is het ook maar een woord?
'Universalia', bestaan die eigenlijk wel, of zwetst het universalium 'nominalist' hier in het universalium 'ruimte'?
Want Plato mag zijn hoofd dan wel in de wolken hebben, daarom heeft de nominalist nog geen voet aan de grond.


Perspectivisme

Wijdverbreid in filosofische en spirituele kringen is de relativistische opvatting dat wij de werkelijkheid alleen kunnen bezien vanuit een concreet en beperkt perspectief.
Weliswaar kun je volgens dit zogeheten perspectivisme van standpunt wisselen maar je kunt niet alle standpunten verlaten om de werkelijkheid te zien zoals ze van zichzelf is, noch bestaat er een bevoorrecht perspectief dat als laatste grond en toetssteen zou kunnen dienen.
Ieder perspectief is slechts een gekleurde bril, een koker, die ons een eenzijdig en incompleet beeld oplevert.
Iedere visie is een kokervisie.

Als je het mij vraagt is het perspectivisme zelf ook een beperkt en beperkend perspectief, en, voor zover het waar is, juist daardoor evenmin 'waar' of 'onwaar' als welk perspectief ook.

Maar ja, wie vraagt mij wat.


Postmodernisme

Het postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes.
Toch is met het postmodernisme het einde van het relativeren nog niet bereikt.
Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn, dan kunnen we op termijn een nieuw tijdperk tegemoet zien, dat we hier maar even het postpostmodernisme of gewoon het einde der tijden zullen noemen, waarin men zich niet meer in een volgend tijdperk waant, of terug in een vorig, of gevangen in een eeuwig heden, dat ook niet, en daaromtrent geheel vrij van verwachtingen en verlangens is.
Ook van de verwachting en het verlangen daaromtrent geheel vrij van verwachtingen en verlangens te zijn.
Daarmee zou het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zijn, evenals het doemdenken, zodat we ook niet meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren.
Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Het schijnt dat Baudrillard al in 1992 in Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd.
Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander: van de wereld (eschatologie), van de filosofie (scepticisme, pyrronisme), van de oorlog ("the war to end all wars") van de kunst (Arthur Danto), van het subject (advaita vedanta, zen), van het boek, van de roman, van de poëzie, van de schilderkunst, van de muziek, van de godsdienst, van de staat, van de geschiedenis (Francis Fukuyama), van het metaverhaal (Lyotard) en van de representatie (Derrida), om maar eens wat te noemen.
De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt endisme ("endism") genoemd, een psychiatrische term die zonder meer een plaatsje in een toekomstige DSM-versie verdient, als die er tenminste nog komt.

Naar verluid werkt voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn dood op 6 maart 2007 in alle rust aan een studie getiteld: Illusion de la fin de la fin.
Zelf werk ik aan een definitieve studie over het laatste woord, getiteld de illusie van het laatste woord.
Bij deze kondig ik ook het einde van het endisme aan, voordat iemand mij weer voor is, in de hoop ten minste één keer in mijn leven gelijk te krijgen.
Al is het maar postuum.


Quïetisme

Het quïetisme is een mystieke beweging uit de zeventiende eeuw gericht tegen de scholastiek en het dogmatisme, die zwijgzaamheid, niet denken, contemplatie en overgave predikt.
In ruimere zin staat quïetisme voor de gedachte dat de waarheid voorbij de woorden is, en zich alleen in daden laat uitdrukken.

Vanuit Wittgenstein's gedachte dat je moet zwijgen over datgene waarover je niet kunt spreken, kun je gemakkelijk tot de conclusie komen dat de dwijze in het algemeen, of toch tenminste Hans van Dam in het bijzonder, dan maar zijn mond dicht moet houden.
Deze conclusie berust op twee misverstanden.
Ten eerste weet Hans van Dam zelfs niet dat hij niet weet, ten tweede heeft Wittgenstein in zijn ijver de helft vergeten, namelijk dat je moet spreken over datgene waarover je niet kunt zwijgen.
Dus waarom zou uitgerekend Hans van Dam zijn mond moeten houden?
Laat Wittgenstein eerst zelf maar eens het goede voorbeeld geven.


Scepticisme

Van het scepticisme bestaan talloze varianten, die lang niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte, en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:
  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten en ook niet hoe je moet leven (radicaal scepticisme)
  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten maar wel hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis)
  • je kunt niets weten, behalve dat je niets weet (dogmatisch scepticisme)
  • je kunt niets zeker weten maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme)
  • je kent alleen de associaties van het verstand (Hume)
  • je kunt alleen iets weten doorheen de categorieën van het verstand, te weten tijd, ruimte, oorzaak en getal (Kant)
  • je kunt alleen weten wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.)
  • je kunt alleen bewustzijnsinhouden kennen (idealisme, bijvoorbeeld Bacon)
  • je kunt alleen maar de inhoud van je eigen bewustzijn kennen (solipsisme)
  • je kunt alleen maar weten hoe je iets moet doen (pragmatisme, Peirce)
  • je kunt alleen maar weten wat niet waar is (falsificationisme, Popper)
  • je kunt alleen maar iets weten voor jezelf (subjectivisme)
  • je kunt alleen maar weten wat in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf hypothese)
  • je kunt alleen iets weten binnen een gegeven context (contextualisme)
  • je kunt alleen iets weten binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme)
Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet weten?
Geen enkel.
Niet weten is 'tja' zeggen tegen ieder isme.
Omdat je van binnenuit niet anders kunt.
Dus ook tegen iedere vorm van scepticisme.
En ook tegen iedere vorm van niet-wetisme.
Dat is nog wel geen woord, maar dan weet u het vast.


Therapeutisch scepticisme

Volgens een variant van het scepticisme die tegenwoordig bekend staat als het therapeutisch scepticisme, is de hoofddoelstelling van de sceptische levenshouding ataraxie, volstrekte gemoedsrust.
De eerste westerse exponent van deze visie is naar verluid Pyrrho van Elis (360 - 275 voor Christus).
Die meende dat ataraxie te bereiken is door in te zien dat wij niets kunnen weten, zodat oordelen geen zin meer heeft en het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust komt.

Merkwaardig genoeg staat het therapeutisch scepticisme bol van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.
Om te beginnen is er het weten dat wij niets kunnen weten en, voor gevorderden, dat wij zelfs dat niet kunnen weten.
Vervolgens is er het weten dat dit besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk sereniteit, en niet, bijvoorbeeld, depressiviteit, apathie, agitatie, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets, al dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden.
Ten derde is er het idee dat wij meester over ons lot zijn en ervoor kunnen kiezen ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden teneinde tot het gewenste besef te komen.
Ten vierde is er het geloof in de suprematie van de rede, die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten wanneer wij eenmaal kennis nemen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Dat dit soort gedachten voor sommige mensen therapeutisch werkt, wil ik best aannemen, al behoor ik zelf niet tot die gelukkigen.
Maar wat er nou sceptisch aan is?


Verlichtingsdenken

In het postmodernisme wordt met de term "verlichtingsdenken" verwezen naar het rationele denken dat karakteristiek is voor de Verlichting (circa 1650-1900) en dat gebaseerd is op een groot vertrouwen in de rede en de vooruitgang.
De "grote verhalen" (Lyotard) van de twintigste eeuw, zoals het fascisme, de eugenetica, het socialisme en het communisme, gezamenlijk aangeduid als het modernisme, vertonen dezelfde kenmerken en worden daarom eveneens tot het verlichtingsdenken gerekend (maar natuurlijk niet tot de Verlichting).
Het postmodernisme wil niet alleen afrekenen met het modernisme maar met iedere vorm van rationalisme.
Vandaar dat het postmodernisme ook wel antiverlichtingsdenken wordt genoemd, en antirationalisme (wat overigens niet hetzelfde is als irrationalisme).

De term 'verlichtingsdenken' is ook geschikt voor een ander type denken, namelijk het geloof in spirituele verlichting waarbij je ontwaakt tot – ja, tot wat eigenlijk.
Tot de waarheid, de weg, een principe, een alomtegenwoordigheid, een hogere werkelijkheid, wat dan ook.
Tot een schokvrije rotsbodem waarop we eindelijk zekerheid en veiligheid vinden, onder meer aangeduid als de realiteit, non-dualiteit, de waarheid, nirwana, het absolute, het hart, de bron, energie, essentie, het ene, god, brahman, tao, het leven, bewustzijn, openheid, het kennen, het koninkrijk der hemelen, en zo meer.
Evenals het filosofische verlichtingsdenken is het spirituele verlichtingsdenken optimistisch van aard en behoort het tot de grote verhalen – ook al zijn ze vaker antiek dan modern.
Anderzijds ziet het spirituele verlichtingsdenken (net als de Romantiek) de ratio (het verstand, het denken, de geest, het ego, de mind) eerder als hinderpaal dan als instrument tot bevrijding.
Uitzonderingen zoals advaita vedanta, het Werk van Byron Katie en de autolyse van Jed McKenna daargelaten.

Het spirituele verlichtingsdenken kan afgezet worden tegen wat ik hier voor de duur van deze alinea mijn eigen verduisteringsdenken zal noemen.
Daarin is sprake is van een radicaal ongeloof in alle verhalen, groot en klein, inclusief het postmodernisme, inclusief het verhaal van het radicale ongeloof in alle verhalen, groot en klein.
Niet uit keuze of overtuiging, maar als gegeven, en slechts zolang het duurt.
Hoewel dit verduisteringsdenken nergens tegen gekant is, en we het dus ook geen antiverlichtingsdenken of antirationalisme kunnen noemen, zaagt het wel voortdurend aan de stoelpoten van het weten, en dan vooral aan het weten van een vaste grond onder onze voeten, dat karakteristiek is voor de verlichting, het modernisme en wat we hierboven het spirituele verlichtingsdenken hebben genoemd.


X

In de wiskunde wordt de letter X gebruikt om een onbekende grootheid aan te duiden.
Derrida gebruikt dezelfde letter voor wat hij semi-begrippen of halfbegrippen noemt.
Hiermee bedoelt hij met name postmoderne begrippen als differantie, deconstructie, hymen en parergon, die onzegbaar en ondefinieerbaar zouden zijn.

Halfbegrippen komen we ook tegen in de religie en de spiritualiteit, waar ze worden aangeduid met woorden en uitdrukkingen als god, tao, brahman, het ene, het absolute, het mysterie, dit, de bron, het eeuwige, het bewustzijn, boeddhanatuur en non-dualiteit.
Een van de meest universele spirituele doctrines luidt dat de waarheid onuitsprekelijk is en uitsluitend apofatisch kan worden gedefinieerd, dat wil zeggen, als dit noch dat.

Het onderscheid tussen begrippen en halfbegrippen wordt niet door iedereen onderschreven.
Het nominalisme erkent alleen particularia en houdt universalia als 'mens', 'levendbarend' en 'verandering' voor betekenisloos.
Sommige boeddhistische scholen gaan nog een stapje verder en houden alle begrippen voor leeg, dat wil zeggen, zonder wezen of substantie.
In deze visie heeft het onderscheid tussen hele begrippen en halfbegrippen natuurlijk geen zin meer.

Ikzelf erken of ontken geen enkel onderscheid tussen begrippen en aanverwante zaken zoals gevoelens, vermoedens, waarnemingen en handelingen, en ook niet tussen begrippen onderling.
Van mij mag ieder begrip X genoemd worden, waarmee ik echter niet wil beweren dat alle begrippen onzegbaar en ondefinieerbaar zijn, noch het tegendeel, noch iets ertussenin, noch iets anders.
Wat weet ik daar allemaal van?