P


Pa

- Paalmoes: Sperma.

- Paalmoezenier: Geestelijke die er wel pap van lust.

- Paalscholver: Visetende exhibitionist die graag op ducdalven staat.

- Paalvaardigheid: Het vermogen om een stijve bekwaam te hanteren.

- Paardappelen: Knollen.


- Paardemoer: Merrie.

- Paardeoordeel: Waarheid als een koe.

- Paardnotenolie: Vettige vloeistof die uit de kloten van een hengst wordt gewonnen. Zie ook Ruinkool*

- Paarkeren: Tijdens de daad van positie wisselen.

- Paars pro toto: Stijlfiguur waarin het bedoelde zaakje iets te gecomprimeerd was weergegeven. Zie Pers pro toto*


- Paarshaas: Iemand die heel bang is voor sociaal-democra­tische kabinetten.

- Paarwisseling: Partnerruil.

- Paasbiest: Eerste melk die gewonnen wordt uit paas­uieren.

- Paasfondue: Gerecht van gesmolten chocolade-eitjes en stokbrood.

- Paaspoort: Toegang tot het hazenpad.

- Paassie: Onweerstaanbare drang naar eieren.


- Paasveest: Naar rotte eieren ruikende ruft.

- Paboratorium: Zangstuk voor kwekelingen.

- Pad van fortuin: De gulden middenweg.

- Paddelen: Milieuvriendelijk amfibieën platrijden.

- Paddenstaal: Roestvrij materiaal waar moderne zwammen van worden gemaakt.


- Paddenstal: Parkeerplaats voor fietspadden* en ander amfibieën.

- Paddenstoet: Jaarlijkse optocht van amfibieën waarbij vaak veel doden vallen.

- Padjakker: Snelwandelaar.

- Padmuts: Tippelaarster.

- Padvindersgriet: Meid die alleen met de linkerhand sjort.


- Padvlinder: Insect met wrattige vleugels.

- Pafstand: Bereik van een vuurwapen.

- Pakje beter: Waar zelfs de grootste slapjanus een deuk in kan slaan.

- Palatonische relatie: Persoonlijke betrekking waarin alleen getongd wordt.

- Palenprakticum: Cursus waar men echt kan leren neuken.


- Paleostijn: Voormalige bewoner van het Midden-Oosten.

- Palingdroom (1): Ton snot.

- Palingdroom (2): Een paal zo glibberig als een aal.

- Palmelo: Tropisch zwemparadijs aan het Overijssels Kanaal.

- Pamperfoelie: Specerij waarvan men alsmaar luier wordt.


- Pandalucië: Rijk der fabelen op het Berisch Schiereiland.

- Panalfabeet: Allround talenkenner.

- Pandamees: Zeldzame Midden-Amerikaanse vogel.

- Pandamonium: Het rijk der bamboescheuten.

- Pangles: Schietinstructie.


- Pannenpons: Instrument om vergieten mee te maken.

- Pantofiel: Iemand die op sloffen valt.

- Papatisch (1): Lusteloos gevoel van man die moet wennen aan het vaderschap.

- Papathisch (2): Paus die niet meer in staat is om 'Dank foor die bluhme' te zeggen.

- Papegraai: RK-geestelijke die zijn handen niet thuis kan houden.


- Papegraaien: Diefstal uit naam van de RK-kerk.

- Papelazarus: Kennelijke staat na veelvuldig nuttigen van een paperatief*

- Papenstaartje: Kenmerkend kwispelend lichaamsdeel van rooms-katholieke geestelijken.

- Paperitief: Misbruikte miswijn. Zie ook Papelazarus*

- Papiamens: Antilliaan.


- Papiamentor: Antilliaanse raadkever.

- Papiamentos: Taal waar men lekker fris van uit de mond gaat ruiken.

- Papiloma: Oud vrouwtje met grote wrat op de neus.

- Paptepel: Waarmee een zuigeling het krijgt ingegoten.

- Parabnormaal: Bovennatuurlijk imbeciel.

- Paragein: Misleidend woord met grappige betekenis.


- Parapiet: Vogeltje dat voor alle zekerheid een valscherm meeneemt.

- Paraslet: Vrouw die skydivers uitzuigt.

- Parasnol: Terrasjeshoer.

- Parkeernicht: Homofiele bonnenschrijver.

- Parkerterrein: Stallingsruimte voor bal- en vulpennen.


- Parkietwachter: Bewaker van de vogelkooi.

- Parkwiet (1): Rare kooivogel.

- Parkwiet (2): Scharrelrookwaar.

- Parmahom: Wettig gedeponeerd merk Italiaans vissensperma.

- Partijbehang: Politiek klapvee.


- Paspauze: Het even voor gezien houden vanwege het gezeik.

- Passerij: Winkel waar je kleding, schoeisel en condooms kan uitproberen.

- Passieboem: Het geluid van een zelfmoordterrorist.

- Passievlucht: Seksreis naar Thailand.

- Passievracht: Foetus van acht kilo.


- Pastagieren: Het over het land uitrijden van deegwaren.

- Pastagonie: Land in het uiterste zuiden van Europa.

- Pastakapsel: Haardos alsof iemand een bord spaghetti over zijn hoofd heeft omgekeerd.

- Pastanaak: Onmisbaar kruid in de Italiaanse keuken.

- Pastarale: Italiaans loflied op deegwaren, bij voorkeur al dente gezongen.


- Pastat: Italiaanse frietjes.

- Pastinaakt: Bloot tot op je witte peen.

- Pasvrouw: Recentelijk omgebouwde transseksueel.

- Patatgonië: Buurland van Nederland.

- Pater familieas: Voor de gezinsurn verantwoordelijke geestelijke.


- Paterhoentje: Geestelijke zwemkip.

- Pausenveer: Kontversiering van praalzuchtige kerkvader.

- Pauseren: Onderbreking van katholieke eredienst.

- Pausmeubiel: De Heilige Rolstoel.

- Pauwtrappen: Jaarlijks festijn, vnl populair onder de adel.


- Payboy (1): Duur mannenblad.

- Payboy (2): Schandknaap.


Pe

- Pederasta: Jamaicaanse kinderlokker.

- Pedobiel: Speelgoedauto.

- Pedocure: Iemand die met de voeten van kindervrienden speelt.

- Pedofile: Dagelijkse opstopping bij kleuterschool.

- Pedogoog: Iemand die anderen leert hoe kinderen te bepotelen.


- Pedostal (1): Voetstuk voor kindervrienden.

- Pedostal (2): Kinderdagverblijf.

- Peenbreuk: Ongelukje bij het worteltrekken.

- Peerkwakken: Betuws volksgebruik.

- Pegazus: Gevleugelde merrie uit de Griekse mythologie.


- Pejoratiet: Borst die je om de oren slaat met beledigingen.

- Pekelvrees: Angst voor zout.

- Pelibaat: Verplichting voor peligieuze* geestelijken om met een watervogel te trouwen.

- Pelicatesse (1): Overheerlijke subtropische watervogel.

- Pelicatesse (2): Vrouw met met grote keelzak waarin ze van alles kan laten verdwijnen.


- Pelikaal: Vogel die zeer gevoelig is voor blotulisme*.

- Pendeldarm: Uitgestulpte anus.

- Penentratie: Vegetarische verkrachting.

- Penetralie: Veelgebruikt hulpstuk in gevangenissen.

- Penisbel: Hulpstuk dat het mannen mogelijk maakt ook in het donker hun lul achterna te lopen.


- Peniscoop: zie Plasbril*.

- Peniseel: De vleeskwast.

- Penisilline: Antibioticum gemaakt van een aftreksel van mannelijke leden.

- Penisionaris: Deftige ouwe lul.

- Penispoker: Gokspel voor slappe lullen.

- Penisroker: Monica Lewinski.


- Penistentie: Boetedoening na vreemdgaan.

- Penistijd: Uurtje lullen over wat je niet hebt.

- Penitentje: Noodgevangenis.

- Penningmester: Iemand die geld op vruchtbare wijze laat renderen.

- Penix: Mythisch klein pikkie.

- Penofobie: Ziekelijke angst voor het mannelijk lid. Zie ook Knijpkut 2*.


- Pensioenrekker: Bejaarde die maar niet dood wil gaan.

- Pensoen: Dikbuikige domoor.

- Pepercussie: Is te verwachten sinds de politie over pepperspray beschikt.

- Peperselie: Keukenkruid met zeer pittige smaak. Veroorzaakt blaakscheten*

- Perenclub: Besloten inrichting waar verschillende soorten fruit met elkander worden vergeleken.


- Perofiel: Groot liefhebber van vruchten van het geslacht Pyrus. Zie ook Kuttepeer*

- Perotiek: Moderne fruitwinkel.

- Pers pro toto: Stijlfiguur waarin het bedoelde zaakje gecomprimeerd wordt weergegeven. Zie ook Paars pro toto*.

- Perzak: Scrotum met fluweelzachte huid en veel pit.

- Pestarium: Middel dat vrouwen tegen plagerijen beschermt.


- Pestosteron: Plaaghormoon.

- Petanus: Infectieziekte die het functioneren van de aars aantast.

- Petpil: Medicijn dat onder het hoofddeksel moet worden ingebracht.

- Peuterboer: Kleine agrariër met een stal vol kinderen.

- Peuterklaas: Pedosint.


- Peuternalistisch: Iemand als een klein kind behandelen.

- Peuterselie: Keukenkruid dat uit de grond gepulkt moet worden.


Pi

- Pianorama: Muzikaal vergezicht.

- Picassa: Binnenlopend kunstenaar.

- Pictine: Zie geilatine* en mangelei*

- Pielenknijper: Geestelijk verzorger die buiten zijn boekje gaat.

- Pielenlikker: Vergaande vleier.


- Pielenrust: Einde van een loshandig leven.

- Piepermolen: Apparaat voor de bereiding van aardappel­puree.

- Piepzinnig: Met het verstand van een muis.

- Pierenaaien: Miereneuken voor de wat zwaarder geschapen pietlut.

- Pierezwaaien: Oud, nu verboden, volksvermaak.


- Piesdrempel: Maat voor de hoogte van urinoirs.

- Pietkuttig(heid): Zich druk maken om onbeduidende vagijnen.

- Pietlustig: Iemand op een kleinzielige manier te grazen nemen.

- Pietpistool: Probaat middel bij last van hoofdluis.

- Pijnpolis: Kontrakt dat je in je portemonnee voelt.


- Pijpbestrijding: Organisatie die opkomt tegen orale seks.

- Pijpboom: Altijdgroene penis.

- Pijpdrempel: Hobbel waar je overheen moet.

- Pijpeprulllen: Prostituees die zeer slechte zijn in fellatio.

- Pijpkameel: Lustdier dat niet spuugt maar slikt.


- Pijplijk: Slachtoffer van verstikking.

- Pijppoli: Kliniek waar je fluitend van het roken afkomt.

- Pijpulier: Boom die op zijn knieen gaat voor de boswachter.

- Pikcode: Getal waarmee je een nummertje kunt maken.

- Pikjesavond: Verjaardagfeestje van vieze oude man. Zie ook Goedgeiligman* en Peuterklaas*.


- Pikkedarmontsteking: Rotte plek in condoom.

- Pikkendraaier: Dildofabrikant.

- Pikkenslikster: Vrouw die bij het pijpen geen maat weet te houden.

- Pikklok (Eng. prickclock): Uurwerk met stempel- of perforatie-inrichting in bordeel. Zie Neukenwekker 2*

- Piklimonade: Frisdrank waarvoor geen rietje nodig is.


- Pikmee: Lid van een Afrikaans volk dat, in vergelijking met de ontdekkingsreizigers, gekenmerkt wordt door kleine piemeltjes.

- Pikode: Lofzang op de leuter.

- Pikpas: Plastic kaartje dat je in staat stelt om zonder betalen je gerief uit een automaat krijgen.

- Piksteren: Jaarlijkse dag dat alle penissen nederdalen.

- Pikutpaal: Dildo die met zuignap rechtop op een gladde ondergrond kan worden geplaatst.

- Pikvorser: Wetenschapper die penissen bestudeert.


- Pildo: Kunstpenis met ingebouwd voorbehoedmiddel.

- Pimpelloos: Stomnuchter.

- Pimpelmeisje: Beschaafd breezersletje.

- Pimpelmoes: Gestampte meesjes.

- Pimpelpaas: Christelijke blauwe maandag.


- Pinda: Chinese beer met ruwe bolster en blanke pit.

- Pindakhaas: Katjangkat.

- Pindaklaas: Chinese Sint.

- Pineukio: Jongetje dat op ongelegen momenten een erectie krijgt.

- Pingein: De lol van het geld halen uit automaten.


- Pingin: IJskoude genever.

- Pink-up: Grammofoon met ultralichte arm.

- Pinkstaren: Poging om de heilige geest te krijgen.

- Pinterklaas: Beschonken goedheiligman.

- Pintjesregen: Jaarlijkse uitreiking van koninklijke onderscheidingen aan de gewone man.


- Pintuigen: Vingers.

- Piranja: In sinaasappellimonade voorkomende vraatzuchtige roofvis. Daarom rietje aanbevolen.

- Piscommunicatie: Gezeik.

- Piscopaat: Bisschoppelijke onwaardigheid.

- Piscussie: Gedachtewisseling waarin men elkaar afzeikt.

- Pisdadiger: Wildplasser.


- Pisharmonie: Geluid in een akoestisch goed vormgege­ven urinoir.

- Piskraam: Openbaar urinoir.

- Pisserslatijn: Dronkemansopschepperij.

- Pissertatie: Geleerd gezeik.

- Pissonant: Geluid in een akoestisch slecht vormgegeven urinoir.


- Pisstick: De pik van kapitein Iglo.

- Pistributiekaart: Overzicht van pislocaties waar legaal wild mag worden geplast.

- Pisualiseren: Figuurtjes in het zand plassen om iets duidelijk te maken.

- Pisvergunning: Ambtelijke oplossing van het wildplas­probleem.

- Pitamine: Egyptisch broodje gezond.


- Pitpoes (1): Poes waarvan je pitjes tussen de tanden krijgt.

- Pitpoes (2): Een vrouw met ballen.


Pl

- Plaagbeest: Polterbeist.

- Plaatvervanger: Compact disc.

- Plaatvis: Reusachtige platvis. Zie ook Megatong*.

- Placebok (1): Mannelijk dier dat schijnzwangerschap bij geiten veroorzaakt.

- Placebok (2): Geit met voorbindpenis.


- Placebos: Verzameling nepbomen waardoor je het bos niet meer ziet.

- Placentas: Zak of kleine koffer die moeders meenemen om er datgene in op te bergen wat ze nooit nodig zullen hebben.

- Plaggiaat: Diefstal van graszoden, Gazondieverij.

- Plagitarist: Muzikant die alleen gestolen nummers speelt.

- Plakboy: Jongen die je niet meer kwijtraakt.


- Plakzak: Zelfbevlekte klapzak*.

- Planeturium: Instrument waarmee naar hemelse lichamen kan worden gestaard.

- Planeut : Hemellichaam dat voornamelijk uit alcohol bestaat.

- Plankeneter: Houtplatworm.

- Plankgast (1): Windsurfer.  (2)  Snelheidsduivel.


- Plant de campagne: Tuinontwerp.

- Plantaarn: Boomsoort die gebruikt wordt als straat­verlichting.

- Plantalon: Tuinbroek.

- Plantarium: Bekakte bloembak.

- Plantenkoorts: Ernstige vorm van hooikoorts.


- Plantenkwaker: Teler die tegen zijn planten praat. Zie ook Kwakersbeweging*.

- Planterfant: Werkloze die thuis achter de geraniums blijft zitten.

- Plantoffel: Tuinlaars.

- Plantomimespeler: Toneelspeler die alleen gebladerde organismen kan nadoen.

- Plantonisch: Zich vegetatief voortplantend.


- Plantzoen: Onderdeel van begroetingsritueel onder vegetariërs.

- Plasbril: Instrument met lenzen en spiegels, door dikke mannen gebruikt om over de buik heen te kijken. syn.: Peniscoop*.

- Plasfabriek: Bedrijf dat designregenplassen produceert voor dure buurten.

- Plaskamer: Urinoir.

- Plaspoort: Doorgang die geliefd is bij wildplassers.


- Plassagier: Opvarende die telkens aan land moet om te gaan pissen.

- Plassant: Voorbijgaande wildplasser.

- Plasserdoos: Bewaarplaats voor piemels en hulpstukken.

- Plasster: Vrouw die geweldig kan zeiken.

- Plastorie: Kerkelijk urinoir.


- Plastroon: Koninklijke zetel met ingebouwde pispot. Ook: Keizerlijk urinoir.

- Plataas: Door besnijding zwaar misvormde penis. Veelvuldig op Franse dorpspleintjes te aanschouwen.

- Platfloers: In bedekte termen schunnigheden debiteren.

- Platina: Borstloos Zuid-Amerikaan nepblondje.

- Pledikant: Dominee die in openbare toiletten tracht mensen te bekeren.


- Pleebaan: Pisbakpastor.

- Pleedooi: Verdedigend betoog in de zaak Wildplasser.

- Pleedoorn: Struik om tegen te zeiken.

- Pleekind: Is zindelijk maar hoeft niet meer op het potje.

- Pleeonasme: Uitdrukking die door het toilet gespoeld moet worden.

- Pleesterwerk: Stucwerk in het toilet.

- Pleezant: Grove Vlaamse poep- en pieshumor.


- Pletpark: Kermis waar veel ongelukken gebeuren.

- Plettante: Familielid dat haar neefjes altijd hardhandig tussen haar borsten drukt.

- Pleurpotlood: Favoriet gooiobject van baldadige scholieren.

- Pleziekwoord: Een op komische wijze verziekt woord.

- Plintworm: Houtworm op zeer beperkt dieet.


- Plofadder: Reptiel dat explodeert als je er op trapt.

- Plofbroek: Beroepskleding van zelfcastratieterroristen.

- Ploffertjes: Hele kleine pannekoekjes met een verrassing voor de kinderen.

- Plompbeersel: Poging tot plompzakken.

- Plompelmoes: Resultaat van een mislukt partijtje plompzakken.


- Plonkworst: Lul die je niet meer in een Usenetdiscussie­groep wil zien.

- Plonsklaps: Klotseling.

- Plopfestival: Jaarvergadering van de Vereniging voor Vlaamse Kabouters.

- Plottenbakker: Intrigeverzinner.

- Pluisvee: Tamme donzige vogeltjes.

- Plutocratiet: Borst die met behulp van veel geld in vorm wordt gehouden.


Pn

- Pneumanisch: Ziekelijk luchtig.

- Pneumatiet: Opblaasborst.


Po

- Poassistent: Iemand die kindertjes helpt poepen op een potje.

- Pochstrook: Gedeelte van de rijweg waar je even mag stoppen om je nieuwe auto te laten bewonderen.

- Pochvogel: Pauw.

- Poedelblusser: Zou elke rokende hondenbezitter bij zich moeten hebben.

- Poefdier: Dier dat gebruikt wordt voor het testen van licht vuurwerk.


- Poelepetaart: Parelhoenpastei.

- Poepdel: Nichterig hondje met bruin krullekontje.

- Poepermunt: Snoepje om een frisse wind te laten waaien.

- Poepfestival: Finale internationale competitie wedstrijd­schijten.

- Poepleiding: Riool.


- Poeplepel: zie Stoeplepel*

- Poepzak: Zak onder het achterwerk om uitwerpselen in op te vangen.

- Poepschuim: Opgeklopte diarree.

- Poes en piep humor: Tom en Jerry.

- Poesdoek: Vrouwenverband.


- Poessarium: Glazen bak waarin vagijnen worden gefokt.

- Poesta: Paté de chatte.

- Poetsier: Hulp in de huishouding.

- Poetstelefoon: GSM die ook het huishouden kan doen.

- Poezemoezen: Neuken. (Poezesmoezen is beffen).


- Pokerfaeces: Drollen die met een stalen gezicht als inzet bij kaartspel worden gebruikt.

- Pokerjuffer: Dame die een gokje durft te wagen.

- Pokershoestje: Veel voorkomende kwaal bij mensen met een kolenkachel.

- Poktober: Inentingsmaand.

- Polemiep: Inhoudsloze openbare discussie. Zeer algemeen op Usenet.

- Polemisère: De gevolgen van een totaal ontspoorde pennenstrijd.


- Polifant (1): Schizofreen slurfdier.

- Polifant (2): Nieuw lastdier van de bereden politie.

- Polijster: Gladde zangvogel.

- Polik-kliniek: Ziekenhuis waar je voor héél vreemde afwijkingen kan worden behandeld.

- Polterbeist: Plaagbeest.


- Polyhandrie: Huwelijk van vrouw met meerdere handen.

- Pommaden: Larfjes verantwoordelijk voor wormstekig­heid bij appels. Worden gebruikt worden voor haarsmeer.

- Ponygamie: Partnerruil met meerdere paardjes.

- Pootlood: Zware bal aan voet van gevangene.

- Pootvis: Groot zeezoogdier dat van de verkeerde kant is.


- Pop-fart: Kunststroming die gebruik maakt van alledaagse uitingen.

- Popblazen: Vrijetijdsbesteding van eenzame mannen.

- Popdondertje: Opblaasgerei voor pedo's.

- Popinieblad: Opinietijdschrift dat geen meningen vormt, maar volgt.

- Popknopen: Radicale recreatieve handvaardigheid.


- Popkrikken: Waar opblaaspoppen voor bedoeld zijn.

- Poreuts: Vol met ongebruikte gaten.

- Pornofoon: Draagbaar zendontvangapparaat waarmee op eenzame reizen porno kan worden ontvangen . In Amerika bekend als wankietalkie.

- Pornokosten: Bedrag voor het frankeren van seksboekies.

- Portugeest: Drijvende kracht achter de fado.


- Portugeste: Nederlanders toelaten bij een fadoconcert.

- Positiekurk: Middel voor bevallingsuitstel. Nabehoeds­middel.

- Postagentschop: Natrappen door een politiefunctionaris.

- Postdode: Slachtoffer van een bombrief.

- Postoraal: Spugen of slikken?

- Postvis: Zoogdier dat trans-Atlantische brieven bezorgt.


- Potaal: In WC's levende palingsoort.

- Potbroek: Wat een 'bull dike' thuis aanheeft.

- Potenkijker: Homofiele voyeur.

- Potentaal (1): Veelbelovende paling.  (2  Geheime communicatie tussen cruisende homofielen. Zie ook Reetorica*

- Poterham: Aan verkeerde kant gesmeerde boterham.


- Potisserie: Lesbobakkerij.

- Potjong: Zoontje van lesbische ouders.

- Potopmerking: Verwijt aan ketel.

- Potriot: Moederlandslievende feministe.

- Pottenepidemie: Sterke toename van lesbianisme.


- Pottentaat: Dicktatoriale lesbo.

- Poverkol: Heks die doorzichtige trucjes vertoont.


Pr

- Praamprostitutie: Hoereerderij in open, platboomd vaartuig.

- Praket: Neergestorte wraket*.

- Prakjesdrager: Ober.

- Praksoi: Chinese stamppot.(Uitgesproken als 'plakzooi').

- Prambo: Mannetjesputter met goed ontwikkelde triceps.


- Pramkraak: Het maken van een mammografie.

- Prammofoon: Instrument om mee naar borsten te luisteren. Artsen noemen het een stethoscoop.

- Prammelaar (1): Speelgoed van zuigeling.

- Prammelaar (2): Mannelijk konijn dat op borsten valt.

- Prammenas: Grote soort radijs.


- Prampetampen: Gemeenschap hebben op z'n Russisch.

- Prampoline: Veerkrachtige borstpartij.

- Pratje: Kort gesprek over iets waar je trots op bent.

- Pratjes: Een geslachtsziekte om trots op te zijn.

- Prealiseren: Voorspellen van een uitkomst.


- Precensent: Iemand die in de krant kunstwerken beoor­deelt zonder ze gezien te hebben.

- Precette: Vooruitbetaaalde entreegelden.

- Precidivist: Iemand die het bij voorbaat nog een keer doet.

- Predikano: Missionarisbootje.

- Predikrant: Evangelisch dagblad.


- Preekbaar: Onderwerp dat rijp is om over te redevoeren.

- Preekijzer: Langwerpig voorwerp waarmee overtuigend gezwaaid wordt tijdens redetwist.

- Preekkamer: Plek waar je huisarts je vertelt dat je nu toch eindelijk eens écht moet stoppen met roken.

- Preekwoordenboek: Bijbel.

- Prehisnorisch: Ouderwetse gezichtsbeharing.


- Premastuur: Inrichting in of aan voertuig die zorgt voor de voortijdige sortering.

- Premenstruweel: Betrekking hebbend op de tijd voordat er struikgewas bestond.

- Prentenier: Door corruptie rijk geworden politiefunctio­naris.

- Prententiedoos: Door string in toom gehouden afzakdoos*

- Prentmeester: Parkeerpolitieman.


- Prepercussie: Voorspel in sadomasochistische relatie.

- Prepetitie: Vooruitblik op de herhalingen die in de zomer op TV zullen worden vertoond.

- Presurrectie: Wanneer een kind al in de baarmoeder gaat staan.

- Pretentiet: Borst die heel wat lijkt maar na uitpakken nogal tegenvalt.

- Pretparaat: Designerdrug.


- Pretpraat: Het verzinnen van parageinen*.

- Pretwals: Aangenaam wegwerktuig.

- Preutelen: Geluid van een aflopend vagijn.

- Preutoogjes: Wat je krijgt van te lang naar vrouwelijke geslachtsdelen staren.

- Prevalideren: Om onaangename verrassingen te voorkomen wordt tegenwoordig vaak al gerevalideerd voordat men naar de wintersport gaat.


- Prietantenne: Draad waarmee alleen leuterradio kan worden opgevangen.

- Prietpaal: Apparaat langs de snelweg om contact met tante Miep te houden.

- Prietzanger: Vertolker van onbenullige liedjes.

- Prijsma: Een beloning waar meerdere kanten aan zitten.

- Priljant: Ontluikend geniaal.


- Prinsenhok: Hobbyschuurtje van Willem Alexander.

- Privéhuigen: Prostituees die niet jan en allemans lid in hun mond nemen.

- Privilego: Voorrecht om met plastic bouwstenen te spelen.

- Probleemdoos: Zie afzakdoos*

- Probleemgezinden: Genootschap dat een negatieve kijk op de wereld uitdraagt.


- Probleemgezing: Complete chaos binnen het koor.

- Proces-verhaal: Bezwaar maken tegen opgenomen verklaring.

- Proces-vertaal: Boete wegens slechte vertolking.

- Proefkozijn: Raamwerk waarin verschillende soorten glas worden getest.

- Proestbestendigheid: Voordeel van moderne computer­beeld­schermen.


- Proestituee: Hoer die allergisch is voor sperma.

- Proestitutie: Aandoening van de luchtwegen die wordt veroorzaakt door het onvoldoende gekleed op tochtige hoekjes staan.

- Proestvlekken: Daaraan zijn ouderwetse computer­beeldschermen te herkennen.

- Profisorisch: Voorlopig maar toch vakkundig.

- Propfestival: Muziekfestijn met veel te veel bezoekers.


- Proplul: Slappe hap.

- Prostuituee: Hoer die telkens uit het bed lazert.

- Protstaat: Mannelijke klier die darmgassen produceert.

- Protteïne: Eiwit dat de geur van veesten veroorzaakt.

- Prottestantisme: Christelijk Hervormde afscheidings­beweging waar een luchtje aan zit.


- Provihand: Wat een kannibaal meeneemt als hij op reis gaat.

- Provisjorisch: Voorlopige vorm van aftrekken.

- Pruikje van de zalm: Haarstukje van bepaalde vis.

- Pruiktabak: Voorheen in gebruik om illegale rookwaar mee te camoufleren.

- Pruilschrijver: Literator die nog steeds de Nobelprijs niet heeft gekregen.


- Pruimenkam: Wat een nette dame altijd gebruikt voor ze haar broek voor iemand uittrekt. Zie ook Pruimstrijker*

- Pruimlip: Ontevreden neerhangende huidplooi.

- Pruimschoots: Kenmerk van gastvrij vrouwspersoon.

- Pruimstrijker: Apparaat dat oude dametjes gebruiken voor ze zich bloot vertonen. Zie ook Pruimen­kam*

- Pruimvee: Het vrouwelijk geslacht.


- Prullenbos: Waardeloze coupe.

- Prulvruchten: Bonen van niks.

- Prutschrijver: Literator die bagger produceert.


Ps

- Psychiator: Beest dat gespecialiseerd is in het genezen van mentale ziektes.

- Psychiatrien: Truttige vrouwelijke psychiater.

- Psychipater: Geestelijk gestoorde geestelijke.

- Psychoanaleuticus: Zielkundige die zich alleen in de menselijke geest verdiept om eens goed te kunnen lachen.

- Psycholog: Hersenkwab waarin zieleroerselen worden opgeslagen.


- Psychometer: Instrument om de staat van de ziel mee te bepalen.

- Psychopoot: Iemand met afwijkend seksueel gedrag.

- Psychostomatisch: Met kunstmatige brain-drain.



Pu

- Puberculose: Infectieziekte waarbij dwars gedrag optreedt.

- Pubergine: Nog rijpende vlezige vrucht.

- Pubips: Schaamheuvel, maar dan aan de achterkant.

- Puddingpaus (1) Dr. Oetker.

- Puddingpaus (2): Kerkvorst die regelmatig in elkaar stort.


- Puddingworm: Nagerecht dat zich via het internet verspreidt.

- Puikje van de walm: Het vetste deel van de rook.

- Puinkabouter: Ruimt 's nachts stiekem sloopafval op.

- Puistbeambte: Door overheid aangestelde uitknijper. Zie ook Etterbakker*.

- Puistregel: Bepaling die alleen bij uitwassen geldt.


- Puistvechter: Iemand die last heeft van acne.

- Pulkje van de zalm: Het aller, allerlekkerste stukje zalm, afkomstig uit het neusje.

- Pullrover: Dief van warme kledingstukken.

- Pulp in de huishouding: Waardeloze schoonmaakster.

- Punkmuts: Doos met vreemd kapsel.


- Pupdaten: Bezigheid van pedofiele loverdogs.

- Pusfour: Pantalon van het type ettervanger.

- Putvis: Depressief zeezoogdier.

- Puurpruim: Maagdenvagijn.


Py

- Pyjapa: Bedkostuum voor vaders.

- Pyrowaan: Denkbeeldige brandstichting.



Home  A B C D E F G H I J  K L M N O   P   Q R S T U V W X Y Z

web analytics