EEN KLEIN STUKJE GESCHIEDENIS VAN HET SNEKER GASBEDRIJF

De Gemeentelijke Gasfabriek te Sneek trad op 1 oktober 1859 in werking. De fabriek was gelegen op een terrein binnen de oude stadsgrachten ter plaatse van het tegenwoordige Martiniplein. Het terrein mat ruim 16 are.

Op dit terrein stonden bij de oprichting een stokerij met vier ovens, een kolenmagazijn, een condensor, een wasbak, drie kalkkisten, twee gemetselde (en geteerde) gashouders en diverse pijpen en schoorstenen. De ovens waren vrij klein met 3, 4 of 5 retorten. In 1889 bestond de gasfabriek dertig jaar, een heuglijk feit, waaraan door een kleine brochure ruchtbaarheid werd gegeven. Het bleek dat de gasfabriek in die dertig jaar zo voorspoedig gegroeid was dat het toebemeten terrein aan het Zuidend te klein was. Er werden eerst nog wat naburige woningen gesloopt, maar voor een nieuwe gashouder met woning voor de bewaker moest in 1882 aan de overzijde van de stadsgracht een plaatsje worden gezocht. In 1899, toen de gasfabriek veertig jaar bestond, werd nog eens nadrukkelijk gememoreerd dat de gasfabriek te weinig vermogen had, wat o.a. daaruit bleek dat de zuivering van het gas op hoogtijdagen onvoldoende was. Voorlopig kwamen er een tweede stoomketel en een exhauster (afzuig-motor) bij. De eerste directeur was A. Breunissen Troost (ook bekend als sneker architect). Hij overleed in 1900 en werd opgevolgd door Nan de Boer, die daarvoor directeur van de gasfabriek te Assen was. Ook deze pleitte voor spoedige nieuwbouw. In de raadsvergadering van 13 april 1901 besloot de Raad tot nieuwbouw buiten de kom der gemeente namelijk in het “Geeuwdal” aan de latere Almastraat. Op 19 maart 1903 werd de nieuwe fabriek in gebruik genomen.
 De nieuwe gasfabriek in het Geeuwdal aan de latere Almastraat .
 
 
                                                    
                                    voorbeeld van een retortoven                                                                     Op de foto de zes mannen die de steenkool in zakken scheppen

                                                                                                                                                            o.a. Dotinga, H. Seinen, H. Visser en G. Faber.      

                                                                                                                                                            Fotoarchief: Fries scheepvaart museum Sneek

  
De fabrikage van kolengas.
De steenkool werd per boot aangevoerd, met een portaalkraan gelost en opgeslagen in een kolenbunker. Vandaar gingen de kolen via een kolenopvoerinstallatie (emmertjes aan een ketting) en een transportgoot naar de werkvloer op de eerste etage in het stook- en retortengebouw. De ovens beneden waren samengebouwd met de retorten erboven en vormden eigenlijk één geheel. Retorten zijn lange tunnels (ongeveer 5 meter lang en een halve meter in doorsnede), aan beide uiteinden afgesloten door zware deuren. Om deze tunnels was ruimte voor de vlammen van de ovens en ze waren voorzien van een afvoerpijp, waardoor het door de vlammen opgewekte gas werd weggezogen via een bak water (voor het ontteren van het gas) naar de koeltoren en zuiveringskist. Hierna ging het via een drukpomp naar de gashouder, waar het werd opgeslagen en via drukregelaars en diverse afsluiters naar de verbruikers geleid. Als het gas was weggezogen, gingen de deuren weer open. De hete massa cokes werd via de achterste deuren naar buiten geduwd. Daar werd er water op gespoten omdat de hete massa ontvlamde zodra er lucht bijkam. Via een transportgoot werd de inmiddels wat afgekoelde cokes naar beneden gebracht, gebroken en daarna weer als brandstof voor de ovens gebruikt. Wanneer de steenkool vergast werd bleef coke achter. 
                                                                                                                                                                                 De gasfabriek aan de Geeuwkade
                                                                                                                                                                                                                             met één van de twee gashouders.
                                                                                                                                                                                                                             Foto: archief J.W. Jellema
Het transport van de cokes.

De brandstof werd aan particulieren verkocht. In die tijd brachten 3 soms 4 personen vanaf de gasfabriek brandstof rond met de hondenkar. Eén van dezen was Geert Hakze. Het waren in die tijd bekende beelden in de stad. Toen had je twee soorten cokes nl. parel en geklopte. De geklopte ging het meest want dat was de goedkoopste. Winterdag had men het druk met rondbrengen. Ook scholen en gemeentekantoren werden voorzien.

Het was niet altijd even gemakkelijk als het glad was en bij de hoge brug  wachtte je op een beetje hulp. ’s Morgens kreeg je kaarten mee waarop stond hoeveel iemand had besteld. In de meeste gevallen was dat 1 of 2 mud. En als het geregend had, moest je met natte zakken werken, die werden dan ’s nachts boven de stokerij gedroogd. Destijds had je een houten bakje aan de kar, daar zaten de kaarten en het geld in, dat was toen nog vertrouwd. Wel was het toen zo, hoe meer je wegbracht hoe mooier het loonzakje.

 
 
Op de foto Geert Hakze met maar liefst 12 mud cokes.
bij de Lemmerwegbrug in 1935.           
Foto is uit het familie-archief van zoon Henk Hakze.       Bronnen: Gemeente Sneek, H. Hakze, J.K. de Vries.