Onder de Linden

IS ONDER DE LINDEN AAN DE MARKTSTRAAT

DE OUDSTE, THANS NOG BESTAANDE, HORECAGELEGENHEID VAN SNEEK?

 
Door Gerrit Boeijinga
 
 
Het interessante artikel “Van Nieuwe Plantagie naar ’t Ouwe Vat” van Geert van der Veer in het vorige nummer van
“De Waag” (Jaargang 11, 2009, nummer 1) wordt besloten met de zin
“Het is waarschijnlijk de in jaren aaneengesloten oudste horecagelegenheid van Sneek”. 
Deze zin riep een herinnering in mij op.
 
Enige tijd geleden kwam ik in Tresoar te Leeuwarden, in de informatieboeken van Sneek,  verklaringen tegen uit begin 1718, betreffende een aantal klachten van omwonenden vanwege overlast in en om de herberg De Oyevaer.1 Deze herberg was gelegen aan de Marktstraat tegenover de Waag en is thans onderdeel van serre-restaurant Onder de Linden en wel het rechtse, zuidelijke gedeelte. In genoemd jaar was Fettie Jans Mildammius, weduwe van Thijs Jans, herbergierse in de Oyevaer. Haar man, Thijs Jans, wordt in 1709 al als herbergier en bewoner van dit pand genoemd, wanneer Johannes Corvinus van Wilhelmus Augustinus Sloterdijk 2/5 gedeelte koopt van een huis aan de Marktstraat genaamd De Oyevaar.2 Enkele jaren eerder, op 29 januari 1706, kreeg Thijs Jans van de magistraat van Sneek een tapvergunning.3 Wat was er in 1718 aan de hand. Johannes Hansma, “Bedienaar des Goddelijken Woords”, Nicolaus Bijnema, meester boekbinder en verkoper, Johannes Corvinus, meester bakker en Adam Olingius, meester boekdrukker, allen te Sneek en omwonenden van genoemde herberg, verklaren ieder afzonderlijk op 24 januari 1718 voor de presiderende burgemeester Jacob Boorsma en de secretaris Albartus Jacobus Frieswijk van Sneek, dat er alle zondagsavonds en ’s nachts in de herberg van Fettie Mildammius veel geraas en rumoer wordt veroorzaakt door onenigheden. Er wordt op de viool gespeeld en er wordt gesprongen en gedanst. Dominee Hansma zegt dat hij niet weet wat voor andere onbehoorlijkheden zich daar binnen afspelen. Ook op straat is er ’s nachts vaak nogal wat gerucht;  er wordt gevloekt en gescholden en er vinden baldadigheden plaats. Hierdoor worden de omwonenden vaak in hun nachtrust gestoord, waarbij dominee Hansma, die schuin tegenover De Oyevaer woont, verklaart dat er een aantal malen hard op zijn deur werd gebonsd. Fettie Mildammius verklaart daarop dat er inderdaad zondagsavonds in haar huis op de viool wordt gespeeld en dat er wordt gedanst, maar zegt dat het beslist onwaar is dat er onbehoorlijkheden gepleegd worden en dat zij een ontuchtig huis houdt. Er worden in haar huis echter wel mensen beschonken, zoals dat ook wel in andere herbergen gebeurd. Ondanks deze verklaring besluit de magistraat van Sneek op 11 maart 1718, op grond van de geuite beschuldigingen, Fettie de tap te verbieden.4 Omdat Fettie zich niets aantrekt van het tapverbod wordt op 25 maart besloten haar nogmaals een verbod hiervoor op te leggen “bij poena (op straffe van) van een pond groot”(een pond groot vlaams was 6 gulden rekenmunt).5 Fettie laat het hier niet bij zitten en wendt zich tot het Hof van Friesland. Het Hof vraagt aan de magistraat van Sneek om informatie. Op 22 april 1718 worden de heren Wesselius en Frieswijk geautoriseerd om deze te verstrekken.6 Een proces werd echter niet gevonden, dus zal het waarschijnlijk niet zover zijn gekomen. Wegens het toch tappen en het zetten van gelagen wordt door de magistraat van Sneek op 15 jan. 1722 aan Fettie en boete opgelegd van 6 carolusgulden.7 Hoe het verder met al deze verwikkelingen is afgelopen is niet uit de archieven op te maken. In 1726 is Frederik Meijer herbergier in de Oyevaar en zal de zaak van Fettie Mildammius inmiddels wel een einde hebben gevonden.8 Uit nader onderzoek is gebleken dat al in 1692 in een koopakte de naam de Oyevaar als herberg voorkomt. Daarin wordt door Joannis Daversman, oud burgemeester van Sneek aan Dr. Wilhelmus Sloterdijk, advocaat voor het Hof van Friesland en oud secretaris van de stad Sneek, verkocht: 1/5 gedeelte van een huis “staende ende gelegen op de Merckstraet aldaer tegenover de butterwaeg alwaer tegenwoordigh de Oyevaer uithanght, bij Annius Siamburgh, herbergier en Grietje Roelofs eghtelieden als huijrders wordende bewoont”.9

 

Op een schilderij van Ype Staak uit circa 1750, voorstellende een gezicht op de Oosterpoort te Sneek gezien vanuit het noorden, zou de toenmalige herberg, thans ’t Ouwe Vat, zijn afgebeeld.10 Oudere gegevens van deze herberg zijn tot dusver niet gevonden. In 1721 vindt een proces plaats tussen de magistraat van Sneek en Duco Gerrolt Martena van Burmania, grietman van Wymbritseradeel. Dit proces gaat over de ophoging van het gangpad van steen en kiezel, met paaltjes afgezet, langs de ordinaire rijdweg naar Leeuwarden, lopende van de Oosterpoort te Sneek tot aan het convent Groendijk. Op de bij het proces behorende kaart van de situatie rond de Oosterpoort en langs de weg naar Leeuwarden, staat op de plaats van het huidige ’t Ouwe Vat een wagenhuis en het stadstimmerhuis aangegeven, zodat mag worden aangenomen dat een herberg daar pas later zal zijn gevestigd. 11 Onder de Linden heeft dus oudere papieren dan ’t Ouwe Vat, maar is echter niet in de loop der jaren aaneengesloten een horecagelegenheid geweest. Meer over de rijke historie van Onder de Linden is te lezen in het interessante, door Henk van der Veer geschreven, boekje “Onder de Linden aan de Markstraat” dat in 2005 werd uitgegeven.

 
Noten:

 1. Tresoar, Leeuwarden, Toegang 13-35, 9, 120v-122r.

 2. idem, Toegang 13-35, 207, 142v-143.

 3. Gemeentearchief Sneek OAS 5, 110v.

 4. idem, OAS 6, 83v.

 5. idem, OAS 6, 84.

 6. idem, OAS 6, 86.

 7. idem, OAS 7, 17v.

 8. idem, OAS 7, 50.

 9. Tresoar, Leeuwarden, Toegang 13-35, 189, 96v-97r.

10. Sytse ten Hoeve, Sneek in beeld 7 en 8 in: Sneeker Nieuwsblad 17 en 24 febr. 2000.

11.Tresoar , Leeuwarden , Toegang 14, 11020; uit de stukken van dit proces is de kaart echter gelicht en overgebracht naar Toegang  358, 10712.