William James

VORMEN VAN DE RELIGIEUZE ERVARING, 4e druk 2003

VORMEN VAN RELIGIEUZE ERVARING, 5e druk 2005

DE WIL OM TE GELOVEN, 1e druk 2007 

VORMEN VAN RELIGIEUZE ERVARING, 6e druk 2010

Studiedag, 8 april 2006
Jung en James - van religieuze ervaring naar radicaal empirisme
Lezing van Dr. Hein van Dongen
Dr. Hein van Dongen, lid van onze vereniging, heeft een zeer toegankelijke manier van spreken. Het leek alsof Hein zo voor de vuist weg zijn verhaal vertelde, maar in werkelijkheid hield hij zijn vooraf gekozen lijn voortreffelijk aan. Hij ging eerst uitgebreid in op het leven van de Amerikaan William James. Hij werd geboren in een rijke familie en leefde van 1842 tot 1910. Zijn vader Henry James sr. werd zeer kapitaalkrachtig door de drooglegging van de VS. Zijn oudere broer was de bekende schrijver Henry James jr. William voelde zich sterk aangetrokken door de kunsten en wilde graag kunstschilder worden. Hij deed enkele pogingen in die richting, maar ging uiteindelijk medicijnen en filosofie studeren aan de Harvard universiteit. Als student kreeg hij last van hevige depressies. Door pure wilskracht overwon hij deze. Dit maakte diepe indruk op hem.

James en Wundt


‘Ervaring’ en ‘wilskracht’ werden belangrijke thema’s welke resulteerden in de totstandkoming van het boek The Will to believe. In 1890 kwam het boek Principles of Psychology uit; een monumentaal werk dat een overzicht geeft van de psychologie tot dan toe. James hechte grote waarde aan meetbaarheid. Zo ook de Duitser Wilhelm Wundt (1832 – 1920), die aan de andere kant van de oceaan leefde. Beide mannen worden wel beschouwd als de vader van de psychologie. Beide claimen een psychologische laboratorium te hebben opgericht in 1875. Er zijn echter grote verschillen tussen de opvattingen van beide heren.
James had grotere belangstelling voor het procesmatige dan het inhoudelijke van het bewuste en was eerder functionalistisch dan structuralistisch. Het structuralisme is een theoretische benaderingswijze met als uitgangspunt dat niet direct waarneembare structuren ten grondslag liggen aan sociale verschijnselen. Deze structuren zijn verzamelingen van de relaties tussen de elementen waaruit de sociale werkelijkheid is opgebouwd. Wundt was een exponent van deze opvatting. James daarentegen bestudeerde hoe het brein werkte en noemde zijn benadering het functionalisme. Hierin legde James nadruk op wat iets doet. Hij vroeg zich bijvoorbeeld af wat het onbewuste doet en niet wat het is. James: ‘There is only one primal stuff or material in the world, a stuff of which everything is composed, and... we call that stuff pure experience.’

Wundt vond dat het brein, intellect, rede, begrip, etc. concepten zijn die al bestonden voordat de wetenschappelijke psychologie zijn intrede deed. Wundt verzette zich daarom ook tegen het boek Principles of Psychology. James had evenwel moeite met alle begrippen en theorieën. Volgens hem zijn bijvoorbeeld begrippen uit de theologie, zoals het absolute niet ervaarbaar. De ervaring is de toetssteen van alle concepten (radicaal empirisme). Alle verschijnselen moeten serieus genomen worden, maar het ‘idee’ moet worden getoetst aan de praktische consequenties.

Religie en radicaal empirisme

Als men bij mensen vraagt naar hun religieuze ervaringen, dan krijgt men een schat aan zeer verschillende verhalen te horen. Daaruit blijkt dat de religieuze ervaring veelvoudig is. James onderscheidde 2e hands religie, waarbij de mens afgaat op het religieuze verhaal/ervaring van de ander en deze navolgt en 1e hands religie waarbij de mens zelf de bron is van de religieuze ervaring. James wilde de laatste categorie pragmatisch onderzoeken. Zo ging hij de belevingskwaliteiten van de Godservaring bestuderen. Deze bleken zo divers, dat James concludeerde dat polytheïsme meer voor de hand ligt dan monotheïsme. Binnen de godsdienst wordt altijd de vraag naar de waarheid gesteld. Volgens James bestaat er niet iets zoals de waarheid. De mens werkt steeds aan de waarheid, hij heeft er een relatie mee. James beschrijft religieuze verschijnselen als bekering, heiligheid, mystiek, gebed, maar ook de rol van godsdienst op het gelukkig en ongelukkig zijn van de mens. Al deze bevindingen lezen we in zijn boek The varieties of religious experience (1902). Hij stelt hierin dat de religieuze ervaring het belangrijkste thema zou moeten zijn bij het bestuderen van religie, in plaats van het bestuderen van godsdienstige instituten. Deze vloeien slechts hieruit voort. Psychologen zouden juist de meest intense ervaringen (religieus, pathologisch of in andere zin) moeten onderzoeken. Deze ervaringen laten in uitvergrote vorm iets zien van het normale proces van de dingen. Hoewel James weinig op had met geïnstitutionaliseerde religie was hij van mening dat het hebben van een religieuze notie mensen in staat stelt een beter en vollediger leven te leiden.

Invloeden

Jung was al vroeg bekend met het werk van James. In Jungs boek Zur Psychologie und Pathalogie sogenannter occulter Phänonmene (1902) licht hij in zijn inleiding bestaande onderzoeksresultaten en casussen toe van o.a. William James en Théodore Flournoy. Jung was toen 27 jaar oud. In 1909 gingen Freud, Jung en Ferenczi op uitnodiging van de Clark University naar de VS om daar tijdens een symposium hun ideeën te presenteren en toe te lichten. Onder de deelnemers aan dit symposium bevond zich ook William James. Hij had twee korte persoonlijke gesprekken met Jung. En beide keren spraken zij over parapsychologie, spiritisme, geloofsgenezing en andere niet-medische toepassingen van de psychotherapie. Al aan het begin van het eerste gesprek was Jung ervan overtuigd dat hij in James een wetenschapper had gevonden die Flournoys ‘objectieve en verfijnde houding’ deelde.
Ook bleek naarmate het gesprek vorderde dat Jung en James ‘het geheel met elkaar eens waren wat betreft het belang van de religieuze factor in de psyche.’ Tot zijn vreugde ontdekte Jung dat zowel Flournoy als James zijn (=Jung) universalistische visie onderschreef’. Flournoy werd sterk beïnvloed door het pragmatisme van James. En op zijn beurt werd Jung beïnvloed door Flournoy. Vooral de manier waarop een patiënt moest worden benaderd, met liefdevolle, diepgaande aandacht voor diens levensverhaal. Jung interesseerde zich voor de samenhangen van de schizofrene fantasieën, en Flournoy hielp hem deze nog beter te begrijpen. Hij zag de problemen in hun geheel, en vooral: hij zag ze objectief. Flournoy heeft hem de afstand tot het object geleerd en hij moedigde Jung aan te streven naar het inpassen in een wijder verband. [HDG – C.G. Jung 1991, blz 324]

Jung en James

William James kon Jung niet de duidelijke theoretische standpunten en antwoorden verschaffen die hij nodig had, maar die hij tot zijn groeiende spijt nooit van Freud zou krijgen.’ [Jung een biografie – Deirdre Bair 2004; blz 195/196] Jung deed onderzoek naar een typologie. Dit resulteerde in 1921 in het boek Psychologische Typen, een onder zoek naar de persoonlijkheid in een poging om een verklaring te vinden voor de werking van het bewuste in verschillende mensen. Niet alleen zijn eigen verkregen inzichten en kennis kwam op schrift te staan, hij paste die ook toe op de gehele geschiedenis vanaf het klassieke denken tot en met de filosofie van William James, waarin hij vanuit verschillende invalshoeken een hoofdstuk besteedde aan de psychologische typen van James, vooral de karakteristieke tegenstelling ‘hard’ en ‘gevoelig’. [Jung een biografie – Deirdre Bair 2004; blz 292 en 328] 
James had grote moeite met concepten. Hoewel hij er van doordrongen was dat een mens altijd praat in concepten. Radicaal empirisme is ook een concept. James probeerde er echter zo min mogelijk gebruik van te maken. Hij was daarom ongevoelig voor het voor Jung belangrijke idee van bijvoorbeeld de quaterniteit. Hij was er van overtuigd dat als je de 4 als uitgangspunt voor een idee zou nemen, je deze 4 ook telkens bevestigd zult zien. Maar dat ditzelfde zou gelden als je de 7 als punt van vertrek zou nemen. Dit lijkt op een enorme tegenstelling tot de opvatting van Jung. Deze was zich echter zeer bewust van de betrekkelijkheid van de quaterniteitsidee in zijn typologie. Jung: ‘Het is een empirisch feit dat er precies vier zijn. De vier functies lijken op de vier windrichtingen van een kompas; ze zijn even willekeurig en even onmisbaar. Niets weerhoudt ons ervan om de windrichtingen een aantal graden te verschuiven de ene of de andere kant op. Of om ze nieuwe namen te geven. Het is slechts een kwestie van afspraak en duidelijkheid.’[Modern man in search of his soul – C.G. Jung 1933, blz 93-94]
Ook het concept van het onbewuste kon James niet onderschrijven. Voor hem bestond dit idee niet en was het gewoon een woord. Wat hem wel interesseerde en wat ervaarbaar was en daarmee een bron voor nader onderzoek, waren de inhouden (van dit onbewuste).
Jung maakte er geen geheim van dat hij een tomeloze bewondering had voor William James, maar erkende toch dat het pragmatisme hem een ‘nogal kil gevoel’ gaf. Het was gewoonweg ‘te zakelijk’. [Jung een biografie – Deirdre Bair 2004; blz 319 en 320]