WHO WE ARE‎ > ‎

Het Leven van de Heilige Antonius


Vita Antonii Abba's Iconografie Antoniusvuur Antonianen In de Kunsten Vieringen Orthodox Literatuur
Folklore Sint Antoon Saint Antoine Sant'Antonio San Antón Sankt Anton Saint Anthony
Adolphus Hilarion Paulus van Thebe Maria van Egypte Simeon de Pilaarheilige Christen Asceten


Het Leven van de Heilige Antonius

Jeugdjaren 251-270 Eerste ascetische periode 270-286 Kluizenaar in de woestijn 286-306 Leraar en wonderdoener 306-320 Toespraak tot de monniken Demonologie In de berg Kolziem 320-356 Wonderen Eigenschappen van Antonius Toespraken tot de Griekse filosofen Keizers, Arianen en nog meer wonderen Zijn sterven Uitspraken van en over Antonius: de "vaderspreuken"

Leven en gesprekken van onze Heilige Vader Antonius,
geschreven aan en gericht tot de monniken in den vreemde,
van de hand van onze heilige vader

Athanasius, Bisschop van Alexandrië.

[Geschreven in
356—362 n. Chr.]

Een edele strijd bent u aangegaan met de monniken in Egypte door uw voornemen hen te evenaren, of zelfs te overtreffen, in uw beoefening van de weg van de deugd. Want ook bij u bestaan er inmiddels kloosters en is de benaming monnik algemeen bekend. Terecht zal iedereen deze vastberadenheid dan ook prijzen, en zal God het, in antwoord op uw gebed, in vervulling doen gaan.

Athanasius die de Vita Anthonii aan het schrijven is. Liber vita sanctissimi Anthonii, 15e eeuw. Biblioteca Medicea Laurenziana, Florence.

U hebt mij gevraagd een verslag te geven van de levenswandel van de heilige Antonius. U wilde weten hoe hij met zijn ascese begonnen is, wat voor soort man hij daarvóór was, hoe hij zijn leven besloot, en of alles wat er van hem gezegd wordt, op waarheid berust, zodat u zich ertoe kunt brengen hem na te volgen.
Ik heb uw opdracht van harte aanvaard. Want alleen al de herinnering aan Antonius is voor mij zeer zinvol. En ik weet dat u, na alles te hebben vernomen, deze man zult gaan bewonderen en verlangen zijn vastberadenheid na te volgen. Want Antonius’ leven is voor monniken een uitstekend model wat betreft de ascese.
Weiger dus niet te geloven wat u heeft gehoord van hen die berichten over hem brachten; maar denk eerder dat zij u nog maar weinig hebben verteld, want in ieder geval zijn zij nauwelijks in staat geweest zulke grote zaken in al hun bijzonderheden te verhalen. En hoewel ik, op uw verzoek een aantal omstandigheden over hem in mijn geheugen opgeroepen heb en deze zoveel als mogelijk zal sturen wat ik in een brief kan vertellen, moet u niet nalaten degenen die u hiervandaan per schip bereiken, uit te horen. Maar zelfs als iedereen zijn verhaal verteld heeft, zal het totale verslag nog nauwelijks in verhouding tot zijn verdiensten staan. Toen ik uw brief ontving, wilde ik eerst enkele monniken ontbieden, die meer dan anderen gewoon waren hem veelvuldig te bezoeken, om zo een aantal nieuwe details te vernemen om u toe te zenden.
Maar het gunstige vaarseizoen liep ten einde en de brievenbesteller drong aan op spoed. Daarom heb ik voor uw vroomheid vlug opgeschreven wat ik zelf wist — want ik heb hem dikwijls bezocht — en wat ik van hem heb kunnen leren, want geruime tijd was ik zijn dienaar, ja, ik goot water over zijn handen.
Bij ieder feit was ik bedacht op de waarheid, zodat niemand ongelovig zou worden door te veel te horen, noch dat, van de andere kant, wie te weinig zou horen, de man zou minachten.
Master of the View of Ste-Gudule; St. Antonius, (ca. 1460-1480); The Bowes Museum, Engeland.
[1 Jeugdjaren 251-270] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
1. Antonius was, zoals u moet weten, een Egyptenaar van geboorte. Zijn ouders waren mensen van een goede familie die een aanzienlijk vermogen bezaten. #
Omdat zij christenen waren, werd hij in hetzelfde geloof opgevoed.
Als kind groeide hij op bij zijn ouders en behalve hen en het huis kende hij niets en niemand anders. Maar toen hij opgegroeid was en de jongensjaren bereikte, en ouder werd, kon hij het niet verdragen om te leren lezen omdat hij niets gaf om het gezelschap van andere jongens.

Zijn enige verlangen was om, zoals het over Jakobus geschreven staat, als eenvoudig man in zijn huis te wonen.
# Ik vermoed dat Athanasius hier de zaken wat overdrijft met dat "aanzienlijke vermogen". Want ik kan me niet voorstellen dat zij hun enige zoon dan geen betere opvoeding zouden hebben gegeven, ook al was hij dan een 'loner', zoals uit de volgende passage blijkt. Ze hadden hem een privé leraar kunnen bezorgen, zodat hij tenminste zou kunnen lezen en schrijven. Ook zouden zij als leden van een "goede familie" toch zeker Grieks gesproken hebben, de lingua franca in dat gebied voor al meer dan 500 jaar. Ik denk dus dat zij een vrije familie waren — dus geen slaven of dagloners — met een beetje bezit en dat Athanasius hun welvaart heeft overdreven om het offer van Antonius groter te doen lijken.
Maar dit beeld zal beklijven, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de afbeelding van Antonius op het schilderij
"De Roeping van Antonius"(links onder).
En ook tijdens missen t.g.v. de Antonius-viering wordt dit vaak benadrukt.
Hij ging gewoonlijk met zijn ouders mee naar de kerk. #
Als kind was hij niet lui, en ook toen hij ouder was, minachtte hij zijn ouders niet maar gehoorzaamde zowel zijn vader als zijn moeder. Hij was oplettend bij wat gelezen werd en onthield wat hij daarin aan nuttigs voor zichzelf vond. Als kind leefde hij in redelijke welvaart, maar toch viel hij zijn ouders niet lastig met vragen om allerlei luxe voedsel, want dit was voor hem geen bron van genot. Hij was gewoon tevreden met wat hij kreeg en verlangde verder niets.
# Het is enigszins vreemd dat er in zo'n klein gehucht als Come een kerk zou zijn en zeker in een tijd van intense Christenvervolgingen. Om de twee meest fervente christenvervolger te noemen die omstreeks zijn jeugd aan het bewind waren: Decius (249–251) en Diocletianus (284-305).
Het eerste jaar van de regering van Diocletianus is als "jaar der martelaren" bekend geworden en zelfs het begin van de Koptische jaartelling geworden.
De Romeinse christenvervolging kwam ten einde onder keizer Constantijn de Grote. Hij gaf de christenen vrijheid van godsdienst in 313 bij het edict van Milaan.
Dus hoe moeten we ons deze 'kerk' voorstellen?
Het zal zeker niet zo'n kathedraal zijn als
hier links afgebeeld op het schilderij
"De Roeping van Antonius"; uit 1530; Rijksmuseum Amsterdam.
Antonius is uitgedost in zeer kostbare kleren, en heeft een hoed in de hand die doet denken aan een kardinaalshoed. Op zijn borst hangt een kruis, niet zo goed zichtbaar, maar ik vermoed dat het een T-kruis is. Op de achtergrond deelt hij zijn bezittingen uit aan de armen (zie ook hieronder). Zou de centrale vrouwspersoon in het groepje links zijn zuster zijn?
2. Na de dood van zijn vader en moeder bleef hij alleen achter met een jong zusje. Hij was zo'n achttien of misschien twintig jaar toen hij de zorg voor het huishouden en zijn zusje op zich nam. Er waren nog geen zes maanden voorbijgegaan sinds de dood van zijn ouders toen hij eens zoals gewoonlijk naar de kerk ging en bij zichzelf nadacht over de apostelen, hoe deze alles achterlieten en de Verlosser volgden, (Mt 4,20 ) hoe anderen (Hand. 4,35 ) hun bezittingen verkochten en de opbrengst daarvan aan de voeten van de apostelen legden, zodat die kon worden verdeeld onder de behoeftigen, en wat voor groots hen in de hemel te wachten stond. (Kol. 1,5 ) # Antonius' keuze voor het kluizenaarschap, het 'vaarwel van de wereld', zou mijns inziens eerder bepaald kunnen zijn door de dood van zijn ouders dan door de boodschap die hij in "de kerk" vernam.
Zoals mij bij mijn sadhoe-research is gebleken, zijn het vaak juist dit soort traumatische ervaringen (verlies van ouders, echtgenote, kinderen, werk, huis) die iemand (zeker een jonge man net uit de puberteit gekomen) tot een dergelijk drastische stap aanzetten.
Terwijl hij daarover peinsde, ging hij de kerk binnen, en het kwam zo uit dat daar toen uit het Evangelie voorgelezen werd en hij hoorde hoe de Heer tot de rijke man zei: “Als je volmaakt wil zijn, ga dan heen, verkoop al je bezittingen, en geef het aan de armen. Kom dan hier en volg mij, en je zult een schat in de hemel hebben.” (Mt. 19,21 )
Alsof God zelf hem deze gedachten aan de heiligen ingegeven had en deze passage juist omwille van hem gelezen werd, ging Antonius onmiddellijk de kerk uit en schonk de bezittingen van zijn voorouders (dat waren meer dan acht hectare zeer goed en vruchtbaar bouwland) aan zijn dorpsgenoten, zodat deze voor hem en zijn zus geen blok aan het been meer zouden zijn. De roerende goederen verkocht hij ook allemaal en de aanzienlijke hoeveelheid geld die hij had vergaard, verdeelde hij onder de armen, maar hij hield wel wat achter ten behoeve van zijn zusje.
Op dit tableau in de kerk van Aalst is het moment afgebeeld dat Antonius zijn geld weggeeft en hij en zijn zus het ouderlijk huis verlaten.
[2 Eerste ascetische periode 270-286] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
3. Toen hij weer eens de kerk binnenging, en hoorde dat de Heer in het Evangelie zegt: “Maak je geen zorgen voor de dag van morgen,” (Mt. 6,34 ) kon hij niet langer blijven, maar ging naar buiten, en gaf ook die dingen aan de armen. Zijn zusje vertrouwde hij toe aan bekende en betrouwbare maagden, en deed haar in een nonnenklooster om haar daar te laten opvoeden.
Deze episode is vooral in de vorm van tableaux uitgevoerd, zoals we hierboven een voorbeeld zien, aan de buitenmuur van de kerk van Nukerke. Op dit schilderij van de 'Meester van de Osservanza' (Sano di Pietro?) uit c. 1430/1435, zien we Antonius die zijn geld weggeeft aan de armen — een weduwe met kinderen, een bejaarde vrouw, een blootsvoetse bedelaar, twee blinden. Op de achtergrond zijn paleis (!) te Siena (!).
Zelf wijdde hij zich voortaan buitenshuis aan de ascese, waarbij hij op zichzelf lettend, zich met geduld trainde. Er waren toen in Egypte nog niet zo veel kloosters en geen enkele monnik kende het hartje van de woestijn. Allen die aan zichzelf aandacht wilden besteden oefenden zich vlakbij hun eigen dorp in afzondering in de ascese. #
Welnu, in het volgende dorp woonde een oude man die van jongs af aan als kluizenaar had geleefd. ## Nadat Antonius deze man gezien had begon hij hem in zijn vroomheid te imiteren.
Aanvankelijk hield hij zich op in plaatsen buiten zijn dorp. Maar daarna, zodra hij hoorde dat er ergens
een goede man ### was, zocht hij hem op, zoals de verstandige bij dat doet. Hij keerde dan niet eerder terug naar zijn eigen plek voordat hij die man gezien had en van hem als het ware proviand voor zijn reis op de weg van de deugd had gekregen.
# De vraag is of deze eenzame asceten Christenen waren. Waren het geen Essenen, Therapeuten, Gymnosofisten?
Antonius was in ieder geval dus
niet de eerste asceet, misschien wel de eerste christelijke asceet, of misschien, volgens Athanasius dan, op zijn minst de eerste christelijke kluizenaar in de woestijn.
## En was deze
kluizenaar, de eerste guru van Antonius, een Christen?
### En waren deze guru’s Christenen?
Op die plek verbleef hij dus aanvankelijk om sterker te worden in zijn voornemen niet meer naar de woonplaats van zijn ouders terug te keren en ook de herinnering aan zijn verwanten uit te bannen, maar heel zijn verlangen en al zijn energie te richten op het verbeteren van zijn ascese. Hij werkte echter met zijn handen, want hij had gehoord: “Wie niet werkt mag ook niet eten.” (2 Tess. 3,10 ) Een deel van de opbrengst besteedde hij aan brood, de rest gaf hij aan de behoeftigen. Hij bad onophoudelijk, omdat hij wist dat men in stilte zonder onderbreking moet bidden. Hij was zo oplettend bij wat er gelezen werd dat hij niets van de geschreven woorden ter aarde liet vallen maar alles onthield, waardoor zijn geheugen daarna de plaats van boeken innam.
4. Omdat hij zich zo gedroeg, was Antonius bij alle mensen geliefd. Zelf onderwierp hij zich oprecht aan de goede mannen die hij bezocht, en hij bemerkte waar elk hem voorbijstreefde in ijver en ascese. Hij zag bij de een beminnelijkheid, bij de ander de onophoudelijkheid van het gebed. Hij observeerde bij de een de afwezigheid van woede, bij de ander menslievendheid. Hier trok de een zijn aandacht omdat hij waakte, en daar de ander omdat hij studeerde. Hij bewonderde de een om diens volharding, de ander om zijn vasten en slapen op de grond. Hij constateerde bij de een zachtmoedigheid, bij de ander lankmoedigheid. Hij bemerkte de vroomheid jegens Christus en de liefde jegens elkaar die allen bezielden.
De heilige Antonius die door de raaf gevoed wordt.
Een gebeurtenis die eigenlijk met Paulus van Thebe verband houdt. Philipp Uffenbach. 1590.
Daarvan vervuld keerde hij dan terug naar zijn eigen plek waar hij zich aan de ascese wijdde. Daarna beijverde hij zich ervoor om de eigenschappen die hij bij elk van hen gezien had in zichzelf te verenigen en verlangde ernaar bij zichzelf de deugden van allen zichtbaar te maken.
Hij was jegens zijn leeftijdsgenoten niet afgunstig, op één punt na: hij moest niet hun mindere lijken als het ging om de hogere dingen.
En hij deed het zo dat hij er niemand verdriet mee deed, maar dat de anderen zich over hem verheugden. Alle mensen uit zijn dorp en de goede mannen met wie hij intiem omging, noemden hem, als ze zagen dat hij zo'n soort man was, de ‘door God geliefde’, en sommigen groetten hem als hun zoon, anderen als hun broer.
5. De hater van het goede, de afgunstige duivel, kon het niet verdragen zo'n vastberadenheid bij een jonge man te zien, en alles wat hij gewoonlijk tegen anderen deed, trachtte hij nu ook tegen hem ten uitvoer te brengen. Hij probeerde hem allereerst van de ascese af te brengen door hem de herinnering aan zijn rijkdom in te fluisteren, de zorg voor zijn zus, de aanspraken van zijn familie, geldzucht, eerzucht, de diverse genietingen van het eten, de andere geneugten des levens, en tenslotte de moeilijkheid van de deugd en de inspanning die dat kost. Hij gaf hem ook te denken over de zwakheid van het lichaam en de lange duur van het leven. En zo wierp de duivel een hele stofwolk van gedachten op in Antonius' geest, omdat hij zijn vastberaden doel wilde beletten.
Maar toen de Vijand zag dat hij te zwak was voor de vastberadenheid van Antonius en dat hij eerder zelf het onderspit zou delven vanwege diens standvastigheid, vertrouwde hij, afgeslagen door het geloof en bezwijkend onder de aanhoudende gebeden van Antonius, uiteindelijk op de wapens ‘die in de navel van de buik’ zijn, en waar hij zich ook op beroemde. Dat is namelijk zijn eerste valstrik voor jonge mensen.
Alexandre Louis Leloir. De Verzoeking van Sint Antonius, 1871.
Hij viel de jonge man aan door hem 's nachts te verstoren en overdag lastig te vallen zodat toeschouwers de strijd opmerkten die er tussen hen plaatsvond.
De een kwam met onreine gedachten, en de ander bestreed die met gebeden. De een probeerde hem met begeerte in vlam te zetten, de ander, als iemand die leek te blozen, beschermde zijn lichaam met geloof, gebeden en vasten.
En de duivel, ongelukkig schepsel, bestond het zelfs de gestalte van een vrouw aan te nemen en al haar gedragingen na te bootsen, alleen om Antonius te verleiden. Maar hij, zijn geest gevuld met Christus en de adel van de ziel die Hij inspireert, doofde de gloeiende kolen van het bedrog van de ander. Nog eens hield de vijand hem het gemak van het genot voor, maar hij, als een man vervuld van woede en verdriet, richtte zijn gedachten op de dreiging van het vuur en het knagen van de worm en door deze in stelling te zetten tegenover zijn tegenstander, doorstond hij de verleiding ongedeerd.
Dit alles strekte alleen maar tot schande van zijn vijand. Want hij die had gedacht gelijk te zijn aan God (Gen. 3,5 ) werd nu door een jongeman bespot. Hij die zich erop beroemde boven vlees en bloed te staan werd door een mens van vlees en bloed op de vlucht gejaagd. De Heer werkte namelijk voor Antonius, Hij die voor ons vlees heeft aangenomen en het lichaam de overwinning op de duivel heeft gegeven. Daarom kan ieder die de strijd werkelijk voert, zeggen: “Niet ik, maar de genade van God met mij.” (1 Kor 15,10 )
Félicien Rops. La Tentation de St-Antoine, (1878). Bibliothèque Royale de Belgique
6. Tenslotte, toen de draak zelfs op die manier niet in staat bleek Antonius eronder te krijgen, maar moest toezien hoe hijzelf uit diens hart werd gestoten, knarsetandend — zoals het ook geschreven staat, (Ps. 112,10 en Marc. 8,18 ) — en als het ware buiten zichzelf, zo verscheen hij aan Antonius als een zwart jongetje, een zichtbare vorm aannemend die overeenkwam met de kleur van zijn geest.
En hij kroop zogenaamd voor hem en bestookte hem niet langer met gedachten, want hoe arglistig hij ook was, hij was verslagen, maar hij sprak tenslotte met menselijke stem en zei: “Ik heb velen misleid, velen neer geworpen, maar nu ik jou en jouw inspanningen net zo aanval als de anderen, blijk ik te zwak.”
Toen vroeg Antonius hem: “Wie ben jij, die daar zulke dingen tegen mij zegt?”
Hij antwoordde met klaaglijke stem: “Ik ben een vriend van de ontucht. Ik heb het op mij genomen om jongeren die kant op te lokken. Ik wordt dan ook ‘geest van ontucht’ genoemd. Hoe velen die kuis wilden leven heb ik wel niet op een dwaalspoor gebracht! Hoe velen die sober wilden leven heb ik wel niet misleid, hoe velen die kuis waren zijn door mij wel niet op andere gedachten gebracht door mijn aansporingen! Ik ben degene die de profeet bedoelt met zijn verwijt aan mensen die gevallen zijn: ‘De geest van ontucht heeft hen misleid.’ (Hos 4,12 ) Want het was door mijn toedoen dat ten val zijn gekomen. Ik ben degene die jou zo vaak heeft lastiggevallen maar even vaak door jou is afgeslagen.”
Antonius dankte de Heer en zei dapper tegen hem: “Je bent werkelijk een heel verachtelijk wezen, want je bent
zwart van geest en zwak als een kind. Voortaan heb ik geen last meer van jou. ‘Want de Heer is mijn helper, ik kan lachen om mijn vijanden.'" (Psalm 118,7 ) Toen de zwarte dat hoorde, sloeg hij direct op de vlucht, huiverend bij deze woorden en durfde niet langer zelfs in de buurt van die man te komen.
7. Dat was de eerste zege die Antonius op de duivel behaalde, of liever, dit was het werk van de Verlosser in hem, “Die de zonde veroordeeld heeft in het vlees want zo moest de eis van de wet vervuld worden door ons die geen zondig leven meer leiden, maar leven volgens de Geest.” (Rom 8,4 ) Maar toch werd Antonius in het vervolg niet zorgeloos en minachtte hij hem niet ook al was de Boze gevallen. En ook de Vijand, hoewel schijnbaar verslagen, hield niet op hinderlagen te leggen, want hij liep weer rond als een leeuw, op zoek naar een gelegenheid hem aan te vallen. (1 Petr. 5,8 ) Antonius, die uit de Schrift wist dat de listen van de Vijand talrijk zijn, (Ef. 6,11 ) beoefende ijverig de ascese en was erop bedacht dat, ook al had de duivel niet de kracht gehad om zijn hart door middel van lichamelijk genot te misleiden, hij zeker zou proberen om hem met een andere methode in een hinderlaag te lokken. Want de demon houdt van zonde.

Meer en meer beteugelde Antonius zijn lichaam en hield het onderworpen aan strenge tucht (1 Kor. 9,27 ) voor het geval hij bij toeval aan de ene kant gewonnen zou hebben, hij aan de andere kant neergetrokken zou worden. Zo besloot hij zich een strengere levenswijze aan te wennen. Velen waren verwonderd, maar hijzelf verdroeg de inspanning gemakkelijk. Want de geestdrift van de ziel, die al zo lang in hem huisde, had een juiste houding in hem bewerkstelligd zodat hij, na slechts een kleine inwijding van anderen gekregen te hebben, daarin een grote inzet betoonde.
Zijn nachtwaken ging zo ver dat hij dikwijls de gehele nacht slapeloos doorbracht. En dat niet één keer, maar vaak, tot de verwondering van velen. Hij at maar één keer per dag, na zonsondergang, * soms één keer in de twee dagen, dikwijls zelfs in de vier dagen. Zijn voedsel bestond uit brood en zout, zijn drank alleen uit water. Dat er van vlees en wijn geen sprake was, hoef ik niet eens te zeggen; immers, ook bij de andere geloofsijveraars zou men zoiets niet aantreffen. # * Eerst eten na zonsondergang was ook regel bij de Therapeuten, de zoekers van de wijsheid door Philo beschreven. Want, zeiden zij, "de geëigende tijd voor het mediteren is het licht, die voor de lichaamsbehoeften het donker." (Philo, De vita contemplativa, nr. 34)
De Esseniërs daarentegen aten op het vijfde uur (= elf uur 's morgens?).

# Hij was dus vegetariër.

Een biezenmat diende voor hem om op te slapen, maar meestal lag hij op de kale grond. Hij wees het zich insmeren met olie af, want het past niet dat jonge mannen die zich met inzet aan de ascese te wijden, zich bezig houden met dingen die het lichaam verwekelijken, zei hij. Ze moesten het laten wennen aan inspanningen, indachtig het woord van de apostel, “Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.” (2 Kor. 12,10 ) “Want,” zei hij, “de geestkracht van de ziel neemt toe naarmate de geneugten van het lichaam verminderd worden.”
Hij was tot de werkelijk wonderbaarlijke conclusie gekomen, dat vooruitgang in deugdzaamheid, en de wereldverzaking voor dat doel, niet gemeten moeten worden in tijd maar in het verlangen en de vastbeslotenheid.
Zelf dacht hij tenminste nooit aan de voorbije tijd, maar dag bij dag, alsof hij aan het begin stond van zijn ascese, vergrootte hij zijn inspanningen om vooruitgang te boeken, waarbij hij vaak de uitspraak van Paulus bij zichzelf herhaalde: “Vergetend wat achter mij ligt, strek ik mij uit naar wat voor mij ligt.” (Fil. 3,13 ) Ook hield hij zich deze woorden van de profeet Elia voor: “Zowaar de Heer leeft voor wie ik heden sta.” (1 Kon. 18,15 ) Hij placht op te merken dat Elia met het woord 'heden' de voorbije tijd niet wilde meten, maar dat hij als iemand die altijd weer opnieuw begint, zich beijverde om zich dagelijks weer zo voor God te presenteren als men voor God verschijnen moet, namelijk rein van hart, en bereid zijn wil te gehoorzamen en alleen aan Hem. Hij hield zichzelf altijd voor: de asceet moet altijd het leven van de grote Elia bekijken, alsof hij zijn eigen leven als het ware daarin gespiegeld ziet.
(Navolger van) Hiëronymus Bosch. Verzoeking van St. Antonius (c.1500-25) Museo del Prado, Madrid, Spanje
8. Aldus zichzelf een strenger regime opleggend, vertrok hij naar de grafkamers # die ver bij zijn dorp vandaan lagen. Hij droeg een van zijn vrienden op hem om de zo veel dagen brood te brengen en ging een van de grafkamers binnen. Nadat de ander de deur achter hem gesloten had, bleef hij alleen binnen.
De vijand kon dat niet verdragen en was zelfs bang dat hij binnenkort de woestijn met asceten zou vullen, en kwam op een nacht met een menigte demonen. Hij diende hem zo veel zweepslagen toe dat hij zonder nog iets te kunnen zeggen van de pijn op de grond bleef liggen. Antonius verzekerde dat de marteling zo buitensporig was geweest, dat geen slagen door mensen toegediend hem ooit zo hadden kunnen pijnigen.
De "grafkamer" waar hij verbleef was zeker geen doodskist zoals men zich wel in de Middeleeuwen voorstelde, maar zal meer geleken hebben op zo'n grafhuisje als hier rechts afgebeeld.
Necropolis van Bagawat. Meer hierover op pagina.
# De keuze voor deze grafkamers in de necropolis is natuurlijk niet toevallig. Daar hoopte hij ongetwijfeld geesten van overledenen tegen te komen; daar is hij op die manier dichter bij de hemel. Ongetwijfeld was dit ook toen al een oude traditie in Egypte, met zijn verering van de doden en het vaste geloof in een leven na de dood. (Zie ook pagina op deze site.)
Dit verblijf in de necropolis komt overeen met de Indiase ascetische praktijk van het verblijf op de shmashana, de crematieplaats, wat voor dezelfde reden, ook nog door hedendaagse sadhoes, gedaan wordt. Sadhoes die dit als kern van hun ascese nemen, worden aangeduid als Aghori's.
In de mythologie van Shiva wordt hiervan ook gewag gemaakt: het is zijn favoriete verblijfplaats waar hij de beste meditatie bereikt, in het gezelschap van geesten en 'demonen'.
Shmashana markeert het einde van de fysieke fase van het leven. De dood is een eerste vereiste voor elke nieuwe schepping, een 'sterven uit het leven' markeert het begin van het spirituele leven.

Smashan Tara, 1986
Robert Beer

Maar door Gods voorzienigheid — want de Heer laat degenen die hun hoop op hem vestigen nooit in de steek — kwam zijn vriend hem de volgende dag de broden brengen. Hij opende de deur en zag hem voor lijk op de grond liggen. Hij tilde hem op en bracht hem naar de kerk in het dorp waar hij hem op de grond legde. Veel van zijn verwanten en de mensen uit het dorp gingen om Antonius heen zitten als om een dode. Rond middernacht kwam Antonius bij zinnen en ging overeind zitten. Toen hij zag dat iedereen in slaap was gevallen en alleen zijn vriend nog wakker was, wenkte hij hem met zijn hoofd om naderbij te komen. Hij vroeg zijn vriend hem weer naar de grafkamers terug te dragen zonder iemand wakker te maken.

9. Hij werd dus door de man gedragen en, zoals hij gewend was, toen de deur gesloten werd, was hij binnen weer alleen. Staan kon hij niet vanwege de slagen, maar hij bad liggend op de grond. En na het gebed riep hij uit: “Hier ben ik, Antonius, ik vlucht niet voor jullie zweepslagen! Want zelfs al geven jullie me er nog meer, ‘niets kan mij scheiden van de liefde van Christus.’” (Rom. 8,35 ) Daarna zong hij de psalm “Al stelt zich een leger op tegen mij, mijn hart zal niet vrezen.” (Ps. 27,3 )
Deze dingen dacht en zei de asceet, en de vijand, die het goede haat, verbaasde zich erover dat hij zelfs na die slagen de moed had om terug te keren. Toen riep hij zijn hellehonden bij elkaar en zei woedend tot hen: “Jullie zien dat het ons niet gelukt is die man te stoppen met een geest van ontucht en met slagen, integendeel, hij daagt ons zelfs uit! We moeten hem op een andere manier aanpakken.”
Nu is het voor de duivel niet moeilijk om andere vormen aan te nemen.
Toen het nacht was geworden, maakten de demonen zo'n ontzettend lawaai dat het wel leek of die hele plaats door een aardbeving werd getroffen. De demonen leken de vier muren van zijn vertrek te doorbreken en erdoor naar binnen te komen, waarbij ze het uiterlijk van wilde beesten en kruipende dingen hadden aangenomen. Direct was de hele plek vol van gestalten van leeuwen, beren, luipaarden, stieren, slangen, adders, schorpioenen en wolven, en elk daarvan bewoog zich op zijn eigen manier.
De leeuw brulde en wilde hem aanvallen, de stier leek hem op de horens te willen nemen, de slang kroop naar hem toe maar kon niet bij hem komen, de wolf stormde op hem af maar werd tegengehouden. De razernij van al deze verschijningen tegelijk en het lawaai van hun geluiden was zeer angstaanjagend.
Antonius werd door hen geslagen en gestoken en daardoor kreeg zijn lichaam nog meer pijn te verduren. Maar onvervaard, en er nog waakzamer door, bleef hij liggen. Hij kreunde wel vanwege de pijn van zijn lichaam, maar helder van geest, en alsof hij de spot met hen dreef zei hij: “Als er enige kracht in jullie was geweest, dan was het genoeg geweest als er maar één van jullie was gekomen. Maar omdat de Heer jullie kracht gebroken heeft, proberen jullie me nu bang te maken door met z'n allen te komen. Het is echter een teken van jullie zwakheid dat jullie het uiterlijk van wilde beesten aannemen.” Hij sprak met kracht: “Als jullie het kunnen en macht over mij hebben gekregen, aarzel dan niet maar val aan! Maar als jullie het niet kunnen, waarom vallen jullie me dan tevergeefs lastig? Want het geloof in onze Heer is voor ons een zegel en een muur ter bescherming.”
Na vele pogingen knarsten zij met hun tanden tegen hem want (Hand. 7,54 ) ze hadden niet hem maar zichzelf voor schut gezet.

10. Ook op dat moment was de Heer de worsteling van Antonius niet vergeten maar schoot hem te hulp. Want toen hij omhoog keek, zag hij het dak als het ware opengaan en een lichtstraal naar hem neerdalen. De demonen waren plotseling verdwenen, de pijn in zijn lichaam was onmiddellijk opgehouden en het gebouw was weer intact. Toen Antonius deze hulp bemerkte en weer beter kon ademhalen, omdat hij van zijn pijnen verlost was, vroeg hij aan het visioen dat hem verscheen: “Waar was u? Waarom bent u niet direct bij het begin verschenen om mij het leed te besparen?” Toen kwam er een stem tot hem: “Ik was hier wel, Antonius, maar ik wachtte om jouw worsteling te kunnen zien. Omdat je nu stand hebt gehouden en geen nederlaag hebt geleden, zal ik voor altijd jouw helper zijn en jou overal beroemd maken.” Toen hij dat hoorde, stond hij op en bad. En hij ontving zo veel kracht dat hij merkte dat hij in zijn lichaam meer kracht had dan voorheen. Hij was toen ongeveer 35 jaar oud.
[3 Kluizenaar in de woestijn 286-306] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
11. Toen hij de volgende dag naar buiten ging, was zijn inzet voor de toewijding aan God nog groter. Hij ging naar de al eerder genoemde grijsaard toe en vroeg deze om samen met hem in de woestijn te gaan wonen. Toen die dat weigerde, zowel vanwege zijn leeftijd als ook omdat dat toen nog niet de gewoonte was, # vertrok hij zelf terstond in zijn eentje naar het gebergte. # Athanasius suggereert — zoals ik al eerder opmerkte — dat er in de tijd van Antonius nog geen kluizenaars in de woestijn vertoefden, wat niet correct is.
Zoals bijvoorbeeld blijkt uit het citaat van Philo hierboven, waren er in Egypte al ascetische groeperingen actief, lang voordat Antonius op het toneel verschijnt. En deze verbleven ook in de woestijn.
En er waren al asceten voor de door Philo genoemde Therapeuten en Essenen, en ook in de Egyptische woestijn, m.n. de gymnosofisten die door Apollonius genoemd worden, verre afstammelingen van de Indiase gymnosofisten.
Maar toen de vijand zijn ijver zag en hem daarin opnieuw wilde dwarsbomen, zorgde hij ervoor dat hij onderweg het schijnbeeld van een grote zilveren schaal te zien kreeg. Antonius doorzag echter de list van de hater van het goede. Hij bleef staan en ontmaskerde de duivel die in de schaal zat, door tot de schaal te zeggen: “Hoe komt nu een schaal in de woestijn? Over deze weg wordt niet gereisd en er is hier ook geen spoor van reizigers. De schaal is zo groot dat een val niet onopgemerkt zou blijven.
Ook zou degene die hem verloren is zijn teruggekeerd om hem te zoeken en hij zou hem hebben gevonden, want deze plek is verlaten. Dus dit is een list van de duivel. Hiermee kun je mijn plan niet dwarsbomen, duivel! ‘Laat dit maar met jou naar ten verderve gaan!’" (Hand. 8,20 ) Toen Antonius dat zei, loste de schaal op als rook voor een vuur.
12. Toen hij verder ging, zag hij niet slechts een schijnbeeld van goud, maar echt goud op de weg liggen. Ofwel de vijand liet hem dit zien, ofwel een hogere Macht beproefde de atleet en wilde zo aan de duivel laten zien dat hij niet taalde naar echt geld. Dit heeft hijzelf nooit verteld en wij weten er ook niet meer van dan dat het goud was wat hij zag. Antonius was verbaasd over de hoeveelheid, maar hij liep er zo snel langs alsof hij over vuur liep, en hij draaide zich niet meer om maar haastte zich verder met zo'n gezwinde spoed dat de plek verborgen bleef.
Sint Antonius Abt in verzoeking door een stuk goud. c. 1436, Fra Angelico, Museum of Fine Arts, Houston.
Meer en meer vastberaden haastte hij zich naar het gebergte. Daar trof hij, aan de overkant van de rivier, een verlaten fort aan dat al zo lang leegstond dat het vol zat met kruipend ongedierte. Daarheen verhuisde hij en ging hij er wonen.
De reptielen namen direct de wijk, alsof iemand ze wegjoeg. Hij barricadeerde de ingang en sloeg voor zes maanden brood op (zo doet men dat in de Thebaïs en vaak blijven die broden een heel jaar goed), en binnen had hij water gevonden. Daarna schreed hij binnen zoals men dat in het heiligdom van een tempel doet, en bleef hij alleen binnen, zonder naar buiten te gaan of iemand van de bezoekers te zien. Een lange tijd wijdde hij zich zo aan de beoefening van ascese, waarbij hij slechts tweemaal per jaar via het dak broden ontving.
13. Bekenden die hem kwamen opzoeken moesten vaak hele dagen en nachten buiten doorbrengen omdat hij hen niet toestond binnen te komen. Zij hoorden dan een geluid dat klonk als lawaaierige menigten die binnen veel herrie maakten en jammerkreten lieten horen en schreeuwden: “Ga weg uit ons gebied! Wat heb jij met de woestijn te maken? Jij kunt onze listen niet verdragen!” De mensen buiten dachten aanvankelijk dat er mannen met hem aan het vechten waren en dat die via ladders bij hem waren binnengedrongen, maar toen ze door een gat naar binnen keken, zagen ze niemand en beseften toen dat het demonen waren, en door angst bevangen, riepen ze Antonius.
Hen hoorde hij wel meteen, terwijl hij zich om de demonen niet bekommerde. Hij ging naar de deur en drong er bij de mensen op aan terug te gaan en niet bang te zijn. “Op deze manier,” zei hij, “maken de demonen hun schijnaanvallen tegen degenen die laf zijn. Jullie moeten je daarom met het kruisteken bezegelen en vol vertrouwen weggaan. Laat hen zichzelf maar voor gek zetten.”
De verzoeking van St. Antonius. Mathias Grünewald, (1510-1515); Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk.
Zij gingen toen weg, als met een wal omgeven door het teken van het kruis. Hij bleef achter en ondervond op geen enkele manier schade van de kwade geesten en hij liet zijn strijd tegen hen geen moment verslappen. Want het toenemend aantal visioenen van boven dat hem te hulp kwam en de zwakheid van zijn vijanden, verlichten zijn inspanningen in hoge mate en gaven hem nog meer ijver.
Voortdurend kwamen zijn bekenden hem opzoeken in de verwachting hem dood aan te treffen, maar dan hoorden ze hem zingen: “Laat God opstaan en laat zijn vijanden uiteengeslagen worden, laten degenen die hem haten vluchten van zijn aangezicht. Mogen zij verdwijnen zoals rook verdwijnt. Zoals was voor vuur smelt, zo zullen de zondaars voor Gods aangezicht omkomen.” (Ps. 68,2-3 ) En: “Alle volkeren omsingelden mij, maar in de naam van de Heer heb ik hen teruggedreven.” (Ps. 118,10 )
[4 Leraar en wonderdoener 306-320] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
14. Bijna twintig jaar leefde hij zo in afzondering een leven van ascese, zonder ooit naar buiten te komen en zonder vrijwel ooit door iemand gezien te worden. Daarna echter, toen velen het verlangen en de wil hadden gekregen zijn ascese na te volgen, forceerden enkelen van zijn bekenden de toegangsdeur, en toen kwam Antonius naar buiten, als uit een heiligdom waarin hij in de mysteriën was ingewijd en door God geïnspireerd. * * Dus als het ware in extatische toestand. Athanasius heeft geschriften van Pythagoras voor ogen gehad, zoals blijkt uit verschillende zinswendingen die daar eveneens voorkomen.
Toen werd hij voor het eerst gezien buiten het fort door degenen die hem kwamen bezoeken. Toen die hem zagen, verbaasde het hen dat zijn lichaam in dezelfde conditie was gebleven als vroeger. Hij was niet dikker geworden door gebrek aan beweging, maar ook niet vermagerd door het vasten en de strijd tegen de demonen. Hij was precies zoals ze hem ook hadden gekend voordat hij zich terugtrok. En bovendien was zijn ziel vrij van smet. Want die was niet verkrampt door verdriet, ook niet verweekt door plezier, noch bevangen door uitgelatenheid of neerslachtigheid.
Toen hij de menigte zag, raakte hij daarvan niet in de war, en toen zo veel mensen hem begroetten, raakte hij daarover ook niet uitgelaten.
Integendeel, hij bleef volkomen gelijk aan zichzelf, als iemand die door de Logos
* bestuurd wordt en in zijn natuurlijke staat verkeert. **
* De vertaling "Logos" past geheel in de christologische opzet van Athanasius. Logos betekent zowel woord als rede.
** De natuur bij de schrijvers uit deze tijd betekent altijd de ongerepte, niet door de zonde verlaagde natuur, de natuur zoals zij bij de schepping uit Gods hand is gekomen, want alles wat God schept is goed. Hoewel uitwendig gelijk gebleven, was Antonius inwendig geheel veranderd, herschapen, had hij de oorspronkelijke gaafheid herwonnen. Hier is sprake van een echte transfiguratie, een geestelijke gedaanteverandering. Een passage in de Vita van sublieme schoonheid!
Nu Antonius in de oorspronkelijke gaafheid hersteld is, bezit hij, evenals de eerste mens voor de zondeval, heerschappij over de schepping. Athanasius bewijst dit door onmiddellijk enkele wonderen te vermelden door Antonius verricht. Daarbij stelt hij echter uitdrukkelijk dat dit alles een genade was die Antonius dankte aan Christus.
Door hem genas de Heer velen die gekomen waren van lichamelijke kwalen en anderen verloste hij van kwade geesten. Hij gaf aan Antonius genade bij het spreken, zodat hij velen die bedroefd waren, kon troosten. Anderen, die ruzie met elkaar hadden, verzoende hij weer in vriendschap, en hij spoorde allen aan om niets ter wereld meer waard te achten dan de liefde tot Christus. Als hij sprak, bracht hij de mensen het toekomstige goed in gedachten en de liefde die God voor ons mensen heeft, “Hij die zijn eigen zoon niet gespaard heeft maar voor ons allen heeft overgeleverd.” (Rom. 8,32 )

Zo wist hij velen te overreden voor een kluizenaarsleven te kiezen. En zo ontstonden er sindsdien ook in het gebergte kluizenaarscellen en werd de woestijn als een stad bevolkt door monniken die van hun eigen bezittingen en volk waren weggetrokken en zich ingeschreven hadden voor het burgerschap in de hemelen. (Vgl. Fil. 3,20 )
De Thebaïde
Gerardo di Jacopo Starnina. ca.1400. Officia, Florence.
Al deze bovenstaande gebeurtenissen worden door Gibbon in een paar alinea's samengevat:
Egypte, de vruchtbare ouder van het geloof, leverde het eerste voorbeeld van kloosterleven. Antonius, een ongeletterde jongeman uit het zuidelijke deel van Thebaïs, verdeelde zijn bezittingen, verliet zijn familie en het huis waar hij was geboren en kweet zich met nooit eerder vertoond en onverschrokken fanatisme van zijn monastieke boetedoening.
Na een lang en moeizaam noviciaat tussen de tombes en in een tot ruïne vervallen toren trok hij onvervaard drie dagen lang door de woestijn ten oosten van de Nijl, ontdekte een afgelegen plek die schaduw en water bood en vestigde zich ten slotte op de Colzim, waar een oeroud klooster nog steeds de naam en nagedachtenis van de heilige in ere houdt.
De nieuwsgierigheid en toewijding van de christenen achtervolgden hem tot in de woestijn, en toen hij zich in Alexandrië noodgedwongen aan de blikken van de mensen blootstelde droeg hij zijn faam bescheiden en waardig.
Hij sloot vriendschap met Athanasius, wiens leer zijn goedkeuring kon wegdragen, en sloeg, hoewel hij slechts een Egyptische boer was, een eerbiedige uitnodiging van keizer Constantijn af.
De respectabele patriarch (want Antonius bereikte een leeftijd van honderdvijf jaar) was nog getuige van het talrijke nageslacht dat hij met zijn voorbeeld en zijn lessen had verwekt. De omvangrijke kolonies monniken groeiden snel in de woestijn van Libië, op de rotsen van Thebaïs en in de steden aan de Nijl. Ten zuiden van Alexandrië woonden er op de berg en in de aangrenzende woestijn van Nitria vijfduizend anachoreten, en de reiziger kan nog steeds de ruïnes van vijftig kloosters bezoeken die op die kale bodem door de discipelen van Antonius zijn gesticht.
15. Om zijn broeders te bezoeken moest Antonius eens het kanaal van Arsinoë * oversteken, maar dat kanaal zat vol met krokodillen. Hij sprak eenvoudigweg een gebed uit en toen stapten hij en zijn metgezellen het water in en bereikten ongedeerd de overkant.
Terug in zijn kluizenaarscel hernam hij zijn verheven en actieve inspanningen. Door regelmatige gesprekken versterkte hij de inzet van hen die reeds monnik waren, en bij de meeste anderen wist hij een verlangen naar een ascetisch leven op te wekken. En door de aantrekkingskracht van zijn woorden kwamen er spoedig zeer veel kluizenaarscellen bij, en hij leidde allen als een vader.
* Arsinoë is een stad aan het Moëris-meer, niet ver van Pispir. In de tijd van de geschiedschrijver Herodotus (±400 voor Christus) heette de stad Krokodilopolis. In de Sahidische vertaling heet zij Piom, tegelijk de naam van het hele gewest, waaruit zich de huidige naam Fajoem ontwikkeld heeft. Het kanaal verbond de stad met een zijarm van de Nijl en aldus met Egypte. Op dezelfde hoogte, maar aan de overzijde van de Nijl, ligt Pispir, een afstand van 80 km. Dit is de eerste plaatsaanduiding in de Vita.
[4.1 Toespraak tot de monniken] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
16. Toen hij op zekere dag naar buiten ging, omdat alle monniken zich bij hem verzameld hadden en hem verzochten om een woord van hem te mogen vernemen sprak hij in het Egyptisch tot hen:
Saint Antoine enseignant les anachorètes de la Thébaïde.
Auguste Leroux. Louvre.

Mij dunkt, een zeer realistische weergave. Antonius in lompen gekleed, ongewasen, onverzorgd. Zijn rug warmend in de zon.
Een schedel op de grond naast hem; een mand die hij aan het vlechten is.
Een hertje, in plaats van een varkentje, wat natuurlijk meer op zijn plaats is in de woestijn van Egypte, dat ook aandachtig luistert.
“Hoewel de Schriften op zichzelf voldoende zijn om ons te onderrichten, is het toch ook goed dat wij elkaar aansporen in het geloof en opwekken met onze woorden. Legt daarom al wat u weet voor aan mij, zoals kinderen dat aan hun vader doen, dan zal ik, als oudste, u laten delen in mijn kennis en wat de ervaringen mij geleerd hebben.
Op de eerste plaats moeten wij ons allen gezamenlijk erop toeleggen om, eenmaal begonnen, niet op te geven, niet te versagen bij moeilijkheden en niet te zeggen: "We hebben al zo lang de ascese beoefend." Neen, we behoren, alsof we pas beginnen, elke dag onze ijver te vergroten. Want het mensenleven is uitermate kort, als we het afmeten naar de toekomstige eeuwen, terwijl al onze jaren niets zijn vergeleken bij het eeuwig leven. In de wereld heeft elk ding zijn prijs en in feite ruilt men dus het een gelijk aan het ander, maar de belofte van het eeuwige leven wordt gekocht voor een kleinigheid. Er staat immers geschreven: ‘De dagen van ons leven zijn zeventig jaar, en voor hen die sterk zijn, tachtig, en wat daar bovenuit gaat, is last en lijden.’ (Ps. 90,10 )
Welnu, als wij al die tachtig, of zelfs honderd jaar in onze ascese leven, dan is het niet zo dat wij slechts honderd jaar als koningen zullen heersen, maar in plaats van honderd jaar zullen wij voor altijd en eeuwig heersen. En hoewel wij op aarde gestreden hebben, is het niet zo dat wij op aarde erven, maar in de hemel wacht wat ons beloofd is. En, na een vergankelijk lichaam te hebben afgelegd, krijgen wij het onvergankelijk terug. (Vgl. 1 Kor. 15,42 )
17. Daarom, kinderen, laten wij niet versagen en niet menen dat het lang duurt, of dat we iets groots verrichten. Want het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die ons geopenbaard zal worden. (Rom. 8,18 ) Laten we, als we naar de wereld zien, niet denken belangrijke dingen verzaakt te hebben, want de hele aarde is allernietigst ten opzichte van geheel de hemel. Als wij dan al meesters van de hele aarde zouden zijn en alles opgeven, dan had dat nog niets te betekenen in vergelijking met het koninkrijk der hemelen. Niemand kijkt neer op een koperen drachme, als hij er honderd gouden drachmen mee verdienen kan. Dus als iemand meester van de hele aarde zou zijn en die zou verzaken, dan geeft hij maar een luttel beetje op om het honderdvoud te ontvangen. Als zelfs niet de hele aarde gelijkwaardig is aan de hemel, dan is het voor iemand die een paar hectaren opgeeft eigenlijk alsof hij niets achterlaat, en al gaf hij een huis of veel goud op, dan mag hij daar niet groot op gaan, noch neerslachtig zijn.
Verder moeten we maar bedenken dat we de zaken, die we niet uit deugd kunnen loslaten, later bij ons sterven achterlaten aan personen aan wie we ze niet gunnen, zoals de Prediker dat voorhoudt. (Vgl. Pred. 4,8 ) Waarom ze dan niet uit deugd achterlaten, ten einde het Koninkrijk ermee te beërven? # # Een bijna cynische aanbeveling
Niemand onder ons late dus de begeerte in zich toe om iets te bezitten, want wat winnen wij met het verwerven van dingen die we toch niet kunnen meenemen? Laten we liever zulke zaken verwerven die we wel kunnen meenemen, zoals verstandigheid, rechtvaardigheid, matigheid, moed, begrip, liefde, goedheid voor de armen, geloof in Christus, lankmoedigheid en gastvrijheid. Als we dat alles bezitten, zullen we merken dat zij voor ons een gastvrij onthaal bereiden in het land van de zachtmoedigen. (Vgl. Ps. 37,11 )
18. Zulke overwegingen mogen iemand zichzelf ervan overtuigen het niet te licht op te vatten, vooral niet als hij bedenkt dat hij een dienaar van de Heer is en dus zijn Meester behoort te dienen. Een dienaar waagt het toch ook niet te zeggen: ‘Gisteren heb ik gewerkt, vandaag doe ik dus niets!’ en uitgaande van het verleden, geen werk in de toekomst uit te voeren, maar zoals in het Evangelie staat, hij toont elke dag dezelfde bereidheid om zijn Heer te behagen en risico te vermijden. Evenzo moeten wij elke dag vastberaden zijn in onze ascese en weten dat, als we ook maar één dag onverschillig zijn, de Heer het ons niet zal vergeven ter wille van de voorbije tijd, maar dat Hij onze nalatigheid ons zeer kwalijk zal nemen. Zo hebben wij dat gelezen bij Ezechiël, (vgl. 18,24-26 en 33,12-13 ) zo verspeelde Judas wegens één enkele nacht alle inspanningen van de vroegere tijd.
Leonora Carrington, De verzoeking van St. Antonius (1947); Privé Collectie
19. Laten we dus in onze ascese volharden, kinderen, en niet onverschillig zijn. Want daarin is de Heer onze medewerker, zoals er geschreven staat: ‘Met allen die het goede bovenaan stellen, werkt God mee ten goede.’ (Rom. 8,28 ) Om niet achteloos te worden is het goed het woord van de Apostel te overwegen: ‘Dagelijks sterf ik.’ (1 Kor. 15,31 ) Want als ook wij leven alsof we elke dag sterven, zullen we niet zondigen.
De betekenis daarvan is: wanneer we dag na dag opstaan, moeten we ervan uitgaan dat we de avond niet halen, en eveneens, wanneer we gaan liggen om te slapen, moeten we denken dat we niet meer zullen opstaan. Want ons leven is van nature onzeker en het wordt ons elke dag door de Voorzienigheid toebedeeld.
Als we zo ons dagelijks leven vormgeven, zullen we niet in zonde vervallen of enige begeerte ergens voor hebben, noch enige wraak jegens iemand koesteren, noch schatten verzamelen op aarde. Omdat we dagelijks de dood verwachten, zullen we zonder rijkdommen zijn en alles aan iedereen vergeven.
Evenmin zullen we enige begeerte naar vrouwen of enig ander onrein genot # behouden, maar we zullen ons ervan afwenden als van iets dat voorbij is, voor altijd strevend naar de dag van het oordeel en die blij tegemoet ziend. Want de verschrikking en het gevaar van foltering (van de hel) verpesten het plezier van het genot en zij roepen de ziel, als die lijkt te bezwijken, weer tot de orde. # Wanneer toch werd seks onrein en de vrouw een bedreiging?
20. Nu wij eenmaal de weg naar de deugd ingeslagen hebben, moeten wij ons nog meer inspannen om de dingen te bereiken die voor ons liggen. (Vgl. Fil. 3,13 ) En laat niemand zich omkeren zoals de vrouw van Lot deed, (Gen. 19,26 ) vooral niet omdat de Heer heeft gezegd: ‘Wie de hand aan de ploeg geslagen heeft en zich omkeert om achterwaarts te zien, hoort niet thuis in het Rijk der hemelen.’ (Lc. 9,62 ) Zich omkeren is juist hetzelfde als spijt krijgen en opnieuw zinnen op wereldse zaken.
Wees niet bevreesd als u over deugd hoort en niet verbaasd bij dat woord. Want deze is niet ver van ons, noch is die buiten ons, maar die is binnen ons, en is zelfs gemakkelijk als we maar bereid zijn. Grieken leven in het buitenland en steken de zee over om de wetenschap te vergaren, maar wij behoeven ons huis niet te verlaten om het Rijk der hemelen te bereiken, of de zee over te steken ten behoeve van de deugd. De Heer heeft ons al op voorhand gezegd: ‘Het Rijk der hemelen is in u.’ (Lc. 17,21 ) En dus heeft de deugd van onze kant alleen bereidheid nodig, aangezien zij in ons is en door ons gevormd wordt. Want wanneer het spirituele vermogen van de ziel in haar natuurlijk staat is, wordt deugd geschapen. En het is in haar natuurlijk staat als het blijft zoals het geschapen werd, en toen het geschapen werd, was het zuiver en buitengewoon deugdzaam. Daarom gelastte Jezus, de zoon van Nave, het volk: ‘Richt uw hart op de Heer, de God van Israël.’ (Jos. 24,23 )
Sint Antonius Abt spreekt tot de kluizenaars. Ludovico Caracci. Pinacoteca di Brera.
Ik vraag me af — gezien de "kreupele" rechtsonder — of dit wel een correcte titel is. Het lijkt me eerder dat het Antonius als genezer is die we hier zien.
En Johannes zei: ‘Maakt uw paden recht.’ (Mt. 3,3 ) De rechtschapenheid van de ziel bestaat daaruit dat haar spirituele deel in haar natuurlijke staat is, zoals zij werd geschapen. Maar anderzijds, wanneer zij afdwaalt en zich afwendt van haar natuurlijke staat, wordt dat verdorvenheid van de ziel genoemd. Derhalve is de zaak niet zo moeilijk, want als wij blijven zoals wij gemaakt zijn, leven wij deugdzaam, maar zinnen wij op het gemene, dan zullen wij als boosdoeners beschouwd worden. Als dit nu van buiten ons verkregen moest worden, dan zou het werkelijk moeilijk zijn, maar als het in ons is, hoeven wij ons slechts te behoeden voor smerige gedachten. Laten wij onze ziel, die ons in onderpand is gegeven, voor de Heer in stand houden, zodat Hij zijn maaksel kan herkennen als hetzelfde dat Hij gemaakt heeft.
[4.2 Demonologie] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7

Demonen verheugen zich in het ongeluk van de mensheid.
Maître François.

21. En laten we ernaar streven dat de toorn ons niet regeert en de wellust ons niet overmeestert. Want er staat geschreven: ‘Een toornig man doet niet Gods gerechtigheid,’ (Jak. 1,20 ) en: ‘Wanneer de begeerlijkheid ontvangen heeft, baart zij zonde. Maar als de zonde voltrokken is, baart zij de dood.’ (Jak. 1,15 ) Laten wij, aldus levend, voorzichtig op onze hoede zijn, gelijk er geschreven staat: ‘Behoed uw hart boven al wat te bewaren is.’ (Spr. 4,23 ) Want we hebben geduchte en sluwe vijanden, namelijk de boze geesten. Tegen hen is onze worsteling gericht, zoals de Apostel zei: ‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’ (Ef. 6,12 ) En zij zijn in grote aantallen in de lucht om ons heen, en zij zijn niet ver van ons. Er heerst grote verscheidenheid onder hen. Over hun aard en verschillen zou veel gezegd kunnen worden, maar zo een uiteenzetting is beter voor anderen die machtiger zijn dan wij. Maar op dit moment is het dringend en noodzakelijk voor ons, slechts hun boze streken ten opzichte van ons te leren kennen.
22. Vooreerst moeten we wel weten dat de demonen niet als boze geesten — zoals wij dat bedoelen als we ze met dat woord noemen — geschapen zijn. Want God heeft niets slechts gemaakt en zelfs zij zijn goed geschapen, maar zij zijn de hemelse wijsheid ontvallen en sindsdien kruipen ze vernederd rond op aarde. De Grieken hebben ze enerzijds bedrogen met hun vertoningen, terwijl ze vanuit hun afgunst op ons Christenen, alles in beweging zetten om ons de toegang tot de hemelen te beletten, opdat wij niet zouden opstijgen naar de plaats van waaruit zij neergestort zijn.
Daarom is er veel gebed en ascese nodig, zodat wanneer een mens door de heilige Geest de gave van het onderscheiden van geesten heeft ontvangen, hij de macht heeft om hun eigenschappen te herkennen en te weten welke van hen minder gemeen zijn en welke meer, en wat het kenmerk is van de speciale activiteit van elk, en tenslotte hoe elk van hen overwonnen en uitgedreven wordt. Want talrijk zijn hun gemeenheden en de veranderingen in hun samenzweringen.
De zalige Apostel en zijn volgelingen wisten dit soort dingen toen zij zeiden: ‘Wij zijn goed op de hoogte van hun bedenksels.’ (2 Kor. 2,11 ) Maar wij moeten door de verzoekingen die we door hen hebben ondergaan, elkaar verbeteren. Als iemand die door hen op de proef is gesteld, spreek ik tot u als tot kinderen.
23. Zodra de demonen dus bemerken dat alle christenen, en in het bijzonder de monniken, zich opgewekt inspannen en vooruitgang maken, vallen zij eerst aan met verleidingen en leggen ze valstrikken op onze weg om ons te belemmeren, te weten, slechte gedachten. (Vgl. Ps. 140,6 ) Maar wij hoeven niet bang te zijn voor hun inblazingen, want door gebeden, vasten en geloof in de Heer mislukt hun aanval ogenblikkelijk. Evenwel, al is het mislukt, ze houden niet op en vallen weer aan met subtiele schurkachtigheid.
Want als zij het hart niet openlijk kunnen verleiden met smerige pleziertjes, komen zij in een andere vermomming en verwekken zij hallucinaties en proberen schrik aan te jagen door te veranderen van gedaante en de gestalte van vrouwen aan te nemen of die van wilde dieren, of kruipend ongedierte, of reusachtige lichamen, of afdelingen soldaten. Maar ook dan moet je niet bang zijn voor hun misleidende vertoningen: want zij zijn niets en verdwijnen spoedig, vooral voor wie zich van te voren beschermd met geloof en het teken van het kruis.
Paul Cézanne. Verzoeking van St. Antonius. (ca. 1875); Musée d'Orsay, Parijs, Frankrijk.
Maar toch, ze zijn brutaal en zonder enige schaamte, want worden zij aldus verslagen, dan vallen zij op een andere manier aan. Zij doen dan alsof ze profeteren en de toekomst voorspellen, of zij vertonen zich zo groot dat zij tot het dak reiken en enorm breed, teneinde hen die zij door hun redeneringen niet konden misleiden, tersluiks te pakken met zulke vertoningen.
Bemerken zij ook hier dat de ziel versterkt wordt door het geloof en een hoopvolle geest, dan halen zij hun hoofdman erbij om hen te helpen.”
24. “Dikwijls,” zei hij, “verschenen zij, zoals de Heer de duivel aan Job beschreef met de woorden: ‘Zijn ogen gelijken op een morgenster. Uit zijn bek komen brandende fakkels en vuurhaarden vallen neer in het rond. Uit zijn neusgaten stijgt een rook op als van een gloeiende oven, gestookt met steenkool. Zijn adem bestaat uit kolen, en een vlam laait op uit zijn bek.’ (Job 41,9-12) Job 41,9-12 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads. Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel. Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
Jes. 10,14 En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte. Als de Prins van de demonen op deze manier verschijnt, weet de sluwe vos, door van grootse dingen te spreken, vrees aan te jagen, zoals de Heer hem weer veroordeelde, toen Hij tot Job sprak: ‘Hij zag stro voor ijzer aan en vermolmd hout voor koper,’ (Job 41,18 ) terwijl hij ‘de zee aanzag hij voor een zalfpot en de onderwereld van de diepzee voor een gevangene, ja, de diepzee hield hij voor een wandelplaats.’ (Job 41,22 ) En bij monde van de profeet (sprak de Heer): ‘De vijand zei: Ik zal (hen) nazetten en vastgrijpen,’ (Ex. 15,9 ) en door een ander: ‘De hele wereld zal ik met mijn hand omvatten als ware het een vogelnestje, en ik zal haar oprapen als achtergelaten eieren.’ (Jes. 10,14)
Zo, in het kort, zijn hun opschepperijen en beweringen hoe zij de goddelijken zouden misleiden. Maar wij, gelovigen, moeten dan zelfs zijn verschijning niet vrezen en geen acht slaan op zijn woorden. Want hij is een leugenaar en hij spreekt geen woord waarheid. En al spreekt hij nog zoveel woorden zo ontzettend in hun brutaliteit, zonder twijfel is hij door de Verlosser voortgesleept als een draak aan de vishaak, als een rund heeft hij een pin door de neus gekregen, als een weggelopen slaaf ligt hij vastgebonden met een ring door zijn neusvleugels, en zijn lippen zijn doorboord met een ring. (Vgl. Job 41,21, 26 ) Vastgebonden is hij door de Heer als een mus, tot spot van ons allen. (Job 41,24 ) Hij en de boze geesten met hem liggen op de grond als schorpioenen en slangen, om door ons, christenen, vertrapt te worden. (Vgl. Lc. 10,19 ) En het bewijs daarvan is wel dat wij thans een leven leiden dat zo tegen hem ingaat. Want hij die de zee dreigde op te drogen en de wereld te vatten, is thans, zie toch eens, niet in staat onze ascese tegen te houden, noch mij, die ten nadele van hem spreekt.
Laten we dus geen acht slaan op zijn woorden, want hij is een leugenaar, en zijn zinsbegoochelingen niet vrezen, ziende dat die op zichzelf al misleidend zijn. Het licht dat erin schijnt te stralen, is niet echt; zij zijn eerder het voorspel en het evenbeeld van het vuur dat voor de demonen bereid is, (vgl. Mt. 25,41 ) die met de vlammen waarin zij zelf zullen branden, proberen de mensen bang te maken. Ongetwijfeld verschijnen ze, maar ze verdwijnen ook weer meteen, en doen geen enkele gelovige kwaad, maar ze brengen slechts het evenbeeld van het vuur met zich mee dat hen spoedig te wachten staat. Daarom is het ook niet gepast dat wij hen om dat soort dingen zouden vrezen. Al hun praktijken lopen door de genade van Christus op niets uit.
25. Maar toch, verraderlijk zijn zij wel en zij zijn in staat om zich in alle vormen te veranderen en alle gestalten aan te nemen. Dikwijls imiteren zij, zonder zich te vertonen, muziek van harp en stem en voordrachten van woorden uit de Schrift, ja, soms, als wij zitten te lezen, herhalen zij vele malen, als een echo, dat wat zojuist gelezen is, en als wij liggen te slapen, wekken zij ons om te gaan bidden. En dat doen zij voortdurend, zodat zij ons ternauwernood tijd laten om te slapen. Op andere momenten nemen zij de vorm aan van monniken, en doen het praten van heilige mannen na, om hun slachtoffers door hun overeenkomstigheid te misleiden en daarheen te brengen waar zij ze maar willen. Maar we moeten geen acht slaan op hen, zelfs al roepen ze op tot gebed, of raden ze ons aan om helemaal niet te eten, zelfs al lijken zij ons te beschuldigen en berispen over zaken die zij vroeger toestonden.
De verzoeking van St. Antonius, Lelio Orsi, (c. 1570s); J. Paul Getty Museum, Los Angeles.
Dat alles doen zij niet uit vroomheid of omwille van de waarheid, maar om de eenvoudigen tot wanhoop te brengen, om te kunnen zeggen dat de ascese zinloos is, om de mensen afkerig te maken van het kluizenaarsleven, als zou het moeilijk en een last zijn, en om degenen te hinderen die ondanks hen toch die levenswijze volgen.
26. Daarom noemde de profeet die door de Heer gezonden was (Hab. 2,15 ) hen gemeen. ‘Wee, zei hij, die zijn evenmens laat drinken.’ Want zulke praktijken en gedachten richten verderf aan op de weg naar de deugd.
Trouwens, de Heer zelf snoerde de boze geesten de mond, ook al spraken zij de waarheid — want zij zeiden waarlijk: ‘U bent de Zoon van God’ (Lc. 4,41 ) — en Hij belette hen te spreken, anders zouden zij misschien tegelijk met de waarheid tevens hun kwaad uitzaaien, en ook om ons eraan gewoon te maken nooit enige aandacht aan hen te schenken, zelfs al schijnen zij de waarheid te spreken. Want het is toch ongepast dat wij, die de heilige Schrift hebben en de vrijheid van de Verlosser, door de duivel zouden onderwezen worden, hij die zijn eigen plaats niet kent en van de ene geest naar de andere gegaan is. Daarom belet Hij hem zelfs verzen uit de Schrift aan te halen, met de woorden: ‘Tot de zondaar zegt God: Hoe durft u Mijn inzettingen nog te vertellen en Mijn verbond in de mond te nemen?’ (Ps. 50,16 ) Van alles doen de demonen — ze babbelen, ze verwarren, ze veinzen, ze creëren wanorde — om de eenvoudigen te misleiden. Ze maken herrie, lachen als gekken, en fluiten. Maar als je er niet meteen aandacht aan geeft, jammeren en klagen zij alsof ze al overwonnen zijn.
27. De Heer dus, als God, hield de monden van de demonen stil, en het is dus gepast, dat wij die onderwezen zijn door de heiligen, net als hen doen en hun moed navolgen. Want zij, als ze deze dingen zagen, zeiden altijd: ‘Wanneer de zondaar tegen mij stand hield, verstomde ik, vernederde mij en zweeg ook van goede zaken.’ (Ps. 39, 2-3) En verder: ‘Als een dove hoorde ik niets en als een stomme deed ik mijn mond niet open, en ik werd als iemand die niets hoort.’ (Ps. 38,14-15 ) Ps. 39, 2-3 Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
Dus laten wij niet naar hen luisteren, doen alsof zij vreemden voor ons zijn, en niet op hen letten, ook al roepen zij ons op tot gebed of spreken ze over vasten. Maar laten wij alle aandacht richten op onze vastberadenheid de ascese te beoefenen, en ons niet door hen laten bedriegen, die alles doen vanuit bedrog, ook al dreigen ze met de dood. Want zij zijn zwak en meer dan dreigen kunnen zij niet.

28. Terloops heb ik al eerder over deze dingen gesproken, maar nu mag ik er niet voor terugdeinzen er dieper op in te gaan, want door het u in herinnering te brengen, zal het een bron van veiligheid zijn.
Sinds de Heer op aarde geweest is, is de vijand gevallen en zijn z'n krachten verminderd. Hoewel hij dus niets kan doen, kon hij toch, omdat hij een tiran is, zijn val niet rustig ondergaan, maar dreigde, ook al waren het slechts dreigementen, met woorden. Laat ieder van u dat in overweging nemen, dan kunt u de boze geesten verachten.
Antonius belaagd door twee demonen. (KB)
Als zij door zulke lichamen belemmerd waren zoals wij zijn, dan konden ze zeggen: ‘Mensen, als ze verstopt zijn, kunnen wij niet vinden, maar wanneer wij ze vinden, doen we hen kwaad.’ En ook wij zouden door ons te verbergen aan hen kunnen ontsnappen, en de deuren voor hen sluiten. Maar als zij niet van dien aard zijn, maar binnen kunnen komen, ook al zijn de deuren gesloten, en spoken zij evenals hun leider, de duivel, overal door de lucht, en verlangen ze naar boosaardigheid en zijn ze klaar om kwaad te doen, en zoals de Verlosser zei: ‘de duivel, de vader van de ondeugd, is van den beginne een mensenmoordenaar.’ (Joh. 8,44 ) Joh. 8,44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
Hoe dit ook moge zijn, wij zijn in leven en wij leven des te meer door hem te bestrijden. Daarom is het duidelijk dat ze niets vermogen. Want geen plaats belet hen ons te belagen, zij zien in ons heus geen vrienden die ze zouden sparen, zij hebben niet de bedoeling het goede te doen en zich te verbeteren, integendeel, zij zijn gemeen en op niets anders uit dan hen die de deugd zoeken en God vrezen, te verwonden. Maar omdat zij geen kracht hebben om iets te doen, doen ze niets dan dreigen; want konden ze wel iets, dan zouden ze niet talmen, maar het kwaad terstond ten uitvoer brengen, want daar gaat heel hun verlangen naar uit, en vooral als het tegen ons gericht is.
Ziet, wij zijn nu hier bijeen en verguizen hen, en zij beseffen dat als wij vooruitgaan, zij verzwakken. Bezaten zij enige macht, dan zouden zij niemand onder ons, christenen, in leven laten, want, ‘een walg is de zondaar de godsvrucht.’ (Sir. 1,25 ) Maar omdat zij niets kunnen doen, brengen zij zichzelf des te groter wonden toe, want geen enkel van hun dreigementen kunnen zij ten uitvoer brengen.
Ook het volgende moeten wij voor ogen houden om niet bang voor hen te zijn: als zij echt over macht beschikten, dan kwamen ze niet in groepen, zouden zij geen vertoningen opvoeren, noch door verandering van vorm misleidingen op touw zetten; dan was het genoeg als er slechts één kwam opdagen en datgene volbracht waartoe hij in staat was en wat hij wilde. Vooral omdat ieder die werkelijk macht bezit, niet zal doden met een vertoning, noch schrik zal aanjagen met lawaai, maar dat hij terstond zijn volledige macht gebruikt, zoals hij dat wil. Maar omdat de boze geesten geen macht hebben, zijn ze als toneelspelers op het toneel, die van gestalte veranderen en kinderen bang maken met lawaaiige verschijningen en allerlei vormen. Dit vertoon van zwakte is een reden te meer om hen te minachten.
Verzoeking van St. Antonius. Lucas van Leyden. (ca. 1509) Musée d'Art Ancien, Brussel.
De echte engel van de Heer, uiteindelijk, die tegen de Assyriërs werd gezonden, had geen lawaaiige beroeringen nodig, geen vertoningen van buitenaf, geen geluiden of geratel. Hij wendde kalm zijn macht aan en doodde onmiddellijk honderdvijfentachtigduizend man. (2 Kon. 19,35 )
Maar demonen, zoals deze, die geen macht hebben proberen angst aan te jagen door hun vertoningen.
Job 1,15-22 Doch de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene; En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De Heer heeft gegeven, en de Heer heeft genomen; de Naam des Heren zij geloofd!
29. Maar als iemand aan de geschiedenis van Job zou denken en zeggen: ‘Waarom kon de duivel wel tegen hem uitgaan en alles ondernemen? Waarom beroofde hij hem van zijn bezittingen, bracht zijn kinderen om het leven en sloeg hem zelf met kwaadaardige zweren?’ (Vgl. Job 1,15-22 en 2,7 ) Laat zo iemand, daarentegen, erkennen dat niet de duivel de sterke man was, maar God die Job aan hem overleverde ter beproeving. De duivel had geen macht om wat dan ook te doen, maar hij vroeg erom, en die gekregen hebbende, voerde toen uit wat hij deed. Een reden te meer om deze vijand te veroordelen, omdat hoezeer hij het ook wenste, hij zelfs niet over één mens kon zegevieren. Want als hij het wel had gekund, dan had hij niet om toestemming hoeven vragen. Maar omdat hij er niet eenmaal, maar tweemaal om vroeg, bleek hoe zwak en machteloos hij was.
Geen wonder overigens dat hij tegen Job niets kon doen, want zelfs zijn vee had hij niet kunnen vernietigen als God het niet had toegestaan. En zelfs over zwijnen had hij geen macht, want, zoals er in het Evangelie staat: ‘Zij verzochten de Heer: Sta ons toe om in de zwijnen te varen.’ (Mt. 8,31 en Lc. 8,32 )
Maar als zij zelfs over zwijnen al geen macht hebben, dan zeker niet over mensen, die naar Gods beeld geschapen zijn. (Gen. 1,26-27; 5,1 ; 9,6) Gen. 1,26-27 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.

Gen.9,6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
30. Alleen God moeten wij dus vrezen; en de demonen verachten en niet bang voor hen zijn. Maar hoe meer zij zulke dingen doen, hoe meer wij onze ascese tegen hen moeten opvoeren want een rechtschapen leven en geloof in God is een belangrijk wapen.
Zij zijn hoe dan ook bang voor het vasten van de asceten, hun nachtwaken, hun gebeden, hun zachtmoedigheid, hun rust, hun minachting voor geld en ijdelheid, hun nederigheid, hun liefde voor de armen, hun aalmoezen, hun lankmoedigheid en bovenal hun eerbied voor Christus.
Want dit is de reden waarom de demonen van alles uithalen: om toch maar niet door een van hen vertrapt te worden want zij weten hoeveel genade door de Verlosser aan de gelovigen geschonken is om tegen hen op te treden. Want Hij heeft gezegd: ‘Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te trappen, en over de hele vijandelijke sterkte.’ (Lc. 10,19 )
La Tentation de Saint Antoine. Pieter Huys (1547). Louvre
31. Dus als ze doen alsof ze de toekomst voorspellen, laat niemand er dan op letten.. Dikwijls zeggen zij enkele dagen tevoren dat er broeders over een paar dagen op bezoek komen, en inderdaad komen zij ook. De demonen doen dat, niet uit bekommernis met de hoorders, maar om hun vertrouwen te winnen om hen op den duur, als ze eenmaal in hun macht zijn, te kunnen vernietigen. Daarom moeten wij geen acht op hen slaan, maar hen al tijdens het spreken tot zwijgen brengen, want daaraan hebben we geen behoefte.
Want is het nu zo verwonderlijk dat zij, die ijler van lichaam * zijn dan de mens, degenen die zich op weg begeven, al gezien hebben, hen vooruitsnellen en hun komst aankondigen? Net als een ruiter te paard een voorsprong heeft op een reiziger te voet en zijn aankomst aankondigt, dan zullen wij ook ons over hen niet verbazen. * In de oudheid heeft men lang vastgehouden aan de gedachte dat ook de engelen en de duivels een lichaam hadden, maar fijner, een etherisch lichaam. Onder anderen waren Origenes en Tertullianus die mening toegedaan. Door hun etherisch lichaam zijn zij veel beweeglijker en sneller dan de mensen.
(Dan. 13,42 Toen riep Susanna met luide stem: `Eeuwige God, die het verborgene kent en alles al weet voordat het gebeurt, U weet dat ze mij vals beschuldigen; en hoewel ik niet gedaan heb waarvan ze mij beschuldigen, moet ik toch sterven.' Want van de dingen die nog niet bestaan, weten zij niets. Alleen God weet alles voordat het gebeurt. (Dan. 13,42) **
Zij evenwel lopen als dieven weg met wat zij zien om het vooraf te melden. Aan hoevelen hebben zij nu al onze besognes verkondigd, namelijk dat we samengekomen zijn en onze maatregelen tegen hen bespreken, nog voordat iemand van ons het kon gaan vertellen? Maar in alle waarheid, dat kan zelfs een snelvoetige jongen, die een minder snel iemand ver voorbij gaat.
Ik bedoel dit: wanneer iemand uit Thebaïs of uit een andere streek begint te lopen, weten zij voordat hij gaat lopen, niet of hij al of niet zal gaan lopen. Maar zodra als zij hem hebben zien lopen, rennen zij vooruit en melden zijn komst voor hij er is. En zo geschiedt het dan dat de reizigers inderdaad enkele dagen later aankomen. Maar vaak keren de reizigers weerom, en blijken de demonen het bij het verkeerde eind te hebben.
** Fundamentele stelling. Alleen God kent wat nog niet is, maar zal zijn. Als iemand dus echt iets voorspelt, kan hij dit alleen doen omdat God het hem heeft geopenbaard. Dit zal later het geval zijn met Antonius zelf. Antonius doet échte voorspelling, b.v. als hij de vervolging van de christenen door de Arianen aankondigt. Daardoor wordt de heiligheid van Antonius tevens bewezen.
32. Zo doen ze soms ook dwaze uitspraken met betrekking tot het water van de Nijl. Want als ze gezien hebben dat er in de gebieden van Ethiopië zware regens gevallen zijn en wetende dat deze de oorzaak zijn van het stijgen van de rivier voordat het water Egypte bereikt, rennen ze vooruit en kondigen zij het aan. Dit zouden mensen ook hebben kunnen zeggen, als zij een even grote macht om te rennen hadden als de demonen. En zoals de spion van David naar een hoge plaats ging en de man beter zag aankomen dan degene die beneden bleef, en zelf deze aanrennende bode meldde nog vóór de anderen omhoog kwamen, en dus niet de dingen waren die nog niet plaats gevonden hadden, maar dingen die al stonden te gebeuren en reeds geschiedde, zo doen de demonen moeite om iets aan anderen te verklaren alleen om hen te bedriegen. Maar zou echter de Voorzienigheid onderwijl anders beschikken over de wateren of de reizigers — en dat kan de Voorzienigheid doen — dan worden de boze geesten misleid en zij die er aandacht aan geschonken hebben, bedrogen.
33. Aldus kwamen in het verleden de orakelspreuken van de Grieken tot stand en werden zij zo op een dwaalspoor gebracht. Maar nu is voortaan aan hun misleiding een einde gekomen door de komst van de Heer, Die de boze geesten en hun listen tot niets gereduceerd heeft. Uit zichzelf weten zij niets, maar als dieven brengen zij slechts over wat zij van anderen te horen krijgen. Eigenlijk raden zij meer dan dat zij voorspellen. Daarom moet niemand hen bewonderen, ook al zeggen ze soms iets dat waar is. Ook bekwame geneesheren, als ze dezelfde kwaal bij verschillende mensen zien, voorspellen vaak wat het is en kunnen dit doen doordat ze er bekend mee zijn. Stuurlieden, eveneens, en landbouwers vanuit hun bekendheid met het weer, bekijken met één blik de toestand van de atmosfeer en voorspellen dan storm of mooi weer. En niemand zal beweren dat zij dit doen op goddelijke ingeving. Het geschiedt door hun ervaring en hun praktijk. Dus, als soms ook de boze geesten hetzelfde doen door te raden, laat niemand zich daarover verbazen of aandacht aan hen schenken. En wat hebben toehoorders eraan om van tevoren van hen te vernemen wat er gaat gebeuren? Of wat voor belang hebben wij erbij om zulke dingen te weten, zelfs als de kennis ervan waar is? Dit levert geen verdienste op en het is geen teken van deugd. Want niemand van ons wordt beoordeeld om wat hij niet weet, en niemand wordt een gezegende genoemd omdat hij geleerdheid of kennis bezit. Neen, het oordeel waar ieder voor komt te staan, gaat erover of hij het geloof bewaard heeft (2 Tim. 4,7 ) en de geboden oprecht is nagekomen.

34. Daarom is het niet nodig veel waarde te hechten aan deze dingen, en zeker niet om ter wille daarvan een leven van ascese en inspanning te leiden, maar alleen door goed te leven God te behagen.
Wij behoren niet om voorkennis te bidden of erom te vragen als beloning voor onze ascese, maar ons gebed zou moeten zijn dat de Heer ons mag bijstaan om de duivel te overwinnen.
En zelfs als we ooit de toekomst zouden willen weten, laten we dan rein van geest zijn, want ik geloof dat een in alle opzichten reine ziel, die in haar natuurlijke toestand verkeert, helderziend * is en in staat is meer en verder te zien dan de boze geesten, omdat zij de Heer heeft die het haar openbaart. Zo doorschouwde de ziel van Elisa de ware toedracht aangaande Gechazi (2 Kon. 5,26 ) en zag de legermacht die hem ter zijde stond. (2 Kon. 6,17 ) * Dioratikos, d.w.z. in iemands hart kunnen lezen, geheimen en toekomst kennen. Als Antonius dus door zijn voorspellingen helderziend blijkt te zijn, is dat een gevolg van zijn reinheid van hart. Het kenmerk "dioratikos" komt de volmaakte monnik toe die God schouwt in zijn gebed.
35. Wanneer zij nu ‘s nachts naar u toe komen en de toekomst willen voorspellen zeggend: ‘Wij zijn engelen,’ let dan niet op hen, want zij liegen. En zelfs als zij uw ascese beginnen te prijzen en u een gezegende noemen, luister dan niet naar ze en ga niet met ze om. Maakt dan liever het kruisteken over uzelf en uw woningen en bidt, en u zult ze zien verdwijnen. Want zij zijn lafaards en zijn zeer bevreesd voor het teken van het kruis van de Heer, aangezien de Verlosser juist uit kracht daarvan hen ontwapent heeft en aan de kaak heeft gesteld. (Kol. 2,15 )
Maar als zij schaamteloos standhouden, gek doen en allerlei vormen aannemen, wordt dan niet bang voor ze, of maak u niet klein, of beschouw ze niet alsof het goede geesten zijn.
St. Antonius Abt strijdend met demonen. Giovanni Pietro da Birago, (uit de Sforza Getijden, ca. 1490). The British Library
Want de aanwezigheid van goed of kwaad kan met de hulp van God makkelijk worden onderscheiden. Een visioen van heiligen is nooit wanordelijk, want ‘Hij zal geen ruzie maken, niet luidkeels schreeuwen en niemand zal hem horen.’ (Jes. 42,2 ) Maar het komt zo stil en zachtjes, dat meteen vreugde, blijdschap en moed in de ziel oprijzen. Want de Heer, die onze vreugde is, is daarin vervat en de kracht van God de Vader. De gedachten uit de ziel blijven onverstoorbaar en bedaard, zodat de ziel, als het ware door stralen verlicht, in zichzelf de gedachten kan zien, die zich aan haar vertonen.
Een liefde voor het goddelijke en de dingen die komen gaan, nemen bezit van de ziel, en graag zou ze daarmee geheel verenigd willen worden, indien ze met hen mee zou kunnen vertrekken.
Maar als sommigen, mens zijnde, bevreesd zijn voor het visioen van het goede, dan nemen degenen die verschijnen, onmiddellijk hun vrees weg. Zoals Gabriël het deed in het geval van Zacharias, (Lc. 1,11-13) Lc. 1,11-13 Toen verscheen hem een engel van de Heer, rechts van het offeraltaar. Zacharias raakte in verwarring toen hij hem zag en werd door vrees overvallen. Maar de engel zei tegen hem: 'Schrik niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, die u de naam Johannes moet geven.
en zoals de engel die verscheen aan de vrouwen bij het graf van de Heer (Mt. 28,5-7) Mt. 28,5-7 Plotseling kwam er een zware aardbeving. Want een engel van de Heer daalde uit de hemel neer, kwam naderbij, rolde de steen weg en ging erop zitten. Zijn uiterlijk schitterde als een bliksemflits en zijn kleding was wit als sneeuw. De wachters beefden van angst en werden lijkbleek. De engel zei tegen de vrouwen: `U hoeft niet bang te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt die gekruisigd is. Hij is niet hier: Hij is tot leven gewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, kijk naar de plaats waar Hij gelegen heeft. Ga snel tegen zijn leerlingen zeggen: "Hij is uit de doden opgewekt, en zie, Hij gaat voor u uit naar Galilea; daar zult u Hem zien.'' Dit had ik u te zeggen.'
en zoals Hij deed die aan de herders de blijde boodschap verkondigde en zei: ‘Vreest niet.’ (Lc. 2,9-10) Want hun vrees kwam niet voort uit schuchterheid, maar uit hun besef van de aanwezigheid van hogere wezens. Van die aard zijn dus de visioenen van de heiligen. Lc. 2,9-10 Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen. Ze schrokken hevig. Maar de engel zei: 'Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u, een grote vreugde voor het hele volk.
36. Daarentegen gaan de inbreuken en vertoningen van kwade geesten gepaard met wanorde, met geraas, met geluiden en geschreeuw, zoals de verstoringen van lompe jongeren of rovers zouden veroorzaken. Waardoor vrees in het hart oprijst, opschudding en verwarring van gedachten, neerslachtigheid, haat jegens hen die een ascetisch leven leiden, onverschilligheid, verdriet, herinnering aan familieleden en vrees voor de dood, en tenslotte begeerte naar het kwaad, geringschatting van de deugd en onvaste gewoonten.
Wanneer derhalve u iets ziet en bang bent, maar onmiddellijk wordt uw vrees weggenomen en vervullen u in plaats daarvan onuitsprekelijke vreugde, opgeruimdheid, moed, herstel van krachten, onverstoorbaarheid van gedachten en alles waarover ik u al eerder sprak, kordaatheid en liefde jegens God, vat dan moed en bidt, want de vreugde en de rust van uw ziel bewijzen de heiligheid van Hem die aanwezig is. Daarom jubelde Abraham het uit, toen hij de Heer zag (Joh. 8,56 ) en sprong Johannes jubelend op bij het vernemen van de stem van de Moeder Gods Maria. (Lc. 1,44 ) Maar als met een verschijning verwarring, geklop van buiten, wereldse voorstellingen, dreiging met de dood en al die andere dingen die ik al genoemd heb, gepaard gaan, weet dan dat het een aanval van de kwade geesten betreft.
37. En laat ook dit een teken voor u zijn: wanneer de ziel angstig blijft, betreft het een aanwezigheid van de vijanden. Want de boze geesten heffen de angst voor hun aanwezigheid niet op, zoals de hoogverheven aartsengel Gabriël wel deed voor Maria (Lc. 1,28-31) Lc. 1,28-31 De engel trad bij haar binnen en zei: 'Verheug u, begenadigde, de Heer is met u.' Zij raakte geheel in verwarring door wat hij zei en vroeg zich af wat deze begroeting te betekenen had. Maar de engel zei: 'Schrik niet, Maria, u hebt genade gevonden bij God. U zult zwanger worden en een zoon baren, die u de naam Jezus moet geven.
en voor Zacharias, (Lc. 1,13) Lc. 1,13 Maar de engel zei tegen hem: 'Schrik niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, die u de naam Johannes moet geven.
en zoals hij deed die verscheen bij het graf voor de vrouwen. (Mt. 28,5 )
Mt. 4,8-9 Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, en zei: 'Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.' Integendeel, wanneer zij zien dat mensen bang zijn dan, vermeerderen zij de zinsbegoochelingen, om de mensen des te meer schrik aan te jagen en als zij hen tenslotte aanvallen spotten zij, en zeggen: ‘Valt neer en aanbidt ons!’ (Vgl. Mt. 4,8-9)
Zo hebben zij de Grieken misleid en daarom werden zij door hen ten onrechte als goden beschouwd. Maar de Heer stond niet toe dat wij door de duivel werden misleid, want Hij strafte hem elke keer wanneer hij Hem zulke schijnbeloften kwam voorspiegelen, met de woorden: ‘Achteruit, satan!
Deut. 13,2-4 Wanneer in uw midden een profeet opstaat, of iemand die droomgezichten heeft, en hij u tekenen en wonderen aankondigt, en het teken of wonder dat hij voorspeld heeft komt uit, en hij zegt dan: "Laat ons achter andere goden aangaan, goden van wie u de macht niet kent, en die gaan dienen'', geef dan geen gehoor aan wat die profeet of die dromer zegt. De Heer uw God stelt u dan op de proef om te zien of u Hem met heel uw hart en ziel bemint. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en alleen Hem vereren.’ (Mt. 4,10 en Deut. 13,2-4) Meer en meer moeten wij daarom de misleider minachten, want wat de Heer gezegd heeft, heeft Hij voor ons gedaan. Als dan de boze geesten uit onze mond dit soort woorden horen, worden zij door de Heer verjaagd, omdat Hij hen met precies dezelfde woorden heeft afgestraft.
38. En het is niet gepast om op te scheppen over het uitdrijven van boze geesten, of om opgetogen te zijn door het genezen van ziekten; noch is het gepast om alleen iemand hoog te schatten die boze geesten heeft uitgedreven, en iemand die ze niet uitdrijft te geringschatten. Maar laten we de ascese van ieder leren, en die of navolgen, of evenaren, of verbeteren. Want wonderen verrichten is niet aan ons, maar is het werk van de Verlosser. Hij sprak dan ook tot zijn leerlingen: ‘Verheugt u niet omdat de, boze geesten u onderworpen zijn, maar omdat uw namen opgeschreven staan in de hemel.’ (Lc. 10,20 ) Dat onze namen opgeschreven staan in de hemel is bewijs van ons deugdzaam leven, maar het uitdrijven van boze geesten is een genade die de Verlosser heeft geschonken.
Aan hen die niet op deugd, maar wel op wonderen groot gingen en zeiden: ‘Heer, hebben wij niet in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele machtsdaden verricht?’, antwoordde de Heer daarom: ‘Voorwaar Ik zeg u, Ik ken u niet.’ (Mt. 7,22-23) Mt. 7,22-23 Velen zullen Mij op die dag zeggen: "Heer! Heer! Hebben we niet in uw naam geprofeteerd, hebben we niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben we niet in uw naam veel machtige daden gedaan?" Maar dan zal Ik hun openlijk zeggen: "Nooit heb Ik u gekend. Verdwijn uit mijn ogen, overtreders van Gods wet!''
Want de Heer kent niet de wegen van de goddelozen. (Ps. 1,6 ) We moeten dus altijd bidden, zoals ik al zei, opdat we de genadegave van de onderscheiding van geesten verwerven, opdat we niet, zoals geschreven staat, ‘elke geest vertrouwen.’ (1 Joh. 4,1 )
39. Nu zou ik graag verder niet gesproken hebben en niets over mijn eigen ervaringen gezegd hebben, tevreden met wat ik gezegd heb. Maar dan zou u kunnen gaan denken dat ik deze dingen uit de lucht grijp, en geloven dat ik al deze dingen zonder ervaring of waarheid vertel. Daarom, ook al word ik als het ware dwaas, (vgl. 2 Kor. 11,16 ) de Heer, die toehoort, weet toch dat mijn geweten zuiver is en dat ik niet voor mezelf, maar vanwege uw genegenheid voor mij en op uw verzoek de streken van de boze geesten die ik zelf gezien heb, weer eens vertel.
Hoe dikwijls hebben ze mij wel niet gezegend genoemd en heb ik hen vervloekt in de naam van de Heer. Hoe dikwijls voorspelden ze me wel niet het rijzen van het water van de Nijl, maar dan zei ik: ‘Wat hebben jullie daarmee te maken?’
Op een keer kwamen ze dreigend naderbij en omringden mij als soldaten in volle wapenrusting. Een andere keer vulden ze het huis met paarden, wilde beesten en kruipend ongedierte, terwijl ik het psalmvers zong: ‘Sommigen gaan groot op wagens, anderen op paarden, maar wij op de naam van de Heer onze God’, (Ps. 20,8 ) en op dat gebed werden zij door de Heer op de vlucht gejaagd.
Eens kwamen ze in het donker aandragen met iets dat leek op een lamp, en zij zeiden: ‘Wij komen u licht brengen, Antonius.’ Maar ik sloot mijn ogen en begon te bidden. En terstond werd het licht van de bozen gedoofd.
Een paar maanden later kwamen ze weer en deden alsof ze psalmen zongen en woorden uit de Schrift brabbelden. Maar ‘als een dove hoorde ik niets.’ (Ps. 38,14 )
Eens lieten zij mijn kluis met een aardbeving schudden, maar ik ging door met bidden en mijn hart bleef roerloos. Daarna kwamen zij weer, geluiden makend, fluitend en dansend, maar toen ik bad en tot mezelf psalmen lag te zingen, begonnen zij meteen te weeklagen en te jammeren alsof zij aan het eind van hun krachten waren. Maar ik loofde de Heer, omdat Hij hun vermetelheid en waanzin neergeslagen en te schande gemaakt had.
De verzoeking van St. Antonius
Marten de Vos, (1591-94) Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.
Behalve de bezoekingen door allerlei duivels en monsters, zien we Antonius ook Paulus van Thebe naar zijn graf dragen.
40. Op een keer verscheen mij een demon, met veel praal, die heel lang leek en hij durfde nog te zeggen: ‘Ik ben de macht van God,’ en: ‘Ik ben de Voorzienigheid. Wat wilt u dat ik u schenk?’ Maar ik blies hem des te harder in het gezicht onder het uitspreken van de naam van Christus en trachtte hem te slaan. Ik scheen hem geraakt te hebben, en, zo groot als hij was, ineens verdween hij met al zijn demonen, door de naam van Christus.
Op een andere keer, terwijl ik aan het vasten was, kwam hij, zeer sluw, in de gedaante van een monnik die broden bij zich leek te hebben en gaf me de raad: ‘Eet toch wat en houd op met al die inspanningen. U bent ook maar een mens, u zult nog ziek worden.’ Maar ik doorzag zijn truc en stond op om te bidden. Dat verdroeg hij niet. Hij gaf het op en als rook leek hij door de deur naar buiten te gaan.
Hoe dikwijls vertoonde hij in de woestijn wel niet iets dat op goud geleek, enkel en alleen zodat ik het zou aanraken en bekijken. Maar dan zong ik psalmen tegen hem, waarna hij oploste in het niets.
Dikwijls sloegen ze me met zweepslagen, maar ik zei steeds maar weer: ‘Niets zal mij scheiden van de liefde van Christus,’ (Rom. 8,35 ) waarop zij juist elkaar gingen slaan.
Niet ik echter hield ze tegen en ontkrachtte hen, maar het was de Heer, die zei: ‘Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.’ (Lc. 10,18 ) Indachtig het woord van de Apostel, kinderen, ‘heb ik voor deze dingen mezelf als voorbeeld genomen,’ (1 Kor. 4,6 ) om u daarmee duidelijk te maken dat u in uw ascese niet moet versagen en geen vrees moet koesteren voor de zinsbegoochelingen van de duivel en zijn demonen.
41. Nu ik toch een dwaas geweest ben (vgl. 2 Kor. 11,16 ) door u dit te vertellen, neem dan ook dit van me aan tot uw geruststelling en om niet bevreesd te zijn. En geloof me, want ik lieg niet.
Eens klopte er iemand aan de deur van mijn kluis. Ik ging naar buiten en zag iemand die zeer lang en groot leek. Ik vroeg hem: ‘Wie bent u?’ En hij zei: ‘Ik ben Satan.’ Waarop ik zei: ‘Wat moet je hier?’
De beproevingen van Sint Antonius, James Ensor, 1887.
En hij antwoordde: ‘Waarom geven de monniken en de andere christenen mij toch altijd de schuld, terwijl ik dat niet verdien? Waarom verwensen ze me ieder uur van de dag?’ Ik antwoordde hem: ‘Waarom val je hun lastig?’ En hij zei: ‘Ik ben het niet die ze lastig valt, maar ze maken het zichzelf lastig, want ik ben zwak geworden. Hebben ze dan niet gelezen: ‘de zwaarden zijn de vijand geheel en al ontvallen en Gij hebt hun steden verwoest’? (Ps. 9,7 ) Ik heb geen plaats, geen wapen, geen stad meer. Overal hebben de christenen zich verspreid. En tenslotte zit zelfs de woestijn vol monniken. Laten ze op zichzelf letten en mij niet zonder meer vervloeken!’
Vol bewondering voor de genade van de Heer sprak ik toen tot hem: ‘Jij bent altijd een leugenaar en nooit zeg je de waarheid, maar nu heb je toch, tegen je zin in, waar gesproken. Want Christus heeft je door Zijn komst zwak gemaakt, je neergeworpen en van alles beroofd.’ Maar nauwelijks hoorde hij de naam van de Verlosser of hij kon de gloed ervan niet meer uithouden en verdween.
42. Als dus de duivel zelf bekent dat zijn macht is verdwenen, dan moeten wij hem en zijn demonen totaal verachten; en aangezien de vijand met zijn helhonden alleen maar beschikt over dit soort trucs en wij hun zwakte hebben leren kennen, kunnen wij ze verachten. Om die reden mogen wij niet op die manier wanhopen, geen gedachte van angst in ons hart laten opkomen, en zelf geen vrees opwekken door te zeggen: ‘ik ben bang dat een boze geest komt en me overweldigt, dat hij me oppakt en neer smakt, of me door een plotselinge aanval van mijn zinnen berooft.’ Zulke gedachten mogen niet bij ons opkomen en wij mogen niet treuren alsof we verloren gaan. Wij moeten juist moed vatten en altijd blij zijn, omdat we geloven dat we veilig zijn. We moeten in onze ziel bedenken dat de Heer met ons is en dat Hij de boze geesten op de vlucht gejaagd heeft en hun krachten gebroken.
Laten we steeds bedenken en in gedachten houden dat terwijl de Heer met ons is, onze vijanden ons geen kwaad kunnen doen.
Want als zij komen, doen zij dat in een vorm die overeenkomt met de toestand waarin zij ons vinden, en aan de geestestoestand waarin ze ons vinden, passen zij hun hersenschimmen aan. Treffen zij ons schuchter en verward aan, dan gaan zij aanstonds tot de aanval over, zoals rovers een onbewaakte plaats binnendringen. En op wat wij reeds van onszelf denken, leggen zij nog een schepje toe.
De verzoeking van de heilige Antonius. Salvador Dali, 1946
Zien zij dat wij wankelmoedig en lafhartig zijn, dan vermeerderen zij onze doodsangst enorm door hun hersenschimmen en hun dreigementen, en de rampzalige ziel wordt daardoor van dat ogenblik af gefolterd.
Maar treffen ze ons aan in de vreugde van de Heer, bezig met de dingen die komen gaan en denkend aan de dingen van de Heer, overwegend dat alles in de hand van de Heer ligt, dat een boze geest tegen een christen niets vermag, ja, zelfs tegen niemand over macht beschikt, zien zij een ziel door zulke gedachten beveiligd, dan maken zij beschaamd rechtsomkeert. Toen de vijand bemerkte dat Job daarmee goed uitgerust was, deinsde hij af, maar toen hij Judas van dat alles ontbloot aantrof, nam hij hem gevangen.
Daarom, als wij met verachting op de vijand willen neerzien, moeten wij altijd aan de dingen van de Heer denken en onze ziel moet altijd blij zijn vanwege haar hoop. (Rom. 12,12 ) Dan zullen wij zien dat de strikken van de boze geesten slechts rook zijn en dat zij veeleer op de vlucht gaan dan op de vlucht jagen. Want, zoals ik al zei, zij zijn uitermate bang, omdat zij altijd in afwachting verkeren van het vuur dat voor hen bereid is. * * Hier wordt bevestigd dat de duivel nog niet in de hel is, maar er later in geworpen zal worden. Gregorius van Nyssa meent dat de duivels, na een lange tijd van zuivering, toch weer de gelukzaligheid zullen genieten.
43. En als een zeker teken dat u geen vrees voor hen koestert, geldt het volgende: wanneer er een verschijning is, val dan niet languit van angst op de grond, maar stel, wat die ook mag zijn, op de eerste plaats moedig de vraag: ‘Wie ben je en waar kom je vandaan?’ Wanneer het een verschijning van heiligen is, zullen zij u geruststellen en uw vrees in blijdschap veranderen. Maar als het een visioen van de duivel zou zijn, dan neemt zij terstond in kracht af, omdat hij uw vastbeslotenheid ziet.
Want het is al een bewijs van onverstoorbaarheid * om enkel te vragen: ‘Wie ben je en waar kom je vandaan?’ * Het woord apatheia (passieloosheid) komt in het "Leven van Antonius" niet voor. Een ander woord vervangt # hetzelfde begrip, namelijk: ataraxia, onverstoorbaarheid.

# 'Vervangen' lijkt me toch niet de juiste term; in deze passage wordt toch iets heel anders bedoeld.

Dit constateerde ook de zoon van Nave, toen hij die vraag stelde (Joz. 5,13 ) en toen Daniël dat vroeg, kon de vijand aan zijn verhoor niet ontkomen. (Dan. 13,51-59) Dan. 13,51-59 Toen zei Daniël tegen hen: 'Zet ze apart, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.' Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: 'Je bent in slechtheid vergrijsd maar nu krijg je de straf voor je zonden. Je hebt onrechtvaardige vonnissen geveld: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken, in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is, en in zijn recht staat, niet ter dood. Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom je ze hebt samen gezien?' Hij antwoordde: 'Onder een mastiekboom.' Daniël hervatte: 'Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen om je in tweeën te splijten.' Nadat Daniël hem had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tegen hem: 'Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de wellust heeft je hoofd op hol gebracht. Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit angst deden zij wat jullie wilden, maar een dochter van Juda heeft niet toegegeven aan jullie slechtheid. Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?' Hij antwoordde: 'Onder een steeneik.' Daniël hervatte: 'Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat al klaar om je met het zwaard doormidden te hakken en jullie beiden te vernietigen.'
44. Terwijl Antonius aan het spreken was, verheugden allen zich. Bij sommigen groeide de liefde voor de deugdzaamheid, bij anderen werd nonchalance gecorrigeerd, en bij weer anderen kwam aan hun eigendunk een einde. Allen waren vastbesloten om de aanvallen van de Boze te verachten, en ze verwonderden zich over de genadegave die de Heer aan Antonius had gegeven om de geesten te onderscheiden.
In de bergen lagen hun kluizenaarscellen als tenten in het rond, vol van groepen heilige mannen die psalmen zongen, de Bijbel lazen, vastten, baden, zich verheugden in de hoop op de dingen die komen gingen, werkten om aalmoezen te kunnen geven en een leven van onderlinge liefde en harmonie leidden. Het was werkelijk of men daar een land kon zien, dat op zichzelf stond, een land van godsverering en gerechtigheid. Want daar was niemand die onrecht deed of werd aangedaan en men hoorde er geen aanmaning van de belastinginner. Maar er was een menigte van asceten, met deugdzaamheid als enige streven. Zodat iedereen die de kluizenaarscellen zag, en zulk een goede orde onder de monniken, met blijde stem uit zou roepen: “Hoe schoon zijn uw woningen, oh Jakob, uw tenten, oh Israël! Zij zijn als schaduwrijke valleien en als een tuin bij een rivier, als tenten die de Heer heeft opgezet, als ceders aan het water.” (Num. 24, 5-6 )

45. Antonius, zoals zijn gewoonte was, keerde weer alleen terug naar zijn eigen kluizenaarscel, waar hij zijn ascese intensiveerde. Dag in dag uit zuchtte hij wanneer hij dacht aan de verblijven in de hemel waarnaar hij verlangde, en aan de korte duur van het mensenleven.
En hij at en sliep en deed al de andere lichamelijke behoeften gewoonlijk met schaamte, omdat hij dacht aan de spirituele vermogens van de ziel.
Vaak, wanneer hij met de andere monniken zou gaan eten, dan verontschuldigde hij zich, denkend aan het geestelijke voedsel en ging een eind bij hen vandaan, omdat hij het beschamend vond als anderen hem zagen eten.
Hij at gewoonlijk alleen, en slechts omdat het lichaam dat vereiste, maar toch ook vaak met de broeders, en dan schaamde hij zich weliswaar erg voor hen, maar toch sprak hij dan vrijmoedig woorden ter ondersteuning.
Hij placht dan te zeggen dat het een mens past al zijn tijd te besteden aan zijn ziel in plaats van aan zijn lichaam; hoewel toch een klein beetje tijd aan de behoeften van het lichaam te gunnen, maar des te ijveriger al de overgebleven tijd aan de ziel te besteden en te zoeken wat voor haar van nut is, zodat deze niet door de geneugten van het lichaam naar beneden wordt getrokken, maar integendeel, dat het lichaam aan de ziel ondergeschikt is. Want dit is wat gezegd is door de Verlosser: “Maak jullie geen zorgen om je leven, wat je moet eten, noch om jullie lichaam, wat je moet aantrekken. Jullie moeten niet zoeken naar wat je moet eten of drinken en daar niet over in zitten. Naar al deze dingen zijn de volkeren van de wereld op zoek. Jullie vader weet dat jullie al deze dingen nodig hebt. Maar zoekt zijn koninkrijk en dan zullen al deze dingen jullie geschonken worden.” (Lc. 12,22 en 29-31 )
Getijdenboek (gebruik te Utrecht) uit Delft, c. 1440-1460.
46. Hierna kwam de kerk in de greep van de vervolging ten tijde van Maximinus. * Toen men de heilige martelaren naar Alexandrië bracht, verliet hij zijn cel en volgde hen, terwijl hij zei: “Laten we gaan om te strijden als we daartoe geroepen ** worden of om degenen die de strijd voeren gade te slaan.” Hij verlangde ernaar het martelaarschap te ondergaan, maar omdat hij zichzelf niet wilde uitleveren, verleende hij bijstand aan de belijders in zowel de mijnen als de gevangenissen. In de rechtszaal betoonde hij grote inzet door degenen die werden opgeroepen voor de strijd aan te moedigen en hen op te vangen als ze het martelaarschap ondergingen en hen tot aan hun vervolmaking # te begeleiden. * Dit is Maximinus Daja, een Illyriër, die keizer werd in het jaar 305. Hij ontketende in 308 in het Oosten en vooral in Egypte een van de wreedste vervolgingen tegen de christenen. Toen de andere keizers een edict van verdraagzaamheid uitvaardigden in 311, deed Maximinus mee voor de vorm, maar het edict werd niet afgekondigd in zijn gebieden. De vervolging woedde opnieuw totdat hij verslagen werd door keizer Licinius in 313 en hij wel moest toegeven. In hetzelfde jaar stierf hij.

** Antonius handelde zo om te gehoorzamen aan de kerkelijke leiding die niet wilde dat iemand zich uit eigen beweging ging aanbieden. Vandaar de zin: "als wij daartoe geroepen worden".

# = executie
De rechter, die de onbevreesdheid van Antonius en zijn metgezellen zag, beval dat geen van de monniken nog in de rechtszaal mocht verschijnen, of zich nog in de stad mocht ophouden. Alle anderen nu dachten er wijs aan te doen zich die dag schuil te houden, maar Antonius stoorde zich zo weinig aan het bevel, dat hij juist zijn gewaad waste en de volgende dag vooraan op een verhoging ging staan zodat hij voor de prefect duidelijk zichtbaar was. Allen verbaasden zich daarover en de prefect zag hem toen hij met zijn gevolg langs hem liep, maar Antonius bleef onverschrokken staan en toonde zo de vastbeslotenheid van ons, christenen. Zoals ik al zei, bad hij erom ook zelf martelaar te worden, en hij wekte inderdaad de indruk bedroefd te zijn dat hij niet kon getuigen.
Maar de Heer beschermde hem omdat hij ons en anderen nog zozeer van nut kon zijn, opdat hij voor velen een leraar kon worden in de ascese die hijzelf uit de Schriften geleerd had. Immers, alleen al door zijn levenswijze gade te slaan, waren velen zich gaan beijveren zijn gedrag na te volgen. Zoals gewoonlijk wijdde hij zich dus weer aan de dienst aan de belijders, en alsof hij met hen gevangen zat, zo zwoegde hij in zijn dienstbaarheid.
47. Toen tenslotte de vervolging ten einde was en de gelukzalige bisschop Petrus * de martelaarsdood gestorven was, vertrok Antonius en trok hij zich weer terug in zijn kluizenaarscel. * Petrus werd patriarch van Alexandrië in 300 en stierf de marteldood door onthoofding op 24 november 311. Hij was de "laatste" martelaar, omdat kort daarop door het edict van Milaan de Kerk een lange periode van vrede tegemoet ging.
Daar was hij dagelijks een martelaar voor zijn geweten en hij streed de strijd van het geloof. Want hij beoefende veel en nog strenger ascese, want hij vastte nu altijd, en hij droeg een kleed met haren aan de binnenkant en het vel aan de buitenkant; dat kleed droeg hij tot aan zijn dood. Hij waste zijn lichaam nooit met water om zich van vuil te bevrijden, noch waste hij ooit zijn voeten, noch duldde hij het ze in het water te steken, tenzij door de noodzakelijkheid gedwongen. Niemand heeft hem zich ooit zien ontkleden, noch heeft iemand ooit het lichaam van Antonius naakt gezien, behalve toen hij na zijn dood begraven werd.
48. Nadat Antonius zich had teruggetrokken, had hij zich voorgenomen om een periode vast te stellen waarin hij niet naar buiten ging of iemand zou ontvangen, maar een legerofficier genaamd Martianus kwam hem lastig vallen. Deze had namelijk een dochter die door een demon werd geplaagd. Hij bleef lange tijd op de deur bonken en vroeg Antonius naar buiten te komen en voor zijn kind tot God te bidden, maar Antonius wilde niet open doen, keek van boven uit het venster, en zei: “Man, wat schreeuw je tegen me? Ik ben maar een mens, net als jij. Maar als je gelooft in Christus die ik dien, ga dan heen en bid volgens je geloof tot God, en dan zal het gebeuren.”
Terstond vertrok hij, en gelovig riep hij Christus aan, en hij kreeg zijn dochter terug, gereinigd van de demon.
Nog veel andere wonderen deed de Heer, die zegt: “Vraagt en het zal jullie gegeven worden,” (Lc. 11,9) via hem. Omdat hij zijn deur niet open deed, sliepen veel zieken buiten zijn cel, en omdat ze geloofden en oprecht baden, werden ze gereinigd. Lc. 11,9 Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.'
[5 In de berg Kolziem 320-356] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
49. Maar toen hij merkte dat hij door te veel mensen werd gestoord en het hem gewoon niet werd toegestaan zich terug te trekken zoals hij zich stellig had voorgenomen, en ook vreesde dat hij zich op grond van de dingen die de Heer door hem deed verheven zou gaan voelen, of dat een ander beter over hem zou denken dan hij in werkelijkheid was, overwoog hij naar de Opper-Thebaïs * te gaan, waar niemand hem kende, en vertrok. Hij kreeg van de broeders broden en hij ging aan de oever van de rivier zitten, uitkijkend of er een boot voorbij zou varen die, nadat hij aan boord zou zijn gegaan, hem stroomopwaarts kon meenemen. * Egypte werd ten tijde van de woestijnvaders verdeeld in: Egypte (= de Nijldelta) en Thebaïs. Dit laatste bestond weer uit Neder-Thebaïs en Opper-Thebaïs. In dit laatste lag ook Tabennesi, waar Pachomius juist te zelfdertijd ± 320, zijn eerste klooster stichtte.
Heeft Antonius zich daarheen willen begeven?
Nog hoger aan de Nijl ligt het oude Thebe, de hoofdstad van een beschaving.
Terwijl hij dat aan het overwegen was, kwam er een stem van boven tot hem die zei: “Antonius, waar ga je heen, en waarom?” Zonder ervan te schrikken, maar als iemand die eraan gewend is om op die manier aangesproken te worden, luisterde hij ernaar en antwoordde: “Omdat de toeloop van mensen me geen rust laat, wil ik naar de Opper-Thebaïs vertrekken, wegens de veelvuldige overlast die ik hier ondervind en vooral omdat ze dingen van mij eisen die mijn krachten te boven gaan.” Toen sprak de stem tot hem: “Ook als je naar de Thebaïs gaat, of zelfs als je, zoals je van plan bent, naar de Boekolia afdaalt, dan krijg je nog meer te verduren, ja, zelfs dubbel zoveel inspanningen. Maar als je werkelijk in de stilte wilt leven, trek dan nu dieper de woestijn in.” Toen zei Antonius: “Wie zal mij dan de weg wijzen? Want die ken ik niet.” De stem wees hem toen onmiddellijk op een paar Saracenen die op het punt stonden die kant op te gaan. Antonius ging dus naar hen toe en vroeg of hij met hen mee de woestijn mocht in reizen. En alsof ze een opdracht van de Voorzienigheid hadden gekregen, namen ze hem bereidwillig op.
Na drie dagen en drie nachten met hen te hebben meegereisd, arriveerde hij bij een zeer hoge berg. Aan de voet van die berg was een heldere bron met zoet en heel koel water, # en daaromheen een vlakte met een paar verwaarloosde palmbomen. # In plaats van woestijnvaders kunnen ze beter oasevaders genoemd worden.
50. Alsof het hem door God werd ingegeven, vatte Antonius liefde op voor die plaats, want dit was de plek * die was aangewezen door degene die aan de oever van de rivier tot hem had gesproken. Aanvankelijk kreeg hij broden van zijn medereizigers en verbleef hij alleen op de berg zonder dat er iemand anders in zijn gezelschap was. Alsof hij die plek als zijn eigen huis herkend had, zo hield hij van toen af aan die plaats vast.
Maar de Saracenen, toen ze eenmaal zijn geloofsijver bemerkt hadden, namen met opzet de route langs die plek om hem vreugdevol broden te brengen. En de palmbomen schonken hem zo nu en dan enige bescheiden en sobere leeftocht. Maar daarna, toen de broeders over die plaats hoorden, zorgden ze er, als kinderen die aan hun vader denken, voor dat hem iets werd toegezonden.
Toen Antonius echter zag dat sommigen zich vanwege dat brengen van brood afmatten en ontberingen leden, wilde hij ook daarin de monniken sparen. Hij besloot aan degenen die hem kwamen opzoeken te vragen om voor hem een houweel, een bijl en wat tarwe mee te brengen.

* Deze plaats is de berg Kolziem op ongeveer 125 km van de Nijl en slechts 25 km van de kust van de Rode Zee. De berg is 1200 m hoog, en later zou er een klooster verrijzen dat nog bestaat en Deir Mar Antonios heet.

Nadat men hem dit alles gebracht had, doorkruiste hij het land rond de berg, vond een klein stukje grond dat wel geschikt leek en bewerkte het.
Omdat hij overvloedig water had om te besproeien, zaaide hij. Dit deed hij jaar na jaar, en zo had hij voortaan zijn eigen brood, en hij was blij dat hij daardoor niemand meer tot last hoefde te zijn en dat hij zichzelf zonder veel moeite in leven kon houden.
Toen hij vervolgens bemerkte dat er toch mensen bleven komen, begon hij ook wat groenten te verbouwen om ervoor te zorgen dat de bezoeker enig soelaas zou hebben na de inspanning van die moeilijke reis.
Wandschildering in de Chiesa Sant'Antonio te Rome
Aanvankelijk brachten de wilde dieren in de woestijn, op zoek naar water, schade toe aan het zaaigoed en de aanplant. Maar eens pakte hij zachtaardig een van die dieren beet en zei tot hen allemaal: “Waarom richten jullie nu toch die schade bij mij aan terwijl ik jullie helemaal niets aandoe? Ga weg en, in de naam van de Heer, kom hier niet meer in de buurt.” En sindsdien kwamen ze, alsof ze bang waren voor zijn bevel, niet meer in de buurt van die plek. * Als teken van het herstel van de vrede van het paradijs heeft Antonius ongehinderd omgang met de wilde dieren die aan zijn bevel gehoorzamen. Heerschappij over de dieren is sindsdien een regelmatig terugkerend thema in heiligenlevens geworden. Denk aan Sint Franciscus met de wolf, Serafim van Sarov met de beren, enz.

En zie de afbeelding van een Indiase asceet links hieronder.
"Heerschappij over de dieren" is een veel ouder thema bij heiligen, dan in de voetnoot hierboven gesuggereerd wordt, zoals blijkt uit deze Indiase Rishi bij zijn kluizenaarscel in vriendelijk gesprek met vogels, slang en hert, van 200 voor Christus!
Shunga, Mathura Museum, Mathura, India.
51. Zo was hij alleen in de binnenste berg, waar hij zich wijdde aan gebed en ascese. De broeders die hem dienden, vroegen hem of ze hem maandelijks olijven en peulvruchten en olie mochten komen brengen. Hij was toen namelijk al een oude man.
Hoeveel worstelingen hij te doorstaan had toen hij daar woonde, niet zozeer met vlees en bloed, zoals de Schrift zegt, maar met de vijandige demonen, (vgl. Ef. 6,12) dat hebben we gehoord van degenen die hem hebben opgezocht. Ef. 6,12 Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen.
Want ook daar hoorden ze lawaai, vele stemmen en het gekletter van wapens, en 's nachts zagen ze hoe de berg vol met wilde dieren was. Ook zagen ze hoe hij vocht als tegen zichtbare tegenstanders en hen met gebed bestookte.
Degenen die hem kwamen bezoeken, sprak hij moed in, en zelf streed hij zijn strijd, geknield en biddend tot God. Het was werkelijk verbazingwekkend dat deze man, alleen in zo'n woestijn, niet bang was voor de demonen die hem aanvielen en ook, terwijl er zo veel viervoetige beesten waren en kruipend ongedierte, (Hand. 10,12 ) geen angst kende voor hun woestheid.
Hij had werkelijk, zoals de Schrift zegt, vertrouwen in de Heer als in de berg Sion. (Ps. 125,1 ) Want zijn geest stond onwrikbaar en onverstoorbaar vast, zodat de demonen liever voor hem op de vlucht sloegen en de wilde dieren, zoals geschreven staat, vrede met hem sloten. (Vgl. Job 5,23 )
52. De duivel dus — zoals David dat in een psalm zingt (Ps. 35,16 ) — hield Antonius in de gaten en knarsetandde tegen hem. Maar Antonius werd bijgestaan door de Verlosser en bleef onaangetast door zijn sluwheid en veelsoortige trucs. Als hij de nacht wakend doorbracht, stuurde de duivel wilde beesten op hem af en vrijwel alle hyena's van de woestijn kwamen dan uit hun holen en omsingelden hem en hij stond in hun midden, terwijl elk van hen zijn muil opensperde en dreigde hem te bijten, en dan zei Antonius — omdat hij deze streek van de vijand wel doorhad — tot hen allen: “Als jullie macht over mij hebt gekregen, dan ben ik bereid door jullie verslonden te worden, maar als jullie door demonen op mij af zijn gestuurd, blijf dan niet, maar ga weg, want ik ben een dienaar van Christus.” (Rom. 1,1; Fil. 1,1; Gal. 1,10 ) Toen Antonius dat zei, vluchtten ze weg, verjaagd door dat Woord als door een zweepslag.
53. Toen hij enkele dagen later aan het werk was — want hij zorgde er voor dat hij hard werkte — kwam er iemand aan de deur en trok aan het koord dat hij aan het vlechten was; hij vlocht namelijk manden en gaf die aan zijn bezoekers in ruil voor wat zij voor hem meenamen. Hij stond op en zag een dier dat weliswaar boven de dijbenen wel op een mens leek maar verder de poten en hoeven van een ezel had. Antonius sloeg slechts een kruis en zei: “Ik ben een dienaar van Christus. Als je tegen mij bent uitgezonden, wel, hier ben ik.” Maar het dier vluchtte met zijn demonen in zo'n grote haast dat het viel en stierf. En de dood van het dier betekende de val van de demonen. Zo probeerden ze van alles om hem uit de woestijn weg te krijgen, maar het lukte hun niet.
54. Eens werd hem door de monniken gevraagd om van de berg af te dalen en hen en hun woonplaatsen enige tijd te bezoeken. Hij reisde samen op met de monniken die hem waren komen halen, terwijl een kameel de broden en het water droeg. Die woestijn is namelijk volledig zonder water. Er is nergens enig drinkbaar water behalve in die berg waar zijn kluizenaarscel is; daar hadden zij dat water dan ook geput. Maar onderweg raakte het water op en omdat er een enorme hitte heerste, liep iedereen gevaar. Ze hadden in de omgeving rondgelopen maar konden geen water vinden en ze waren niet in staat nog verder te lopen. Ze gingen op de grond liggen en in hun wanhoop lieten ze de kameel maar gaan.
Toen de grijsaard echter zag dat allen in gevaar verkeerden, werd hij bijzonder bedroefd en begon hij te zuchten en te steunen. Hij liep een eindje bij hen vandaan, knielde, strekte zijn armen en bad. En direct liet de Heer water opborrelen op de plek waar hij had staan bidden. Toen iedereen gedronken had, leefde men weer op. Nadat ze hun flessen gevuld hadden, gingen ze de kameel zoeken en ze vonden het dier weer. Zijn touw had zich namelijk om een steen vastgedraaid zodat hij niet had kunnen weglopen. Ze brachten hem terug, gaven hem te drinken, legden de flessen op zijn rug en voltooiden hun reis ongedeerd.
Toen Antonius bij de buitenste cellen aankwam, groetten allen hem, hem als een vader beschouwend. En alsof hij met voorraden uit het gebergte kwam aanzetten, onthaalde hij hen op zijn woorden en gaf hen bijstand.
Opnieuw was er vreugde in de bergen, en ijver om vooruitgang te boeken, en vertroosting vanwege hun wederzijds geloof. (Vgl. Rom 1,12) Ook hijzelf verheugde zich toen hij de ijver van de monniken zag en zijn zuster, die in maagdelijkheid oud was geworden, en dat zij ook zelf aan andere maagden leiding gaf. Rom 1,12 Want ik verlang er vurig naar u te leren kennen, in de hoop u een of andere geestelijke gave te kunnen meedelen om u te sterken, of eigenlijk, om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne.
55. Na een zeker aantal dagen keerde hij terug naar de berg. Daarna zochten velen hun toevlucht bij hem, en anderen, die ergens aan leden, waagden het ernaar toe te gaan.
Aan de monniken die tot hem kwamen gaf hij altijd het voorschrift: “Vertrouw op de Heer en heb Hem lief, behoed je voor onreine gedachten en vleselijke lusten en laat je, zoals het in het boek Spreuken geschreven staat, ‘niet door verzadiging van de maag meeslepen.’"
Vermijdt ijdelheid en bid voortdurend, zing vóór het slapen gaan en na het opstaan psalmen, houdt de geboden van de Schriften in het hart, wees de daden van de heiligen indachtig, zodat jullie ziel in herinnering gebracht van de geboden, in harmonie komt met de geloofsijver van de heiligen.”
Vooral raadde hij hen aan voortdurend te mediteren op het woord van de apostel: “Laat de zon niet ondergaan over uw toorn.” (Ef. 4,26 )
Hij zei: “jullie moeten dit zo opvatten dat dit in het algemeen voor alle geboden bedoeld is, in die zin dat de zon niet alleen over onze toorn maar ook over geen enkele andere zonde van ons mag ondergaan. Want het is goed, ja zelfs noodzakelijk, dat de zon ons niet veroordeelt vanwege een kwade daad overdag en de maan niet vanwege een zonde in de nacht, al was het maar een slechte gedachte.
St. Antonius Abt (1469). Taddeo Crivelli. J. Paul Getty Museum, Los Angeles.
Antonius in zijn berg, maar wel met varkentje.
Om nu die gezindheid in ons te bewaren, is het goed naar de Apostel te luisteren en zijn woord te bewaren, want hij zegt: ‘Onderzoekt uzelf, beproeft uzelf.’ (2 Kor. 13,5 )
Elke dag moet iedereen zich dus rekenschap geven van zijn daden overdag en 's nachts.
Als hij heeft gezondigd, moet hij daarmee ophouden; heeft hij niet gezondigd, dan moet hij zich niet daarop laten voorstaan, maar in die goede toestand blijven en niet verslappen, ook moet hij zijn naaste niet veroordelen en zichzelf vrijspreken, zoals de heilige apostel Paulus zegt, ‘tot de komst van de Heer die het verborgene naspeurt.’ (Vgl. 1 Kor. 4,5 en Rom. 2,16) 1 Kor. 4,5 Oordeel dus niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is aan het licht brengen, en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder de lof die hem toekomt, ontvangen van God.

Rom. 2,16 Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan, en hun gedachten, die hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken op de dag dat God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus.

Want dikwijls doen we onbewust dingen die wij niet in de gaten hebben, maar de Heer merkt alles op. Laten we daarom aan hem het oordeel overlaten en sympathie voor elkaar hebben en elkaars lasten dragen. (Gal. 6,2 ) Laten we echter onszelf onderzoeken en ernaar streven onze tekortkomingen aan te vullen.
En als beveiliging tegen de zonde laten we het volgende in acht nemen: ieder moet zijn eigen daden en de opwellingen van zijn eigen ziel signaleren en opschrijven, alsof we die aan anderen zouden mededelen. En vertrouw er dan op dat, uit louter schaamte dat het bekend wordt, we zullen ophouden met zondigen en zelfs geen slechte gedachten meer koesteren. Want wie wil er nu gezien worden wanneer hij een zonde bedrijft? Of wie die gezondigd heeft zal niet liever liegen omdat hij wil dat het onbekend blijft?
Zoals we dus, wanneer we elkaar zien, geen ontucht bedrijven, zo zullen we ook, wanneer we onze gedachten opschrijven als om ze aan elkaar mede te delen, ons makkelijker behoeden voor onreine gedachten, uit schaamte dat ze bekend zouden worden. Laat dus wat we opgeschreven hebben fungeren als het oog van onze medeasceten, met de bedoeling dat we, evenzeer als we blozen om het op te schrijven als wanneer we ontdekt zouden worden, geen slechte gedachte meer toelaten. Als we onszelf zo vormen, zullen we in staat zijn het lichaam onderworpen te houden, (1 Kor. 9,27 ) de Heer te behagen, en de listen van de vijand onder onze voeten te vertrappen.”
[5.1 Wonderen] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
56. Dit was het advies dat hij gaf aan zijn bezoekers. Hij sympathiseerde met de lijdenden en bad voor hen. En dikwijls verhoorde de Heer hem ten gunste van velen. Werd hij verhoord, dan ging hij er niet prat op, werd hij niet verhoord, dan protesteerde hij niet. Maar altijd gaf hij dank aan de Heer en raadde hij de lijdende aan geduldig te zijn en te beseffen dat genezing niet aan hem was, of aan de mens, maar alleen aan God, die goed doet wanneer Hij wil en aan wie Hij wil. En zo namen de lijdenden de woorden van de grijsaard aan alsof deze een geneesmiddel waren, en zij begrepen dat ze niet kleinmoedig moesten worden, maar juist geduld moesten oefenen. En zij die genazen, werd duidelijk dat ze niet Antonius moesten bedanken, maar alleen God.
Antonius, op de voorgrond, geeft zijn bezittingen aan een arme, een kreupele en een pelgrim. Op de achtergrond links is een zeer raadselachtige voorstelling: het lijkt alsof Antonius bloedend word afgevoerd door een vos, een koe, een stier en een leeuw, terwijl een eenhoorn en zijnn varken dat willen verhinderen. Op de achtergrond rechts lijkt Antonius ten hemel te varen.
57. Een man, Fronto genaamd, die een officier was aan het Hof, leed aan een vreselijke kwaal want hij kauwde geregeld op zijn eigen tong en liep gevaar ook zijn ogen te beschadigen, kwam naar de berg en vroeg Antonius voor hem te bidden.
Maar Antonius zei: "Ga heen, dan zult u genezen.” Maar toen hij gewelddadig was en er een paar dagen bleef, wachtte Antonius en zei: "Zolang u hier blijft, kunt u niet genezen worden. Ga weg, en als u in Egypte bent aangekomen, zult u het wonderteken zien dat in u teweeggebracht is.” Hij geloofde, vertrok, en zodra hij Egypte zag, hield zijn lijden op, en de man werd geheeld volgens het woord van Antonius, dat de Verlosser aan hem in gebed onthuld had.
58. Er was ook een maagd uit Boesiris in de provincie Tripolis, die een vreselijke en afzichtelijke afwijking had, want de afscheiding van haar ogen, neus en oren viel op de grond en veranderde in wormen. Verder was ze verlamd en keek ze scheel. Haar ouders die gehoord hadden over monniken die naar Antonius gingen en vol geloof in de Heer, die eens de vrouw met de bloedvloeiing genezen had, (Mt. 9,20) vroegen toestemming om met hun dochter met hen mee te reizen. Zij stemden toe en de ouders verbleven met het meisje buiten de berg bij de biechtvader en monnik Pafnoetius, terwijl de monniken naar binnen gingen, naar Antonius. Mt. 9,20 Toen kwam er een vrouw naar Hem toe die al twaalf jaar aan vloeiingen leed. Ze raakte van achteren de zoom van zijn kleed aan. Want ze zei bij zichzelf: 'Al zou ik zijn kleed maar aanraken, dan ben ik gered.'
Jezus draaide zich om, en toen Hij haar zag, zei Hij: 'Wees maar gerust, mijn dochter. Uw vertrouwen is uw redding.'
Van die tijd af was de vrouw gered.
En ze waren net van plan hem over het meisje te gaan vertellen, toen hij hen voor was, en hen uit de doeken deed waar het kind aan leed en hoe zij met hen meegereisd was. Toen ze hem vroegen of zij ook toegelaten kon worden, stond Antonius dat niet toe, maar zei: "Gaat heen, en als zij niet al gestorven is, zult u haar genezen aantreffen; hoewel deze prestatie niet van mij is, ook al is ze bij mij, beklagenswaardige man die ik ben, gekomen, maar haar genezing is het werk van de Verlosser, die op elke plaats Zijn barmhartigheid toont aan hen die een beroep op Hem doen. De Heer is haar genegen geweest omdat ze bad en Zijn menslievendheid heeft mij geopenbaard dat Hij het kind, waar het nu is, zal genezen." Zo geschiedde het wonder, en toen zij naar buiten gingen, troffen zij de ouders aan in grote vreugde en het meisje genezen.
59. Maar eens waren twee broeders naar hem op weg, en het water raakte op, en één stierf en de ander was de dood nabij, want hij had geen kracht om nog verder te gaan, maar lag op de grond en dacht dat hij zou sterven. Maar Antonius die in de bergen zat, riep twee broeders, die toevallig aanwezig waren, en spoorde hen aan: "Neem een kruik water en ren over de weg die naar Egypte gaat. Want er waren twee mannen op komst, maar één is al dood, terwijl de ander elk ogenblik kan sterven als u zich niet haast. Want dit is mij geopenbaard toen ik zat te bidden." De monniken vertrokken dus. Zij vonden de een dood liggen en begroeven hem, en de ander versterkten zij met water en brachten hem bij de grijsaard. De afstand was namelijk één dag gaans.
Maar als iemand zou vragen waarom hij niet gesproken heeft voordat de ander stierf, zou het niet juist zijn die vraag te stellen. # Want de straf met de dood was niet van Antonius, maar van God, ## die de een veroordeelde, maar de toestand van de ander openbaarde. Maar het wonder hier was alleen in het geval van Antonius, dat hij, terwijl hij in de berg zat in zijn binnenste oplettend was, en dat hem door de Heer getoond werd wat er ver weg plaats greep. # Evenzogoed een goede vraag, inderdaad!

## En waarom werd die ene broeder (!) door God ter dood veroordeeld?
De verzoeking van St. Antonius (c. 1480-90). Martin Schongauer. The Metropolitan Museum of Art, New York.
Dit zou Michelangelo's eerste schilderij zijn, ± 1488. Kimbell Art Museum, Forth Worth.
60. En dit is zo, want toen hij weer eens op de berg zat, sloeg hij zijn ogen op en zag dat iemand in de lucht omhoog gevoerd werd en dat er veel vreugde was bij hen die hem ontmoetten. Verwonderd en veronderstellend dat een dergelijk gezelschap gezegend is, bad hij om te mogen weten wat dit toch was. En onmiddellijk kwam er een stem tot hem: "Dit is de ziel van Ammoen, de monnik in Nitrië.”
Ammoen nu had tot op hoge leeftijd volhard in een ascetisch leven. En de afstand van Nitrië tot de berg waar Antonius was, bedroeg dertien dagreizen. De gezellen van Antonius die de verbazing van de grijsaard zagen, wilden weten wat er aan de hand was en hoorden dat Ammoen net dood was.
En hij was welbekend, want hij was vaak bij hen geweest, en door hem waren veel wonderen verricht. Een daarvan is het volgende.
Eens moest hij de rivier die de naam Lukos draagt, oversteken en het water stond juist zeer hoog. Hij verzocht zijn metgezel Theodorus om op afstand te blijven, zodat zij elkaar niet naakt zouden zien als zij door het water zwommen. Maar toen Theodorus weg was, voelde hij zich weer beschaamd zelfs om zichzelf naakt te zien. En terwijl hij, vervuld van schaamte, stond na te denken, werd hij opeens naar de overkant gedragen.
Theodorus, zelf een godvrezend man, kwam dichterbij en zag dat Ammoen als eerste over was zonder dat er een druppel water van hem afviel, en vroeg hem hoe hij overgestoken was. Maar ziende dat Ammoen het niet wilde zeggen, omklemde hij zijn voeten en verzekerde dat hij ze pas zou loslaten als hij het van hem vernomen had.
Omdat Theodorus koppig volhield, zoals ook bleek uit zijn bewering, en na hem gevraagd te hebben het aan niemand mee te delen tot na zijn dood, vertelde Ammoen dat hij opgetild was en aan de overkant neergezet zonder een voet op het water gezet te hebben, iets wat volstrekt onmogelijk was voor mensen, maar alleen mogelijk voor de Heer en voor hen aan wie Hij het toestond, zoals Hij deed aan de grote apostel Petrus. (Mt. 14,28-29) Mt. 14,28-29 Meteen zei Jezus: 'Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.' Petrus gaf Hem ten antwoord: 'Heer, als U het bent, laat me dan over het water naar U toekomen.' Hij zei: 'Kom.' En Petrus stapte overboord, liep over het water en kwam naar Jezus toe.
En dit heeft Theodorus dus na de dood van Ammoen verteld.
De monniken aan wie Antonius over de dood van Ammoen gesproken had, tekenden de dag op. En toen er dertig dagen later enkele broeders uit Nitrië aankwamen, informeerden ze bij hen en vernamen dat Ammoen juist op dezelfde dag en hetzelfde uur ontslapen was als waarop de grijsaard zijn ziel omhoog gedragen zag worden. En zowel dezen als de anderen verwonderden zich over de reinheid van Antonius‘ ziel, hoe hij onmiddellijk waargenomen had wat er op een afstand van dertien dagreizen plaats greep en de ziel gezien had terwijl die omhoog werd gevoerd.
De verzoeking van St. Antonius (na 1640). David Teniers de Jongere. Wallraf-Richartz Museum, Keulen
61. En ook Archelaos, de graaf, ontmoette hem eens aan de rand van de berg, en hij vroeg hem slechts te willen bidden voor Polykratia, een bewonderenswaardige en christelijke maagd uit Laodicea. Want die leed ernstig aan haar maag en lende wegens haar al te strenge ascese, en eigenlijk was heel haar lichaam zwak. Antonius bad dus en de graaf noteerde de dag waarop het gebed plaats had, en toen hij naar Laodicea vertrokken was, trof hij de maagd genezen aan. Nadat hij geïnformeerd had wanneer en op welke dag zij van haar kwaal af was gekomen, haalde hij zijn papier voor de dag, waarop hij het tijdstip van het gebed had genoteerd, en zodra hij het gelezen had liet hij zijn aantekening zien. En allen waren verbaasd toen ze zagen dat de Heer aan haar lijden een einde had gemaakt op het moment dat Antonius voor haar aan het bidden was en de goedheid van de Verlosser voor haar aanriep.

62. En wat de mensen betreft die naar hem toe kwamen, voorspelde hij dikwijls enkele dagen, of soms een maand van tevoren, de reden van hun komst. Want sommigen kwamen alleen om hem te zien, anderen wegens hun kwaal en nog weer anderen omdat ze geplaagd werden door boze geesten. En allen vonden dat de inspanning van de reis geen moeite of last was, want ieder keerde terug in de het bewustzijn dat ze er beter van waren geworden. Maar hoewel hij zulke dingen sprak en zulke visioenen aanschouwde vroeg hij altijd dat niemand hem daarom zou bewonderen. Integendeel, zij moesten liever de Heer bewonderen, omdat Hij aan ons, mensen, de genade verleende Hem naar ons vermogen te leren kennen.
63. Daarna, bij een andere gelegenheid daalde hij af naar de kluizen buiten de berg gelegen, toen men hem uitnodigde scheep te gaan om met monniken samen te bidden. Daar nam hij als enige een buitengewoon onplezierige geur waar. Maar degenen die aan boord waren zeiden dat de stank veroorzaakt werd door de vis en het gepekelde vlees aan boord, maar hij zei dat de stank een andere was. En terwijl hij nog aan het spreken was, begon een jongen, die van een boze geest bezeten was en die zich in het schip had verstopt, te schreeuwen. Maar Antonius berispte de boze geest in de naam van onze Heer Jezus Christus, en deze verliet hem en de man werd geheeld. Allen wisten toen dat de slechte geur van de boze geest was gekomen.
64. En een ander, iemand van stand, kwam bij hem, bezeten door een boze geest. Die demon was zo vreselijk dat de bezetene niet eens wist dat hij naar Antonius ging. Maar hij at zelfs de uitwerpselen van zijn eigen lichaam. Zijn begeleiders smeekten Antonius om voor hem te bidden, en in zijn medelijden voor de jongeman bad Antonius en bleef de hele nacht bij hem waken. Tegen de ochtend viel de jongen ineens op Antonius aan en gaf hem een duw. De begeleiders werden kwaad, maar Antonius sprak: "Wees niet boos op de jongen; want hij is het niet die dat doet, maar de boze geest in hem. En omdat ik de demon heb berispt en bevolen uit te gaan naar waterloze plaatsen, (Lc. 11,24 ) werd hij razend van woede, en daarom deed hij dat. Prijst daarom de Heer, want dat de demon me zo aanviel, is het teken dat hij is uitgegaan." Toen Antonius dit gezegd had, was de jongeman meteen geheeld, en tenslotte weer bij zinnen gekomen, wist hij waar hij was en hij groette de grijsaard en dankte God.

Demon verlaat bezetene via de mond (kb)

65. En veel monniken hebben eenstemmig en overeenstemmend verteld dat veel andere soortgelijke dingen door hem verricht zijn. Evenzogoed zijn deze nog niet eens zo wonderbaarlijk als bepaalde andere dingen lijken te zijn. Zo stond hij eens vlak voor het eten rond het negende uur op om te gaan bidden, toen hij bemerkte dat hij in de geest opgenomen werd. En, wonderbaarlijk om te vertellen, terwijl hij daar stond, zag hij zichzelf, als het ware van buiten zichzelf, hoe hij door bepaalde wezens de lucht in werd gevoerd. Daarna zag hij bepaalde akelige en vreselijke wezens in de lucht staan die hem wilden verhinderen te passeren. Maar toen zijn begeleiders hen weerstonden, eisten die wezens dat hij zich tegenover hen moest verantwoorden. Maar toen zij dus een verantwoording wilden gaan opmaken sinds zijn geboorte, hielden de begeleiders van Antonius hen tegen, en zeiden: "De zonden vanaf zijn geboorte, heeft de Heer uitgewist. Alleen over wat geschied is vanaf het ogenblik dat hij monnik werd en zich aan God wijdde, mag door jullie verantwoording gevraagd worden." * * Hier wordt dus gesteld dat door monnik te worden, alle vroegere zonden vergeven zijn, m.a.w. dat de monniksprofessie een tweede doopsel is. # In dit verband moet het voorafgaande woord "geboorte" begrepen worden als geboorte voor de hemel, m.a.w. het eerste doopsel. Samen met enkele plaatsen uit de werken van Hiëronymus klinkt hier voor de eerste maal het motief van de monniksprofessie als tweede doopsel.

# Vergelijkbaar met 'diksha', de initiatie van een sannyasi, wat wordt beschouwd als: sterven uit het wereldse en herboren worden in het goddelijke leven.

Toen zij hem beschuldigden maar niet konden veroordelen, kon hij zijn weg vrij en ongehinderd vervolgen. En ogenblikkelijk zag hij zichzelf als het ware bij zichzelf aankomen en gaan staan, en was hij weer de Antonius van daarvoor.
Daarna vergat hij te eten, maar bleef verder die dag en gedurende de hele nacht zuchten en bidden. Want het verbaasde hem te zien tegen wat voor machtige tegenstanders wij te strijden hebben en met wat voor inspanningen we door de lucht moeten komen.
En hij herinnerde zich dat dit was wat de Apostel gezegd had: "Tegen de vorst van de macht van de lucht.” (Ef. 2,2) Want daar heeft de vijand de macht om hen die passeren te bestrijden en te hinderen. Ef. 2,2 Ook u die dood was door uw dwalingen en uw zonden, waarin u eertijds hebt geleefd, toen u zich nog liet leiden door de god van deze wereld, de heerser over het machtsgebied van de lucht, de geest die nog altijd aan het werk is onder de ongehoorzamen...
Daarom vermaande hij ook ernstig: "Trek de wapenrusting Gods aan, om op de dag van het kwaad weerstand te kunnen bieden," (Ef. 6,13 ) zodat “de vijand te schande staat wanneer hij van ons geen kwaad kan spreken." (Tit. 2,8 )
Nu wij dit vernomen hebben, mogen we ons wel het woord van de Apostel herinneren: "In het lichaam, ik weet het niet, of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het." (2 Kor. 12,2) Maar Paulus werd naar de derde hemel weggerukt, en hoorde onzegbare woorden die geen mens mag uitspreken, en daalde neer. Terwijl Antonius zag dat hij in de lucht gevoerd werd en streed, totdat hij vrij was. 2 Kor. 12,2 Ik ken een christenmens die veertien jaar geleden — in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het — werd weggerukt naar de derde hemel. Van die mens weet ik dat hij — met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het — werd weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens mag uitspreken.
66. En ook deze gunst was hem toegekend. Want als hij alleen op de berg zat en als hij ooit in zijn meditaties in verwarring raakte, dan werd hem dat in zijn gebed door de Voorzienigheid verhelderd. En de heilige was dan ook, zoals er geschreven staat, door God onderwezen. (Vgl. Joh. 6,45 )
Hierna, toen hij eens een discussie had met bepaalde mannen die bij hem waren gekomen in verband met de aard van de ziel en over wat de aard van haar plaats na dit leven zal zijn, riep iemand van boven hem de volgende nacht toe: “Antonius, sta op, ga naar buiten en kijk! “ Hij ging dus naar buiten, want hij wist aan wie hij gehoorzamen moest, en naar boven kijkende zag hij een lang, afzichtelijk en huiveringwekkend wezen staan dat tot aan de wolken reikte, en anderen die opstegen alsof ze vleugels hadden. Het wezen strekte zijn handen uit, en sommigen van hen die opstegen werden door hem tegengehouden terwijl anderen boven hem vlogen, en hemelwaarts ontsnapten en onbekommerd omhoog gedragen werden. Tegen dezen stond de reus dus te knarsetanden, maar over hen die achterbleven had hij plezier. En terstond kwam er een stem tot Antonius: “Tracht te verstaan wat u ziet." (Vgl. Dan. 9,23 )
En zijn begrip werd gewekt (vgl. Lc. 24,25 ) en hij begreep dat dit het verscheiden van de zielen was
* en dat het lange wezen dat er stond, de vijand was, die jaloers is op de gelovigen. Degenen die hij ving en de doorgang belette, waren hem verantwoording schuldig, terwijl degenen die hij niet te pakken kon krijgen terwijl ze omhoog stegen, niet aan hem onderdanig waren geweest.
Door dit visioen, en er als het ware opnieuw aan herinnerd, streed hij elke dag nog harder om dichter te komen bij de dingen die voor hem lagen.
* De voorstelling van de ziel als een kleine mens met vleugels was al gebruikelijk in de klassieke oudheid. Uit het pas gestorven lichaam maakt zich een gevleugeld persoontje los. Aan een heidens sterfbed zijn tal van kleine, zwarte, gevleugelde wezens in het rond afgebeeld, z.g. eidela. De christelijke oudheid heeft de oude symboliek op grote schaal overgenomen en ook dit beeld. Later wordt de ziel ook voorgesteld als een duif. Het is in die gedaante dat Benedictus de ziel van Scholastica ziet opstijgen. De ziel van Ammoen echter deed zich voor in menselijke gedaante, "iemand". Ook kenden de Ouden reeds de voorstelling van de gevaren die de ziel onmiddellijk na de dood bedreigen, gevaren die worden vergeleken met die op zee.
En over deze visioenen sprak hij niet graag, maar aangezien hij veel tijd in gebed doorbracht en zich erover verbaasde als zijn gezellen hem met aandrang erover bleven vragen, was hij gedwongen te praten, als een vader die zijn kinderen niets kan onthouden.
En hij dacht dat, omdat zijn geweten zuiver was, die mededelingen hun van nut zouden kunnen zijn, opdat zij eruit zouden leren dat de ascese goede vruchten afwerpt en dat visioenen dikwijls een troost waren voor hun inspanningen.
De Verzoeking van St. Antonius. Pieter Bruegel de Oudere of een navolger. The National Gallery of Art, Washington, DC, USA.
[5.2 Eigenschappen van Antonius] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
67. Daar komt nog bij dat hij verdraagzaam van aard was, en nederig van geest. Want al was hij zo'n man, hij leefde streng naar de regel van de kerk, * en hij wilde dat alle priesters meer eer zouden ontvangen dan hijzelf. Want hij schroomde niet voor bisschoppen en priesters zijn hoofd te buigen, en als ooit een diaken bij hem kwam voor hulp, dan besprak hij met hem wat hem ten voordeel kon strekken, maar liet hem voor gaan in gebed, want hij schaamde zich niet zelf te leren. Want vaak stelde hij vragen en verlangde te luisteren naar de aanwezigen, en als iemand dan iets nuttigs gezegd had, gaf hij toe dat hij er wat aan gehad had.
En bovendien had zijn gelaat een zeer bijzondere gave. Ook dit geschenk had hij van de Verlosser. Want als hij aanwezig was in een groot gezelschap monniken en iemand die hem nog niet eerder gezien had hem wenste te spreken, dan kwam hij onmiddellijk naar voren, ging de anderen voorbij en snelde op Antonius toe, alsof hij door zijn verschijning werd aangetrokken.
* Hier komt even de tegenstelling voor de dag tussen de kerkelijke hiërarchie en de monniken, althans de gepresumeerde tegenstelling. Er zou een zekere breuk ontstaan zijn tussen de verwereldlijkte Kerk, de hiërarchie inbegrepen, en de asceten, later de monniken. # Deze laatsten zouden het profetisch en charismatisch karakter van de Kerk tot gelding gebracht hebben en zich daartoe los hebben moeten maken van het kerkelijk gezag. Voor die presumptie zijn echter weinig bewijzen aan te halen....
Het is integendeel opvallend hoe dikwijls Athanasius aan zijn held het woord genadegave, charisma, toekent, duidelijk in alle openhartigheid, ongedwongen.
## Vandaar dat de laatste tijd een ander gezichtspunt deze jarenlang als waarheid verkondigde presumptie doorbreekt. De monniken vormen volstrekt geen tegenstelling met de gevestigde Kerk, zij zijn er slechts de optimale beleving van.

# Hier worden de begrippen monnik en asceet ten onrechte door elkaar gehaald en op één lijn gesteld. De asceet/mysticus met zijn eigen relatie tot God zal vrijwel altijd op gespannen voet staan met de priester voor wie de Kerk de verbinding tot God moet vormen. En van monniken bestaan er grofweg twee types: het (gehoorzame) priesterlijke type en het (rebelse) mystieke type, al dan niet ascetisch.
## Athanasius als bisschop schreef de Vita en had er natuurlijk belang bij Antonius als gehoorzaam type neer te zetten. Eigenlijk reflecteert deze hagiografie een van de zeldzame momenten dat de Kerk begrip opbrengt voor ascetisch/mystieke individualisten.

Toch viel hij niet op door lengte of omvang vergeleken met anderen, maar wel door de sereniteit van zijn optreden en de zuiverheid van zijn ziel. Want omdat zijn ziel vrij was van beroeringen, was zijn uiterlijke verschijning kalm. Dus vanwege de vreugde van zijn ziel, bezat hij een opgewekt gelaat, en uit zijn lichamelijke bewegingen kon de toestand van zijn ziel afgelezen worden, zoals het geschreven staat: "Is het hart verheugd, dan straalt het gelaat, maar is het in droefheid gedompeld, dan staat het somber." (Spr. 15,13 ) Zo herkende Jakob wat Laban in gedachte had, en zei tot zijn vrouwen: "Het gelaat van uw vader staat niet zoals gisteren en eergisteren." (Gen. 31,5 ) Zo herkende ook Samuel David. Hij had immers stralende ogen en tanden zo wit als melk. (Vgl. 1 Sam. 16,12 ) En zo werd ook Antonius herkend, want hij was nooit verstoord, want zijn ziel was in vrede; nooit was hij somber, want in zijn denken was hij blij.
68. En in alle opzichten was hij bewonderenswaardig in geloof en godsdienst, want hij had geen omgang met de afscheidingsbeweging der Meletianen, want hij kende vanaf het begin hun goddeloosheid en afvalligheid.
Evenmin had hij vriendschappelijke relaties met de Manicheeën of met enige andere ketters, of als hij die had, alleen om hen te vermanen vroom te worden. Want hij dacht en verklaarde dat omgang met hen schadelijk en verderfelijk voor de ziel was.
Verzoeking van St. Antonius (ca. 1500). Bernardino Parenzano, Galleria Doria-Pamphili, Rome
Evenzo verafschuwde hij de ketterij van de Arianen, en waarschuwde allen hen niet te benaderen, noch hun dwaalleer aan te hangen. Toen er eens bepaalde Ariaanse dwazen bij hem kwamen en hij hen ondervroeg en hun goddeloosheid bemerkte, joeg hij hen van de berg weg, en zei: "Hun woorden zijn erger dan slangengif."
Meer over de Ariaanse ketterij, op mijn pagina.
69. Toen de Arianen eens leugenachtig beweerden dat de denkbeelden van Antonius dezelfde waren als die van hun, was hij ontstemd en verbolgen over hen. Toen hij ontboden werd door de bisschoppen en alle broeders, daalde hij de berg af, en toen hij in Alexandrië was, veroordeelde hij de Arianen openlijk en zei dat hun ketterij de laatste van alle was en vooruitliep op de Antichrist. Hij onderwees het volk: "De Zoon van God is geen geschapen wezen en ook niet ontstaan uit het niet-bestaan, maar Hij is het Eeuwige Woord en de Wijsheid van het Wezen van de Vader. Daarom is het goddeloos te zeggen: ‘er was een tijd dat Hij niet was’. Want altijd is het Woord coëxistent met de Vader. Hebt dus geen omgang met de zeer goddeloze Arianen. Want er is geen gemeenschap tussen licht en duisternis. (2 Kor. 6,14 )
U bent goede christenen, maar zij, als zij beweren dat de Zoon van de Vader, het Woord van God, een geschapen wezen is, verschillen zij in niets van de heidenen. Want zij aanbidden wat geschapen is in plaats van de Schepper. (Vgl. Rom. 1,25) Maar gelooft u maar dat de Schepping zelf boos op hen is, want zij rekenen de Schepper en Heer van alles, door wie alles geworden is, bij die dingen die voortgebracht zijn.” Rom. 1,25 Zij hebben de goddelijke waarheid verruild voor de leugen, en de schepping geëerd en aanbeden in plaats van de schepper; Hij is gezegend in eeuwigheid! Amen. Daarom heeft God hen prijsgegeven aan onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn ze in lust voor elkaar ontbrand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling.
70. Alle mensen verheugden zich toen zij hoorden dat over de antichristelijke ketterij door zo een man de banvloek werd uitgesproken, en alle mensen in de stad liepen te hoop om Antonius te zien. De Grieken en degenen die hun priesters worden genoemd, kwamen de Kerk in en zeiden: "Wij vragen de man Gods te zien," want zo noemden allen hem. Want op die plaats ook reinigde de Heer velen van boze geesten en genas Hij degenen die gek waren. En veel Grieken vroegen of zij de grijsaard alleen maar even mochten aanraken, denkend dat zij ermee gebaat zouden zijn. Het is zeker dat er in die paar dagen evenveel mensen Christen werden als men er anders in een heel jaar zag worden.
Toen sommigen dachten dat hij van die menigten last zou hebben, en, ter wille van hem, hen wegstuurden, zei hij onverstoorbaar, dat zij minder talrijk waren dan de demonen met wie hij op de berg moest strijden.
71. Maar toen hij vertrok, en wij met hem een stukje mee op liepen, en we bij de stadspoort aankwamen riep een vrouw achter ons: "Stop even, man Gods! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een duivel. Sta stil, bid ik U, voor ik mezelf ook kwets door het harde lopen!" En de grijsaard toen hij dat hoorde en het door ons gevraagd werd, stond gewillig stil. En toen de vrouw dichtbij kwam, werd het kind op de grond geworpen, maar nadat Antonius had gebeden en de naam van Christus had aangeroepen, werd het kind ongeschonden opgetild, want de onreine geest was uitgegaan. De moeder zegende God, en allen brachten dank. En Antonius was zelf ook verheugd en vertrok naar de berg alsof het naar zijn eigen huis was.
[5.3 Toespraken tot de Griekse filosofen] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
72. En Antonius was ook buitengewoon verstandig, en het bijzondere was, dat hij, hoewel hij niet had leren lezen, een gevat en scherpzinnig man was. In ieder geval kwamen eens twee Griekse wijsgeren bij hem die dachten dat zij hun vaardigheid wel op Antonius konden uitproberen. En omdat hij zich op de buitenste berg bevond, en aan hun verschijning zag wie zij waren, kwam hij naar hen toe en zei tot hen door middel van een tolk: "Waarom, wijsgeren, hebt u zich zoveel moeite getroost om naar een dwaze man te komen?" En toen zij antwoordden dat hij geen dwaze man was, maar buitengewoon oordeelkundig, zei hij tot hen: "Als u bij een dwaas kwam, is uw inspanning tevergeefs, maar als u meent dat ik oordeelkundig ben, wordt dan zoals ik ben, want we behoren het goede te imiteren. Zou ik naar u toe gekomen zijn, dan had ik u moeten hebben imiteren. Maar als u naar mij komt, wordt dan als ik, want ik ben een Christen." Maar zij vertrokken in verwondering, want zij zagen dat zelfs demonen bang waren voor Antonius.
Verzoeking van St. Antonius (ca. 1550-1580). Luca Bertelli, Italië. Mooi varken, rechts.
73. En nog weer anderen zoals deze bezochten hem in de buitenste berg en dachten hem te kunnen bespotten omdat hij niet had leren lezen en schrijven. Antonius sprak tot hen: "Wat denk je: wat is het eerst, het denken of het schrijven? En wat heeft wat veroorzaakt: het denken het schrijven of het schrijven het denken?" Zij antwoordden dat het denken er eerst was, want dat heeft het schrijven uitgevonden.
Waarop Antonius zei: "Dus als iemand een goed verstand heeft, heeft hij lezen en schrijven niet nodig." Dit antwoord verbijsterde de omstanders zowel als de filosofen, en deze vertrokken, zich verwonderend dat ze zoveel inzicht gevonden hadden bij een ongestudeerd man. Want zijn manieren waren niet grof alsof hij in de bergen opgegroeid was en daar oud was geworden, maar gracieus en beschaafd. En zijn spraak was gekruid met het zout van God, (Kol. 4,6 ) zodat niemand afgunstig was, maar eerder, dat allen die hem bezochten zich over hem verheugden.
74. En daarna kwamen er weer anderen; en dit waren mannen, die door de Grieken als wijs beschouwd werden, en zij vroegen hem naar de reden voor ons geloof in Christus. Maar toen zij probeerden de prediking van het goddelijk Kruis (vgl. 1 Kor. 1,23 ) in twijfel te trekken, met de bedoeling dat te bespotten, hield Antonius even stil, en eerst hun onwetendheid beklagend, sprak hij door middel van een tolk die zijn woorden vakkundig kon vertalen: "Wat is mooier, het belijden van het Kruis, of het toekennen van overspel en knapenschennis aan degenen die u goden noemt? Want wat door ons gekozen is, is een symbool van moed en een duidelijk teken van minachting voor de dood, terwijl dat van jullie de hartstochten van de losbandigheid zijn. Vervolgens, wat is beter, te zeggen dat het Woord van God niet veranderd was, maar, zichzelf gelijk blijvend, voor de redding en het welzijn van de mens een menselijk lichaam heeft aangenomen opdat Hij, door zelf deel genomen te hebben in menselijke geboorte, de mensen kan laten delen in de goddelijke en spirituele natuur, (vgl. 2 Petr. 1,4 ) of om het goddelijke op één lijn te stellen met geestloze dieren en dus viervoetige dieren en kruipende dingen en menselijke gelijkenissen te aanbidden? * * De Egyptenaren bewaarden in het heiligste van hun tempels afbeeldingen van dieren. Denk b.v. aan de kostelijke parodie van Clemens van Alexandrië:, "Maar als hij ons een slip van het voorhangsel oplicht om de godheid te laten zien, doet hij ons hartelijk lachen over het voorwerp van de verering. Want als een god waarnaar we zo ijverig op zoek waren, treffen we daarbinnen een kat, een krokodil of een inlandse slang of een dergelijk dier aan, de tempel onwaardig, beter thuis in een rotsspleet, een hol of een modderpoel. De god der Egyptenaren blijkt een opgerold dier op een purperen rustbed te zijn." Het zijn dezelfde dieren die Athanasius vermeldt.
Want deze dingen zijn toch voor u, wijze mannen, de voorwerpen van verering. Maar hoe durven jullie ons te bespotten, die zeggen dat Christus verschenen is als mens, terwijl we zien dat jullie, die de ziel uit de hemel brengen, beweren dat zij de verkeerde kant is opgegaan en vanuit het hemelgewelf in het lichaam is gevallen! * * Leer van Plotinus, zelf een Egyptenaar van geboorte: de zielen hebben zich losgemaakt van de Ene en zijn door negen kringen heen van de Ene vervreemd. De Ene is niet wat hier het Verstand wordt genoemd. Dit laatste is slechts een eerste emanatie van de Ene, eerste tussenschakel tussen de Ene en de schepping.
En zeiden jullie dan nog maar dat zij alleen in het menselijk lichaam is gevallen, en beweerden jullie nou maar niet dat zij in viervoetige dieren en kruipende dingen indaalt en overgaat. #
Want ons geloof verklaart dat de komst van Christus voor de verlossing van de mens was.
# Dieren hebben dus geen ziel, volgens Athanasius & Antonius (en de Bijbel). Wat dat betreft komen de Grieken — naar huidige maatstaven (in ieder geval die van mij) — toch wel wat 'verlichter' over.
Maar jullie vergissen je, wanneer jullie praten over de ziel als niet verwekt. En wij, de macht en de menslievendheid van de Voorzienigheid overwegend, denken dat de komst van Christus in het vlees voor God geen onmogelijkheid was. Maar jullie, hoewel jullie de ziel gelijkstellen aan het Verstand, brengen haar in verband met vallen en doen in jullie mythen alsof zij veranderlijk is, en daaruit volgend introduceren jullie het idee dat het Verstand zelf veranderlijk is uit kracht van de ziel. Want wat ook de eigenschap van een gelijkenis is, zo is ook noodzakelijkerwijze de eigenschap van datgene waarvan het een gelijkenis is. Maar elke keer dat jullie zulke gedachten hebben over het Verstand, moeten jullie wel bedenken dat jullie evenzo de Vader van het Verstand Zelf lasteren. * Zoals opgemerkt in de vorige voetnoot, is volgens de leer van Plotinus het hoogste wezen de Ene. Het Verstand is het eerste voortbrengsel ervan, en zo heet de Ene de "Vader van het Verstand."
75. Maar wat het Kruis betreft, wat vinden jullie dat beter is, het te ondergaan, wanneer een complot is gesmeed door gemene mensen, en geen angst te hebben voor de dood in welke vorm dan ook, óf te bazelen over de omzwervingen van Osiris en Isis, de complotten van Tyfoon, en de vlucht van Kronos, en hoe hij zijn kinderen opeet en zijn vader vermoord?
Want dat is toch jullie wijsheid.
Maar hoe is het, dat jullie wel het Kruis bespotten, maar jullie je niet verwonderen over de verrijzenis? Want dezelfden die ons over het laatste vertelden, beschreven ook het eerste. Of waarom, wanneer jullie het Kruis noemen, zwijgen jullie over de doden die tot leven gewekt zijn, de blinden die ziende werden, de verlamden die genezen werden, de melaatsen die gereinigd werden, het lopen over de zee en de rest van de tekenen en wonderen die toonden dat Christus geen mens meer is maar God? Het komt me voor dat jullie jezelf geen eer aandoen door onze Schriften niet te hebben gelezen. Maar lees en zie dat de daden van Christus bewijzen dat Hij God is en op aarde gekomen is om de mensheid te verlossen.

76. Maar noemen jullie ons toch eens jullie godsdienstige overtuigingen. Wat kan je over redeloze wezens zeggen anders dan redeloosheid en wreedheid? Maar als jullie, naar ik verneem, willen zeggen dat door jullie over deze dingen als legenden gesproken wordt, en dat jullie de verkrachting van de maagd Persefone als een allegorie van de aarde zien, de mankheid van Hefaistos als het vuur, en de lucht verzinnebeelden als Hera, de zon als Apollo, de maan als Artemis en de zee als Poseidon, dan aanbidden jullie in geen geval God Zelf, maar dienen jullie het schepsel in plaats van God, de Schepper van alles. (Vgl. Rom. 1,25 )

St. Antonius Abt zegent de dieren, de armen en de zieken. (c. 1400 - 1410). Meester van St. Veronica
Want ook al zouden jullie zulke legenden componeren omdat de schepping zo mooi is, dan zou het gepast zijn dat jullie niet verder gaan dan bewondering en geen goden maken van de dingen die geschapen zijn; zodat jullie niet de eer die de Schepper verschuldigd is, bewijzen aan datgene wat geschapen is.
Want, als jullie dat doen dan wordt het hoog tijd voor jullie om de eer van de meester bouwer te verleggen naar het huis dat hij optrok, of van de generaal naar de soldaat. #
Wat kunnen jullie dan op deze dingen antwoorden, zodat we te weten kunnen komen of het Kruis waard is bespot te worden?”
# Een wat cryptische zin; je zou precies het omgekeerde verwachten.
77. Maar toen ze met hun mond vol tanden een beetje stonden te draaien, glimlachte Antonius en zei, weer via een tolk: "Het zien zelf brengt de overtuiging van deze dingen met zich mee. Maar omdat jullie liever steunen op aanschouwelijke argumenteringen, en omdat jullie, omdat jullie deze kunst ontwikkeld hebben, van ons verlangen God niet te aanbidden alvorens zulk bewijs geleverd is, zeggen jullie nu zelf eens hoe dingen in het algemeen en de kennis van God in het bijzonder precies gekend worden. Is het door aanschouwelijke argumentering of de werking van het geloof? En wat is beter, geloof dat komt door de inwerking (van God) of bewijs door argumenten?”
En toen zij antwoordden dat geloof dat komt door inwerking beter was en precieze kennis was, zei Antonius: “Dat hebben jullie goed beantwoord, want het geloof ontstaat uit de gezindheid van de ziel, maar de redenering uit de bekwaamheid van degenen die het bedacht hebben. Derhalve is voor degenen die de inwerking door het geloof hebben de bewijsvoering door redenering niet nodig, of zelfs overbodig. Want wat wij weten door geloof, dat proberen jullie door woorden te bewijzen, en vaak kunnen jullie niet eens uitdrukken wat wij begrijpen. Dus de inwerking door geloof is beter en sterker dan jullie professionele argumenten.
78. Wij, christenen, vatten dus het mysterie niet in de wijsheid van Griekse argumenten, (1 Kor. 1,17 ) maar in de kracht van het geloof waar God ons zo rijkelijk van voorziet door Jezus Christus. En om te tonen dat deze uitspraak de waarheid is, zie dan hoe wij, zonder te hebben leren lezen God geloven, omdat wij door Zijn werken Zijn voorzienigheid over alle dingen kennen. En om te tonen dat ons geloof zo effectief is, worden wij nu dus gesteund door het geloof in Christus, maar jullie door professionele woordkunstenaars. De voortekenen van de afgoden bij jullie zijn afgeschaft, terwijl ons geloof zich overal verspreidt. En jullie met al jullie argumenten en spitsvondigheden hebben niemand van het christendom tot het heidendom bekeerd, maar wij behoeven slechts het geloof in Christus te onderwijzen om jullie bijgeloof te ontmaskeren, omdat allen erkennen dat Christus God is en de Zoon van God. En jullie met jullie welsprekendheid staan de leer van Christus niet in de weg, terwijl wij slechts de gekruisigde Christus behoeven te noemen om al de demonen, die u vreest alsof het goden waren, op de vlucht te jagen. Waar het teken van het Kruis is, wordt de tovenarij verzwakt en heeft de hekserij geen kracht.
79. Dus vertel ons eens, waar zijn nu uw orakels? Waar zijn de toverformules van de Egyptenaren? Waar zijn de begoochelingen? Wanneer zijn deze dingen allemaal opgehouden en verzwakt, als het niet was toen het Kruis van Christus verrees? Is het dan een object dat zich leent voor spotternij, of integendeel juist al die dingen die tot niets gereduceerd werden, en als zwakte veroordeeld?
Want dit is wonderbaarlijk, dat jullie godsdienst nooit werd vervolgd, maar zelfs bij de mensen in elke stad in ere werd gehouden, terwijl de volgelingen van Christus worden vervolgd, en onze kant toch floreert ten koste van die van jullie.
Wat is die van jullie, die hoewel geprezen en geëerd, toch vergaat, terwijl het geloof en de leer van Christus, hoewel door jullie bespot en dikwijls door vorsten vervolgd, zich over de wereld verspreid heeft.
Want wanneer heeft de kennis van God ooit eerder zo gestraald? Of wanneer zijn zelfbeheersing en de voortreffelijkheid van maagdelijkheid ooit zo voorgekomen als nu? Of wanneer werd ooit de dood zo geminacht, als dat gebeurde sinds het Kruis van Christus is verschenen? En dit wordt door niemand betwijfelt wanneer hij ziet hoe de martelaren omwille van Christus de dood verachten, wanneer hij ziet hoe de maagden van de Kerk omwille van Christus zich rein en onbevlekt bewaren.
De verzoeking van St. Antonius. Cornelis Saftleven. The Bowes Museum, England
80. En deze tekenen zijn voldoende als bewijs dat alleen het geloof van Christus de ware godsdienst is. Maar zie, jullie geloven nog steeds niet en blijven zoeken naar argumenten. Wij echter leveren ons bewijs niet in de overredende woorden van de Griekse wijsheid, zoals onze leraar het zegt, (1 Kor. 2,4 ) maar wij overtuigen door het geloof, dat overduidelijk aan beredeneerd bewijs voorafgaat.
Kijk, hier zijn enkele personen die door demonen gekweld worden — nu waren daar enkelen die naar hem gekomen waren omdat ze erg door demonen verontrust werden, en ze in hun midden brengend, zei hij: — “Reinigen jullie hen maar of door redeneringen of door wat voor middelen en toverkunsten die jullie kiezen, waarbij jullie je afgoden kunnen aanroepen, of als jullie daartoe niet in staat zijn, houdt dan op met ons te bestrijden en jullie zullen de kracht van Christus’ Kruis zien.” Na dit gezegd te hebben, riep hij Christus aan en maakte over de lijders twee of driemaal een kruisteken. En onmiddellijk stonden de mannen op, geheeld en bij hun volle verstand, en meteen dankten zij de Heer.
En de filosofen, zoals zij genoemd worden, waren verwonderd, en uitermate verbaasd over het inzicht van de man en over het teken dat teweeggebracht was. Maar Antonius sprak: "Waarom je hierover verbazen? Niet wij zijn de daders van deze dingen, maar het is Christus, die ze teweegbrengt door middel van hen die in Hem geloven. Als jullie ook geloven, zullen jullie zien dat het bij ons geen kwestie is van een kunstje met woorden, maar van geloof door liefde tot Christus (Gal. 5,6 ) dat in ons teweeggebracht is. Als jullie dat zelf zouden verwerven, dan zouden jullie ook niet langer bewijzen in argumenten zoeken, maar zouden jullie het geloof in Christus als voldoende beschouwen.”
Dit zijn de woorden van Antonius. En zij, ook hierover verbaasd, groetten hem en vertrokken, waarbij ze toegaven dat zij veel aan hem gehad hadden.
#
# Moderne schriftgeleerden beweren vaak dat Antonius en de woestijnvaders door de Grieken beïnvloed zijn (en vooral door het begrip apatheia), maar dat is toch moeilijk vol te houden gelet op de bovenstaande laatdunkende commentaren op de Griekse filosofie en hun filosofen — en ook al eerder, waar de Grieken gelijkgesteld worden aan de heidenen (en het feit dat het woord of begrip apatheia in de Vita niet voorkomt).

Het is overigens wel jammer dat het zo'n monoloog is, dat we de Griekse filosofen zelf niet horen, maar alleen de woorden die hun door Antonius in de mond gelegd worden. Want we moeten aannemen dat deze toch wel iets meer ter verdediging zouden kunnen inbrengen. Als we nagaan hoe weinig voet de apostel Paulus in Athene aan de grond kreeg! Niemand wilde daar naar deze Christen luisteren, behalve om grapjes over hem te maken. Zou de christelijke filosofie niet nogal kinderlijk zijn overgekomen op de Grieken?
[5.4 Keizers, Arianen en nog meer wonderen] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
81. De roem van Antonius bereikte zelfs koningen. Want de verheven Constantijn en zijn zoons, de verheven Constantius en Constans schreven hem brieven, als aan een vader, en verzochten dringend om een antwoord. Maar hij gaf niet veel om de brieven, noch was hij verheugd over de mededelingen, maar hij was dezelfde als vóór dat de Keizers hem schreven.
Maar toen ze hem de brieven brachten, riep hij de monniken en sprak: "Wees niet verbaasd als een keizer ons schrijft, want hij is maar een mens; maar verwonder u liever dat God de Wet voor de mens heeft geschreven en door Zijn eigen Zoon tot ons heeft gesproken." (Heb. 1,2) Heb. 1,2 Nadat God vroeger vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde van de dagen, tot ons gesproken door de Zoon...
En hij wilde de brieven dan ook niet aannemen, zeggend dat hij niet wist hoe hij op zulke dingen een antwoord moest schrijven. Maar aangespoord door zijn monniken, omdat de keizers christenen waren, en om te voorkomen dat ze zich beledigd zouden voelen omdat ze afgewezen werden, ging hij ermee akkoord dat ze gelezen zouden worden, en schreef een antwoord waarin hij hen prees omdat ze Christus aanbaden en gaf hen raad over dingen die betrekking hadden op hun verlossing: niet veel belang te hechten aan het heden, maar liever te denken aan het oordeel dat zal komen, en te weten dat alleen Christus de ware en Eeuwige Koning is. Hij smeekte hen om genadig te zijn en zich te bekommeren om rechtvaardigheid en de armen. En zij, na het antwoord ontvangen te hebben, waren zeer verheugd. Zo was hij geliefd bij allen, en allemaal wilden ze hem graag als vader beschouwen.
82. Dus als zo een groot man bekend staand, en na aldus antwoorden aan zijn bezoekers gegeven te hebben, keerde hij terug naar de binnenste berg, en beoefende zijn gebruikelijke ascese. En vaak als er mensen bij hem kwamen, of als hij neerzat of rondwandelde, werd hij sprakeloos, zoals dat in het boek Daniël geschreven staat. (Dan. 4,16 ) En te rechter tijd pakte hij dan de draad van het gesprek met de broeders die bij hem waren weer op. En zijn metgezellen zagen dat hij een visioen had. Want vaak als hij in de bergen was, zag hij wat er in Egypte plaats greep, en vertelde het aan bisschop Serapion, die in de cel bij hem zat, en die zag dat Antonius geheel opging in een visioen.
Eens, toen hij zat te werken, viel hij als het ware in een trance en kreunde bij wat hij zag. Toen hij zich na enige tijd kreunend en bevend tot de aanwezigen wendde, begon hij te bidden, viel op de knieën en volhardde lange tijd in die toestand. Toen de oude man opstond, begon hij te huilen. Zijn metgezellen, trillend van angst, wilde van hem horen wat het was. En zij hielden net zo lang aan totdat hij gedwongen was te spreken. En met veel kreunen sprak hij als volgt: "Kinderen, het is beter te sterven vóórdat gebeurt wat ik in het visioen zag."
En toen ze hem opnieuw de vraag stelden, barste hij in tranen uit, en zei: "Toorn staat op het punt zich van de Kerk meester te maken en zij zal binnenkort overgeleverd worden aan mensen die als redeloze beesten zijn. Ik zag de altaartafel van het huis des Heren, en aan alle kanten eromheen stonden muilezels in een cirkel en trapten tegen alle dingen daarin, zoals een kudde trapt als die in paniek rondspringt. En jullie zagen,” zei hij, "hoe ik kreunde, want ik hoorde namelijk een stem die zei: ‘Mijn altaar zal ontheiligd worden.’"
De verzoeking van St. Antonius (ca. 1526). Jan Wellens de Cock. Fine Arts Museums of San Francisco
Deze dingen zag de grijsaard en twee jaar later hadden de huidige aanval van de Arianen en de plunderingen van de kerken plaats, waarbij zij met geweld de vaten wegdroegen en de heidenen dwongen ze te dragen, en ze de heidenen uit de gevangenissen haalden en dwongen zich in hun dienst te stellen, en ze in hun tegenwoordigheid op de altaartafel deden wat ze maar wilden.
Toen begrepen wij allen dat het trappen van de muildieren voor Antonius de betekenis had van wat de Arianen, redeloos als beesten, nu aan het doen zijn.
Maar toen hij dit visioen had, troostte hij de aanwezigen, en zei: "Wees niet terneergeslagen, mijn kinderen; want zoals de Heer kwaad is geweest, zo zal Hij ons weer genezen, en spoedig zal de Kerk weer haar eigen orde krijgen en schitteren zoals zij dat gewoon is. Dan zult u zien dat de vervolgden in hun vorige toestand hersteld worden, dat de goddeloosheid zich terugtrekt naar haar eigen hol en dat het vrome geloof overal krachtig en in alle vrijheid gesproken wordt.
Maar laten jullie je niet bezoedelen door de Arianen; want hun leer is niet die van de apostelen, maar die van de demonen en hun vader, de duivel; ja, sterker nog, deze is steriel en redeloos, en zonder enig begrip, zoals de redeloosheid van deze muildieren.” * * Telkens weer noemt Athanasius de Arianen redeloos, alogos, en dat betekende in die tijd "als de beesten." Hiermee werd op geestige wijze de leer van de Arianen aan de kaak gesteld. Dezen erkenden immers niet de godheid van Christus. Christus was voor hen niet het eeuwige Woord, de Logos. Zij waren met andere woorden: "alogoi"!
83. Zo waren de woorden van Antonius, en we behoren niet te twijfelen of zulke wonderen door een mens teweeggebracht zijn. Want het was de belofte van de Verlosser toen Hij zei: "Als u geloof hebt als een mosterdzaadje en u zegt tegen die berg: ga weg van deze plaats, dan zal hij zich verplaatsen, en niets zal voor u onmogelijk zijn." (Mt. 17,20 ) En nogmaals: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als u de Vader iets in mijn Naam vraagt, zal Hij het u geven. Vraagt en u zult ontvangen." (Joh. 16,23 ) En zelf sprak Hij tot Zijn leerlingen en tot allen die in Hem geloven: "Geneest zieken, drijft boze geesten uit. Gratis hebt u ontvangen, geeft ook gratis." (Mt. 10,8 )
84. Antonius, in ieder geval, genas niet door te bevelen, maar door te bidden en de Naam van Christus uit te spreken, zodat het voor iedereen duidelijk was dat niet hij het deed, maar de Heer, die via Antonius Zijn genade toonde en de lijders genas. Maar het aandeel van Antonius bestond alleen uit gebed en ascese, waarvoor hij in de berg verbleef, genietend van de contemplatie van goddelijke zaken, maar bedroefd wanneer hij lastig gevallen werd door veel mensen, en naar de buitenste berg gehaald werd.
De grot van Antonius, "de binnenste berg", op 2km afstand van het klooster.
Want alle rechters vroegen hem gewoonlijk om van de berg af te dalen, aangezien zij onmogelijk zelf de berg in konden gaan, vanwege hun gevolg van cliënten. Niettemin vroegen zij hem te komen zodat zij hem tenminste konden zien. Toen hij daar geen zin in had en weigerde naar hen toe te gaan bleven ze op hun stuk staan en stuurden hem des te meer gevangenen, begeleid door soldaten, om hem ertoe te bewegen ter wille van hen af te dalen.
Door de nood gedwongen en hun gejammer ziende ging hij naar de buitenste berg.
En zijn inspanning was alweer niet nutteloos, want zijn komst was voor velen gunstig en nuttig; en hij was van nut voor de rechters, want hij gaf hen de raad om boven alles de voorkeur te geven aan rechtvaardigheid, om God te vrezen en te beseffen dat zij zelf zouden geoordeeld worden naar de maatstaf waarmee zij geoordeeld hadden. (Vgl. Mt. 7,2 )
Maar boven alles hield hij ervan in de berg te vertoeven.
85. Op een andere keer, toen hij te lijden had onder eenzelfde dwang uit de handen van de noodlijdenden en hij, na veel verzoeken van de commandant van de soldaten, afdaalde, en toen hij bij hen was gekomen, sprak hij tot hen in het kort over de dingen die nodig zijn voor de verlossing, en over degenen die hem nodig hadden, en hij haastte zich weer weg. Maar toen de hertog, zoals deze genoemd werd, hem dringend verzocht om te blijven, antwoordde hij dat hij niet bij hen kon blijven rondhangen, en overtuigde hem met een aardige beeldspraak, zeggend: "Als vissen lange tijd op het droge blijven, sterven ze. En evenzo verliezen monniken die bij jullie rondhangen en met jullie optrekken hun kracht. Dus zoals vis zich naar zee moet haasten, zo moeten wij ons naar de berg spoeden. Want als wij dralen, vergeten we onverhoopt de dingen binnen in ons.” En de commandant die dit en vele andere dingen van hem hoorde, was vol bewondering, en zei: "Waarlijk, deze man is de dienaar van God. Want waarvandaan zou een ongeletterde man anders zoveel begrip gekregen hebben, tenzij hij door God bemind werd?"
86. En een zekere commandant, Balakios genaamd, vervolgde ons, Christenen, hevig vanwege zijn achting voor de Arianen — die naam van onheil. En zijn meedogenloosheid was zo groot dat hij maagden sloeg en monniken uitkleedde en met de zweep sloeg.
In die tijd schreef Antonius hem een brief, als volgt, en stuurde hem toe: "Ik zie toorn op u neerkomen, dus houdt ermee op de christenen te vervolgen, anders zal de toorn u wellicht overmeesteren, want op dit eigenste moment staat deze op het punt op u neer te dalen.”
Maar Balakios lachte en gooide de brief op de grond, en spuwde erop, en beledigde de brengers ervan en gelastte hen aan Antonius dit mee te delen: "Omdat u aan de monniken denkt, zal ik u ook spoedig komen halen.”
Maar nog geen vijf dagen waren verlopen of de toorn stortte zich op hem. Hij, Balakios, en de prefect van Egypte, Nestorius, begaven zich op weg naar de eerste halteplaats vanaf Alexandrië, Chairew geheten, beiden te paard gezeten. De paarden waren van Balakios en waren de tamste van zijn hele stal. Zij waren nog niet ver op weg naar die plaats, toen de paarden, zoals zij dat gewoon zijn, een beetje met elkaar gingen dollen. Plotseling trok het tamste dier, waarop Nestorius zat, Balakios uit het zadel, viel hem aan en verscheurde met zijn tanden diens dij zo verschrikkelijk dat hij rechtstreeks naar de stad teruggebracht moest worden, waar hij binnen drie dagen stierf. En allen waren verbaasd omdat hetgeen Antonius voorspeld had, zo vlug in vervulling was gegaan.
87. Aldus waarschuwde hij de wreedaards. Maar de anderen die bij hem kwamen, gaf hij zodanige aanwijzingen dat ze terstond hun rechtszaak vergaten en hen zalig prezen die zich uit de wereld teruggetrokken hadden. En voor hen die benadeeld waren, kwam hij zo op dat je zou denken dat hij er zelf onder leed en niet de anderen.
Verder was hij in staat om tot zoveel nut voor iedereen te zijn, dat veel soldaten en mannen die grote bezittingen hadden, de lasten van het leven van zich aflegden, en monnik werden voor de rest van hun leven.
En het was alsof God een geneesheer aan Egypte had gegeven. Want wie ontmoette Antonius in droefheid en kwam niet verheugd terug? Wie kwam treurend over zijn doden bij hem en hield niet onmiddellijk op met rouwen? Wie kwam in woede die niet werd omgezet in vriendschap? Welke arme en moedeloze man die hem ontmoette, hem hoorde en zag, ging niet de rijkdom verachten, en voelde zich niet getroost in zijn armoede? Welke monnik, die verzaakt had en bij hem kwam, werd niet door hem des te meer gesterkt? Welke jongeman die naar de berg kwam en Antonius zag, ontzegde zich niet terstond de genoegens en kreeg liefde voor de kuisheid? Wie, gekweld door een demon, ging tot hem zonder rust te vinden? Wie, gekweld door twijfels, kwam bij hem, zonder dat zijn denken gerust gesteld werd?
De verzoeking van St. Antonius. David Teniers de Jongere. Musée du Louvre
88. Want dit was een wonderbaarlijk iets in de ascese van Antonius dat hij, zoals ik reeds eerder zei, de gave bezat van de onderscheiding van geesten, dus herkende hij hun bewegingen en wist of een van hen zijn energie omdraaide en tot de aanval overging. En niet alleen werd hij zelf niet door hen misleid, maar ook beurde hij degene op die door twijfels gekweld werden, doordat hij hen leerde hoe ze hun listen konden verijdelen door hen te vertellen hoe zwak en doortrapt ze waren. Dus elk van hen, alsof ze door hem voor een veldslag waren voorbereid, kwam van de berg naar beneden, en trotseerde de duivel en zijn demonen.
En hoeveel maagden, die al een vrijer hadden, bleven maagd ter wille van Christus alleen al doordat ze Antonius van verre gezien hadden! Zelfs uit vreemde streken kwamen mensen naar hem toe, en zoals alle anderen, hadden zij er ook wat aan en ze keerden huiswaarts alsof een vader hen op weg geholpen had. En zeker toen hij stierf, troosten allen zich, alsof ze een vader verloren hadden, uitsluitend met hun herinneringen aan hem, tegelijkertijd zijn raad en advies behoudend.
[6 Zijn sterven] 0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
89. Het is de moeite waard dat ik het vertel en dat u daarover, als u dat wilt, hoort, hoe zijn dood was. Want ook dit einde van hem is iets dat het waard is nagevolgd te worden. Zoals zijn gewoonte was bezocht hij de monniken op de buitenste berg, en omdat hij van de Voorzienigheid gehoord had dat zijn eigen einde nabij was, zei hij tot broeders: “Dit is het laatste bezoek dat ik jullie breng en het zou me verbazen als we elkaar in dit leven nog een keer zouden zien. Tenslotte is de tijd voor mijn vertrek aangebroken, want ik ben bijna 105 jaar oud.”
Toen ze dat hoorden, huilden ze en omhelsden en kusten de grijsaard. Maar hij sprak verheugd alsof hij van een vreemde stad naar zijn eigen stad zeilde, en vermaande hen niet lui te worden in hun inspanningen, noch hun ascese te versagen, maar te leven alsof ze elke dag stierven. En, zoals hij al eerder had gezegd, met ijver hun ziel te behoeden voor onreine gedachten, enthousiast de heiligen na te volgen, zich niet in te laten met de schismatieke Meletianen — “want jullie kennen hun kwalijke en wereldse instelling” — noch enig contact te onderhouden met de Arianen, want hun goddeloosheid is voor iedereen duidelijk. Noch verstoord te worden als je ziet dat de rechters hen beschermen, want er zal een einde aan komen en hun gewichtigheid is sterfelijk en van korte duur. “Blijf dus onbezoedeld door hen en houdt de tradities der vaderen in ere, en als voornaamste het heilige geloof in onze Heer Jezus Christus, wat jullie uit de Schrift hebt geleerd en waaraan jullie ook dikwijls door mij zijn herinnerd.”
St. Antonius Abt. (c. 1630). Francisco de Zurbarán
Mt. 27,62 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus en zeiden: 'Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: "Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden." Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: "Hij is opgewekt uit de doden." Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste.' 90. Toen de broeders er bij hem op aandrongen dat hij bij hen zou blijven om daar te sterven, liet hij dat niet toe om vele redenen die hij door zijn zwijgen aan hen kenbaar maakte, maar vooral om de volgende.
De Egyptenaren plegen heiligen, en vooral heilige martelaren, met begrafenisrituelen eer te bewijzen, en hen niet onder de grond te begraven maar hun lichamen in linnen doeken te wikkelen, op een bank te leggen, en in hun huizen te bewaren, menend hiermee de overledenen te eren.
Antonius had er al vaak bij de bisschoppen op aangedrongen de mensen over deze kwestie een gebod te geven. Op dezelfde wijze onderwees hij de leken en berispte hij de vrouwen, zeggende dat dit niet volgens de wet was en al helemaal niet vroom. Want de lichamen van de aartsvaders en profeten zijn tot op heden in graftombes bewaard gebleven en ook het lichaam van de Heer zelf is in een graftombe gelegd (vgl. Joh. 19,41 ) en een steen die ervoor geplaatst werd verborg het totdat Hij op de derde dag opstond. (vgl. Mt. 27,62 e.v.)
En door aldus te spreken, toonde hij aan dat degene die de lichamen van de overledenen niet begroef, zelfs al zouden ze heilig zijn, de wet overtrad. Want wat is er nu groter en heiliger dan het lichaam van de Heer? Velen nu die dat hoorden, begroeven voortaan de doden onder de grond en dankten de Heer dat ze goed onderricht waren.
91. Maar hij, omdat hij op de hoogte was van deze gewoonte en bang dat ze zo ook met zijn lichaam zouden omgaan, haastte zich om van de monniken op de buitenste berg afscheid te nemen en ging de binnenste berg in, waar hij gewoonlijk verbleef.
En na enkele maanden werd hij ziek. Hij riep degenen die daar waren bij zich — er waren twee mensen die sinds vijftien jaar ook in de berg verbleven om de ascese te bedrijven en hem vanwege zijn hoge leeftijd bij te staan — en hij zei tot hen: Athanasius noemt hun namen niet — hij is überhaupt nogal karig met namen, plaatsaanduidingen en data — maar elders worden ze wel vermeld, en ze heten Marcarius en Amatas.
“Ik ga nu — zoals de Schrift het noemt — de weg der vaderen, (vgl. Joz. 23,14 ) want ik merk dat de Heer mij roept. Wees nu waakzaam opdat jullie in zo lange tijd opgebouwde ascese niet verloren gaat, maar beijveren jullie je, alsof jullie nu pas een begin maken om jullie grote inzet te behouden. Jullie kennen het verraderlijke van de demonen, hoe woest ze zijn, maar ook hoe weinig kracht ze hebben. Wees dus niet bang voor hen, maar adem veeleer altijd Christus in en vertrouw op hem.
Het Sterfbed van Sint Antonius; Peter Paul Rubens.
Leef alsof jullie elke dag sterven, let op jullie zelf, en blijf denken aan de vermaningen die jullie van mij hebben gehoord. Onderhoudt geen enkel contact met de schismatici en al helemaal niet met de ketterse Arianen. Jullie weten hoe ook ik hen uit de weg ben gegaan vanwege hun vijandigheid naar Christus en de vreemde leerstellingen van hun ketterij. Wees daarom des te ijveriger om op de eerste plaats volgelingen van God te zijn en dan van de heiligen, opdat zij jullie na de dood ook als welbekende vrienden in hun eeuwige tenten zullen ontvangen. (Lc. 16,9 ) Denk daarover na, overweeg dat.
En als jullie iets om mij geven en om mij denken als om een vader, sta dan niet toe dat iemand mijn lichaam meeneemt naar Egypte om het in een van hun huizen op te baren. Juist om dat te vermijden ben ik naar de berg teruggekeerd en hier gekomen. Jullie weten hoe ik altijd degenen heb berispt die die gewoonte hadden en hen heb gemaand ermee op te houden. Jullie moeten dus mijn lichaam begraven en het zelf onder de grond stoppen, en houden jullie je aan mijn woorden dat buiten jullie niemand die plek te weten mag komen. Want bij de opstanding der doden zal ik mijn lichaam van de Heiland in onvergankelijke staat terug ontvangen.
Zilveren reliëf op de reliekschrijn van Antonius in de basiliek van Sain-Antoine-l'Abbaye: op de voorgrond, zijn sterven met de twee discipelen; daarachter rechts, de begrafenis; en boven links, zijn hemelvaart.
En verdeel mijn klederen onder elkaar en geef aan bisschop Athanasius mijn ene schaapsvacht en de mantel waarop ik gelegen heb, die hijzelf mij nieuw gegeven heeft en die met mij oud geworden is. En geef bisschop Serapion mijn andere schaapsvacht, maar houden jullie het haren hemd zelf. Welnu, kinderen, het ga jullie verder goed, want Antonius vertrekt en is niet meer onder jullie.”
92. Toen hij dat gezegd had, en zij hem gekust hadden, tilde hij zijn voeten op, en terwijl het leek alsof hij vrienden op zich toe zag komen en daarom bijzonder blij werd (want terwijl hij zo lag, zag zijn gezicht er verheugd uit), stierf hij en werd hij tot de vaderen vergaderd. En daarna, overeenkomstig zijn gebod, omwikkelden ze hem en begroeven hem, zijn lichaam onder de grond verstoppend.
Serapion, bisschop te Alexandrië.
En tot vandaag de dag weet niemand waar het begraven was behalve alleen die twee. *
Maar elk van hen die de schaapsvacht van de gelukzalige Antonius had gekregen [i.c. Athanasius en Serapion] en het kledingstuk dat door hem was gedragen [i.c. Marcarius en Amatas], bewaart dat als een kostbare schat. Want alleen al ernaar te kijken, is als het zien van Antonius, en degene die erin gekleed is, lijkt zijn vermaningen met vreugde te dragen.
* Victor Tunnunnensis verhaalt dat de botten van Antonius in 561 zijn teruggevonden en naar de basiliek van Sint Johannes de Doper te Alexandrië werd overgebracht en daar is bijgezet. Via Constantinopel werden de relieken vervoerd naar Motte-aux-Bois, thans Saint-Antoine, in de Dauphiné Volgens andere bronnen echter zou het gebeente rusten te Lézat, of op tal van andere plaatsen. Geen van deze verhalen is authentiek. Nog in 1490 beweerden de Benedictijnen dat zij in het bezit van de relikwieën waren, in de abdij Montmajour-les-Arles. Deze werden in 1491 plechtig overgebracht naar de kerk St. Trophyme te Arles.

Zie ook op deze site, de pagina's over relieken, en over inventie en translaties.
93. Dit is het einde van het leven van Antonius in het lichaam, en het bovenstaande was het begin van de ascese. # Zelfs al is mijn verhaal klein vergeleken met zijn verdienste, gebruik het toch ter overdenking van de grootsheid van Antonius, de man van God. Die vanaf zijn jeugd tot op zo'n hoge leeftijd een onverminderde inzet voor de ascese heeft bewaard. # Athanasius impliceert hier weer eens — wat ik al een paar keer opmerkte — dat Antonius 'de' ascese heeft uitgevonden, wat toch vreemd is gezien de guru’s die hij in het begin noemde.
Maar er zijn nog wel meer redenen om dat aanmatigend te noemen, aangezien hij toch ook bekend moet zijn geweest — zoals al eerder vermeld — met de Essenen en Therapeuten, om maar een paar eerdere ascetische secten te noemen.
Laat staan de Indiase asceten, sinds 2500 v.Chr. en de Boeddhistische monniken, sinds 500 v.Chr.
In zijn ouderdom werd hij niet overmand door de zucht naar kostbare spijzen, en al evenmin bracht de zwakheid van zijn lichaam hem ertoe van kleding te veranderen of zelfs maar zijn voeten met water te wassen. En toch bleef hij totaal vrij van gebrek. Want zijn ogen waren helder en behoorlijk zuiver en hij kon scherp zien. En van zijn tanden was er niet één uitgevallen; alleen waren zij tot op het tandvlees versleten vanwege de hoge ouderdom van de grijsaard. Hij bleef sterk in beide handen en voeten. En terwijl alle mensen verschillende soorten voedsel gebruiken, en baden en afwisselende kleding, zag hij er opgewekter en krachtiger uit.
En het feit dat zijn roem overal verkondigd werd; dat allen hem met bewondering beschouwen, en dat zelfs degenen die hem nooit hebben gezien naar hem verlangen, is een duidelijk teken van zijn deugdzaamheid en de liefde van God voor zijn ziel.
Want niet door geschriften, noch door wereldse wijsheid, noch door een van de kunsten werd Antonius beroemd, maar alleen door zijn vroomheid tot God.
Dat dit een gave Gods was, zal niemand ontkennen. Want hoe had men over hem kunnen horen in Spanje en Gallië, in Rome en Afrika, terwijl hij in een berg verborgen zat, als dat niet dankzij God was die Zijn eigen volgelingen overal bekendheid geeft en dit ook al aan het begin aan Antonius beloofd had?
Want ook al handelen zij in het verborgene en willen ze in het duister blijven, toch toont de Heer hen als lampen om allen te verlichten, opdat zij die het horen aldus beseffen dat de geboden van God in staat zijn de mensen voorspoed te brengen en ijver op het pad van deugdzaamheid.
De gestorven Antonius in de rieten mantel die hij van Paulus van Thebe geërfd had. Zijn twee leerlingen treuren om hem. De engelen links dargen een vaandel dat oorspronkelijk tot de Tempeliers behoorde hier maar verwijst naar de Ridderorde gewijd aan Antonius, waarschijnlijk de Ordre Militaire et Hospitalier de Saint-Antoine en Barbefosse. Op de achtergrond dragen engelen zijn ziel ten hemel. Liber vita sanctissimi Anthonii Abbatis. Dauphiné, 1426. Bibljoteka Nazzjonali ta' Malta.
Voor meer over dit boek, zie de § op mijn pagina over de Antonianen.
Een afbeelding die hierop gebaseerd is, zien we in op een w
andschildering in de Chiesa Sant'Antonio te Rome.
94. Leest dit daarom voor aan de andere broeders, opdat zij leren hoe het leven van een monnik behoort te wezen en mogen geloven dat onze Heer en Verlosser Jezus Christus verheerlijkt wie Hem verheerlijken, en dat Hij wie Hem tot het einde toe dienen, niet alleen het Koninkrijk der hemelen binnenvoert, maar hen ook, hoezeer ze zich ook verbergen en zich uit de wereld terug willen trekken, overal bekend en beroemd maakt om hun deugd en de hulp die ze anderen geven.
En als het nodig zou zijn, leest het ook voor onder de heidenen, opdat ze zelfs op deze manier vernemen dat onze Heer Jezus Christus niet alleen God en de Zoon van God is, maar ook dat de christenen die Hem oprecht vereren en godvruchtig in Hem geloven bewijzen niet alleen dat de demonen, van wie de Grieken zelf denken dat het goden zijn, geen goden zijn, maar dat zij ze zelfs vertrappen en verjagen als bedriegers en verdervers van de mensheid, door Jezus Christus onze Heer, aan wie de eer zij voor eeuwig en altijd.
Amen.
De Dood van Sint Antonius de Heremiet; Antonio Viladomat Y Manalt (1678-1755); Museum of Fine Arts, Budapest.


7 Uitspraken van en over Antonius: de "vaderspreuken"
0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
5.01.1. Toen aan abba Antonius werd gevraagd, "Welke regel moet ik aanhouden om God te behagen?" gaf de oude man ten antwoord, "Volg deze regel die ik u geef. Waar u ook heengaat, houd immer God voor ogen en meet alles met de maatstaf van de Heilige Schrift. Waar u ook terecht komt, probeer niet te gauw weer verder te gaan. Doe deze drie dingen, en u zult leven.”

5.01.2. "Wat moet ik, doen?" vroeg abba Pambo aan abba Antonius.
De oude man antwoordde, "Vertrouw niet op je eigen gerechtvaardigheid, kom niet terug op je beloften, en wees matig in spraak en eetlust.”

5.02.1. Abba Antonius zei, “Net zoals vissen sterven als ze op het droge worden gehouden, zo worden monniken van hun oorspronkelijke bedoelingen afgeleid, als ze te lang buiten hun cellen talmen of teveel tijd met wereldse mensen doorbrengen. Dus net zoals de vissen naar de zee moeten terugkeren, zo moeten ook wij ons naar onze cellen haasten, om niet, door lang er buiten te talmen, onze innerlijke waakzaamheid te verliezen.

5.02.2. Weer zei hij, “Wie rustig in de eenzaamheid verblijft, wordt behoed voor drie soorten conflict, namelijk gehoor, spraak en gezicht. Hij heeft maar één conflict en dat is de strijd tegen de ontucht.

St. Antonius. Mathias Grünewald, 1510-1515. Musée d'Unterlinden, Colmar, Frankrijk.
5.04.1. Bepaalde broeders van Sketis, die abba Antonius een bezoek wilden brengen namen de boot om die tocht te maken. Aan boord ontmoeten ze een zekere oude man die eveneens Antonius ging bezoeken, hoewel ze zich dit niet realiseerden.
Terwijl ze in de boot zaten, spraken zij over de spreuken van de Vaders, over de Schrift, en over de manier waarop zij zelf werkten, maar de oude man bleef bij dit alles zwijgen.
Het was pas toen ze in de haven aankwamen dat ze zich realiseerden dat hij ook op weg was naar Antonius.
Toen ze aangekomen waren, zei abba Antonius, "Jullie hebben een goed reisgezelschap gehad in deze oude man.”
En tot de oude man, "Een paar goede broeders hebt u meegenomen.”
"Goed, wat je zegt,” zei de oude man, “Behalve dat hun woning geen deur heeft. Ieder die wil kan de stal binnen gaan en de ezel los laten.” Dit zei hij, omdat elk van hen gezegd had wat hem het eerst voor de mond kwam.
5.05.1. Abba Antonius zei, “Ik denk dat het lichaam van een natuurlijke bewegingskracht is doordrongen, die niet in werking treedt behalve als de geest er richting aan geeft, maar waarvan de betekenis in het lichaam alleen dat van een beweging is die niet geregeerd wordt door invloeden van buitenaf.
Maar er is nog een andere bewegingskracht, die komt van het lichaam dat gevoed wordt en opgewekt door spijzen en dranken die het bloed verwarmen en het lichaam in zijn handelingen opwindt. Waarom de Apostel zei, ‘Drink niet te veel wijn, wat tot losbandigheid leidt.’ (Ef. 5,18) En in het Evangelie gebiedt de Heer weer aan zijn leerlingen, ‘Zorg ervoor dat uw harten niet bezwaard worden door oververzadiging en dronkenschap.’ (Lc. 21,34)
Dan is er nog een derde bewegingskracht voor degenen die strijden om hun leven te ordenen die voortkomt uit de listen en valse streken van de demonen. Je dient dus te weten dat er drie soorten van lichamelijke beweging zijn, een natuurlijke, een van teveel eten en een van de demonen.
Ef. 5,18 Drink niet te veel wijn, wat tot losbandigheid leidt, maar laat u bezielen door de Geest.

Lc. 21,34 Zorg ervoor dat u niet versuft raakt door de roes van dronkenschap en door de zorgen van het leven, en dat die dag u niet plotseling overvalt als een klapnet. Want hij zal komen over alle bewoners van heel de aarde.
5.06.1. Een zekere broeder verzaakte de wereld en gaf zijn bezittingen aan de armen, maar hield een paar dingen voor zichzelf, alvorens naar abba Antonius te gaan. Toen de oude man dit bemerkte, sprak hij tot hem, "Als je een monnik wilt worden, daal dan af naar het dorp, koop wat stukken vlees, hang die aan je blote lichaam, en kom dan hier.”
Zodra hij dat gedaan had, klauwden de honden en vogels aan zijn vlees.
Hij kwam terug bij de oude man die hem vroeg of hij gedaan had wat hij gezegd had. Toen hij hem zijn stukgereten lichaam liet zien, sprak de heilige Antonius, "Ieder die de wereld verzaakt en toch aan zijn geld wil blijven hangen, zal op deze manier door de duivels gekweld en in stukken gereten worden.”
5.07.1. Eens toen de heilige abba Antonius in zijn cel zat, gekweld door lusteloosheid en verwarrende gedachten, klaagde hij tot de Heer, "Heer, ik verlang naar vrede en mijn gedachten staan het me niet toe. Wat kan ik in deze verwarring doen om vrede te vinden?"
En hij stond op om naar buiten te gaan, en zag toen iemand die eruit zag als hij zelf die zat te werken, toen van zijn werk opstond om te bidden, en weer ging zitten om matten van palmbladeren te vlechten, om daarna opnieuw op te staan om te bidden.
Dit was in werkelijkheid een engel van de Heer, gezonden om Antonius te berispen en verootmoedigen. En hij hoorde de stem van de engel tegen hem zeggen, "Doe dit en u zult vrede vinden."
Hij ontleende hieraan grote troost en vastberadenheid, en al doorzettend vond hij de vrede die hij zocht.

5.07.9. Abba Macarius de Grote bezocht abba Antonius op de berg, en nadat hij op de deur geklopt had, kwam Antonius naar buiten en vroeg, "Wie bent u?" "Macarius,” antwoordde hij.
Antonius stuurde hem weg, sloot de deur en ging naar binnen, maar toen hij hem geduldig zag wachten, deed hij open en verwelkomde hem met deze woorden, "Ik heb van u gehoord en al lange tijd verlangd u te ontmoeten.” En hij bood hem gastvrijheid en verversingen, moe als hij was van de inspanning van zijn reis.

Paulus (in zijn mantel van gevlochten palmbladeren) en Antonius. Plus de raaf met brood, leeuwen, bron en palmbomen.
Toen de Vespers gezegd waren, nam abba Antonius een paar palmbladeren en zette ze in de week. Macarius zei, "Geef mij er ook een paar zodat ik ze kan weken en werken.”
"Dit is alles wat ik heb,” zei Antonius, en maakte een grotere bundel om te weken. Zo samen zittend tot laat in de avond, sprekend over de dingen van de geest, vlochten ze verder aan hun matten, totdat ze zich door het raam uitstrekten tot in de kelder.
En toen Antonius ‘s morgens naar buiten ging, en de matten van abba Macarius zag, vond hij die zeer wonderbaarlijk, kuste zijn handen en zei, "Deze handen zijn handen met een grote kracht."

5.08.1. Abba Antonius hoorde eens over een jonge monnik die op de publieke hoofdweg een opzienbarend wonder verrichtte, doordat hij, toen hij bepaalde oude mannen zag die met veel moeite op hun tocht voortstrompelden, enkele wilde ezels had bevolen om te komen en hen naar hem toe te dragen.
Toen deze oude mannen abba Antonius hierover vertelden, zei hij, " Deze monnik lijkt me een handelsschip te zijn volgeladen met kostbare gaven, maar wie weet of het ooit de haven bereiken zal.”
En even later begon hij plotseling te huilen en zich in hevige smart de haren uit te trekken.
"Wat is er aan de hand, abba?" vroegen zijn leerlingen toen ze dit zagen.
"Zojuist is een grote zuil van de Kerk gevallen,” zei de oude man. Daarmee bedoelde hij natuurlijk de jonge monnik en hij voegde eraan toe dat ze naar hem toe moesten gaan om te zien wat er gebeurd was. De leerlingen gingen er dus heen en troffen de jonge monnik aan die op zijn mat zat te huilen over zijn zonden.
Toen hij de leerlingen van de oude man zag, zei hij, "Vraag aan de oude man om tot God te bidden om me nog tien dagen respijt te geven, waarbinnen ik hoop boete te kunnen doen.” En binnen vijf dagen was hij dood.

5.08.2. Toen Antonius de monniken eens gunstig over een broeder hoorde praten, nam hij het bezoek van deze zelfde broeder te baat om erachter te komen of hij ertegen kon beledigd te worden. En toen hij bemerkte dat hij dat niet kon, zei hij, "Hij is als een huis dat aan de buitenkant fraai is versierd, maar aan de binnenkant door dieven is leeggeplunderd.”

5.09.1. Het gebeurde eens dat een broeder van de gemeenschap van abba Elias, die aan een verzoeking was bezweken, verbannen werd en naar abba Antonius in de bergen ging. Nadat hij enige tijd bij hem doorgebracht had, werd hij teruggestuurd naar zijn gemeenschap. Maar zodra ze hem zagen, joegen ze hem weer weg, en weer ging hij naar abba Antonius en zei, "Ze willen me niet terug hebben, Vader.” Dus stuurde de oude man hen een boodschap, "Een vaartuig heeft in volle zee schipbreuk geleden, verloor alle goederen aan boord en hoewel leeg is het met veel moeite in de haven aangekomen. Zouden jullie het schip dat de haven in gevlucht is dan tot zinken brengen?” Ze realiseerden zich dat abba Antonius over de man sprak die hij naar hen had teruggestuurd, en namen hem terstond weer op.

5.10.1. Abba Antonius zei, “Er zijn velen die hun lichaam door hun onthouding kastijden, maar omdat ze er weinig verstand van hebben staan ze ver van God.”

St. Antonius met twee varkens, klok en boek, voor zijn hermitage met klokketoren. Uit het Beaufort Getijdenboek; ca. 1410.
5.10.2. Enkele broeders kwamen naar abba Antonius om hem te vertellen over bepaalde visioenen die ze gekregen hadden, en hem te vragen of ze echt waren of misleidingen van de duivel. Ze waren vertrokken op een ezel, die onderweg was doodgegaan en toen ze bij de oude man waren aangekomen, was hij hen voor door te vragen hoe het was gekomen dat hun ezel onderweg was doodgegaan.
"Hoe wist u dat?" vroegen ze.
"De demonen lieten het me zien," zei hij.
"Daarvoor zijn we juist gekomen om u daarover te vragen,” zeiden ze, “Want wij hebben enkele visioenen gehad, en in het algemeen zijn ze waar, tenzij we ons erg vergissen.”
En zo kon de oude man hen met het voorbeeld van de ezel ervan overtuigen dat deze dingen van de duivel kwamen.

Het gebeurde eens dat een jager die in die afgelegen streken naar wilde dieren op zoek was hen toevallig tegenkwam en toen hij zag dat abba Antonius met zijn broeders aan het lachen was voelde hij minachting aangaande hen. Maar de oude man wilde hem tonen hoe noodzakelijk het was om zich soms met de broeders te ontspannen, en zei tegen hem, "Leg een pijl op uw boog en span hem,” wat hij deed.
"Span hem nog eens," zei hij, en hij deed het.
“Verder,” en hij deed het, maar op dit moment zei de jager, "Als je doorgaat met hem te ver te spannen, dan breekt de boog.”
En abba Antonius zei, "Het is hetzelfde in het werk Gods. Als je te veel van de broeders vergt, zullen zij bezwijken. Dus moet je de regels zo nu en dan laten vieren.”
Toen de jager dit hoorde, kreeg hij berouw en vertrok, enorm gesticht door wat de oude man had gezegd, en de broeders, gesterkt, gingen naar hun woonplaats terug.
5.10.3. Een broeder vroeg abba Antonius om voor hem te bidden en hij antwoordde, "Noch God noch ik kan iets voor je doen, tenzij je er zelf voor zorgt je op Zijn genade te beroepen.”

5.10.4. Verder zei abba Antonius, “God staat deze generatie niet toe in teveel strijd verwikkeld te worden, want Hij weet dat ze niet in staat zijn die te verdragen.”

5.15.1. Abba Antonius die er niet in slaagde de oordelen van God te begrijpen, vroeg, "Heer, hoe komt het dat sommigen jong sterven, terwijl anderen zeer oud worden? En waarom zijn sommigen incompetent, terwijl anderen een overvloed aan vaardigheden hebben? En waarom zijn sommigen onrechtvaardig rijk, terwijl anderen in extreme armoede leven?" En er kwam een stem die tot hem sprak, "Antonius, bemoei je met je eigen zaken! Want het is niet aan jou om Gods oordelen te begrijpen.”

5.15.2. Abba Antonius zei tegen abba Poimen, “Dit is een enorme menselijke opgave: ertoe te komen om je schuld voor God toe te geven, en te aanvaarden dat je tot je laatste ademtocht verzoekingen zal ondergaan.”

5.15.3. Weer zei abba Antonius, “Ik zag alle valstrikken van de goddeloze uitgespannen over de hele aarde, en ik kreunde en zei, ‘Wie zal daar nog doorheen kunnen komen?’
En ik hoorde een stem zeggen, ‘Nederigheid’.”
De Verzoeking van de Heilige Antonius. Kopie naar het middenpaneel van het beroemde drieluik van Jeroen Bosch, door een onbekende navolger; 1540-1560. Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch.
5.15.4. Eens kwamen een paar oude mannen naar abba Antonius, onder wie abba Jozef. Omdat abba Antonius hen op de proef wilde stellen, citeerde hij wat teksten uit de Heilige Schrift en begon de jongeren onder hen te vragen wat deze betekenden. En elk had er iets over te zeggen.
Maar hij zei tegen iedereen, "Je bent er nog niet helemaal.”
Toen wendde hij zich tot abba Jozef en zei, "Hoe staat het met u, hoe verklaart u deze tekst?"
En abba Jozef zei, "Ik weet het echt niet.” En abba Antonius zei, "Waarlijk, abba Jozef is op de juiste weg omdat hij weet dat hij niet weet.”
5.17.1. Abba Antonius zei, “Ik vrees God niet meer, ik bemin Hem, want de liefde heeft de vrees uitgedreven.” (1 Joh. 4,18) 1 Joh. 4,18 De volmaakte liefde drijft de vrees uit, want vrees duidt op straf, en wie vreest is niet volgroeid in de liefde.
5.17.2. Hij zei ook, “Jouw leven en dood komen tot je van je naaste. Want als je het respect van je naaste wint, win je het respect van God, maar als je je naaste aanstoot geeft, geef je God aanstoot.”

5.17.3. Abba Ammoen van Nitrië kwam naar abba Antonius en vroeg, "Het lijkt erop dat ik harder werk dan u doet, dus hoe komt het dan, dat u een grotere reputatie onder de mensen hebt dan ik heb?" En abba Antonius zei tot hem, "Misschien bemin ik God meer dan u doet.”

5.17.4. Abba Hilarion kwam eens vanuit Palestina naar abba Antonius op zijn berg, en abba Antonius begroette hem, "Welkom! U bent als de zon die elke ochtend licht brengt!"
En abba Hilarion zei, "Vrede zij met u! U bent als een zuil van vuur die kracht geeft aan de wereld."
De Verzoekingen van Sint Antonius Abt. Joachim Patinir (c.1480 - 1524) & Quintin Massys (1465/66 - 1530); de menselijke figuren zijn door Quintin geschilderd en het landschap door Joachim. Museo Nacional del Prado
7.09.3. Abba Antonius sprak een voorspellend woord tot abba Ammon.
“U zult nog veel moeten leren over de vreze Gods.”
Hij bracht hem buiten de cel en wees hem een steen aan, en zei, “Beledig deze steen. Sla hem zonder ophouden.”
Toen hij dat gedaan had, vroeg abba Antonius hem of de steen iets had teruggezegd.
“Nee,” antwoordde hij.
Abba Antonius zei, "U zult ook tot de realisatie geraken dat niets u kan schaden.”

7.15.1. De heilige Antonius was vaak gewoon te zeggen, “Als de molenaar de ogen van zijn dier niet blinddoekt zal het de opbrengst van zijn arbeid opeten. Op dezelfde manier, door de beschikking van God, doen we een deken over onze goede daden zodat we er geen aandacht aan schenken, om te voorkomen dat we onszelf verheerlijken, en opgezwollen raken, en onze verdiende beloning verliezen. En als we door zondige gedachten worden belaagd dan is het noodzakelijk dat we die aan zien komen en altijd onszelf en onze houding veroordelen, om te voorkomen dat het boze in ons het beetje goed dat we hebben gedaan zal verduisteren. Zelfs al hebben mensen goede bedoelingen dan kunnen ze niet echt goed zijn tenzij God in hen verblijft, want niemand is goed behalve God. We moeten daarom onszelf altijd oprecht beschuldigen. Ieder die zichzelf niet berispt zal zijn beloning verliezen.”
7.15.2. Eens toen de heilige Antonius in zijn cel zat te bidden, hoorde hij een stem die sprak, "Antonius, je bent nog niet de gelijke van de leerbewerker in Alexandrië.” Toen hij dit hoorde, stond de oude man de volgende morgen vroeg op, nam zijn staf en haastte zich naar Alexandrië, waar hij de leerbewerker zocht, die totaal verbijsterd was om door zo’n groot man bezocht te worden. De oude man zei, "Vertel me eens wat u zoal doet, want ik heb de woestijn verlaten om hier te komen en u te zien.”
"Ik weet niet of ik iets bijzonders gedaan heb. Eigenlijk, wanneer ik ‘s morgens opsta, en voor ik me neerzet om te gaan werken, bedenk ik me dat allen in deze stad van de kleinste tot de grootste tenminste het Koninkrijk der Hemelen zullen binnengaan wegens hun goedheid. Ik als enige zal voor mijn zonden de eeuwige straf ondergaan. En voor ik ga slapen, herhaal ik oprecht deze woorden vanuit het diepst van mijn hart.”
Toen hij dat hoorde zei de heilige Antonius, "Waarlijk, mijn zoon, als een goede vakman die vredig thuis zit, bent u vredig tot het Koninkrijk Gods gekomen. Maar ik die al mijn tijd in eenzaamheid slecht heb doorgebracht ben niet tot gelijkheid met u gekomen.”

7.26.4. De heilige Antonius waarschuwde zijn discipelen dat als zij vrede verlangden zij als dood voor de wereld moesten verachten: de maag, wereldse behoeften, zondige begeerte en wereldlijke eerbewijzen.

7.27.1. Abba Antonius zei, “Als een monnik een paar dagen werkt en dan stopt, weer begint, dan weer opgeeft, bereikt hij niets, want hij heeft niet geleerd om met geduld vol te houden.”

7.32.1. De heilige Antonius was gewoon tegen zijn discipel te zeggen, “Als je de stilte verwelkomt, denk dan niet dat je deugdzaam bezig bent, maar eerder dat je het niet waard bent om iets te mogen zeggen.”

7.35.2. De heilige Antonius was gewoon te zeggen, “De oude Vaders gingen de woestijn in, en na genezen te zijn, werden zij genezers. Dan kwamen ze terug en genazen anderen. Maar onder ons zijn er tegenwoordig mensen die de woestijn ingaan en proberen anderen te genezen zonder eerst genezen te zijn, en zo komen zwakheden weer onder ons terug en onze laatste toestand is erger dan de eerste. (Mt. 12,45) Om deze reden werd tot ons gezegd, "Dokter, genees eerst uzelf." (Lc. 4,23) Mt. 12,45 Dan gaat hij zeven andere geesten halen die nog slechter zijn dan hijzelf; ze gaan naar binnen en blijven daar wonen. Zo iemand is er uiteindelijk erger aan toe dan van tevoren. Zo zal het ook gaan met deze slechte generatie.

Lc. 4,23 Hij zei tegen hen, ‘U zult Mij ongetwijfeld het spreekwoord voorhouden, Dokter, genees jezelf!

7.38.1. Een broeder vroeg aan Antonius wat hij aan zijn zonden kon doen, en hij antwoordde, "Als je van je zonden bevrijd wil worden, is het huilen en weeklagen dat die bevrijding zal bewerkstelligen. Als je wilt dat je deugden versterkt worden, is het in stromen van tranen dat die versterking zal komen. Denk aan het voorbeeld van Hizkia, over wie de profeet Jesaja ons vertelt.
Door zijn tranen kreeg hij niet alleen zijn gezonde verstand terug, maar omdat hij er tranen voor gestort had, beloofde de macht van de Heer hem ook een verlenging van zijn leven met vijftien jaar (Jes. 38,4) en bracht Hij honderdvijfentachtigduizend mannen van de vijand die hem aanvielen ter dood. Door zijn tranen kreeg de apostel Petrus van de Heer vergiffenis voor zijn verloochening. Maria die met haar tranen de voeten van de Heer gewassen had, mocht horen dat zij het beste deel verkoren had. (Lucas 10,40-42) Zo is het dus dat de heilige vreze des Heren tot in de eeuwigheid voortduurt.” Jes. 38,4 Het woord van de heer kwam tot Jesaja, Ga tegen Hizkia zeggen, “Zo spreekt de heer, de God van uw vader David, Ik heb uw gebed gehoord, uw tranen gezien. Ik zal aan uw leven vijftien jaar toevoegen.

Lucas 10,40-42 Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: ‘Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’

7.40.1. Een broeder had een vraag voor de heilige Antonius.
"God belooft een gezonde ziel als beloning voor het bestuderen van de Schriften; hoe komt het dan dat de ziel er niet voor kiest gezond te blijven, maar afzakt naar voorbijgaande pleziertjes, tweederangs bevredigingen en zelfs zonde?"
Hij antwoordde, "De Psalmist beantwoordt dit door te zeggen, ‘Als ik ongerechtigheid in mijn hart koester, zal God me niet verhoren’. (Ps. 66,18) Je lijkt je er niet bewust van te zijn dat als de buik vol zit met voedsel, grote ondeugden gedijen, zoals onze Verlosser reeds in het Evangelie zei, 'Het is niet wat bij iemand naar binnen gaat dat de ziel bezoedelt, maar het is wat er uit het hart komt, dat mensen in de ondergang stort.’ (Mt. 15,11) En zie wat Hij verder nog zegt, ‘Boze gedachten, moorden, echtbreuken, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslasteringen’. (Mt. 15,19) Dus als iemand nog niet de zoetheid van de hemel geproefd heeft en God niet met heel zijn hart volgt dan zal hij naar slechte dingen terugkeren. Wie kan naar waarheid zeggen, ‘Ik ben voor U een lastdier geworden, en ik ben altijd bij U’?" (Ps. 73,21-23)

15. Hij zei ook, "Wie geen verzoeking heeft ervaren kan niet het Koninkrijk der Hemelen binnengaan.” Hij voegde er zelfs aan toe, “Zonder verzoekingen kan niemand worden gered.”
Ps. 66,18 Als ik diep in mijn hart zonden zou koesteren, dan had de Heer mij nooit verhoord. 19 Maar God heeft mij verhoord, heeft geluisterd naar mijn bidden en smeken.

Mt. 15,11 Niet wat de mond binnenkomt, maakt de mens onrein, maar wat uit de mond komt, dat maakt de mens onrein.

Mt. 15,19 Want uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster.

Psalm 73,21-23 (NV) zolang ik verbitterd was, gekwetst van binnen, dom en dwaas, was ik bij u als een redeloos dier. Maar nu weet ik mij altijd bij u, u houdt mij aan de hand.

24. Aan abba Antonius in zijn woestijn werd onthuld dat er in de stad iemand leefde die zijn gelijke was. Hij was arts van beroep en wat hij meer had dan hijzelf nodig had gaf hij aan de armen, en elke dag zong hij het Sanctus met de engelen.

25. Abba Antonius zei, “Er komt een tijd dat de mensen gek worden, en wanneer ze iemand zien die niet gek is, zullen ze hem aanvallen en zeggen, ‘Je bent gek want je bent niet zoals wij’.”

26. De broeders kwamen naar abba Antonius en legden hem een passage uit Leviticus voor. De oude man ging naar buiten de woestijn in, heimelijk gevolgd door abba Ammonas, die wist dat dit zijn gewoonte was.
Abba Antonius ging een heel eind weg en stond daar te bidden, met luide stem roepend, "God, zend Mozes om me deze spreuk te doen begrijpen!" Toen kwam er een stem die met hem sprak. Abba Ammonas zei dat hoewel hij de stem met hem hoorde spreken, hij niet kon verstaan wat deze zei.

19. De broeders kwamen bij abba Antonius en zeiden tegen hem, "Spreek een woord; hoe moeten we gered worden?” De oude man zei tot hen, "Jullie hebben de Schriften gehoord. Dat zou jullie moeten leren hoe.” Maar zij zeiden, "Wij willen het ook van u horen, Vader.” Toen zei de oude man tegen hen, "Het Evangelie zegt, ' als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe’.” (Mt. 5,39)
Zij zeiden, "dat kunnen we niet doen.”
De oude man zei, "Als jullie de andere wang niet kunt aanbieden, laat dan toe dat één wang geslagen wordt.”
Mt. 5,39 Maar Ik zeg jullie een zaak niet uit te vechten met iemand die je kwaad heeft gedaan. Maar als iemand jou een klap op je rechterwang geeft, houd hem dan ook de andere voor.
"Dat kunnen we ook niet doen,” zeiden ze. Dus zei hij, "Als jullie daartoe niet in staat zijn, vergoed kwaad dan niet met kwaad.” En zij zeiden, "Dat kunnen we ook niet doen.” Toen zei de oude man tegen zijn leerling, "Ga wat pap voor deze invaliden klaar maken.” "Als jullie dit niet kunt, of dat, wat kan ik dan voor jullie doen? Wat jullie nodig hebben zijn gebeden.”
27. Drie Vaders hadden de gewoonte om elk jaar op bezoek te gaan bij de heilige Antonius en twee van hen bespraken dan hun gedachten en de redding van hun zielen met hem, maar de derde zweeg altijd en vroeg hem niets.
Na lange tijd zei abba Antonius tegen hem, "U komt me hier vaak bezoeken, maar nooit vraag u me iets.”
En de ander antwoordde, "Voor mij is het voldoende om u te zien, Vader.”

28. Men zei dat een zekere oude man aan God vroeg om hem de Vaders te laten zien en hij zag ze allemaal behalve abba Antonius. Daarom vroeg hij zijn gids, "Waar is abba Antonius?" En deze gaf hem ten antwoord dat op de plaats waar God is, daar ook Antonius zou zijn.
29. Een broeder in een klooster werd ten onrechte beschuldigd van ontucht en hij stond op en ging naar abba Antonius. Ook de broeders kwamen van het klooster om hem terecht te wijzen en mee terug te nemen. Zij wilden gaan bewijzen dat hij dat gedaan had, maar hij verdedigde zichzelf en ontkende dat hij iets dergelijks gedaan had.
Nu was daar toevallig abba Pafnoetius die Kefalas genoemd wordt, en hij vertelde hen deze gelijkenis, "Ik heb aan de oever van de rivier een man gezien tot aan zijn knieën in de modder begraven zat en er kwamen enkele mannen om hem een hand toe te steken om hem eruit te helpen, maar zij duwden hem er verder in, tot aan zijn nek.”
Toen zei abba Antonius over abba Pafnoetius, "Hier is nu een echte man die zich om zielen bekommert en ze kan redden.”
Alle aanwezigen werden door de woorden van de oude man in het hart getroffen en ze vroegen de broeder om vergiffenis. Zo, door de Vaders berispt, namen zij de broeder mee terug naar het klooster.
30. Sommigen zeiden over Sint Antonius dat hij “Geest-gedragen” was, dat wil zeggen, door de Heilige Geest vervoert, maar daarover nooit met mensen wou spreken. Zulke mannen zien wat er in de wereld gebeurt, en weten ook wat er gaat gebeuren.

31. Op een dag ontving abba Antonius een brief van keizer Constantijn die hem vroeg om naar Constantinopel te komen, en hij vroeg zich af of hij zou moeten gaan.
Daarom zei hij tegen abba Paulus, zijn leerling, “Zou ik moeten gaan?”
Hij antwoordde, “Als u gaat, zult u Antonius genoemd worden, maar als u hier blijft, dan zult u abba Antonius genoemd worden.”

33. Hij zei ook, “Houd altijd de vreze Gods voor ogen. Gedenk Hem die dood en levend brengt. (1 Sam. 2,6) Haat de wereld en alles wat erin is. Haat alle bevrediging die komt van het vlees. Verzaak aan dit leven zodat je voor God levend kan zijn. Gedenk wat je God beloofd hebt, want dat zal voor jou op de dag des oordeels vereist worden. Lijd honger, dorst, naaktheid, wees waakzaam en rouwvol, huil, kreun in je hart. Test jullie zelf om te zien of jullie God waardig zijn. Minacht het vlees, opdat jullie je ziel moge bewaren.” 1 Sam. 2,6 De heer brengt dood en laat leven, Hij brengt naar de onderwereld en Hij haalt er weer uit.
34. Abba Antonius ging eens op bezoek bij abba Ammoen op de berg van Nitrië en toen zij elkaar ontmoetten, zei abba Ammoen, “Door uw gebeden neemt het aantal broeders toe, en sommige van hen willen meer cellen bouwen waar ze rustig kunnen leven. Hoever van hier denkt u dat we die cellen moeten bouwen?”
Abba Antonius zei, “Laten we op het negende uur gaan eten en dan naar buiten gaan om een wandeling in de woestijn te maken en het land onderzoeken.” Zo gingen zij naar buiten de woestijn in en liepen totdat de zon onderging en toen zei abba Antonius, “Laten we bidden en hier het kruis neerzetten, zodat degenen die dat verlangen hier kunnen gaan bouwen. Als degenen dan die hier willen blijven, hen willen bezoeken die hiernaar toe gekomen zijn, kunnen ze op het negende uur eerst een beetje eten en dan gaan. Als ze dat doen, dan kunnen ze met elkaar in contact blijven zonder afleiding van de geest.” De afstand is twaalf mijl.

35. Abba Antonius zei, “Wie een klomp ijzer smeed, beslist eerst wat hij ervan gaat maken, een zeis, een zwaard, of een bijl. Zo moeten ook wij eerst beslissen wat voor soort deugd we willen smeden, want anders spannen we ons voor niks in.”

Paulus (in zijn mantel van gevlochten palmbladeren) en Antonius. Plus de raaf met brood, en de palmbomen.
36. Ook zei hij, “Gehoorzaamheid met onthouding geeft de mens macht over wilde dieren.”
[Zie ook hierboven bij de Rishi.]
37. Ook zei hij, “Negen monniken werden na veel inspanningen afvallig en waren geheel vervuld van geestelijk hoogmoed, want zij stelden hun vertrouwen in hun eigen werken, en misleid als ze waren, sloegen ze geen acht op het gebod dat luidt, ‘Vraag uw vader en hij zal het u vertellen’.” (Deut. 32,7) Deut. 32,7 Denk aan de dagen van vroeger, herinner u de tijd van voorbije generaties. Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen, vraag het uw oudsten, zij zeggen het u.
38. En hij zei dit, “als hij daartoe in staat is, dan behoort een monnik zijn superieuren vrijmoedig te vertellen hoeveel schreden hij zet en hoeveel druppels water hij drinkt in zijn cel, voor het geval dat hij zich erin vergist.”
53. Een broeder vroeg aan abba Antonius wat het betekende dat ieder zichzelf als onbelangrijk moest beschouwen. En hij antwoordde, “Het betekent jezelf te beschouwen als een redeloos dier dat geen onderscheid kent, zoals het in de Schrift is geschreven, ‘Ik was als een redeloos dier bij u, maar nu weet ik mij altijd bij u’.” (Psalm 73,21-23) Psalm 73,21-23 (NV) zolang ik verbitterd was, gekwetst van binnen, dom en dwaas, was ik bij u als een redeloos dier. Maar nu weet ik mij altijd bij u, u houdt mij aan de hand.

Hierboven staat een selectie waarin de meeste beschikbare teksten zijn opgenomen. De belangrijkste bron was Vitae Patrum, maar ook heb ik vaderspreuken gevonden bij Anthony of Egypt.
Er is ook sprake van brieven van Antonius, maar die heb ik niet opgenomen. In de eerste plaats omdat er toch in het algemeen vanuit wordt gegaan dat hij niet kon lezen of schrijven, en in de tweede plaats omdat ze qua inhoud niet echt iets nieuws te melden hebben.

Alle bijbelcitaten zijn ontleend aan de Willibrordvertaling en maar één keer aan de Nieuwe Vertaling (NV).



0 1 2 3 4 4.1 4.2 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6 7
Bronnen voor de Vita tekst:

Medieval Sourcebook: Athanasius of Alexandria: Vita S. Antoni: Life of St. Antony
* Noten uit: Wagenaar, Christofoor. Leven, getuigenissen, brieven van de Heilige Antonius Abt. Westmalle, 1981.
Flaubert, Gustave, vert. Hans van Pinxteren, De verzoeking van de heilige Antonius. Amsterdam, 1985.
Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1985. Vertaling van: La tentation de Saint Antoine. - 1874.

# Mijn eigen aantekeningen.

Bijbelcitaten zijn i.h.a. ontleend aan de Willibrordvertaling, maar soms aan de Statenvertaling.

Bronnen voor de schilderijen en illustraties:

Olga's gallery
Koninklijke Bibliotheek National Library of the Netherlands
Porkopolis
Tour Egypt

Nog meer nuttige links:

Vitae Patrum
Charlotte Roueche's page at KCL


Vita Antonii Abba's Iconografie Antoniusvuur Antonianen In de Kunsten Vieringen Orthodox Literatuur
Folklore Sint Antoon Saint Antoine Sant'Antonio San Antón Sankt Anton Saint Anthony
Adolphus Hilarion Paulus van Thebe Maria van Egypte Simeon de Pilaarheilige Christen Asceten

contact: Dolf Hartsuiker
Comments