B


Ba

- Baaddonor: Hulpverlener voor wastobbers*.

- Baadschotel: Badkuip voor baby's.

- Baaliekluiver: Werkloze die wel eens wat anders zou willen eten. Zie ook Kozijn met pruiken*.

- Baanbraker: Wegbevuiler.

- Baarbeurs: Verkooptenmtoonstelling voor hoogzwangere vrouwen.


- Baarbreker: Zwaarkijvig lijk..

- Baarcommissaris: Overheidsfunctionaris die toezicht houdt op correct verloop van bevallingen.

- Baarcrème: Hulpmiddel om bevallingen gladjes te laten verlopen.

- Baardappelziekte: Besmettelijke aandoening waardoor er haren op patatten gaan groeien.

- Baardbei: Ongeschoren zomerkoninkje.


- Baardgas: Natuurlijke brandstof geproduceerd door in gezichtsbegroeiing achtergebleven etensresten.

- Baardig: Goed bevallend.

- Baardlijke nonsens: Wat een bebaard lijk uitkraamt.

- Baardmoeder: Vrouwelijke ouder van een baard.

- Baardrijk: In het genot van meer dan één baard.


- Baardvarken: Zwijn dat het heerlijk vindt om in gezichtsbeharing te wroeten.

- Baardworm: Jeukende kwaal van gezichtsbeharing.

- Baarextentie: Nageboorte.

- Baarkruk: Gereedschap van vroedvrouw.

- Baarmodder: Troebel vruchtwater.


- Baarmoederhalskakker: Beoefenaar van zeer extreme poepseks.

- Baarometer: Instrument waarmee vroedvrouwen de mate van ontsluiting meten.

- Baarplan: Afspraak die gemaakt wordt bij de huwelijks­inzegening.

- Baarpomp: Hulpmiddel bij moeilijke bevallingen.

- Baarrecord: Topprestatie van de moeder aller moeders.


- Baarzeling: Beginnende zoetwaterroofvis.

- Baarzuchtigheid: Ouderwetse aanduiding voor de 'biologische klok' bij vrouwen.

- Baashaas: Werkgever die je je salaris zelf in de tuin laat opzoeken.

- Babelkous: Sok die niet bij de andere past.

- Baby panggang: Bende moordzuchtige zuigelingen.


- Babyrint: Het geboortekanaal.

- Babytrap: Ladder om zuigelingen mee over de drempel te helpen.

- Babyzitten: Discipline op de Pedogames.

- Bacademicus: Aan de koksschool afgestudeerde.

- Badagium: Tegeltjeswijsheid.


- Badamiet: Iemand die bloot in bad gaat.

- Badamskostuum: Nudistenzwembroek.

- Badinereend: Rubber ducky dat zich laatdunkend uitlaat over uiterlijk van eigenaar.

- Badlopen: Proberen te zwemmen zonder natte voeten te krijgen.

- Badluis: Zuigdiertje dat dol is op sop.


- Badmeel: Instant waswater.

- Badministratie: Puntentelling bij zekere racketsport.

- Badmus: Zeer hygiënisch zangvogeltje.

- Badonis: Schone jongeling die vooral op stranden rondhangt.

- Badpauk: Onderwaterketeltrom.


- Badstructie: Zwemles.

- Badvent (1): De vier weken voor de jaarlijkse wasbeurt.  (2): Assistent-badmeester.

- Badvocaat: Fervent tegenstander van douches.

- Badwants: Bloedzuigend waterinsect.

- Baffen: Geliefde bezigheid in bekakte kringen: beffen met een hete aardappel in de keel.


- Bagagedeput: Gat op vliegveld waarin koffers, tassen enz.verdwijnen.

- Bagagekruis: Plaats waar de twee pijpen van de broek van een bolletjesslikker samenkomen.

- Baggeraars: Sliedrechtse homo.

- Bakbaard: Haargroei aan de linkerkant van het gelaat.

- Baketiet: Nepborst uit het pre-siliconentijdperk.


- Bakkenbaard: Kenmerk van zeer belegen mop.

- Bakkerlak: Insect dat vooral in ovens leeft en door snel te lopen zijn poten niet brandt.

- Bakmuts (1): Vrouw die zwaar onder de olie op het strand ligt. (2): Kokshoed.

- Bakplaats: Solarium.

- Balamander: Waterpolospeler.


- Balansnotaal: Som van alle neusvocht.

- Balarmeren: Taak van grensrechter bij balspel.

- Balchemist: Geheime wetenschapper die uit testikels edele metalen en een levenselixer probeert te bereiden.

- Balentijndag: Jaarlijkse dag waarop je nooit een kaartje van iemand krijgt.

- Balgvogel: Loopvogel die alleen nog in musea voorkomt


- Balhelm: Kruisbeschermer.

- Baljonet: Gereedschap van boze buurman om voetballen mee lek te prikken.

- Balkanceren: Zich staande houden in Zuid-Europa.

- Balkenier: Iemand die gaat jagen met afgerichte ezels.

- Balkjapon: Feestjurk waarvan ezels helemaal uit hun dak gaan.


- Balkont: Op uitbouw gelijkend achterwerk.

- Balkpoeder: Potentieverhogend middel gemaakt van het geluid van wilde ezels.

- Ballader: Iemand die plompzakt.

- Ballekluiver: Vrouw met vreemde smaak.

- Ballemien: Jongleuse. Vrouw met opmerkelijke balvaar­digheid.


- Ballemolen: Lottomachine.

- Ballenblazen: Doedelzakken voor gevorderden.

- Ballendanseres: Bedartieste.

- Ballergie: Overgevoeligheid voor bepaalde sporten.

- Ballerokje: Dansend schaamlapje.


- Ballgirl: Jonge vrouw die je kunt opbellen al je zin hebt om te 'dansen'.

- Balligator: Krokodil die kunstjes doet.

- Ballingschep: Verstoten graafwerktuig.

- Ballochtoon (1): Buitenlandse kakker.  (2): Voetballer in buitenlandse dienst.

- Balpenweide: Zwitsters grasland waarop bics en parkers grazen.


- Balpino (1): Baskisch klootdeksel. (2): Warm kledingstuk van mannelijke bergbewoners.

- Balsilicum: Genetitaal gemanipuleerd keukenkruid voor efficiënt gebruik in tomatensoep.

- Balulstrade: Veiligheidshekwerk rond de eikel.

- Balvirtudoos: Voetbalvrouw.

- Balvis: Zeezoogdier met grote kloten.

- Balvleesklier: Waar snackbargehakt van is gemaakt.


- Bamboer: Aziatische agrariër.

- Baminaat: Oosterse vloerbedekking gemaakt van geperste pasta.

- Bambivalent: Tegelijkertijd twee verschillende reetjes hebbend.

- Banaal gefixeerd: Gericht zijn op de taal van de man in de straat.

- Banabaptisme: Christelijke stroming der Pisangdopers.


- Banalfabeet: Iemand die alleen formele taal kent.

- Bananas: Bepaalde door genetische manipulatie ontstane vrucht.

- Band- en spankdiensten: Worden verleend door assistent(e) in SM-bedrijf.

- Bandedrol: Keutel met belastingplaatje.

- Bandenwisser: Functionaris van race-team die het rubber van de bolides schoonmaakt.


- Bandicap: Kunnen voertuigen en bustehouders last van hebben. Een rolstoel met een bandicap is héél erg.

- Bandlanger: Lid van een muziekgroep.

- Bandwreedte: Mate waarin iets gruwelijk gevonden wordt. Zie ook Wreedtegraad*..

- Bangalowpark: Zwaar beveiligd vakantieverblijf.

- Bangeafstandloper: Iemand die er bij het minste of geringste vandoor gaat.


- Bangina: Enge keelziekte.

- Banglicisme: Uit het Engels afkomstige uitdrukking, waarvan Neerlandici vrezen dat het in de Nederlandse taal zal worden overgenomen.

- Banglofobie: Ziekelijke angst voor fear.

- Bangolees: Niet zo dappere Afrikaan.

- Bangpoot: Mietje.


- Bangpootmug: Insect dat om zich heen begint te meppen zodra het een mens ziet.

- Bangzamerhand: Gaandeweg banger wordend.

- Banketkakker: Patissier die ze produceert waar je bij staat.

- Banketkakkerij: Gebakjesfabriek waar kwantiteit belangrijker is dan kwaliteit.

- Bankwezel: Institutionele gluiperd die op je geld uit is.


- Banmail: Ongewenste elektronische post.

- Barbeider: Kelner.

- Barbi pangang: Indisch gerecht met mierzoete saus.

- Barbiecue: Toestel om in de openlucht opgetutte meisjes op te grillen.

- Barbiter: Iemand die bemiddelt in caféruzies.


- Barbuil: Soort vis die werd genoemd naar de bulten op zijn kop.

- Barcheoloog: Oudheidkundige die zich bezighoudt met de fysieke overblijfselen van drinkgelegenheden.

- Barchitect: Ontwerper van drinkgelegenheden.

- Bardeel: Afdeling SM van een hoerenkast.

- Barend: Ooievaar die zelf kindertjes krijgt.


- Barensweek: Internationale week voor grote gezinnen.

- Bargon: Onbegrijpelijke dronkemanspraat.

- Bargumenteren: Borrelpraat.

- Barhartigheid: Gratis zoute pinda's in café.

- Barhoofd: Kastelein.


- Bariatie: Afwisselende bevalling.

- Baristocratie: De stamgasten van een café.

- Barkrik: Gereedschap om dronkenlappen overeind te helpen.

- Barmonikaspeler: Slechte accordeonist.

- Barmonium: Drankorgel.

- Barstbeeld: Imago dat zijn beste tijd heeft gehad.

- Barmot: Nachtvlindertje dat van verschaald bier leeft.


- Baroma (1): De stank van verschaald bier en rook.  (2): Oudste stamgaste van een café. (3): De stank van oudste stamgaste van een café.

- Barukensemble: Muziekgezelschap dat klassieke smerige spelletjes speelt.

- Basebillen: Achterwerken die de ballen laten stuiteren.

- Baseline: Glijmiddel waardoor tennissers onderuit gaan.


- Basisprincipers: Journalisten die alles vanuit de grondbeginselen benaderen.

- Baspaard: Zeeuwse knol.

- Baspeen: Winterwortel.

- Bassenland: Deel van Spanje waar ze hele lage stemmen hebben.

- Basserette: Laagstemmige wasvrouw.


- Baudmuts: Hoofddeksel met geïntegreerd modem.

- Baviaar: Duur apenzaad.

- Bazelhoen (Bonasa nonsensis): Zwitserse kip die onzin uitkraait.

- Bazingeschal: Gekijf van een vrouwelijke chef.


Be

- Beau de cologne: Keulse knapperd.

- Bebilziek: Het aanmerkingen maken op iedere scheet die iemand laat.

- Beddenksel: Droom.

- Beddoeïen: Iemand die van bed naar bed trekt.

- Bedelvaart: Reisje naar Luileukerland*


- Bedetwisten: Ruzie maken met je god.

- Bedgast: Logé.

- Bedhuis: Hotel.

- Bedminton: Racketspel voor in de slaapkamer.

- Bedmuts: Hoofddeksel voor in een zwembed*


- Bedonderenswaardig: Oplichtbaar.

- Bedpak: Pyama.

- Bedrieglijke bonkbreuk: Gefingeerde kwaal op grond waarvan een hoer een WAO-uitkering aanvraagt.

- Bedwater: Goede reden om het kind weg te gooien.

- Bedweter: Iemand die altijd een beter standje meent te weten dan anderen.


- Beeffen: De door weinigen beheerste techniek van het beffen met trillende lippen.

- Bekfiets: Rijwiel om de stand van het gebit mee te corrigeren.

- Beekhoorn: Klaterende klauteraar.

- Beeldschelm: Internetdeugniet.

- Beeldvormig: Iets dat er uitziet als een voorstelling.


- Beenhoorn: Eenvoetig fabeldier.

- Beenhouder: Iemand die voet bij stuk houdt.

- Beerwaarde: De waarde van de stront die je produceert.

- Beestrijden: Ongewenste seksuele afwijking.

- Bef-etage: Erogene zone tussen benen en buik ener vrouw

- Befbrug: Aangepast bed voor stramme mannetjes.


- Beffaamd: Beroemd om een bij vrouwen geliefd talent.

- Beffecten: Consequenties van aflikken van bepaald vrouwelijk orgaan.

- Beffelen: Zeer gulzig poesjes eten.

- Beffertje: Dameshondje. Zie ook Washondje*

- Befficiëntie: Het met zo min mogelijk handelingen een vrouw met de mond bevredigen.


- Befgozer: Opscheppende advocaat.

- Befklijven: Het blijven hangen van een vrouwelijk schaamdeel.

- Befknotten: Vrouwenbesnijdenis.

- Beflijder: Man in het lichaam van een vrouw.

- Befluister: Zangvogel die wordt aangetrokken door smakkende geluiden.


- Befpotelen: Vingeren.

- Befragen: Bij sommige vrouwen noodzakelijk voorspel. Zie ook Schaampluis*

- Befrijder: Vrouwenruiter.

- Befstuk (1): Zeer smakelijke dame.  (2): Goed gebekt stuk sappig vlees.

- Befteling: Geliefd avontuurtjespark voor jongedames. Zie ook Lulnapark*


- Befzoedelen (1): Beledigen van het gerechtshof.  (2): Vrouwelijke zelfbevlekking.

- Befzoektijd: Moet van het voorspel worden afgetrokken.

- Begeerakkoord (1): Huwelijksvoorwaarden. (2): Overeenkomst met prostituee.

- Beginnersgelul: Bluf van lui bij wie de eerste keer iets goedgaat.

- Begoogeling: Verkeerde indruk gewekt door het gebruik van zekere internetzoekmachine.


- Begracenis: Snelle teraardebestelling.

- Begrazenisondernemer (1): Herder.  (2): Zelfstandig werkend rund.

- Begrazenisstoet: Optocht van antieke grasmaaimachines.

- Begrazenisvereniging: Belangenorganisatie van koeien en schapen.

- Begronia: Geliefde sierplant uit het noorden des lands.


- Behaarden(te)huis: Epilatiecentrum gespecialiseerd in neus-, oor- en rugbeharing.

- Behaardenhelper: Kapper.

- Behaardenpas: Bewijs van het recht om zich tegen gereduceerd tarief ongeschoren op straat te begeven.

- Behaarlijk: Keurig gekapt.

- Behachelijk: Lachwekkend onzeker in zijn gevolgen.


- Behangeloos: Arm persoon.

- Behanghebbende: Rijk persoon.

- Behangstelling: Opslagruimte voor muurdecoraties.

- Behoerzaam: Neuken met condoom.

- Beierdoos: Klokkenluidster.


- Bejaardenmuis: Gerontofiel knaagdiertje.

- Bejaardier: Iemand die graag met oude klokkenspellen speelt.

- Bek-aan-bekrace: Wedstrijd sneltongen.

- Bekeerfinale: EO-jongerendag.

- Bekenwinnaar: Degene die het meeste misdaden toegeeft.


- Bekhengst: Professioneel mannelijk paard dat deson­danks altijd eerst wil zoenen.

- Bekkenrekken: Vaak nodig als iemand van een opdringerige meerling bevalt.

- Bekladonna: Dame waardoor je je spontaan bevlekt.

- Bel-masqué: Dansfeest waarop niemand zijn klokkenspel mag tonen.

- Belastiek: Flexibele belasting.


- Belectoraat: Modern kiezersvolkje, vooral op TV.

- Belegie: Verouderd klaagdicht.

- Beleidsnot: Onbegrijpelijk bestuurlijk stuk.

- Belepenis: Lul die een vrouw een onvergetelijke nacht kan bezorgen.

- Belhamer: Ondeugende klepel.


- Belhoofd: Beroepskwaal van klokkenluiders.

- Belklant: Cliënt van call-girl.

- Belusteloosheid: Extreme apathie.

- Bemoeidigen: Iemand ongevraagd moed inspreken.

- Benattingsvermogen: Vaardigheid om een vrouw op te winden.


- Benefiets:  Rijwiel met een goed doel maar zonder trappers. (Zie afbeelding)

- Benefietswedstrijd: Wielerkampioenschap tussen België en Nederland.

- Benefrietconcert: Muziekvoorstelling waar gratis patat wordt verstrekt.

- Benewagen: In samenwerkingsverband tussen België en Nederland geproduceerde auto. In samenwerking met Luxemburg wordt de Beneluxewagen geproduceerd.

- Benewietwedstrijd: Gratis blowkampioenschap tussen België en Nederland.


- Bengaals zuur: Veelkleurige maagkwaal.

- Bengelsport: Bungee jumpen voor kwaaie apen.

- Beniepig: Gesmuikt*.

- Benocratie: Heerschappij van de onderdanen.

- Benofobie: Ziekelijke vrees voor de onderdanen.


- Beo Belgicus: Vreemde vogel die de buren napraat.

- Beofascist: Domme naprater.

- Bepoepsgroep: Overpoepelende Organisatie van Professionele Scatofielen (OOPS).

- Berbier: Lid van Noord-Afrikaans kappersvolk.

- Bereburger: Fries die uit waardering een steel kalmoes in zijn kont krijgt gestoken.


- Berenkul: Gevaarlijk soort apekool.

- Berenwurger: Legendarische Friese mannetjesputter.

- Bergkut: Vagina met zeer hoge venusheuvel.

- Beriboerie: Agrariër met ernstig gebrek aan vitamine B1.

- Bermudadriehoer: Gevaarlijke orgie.


- Beroepsnotograaf: Professioneel uitbeelder in neusvocht.

- Beroetsmatig: Vanuit schoorsteenvegerschap.

- Beschuitbuks: Geweer waar roze of blauwe hagel uit komt, al naar gelang of er een meisje of een jongetje wordt geschoten.

- Beslettering: Voorzien van losbandige dames.

- Besnottelijk: Lachlust opwekkend slachtoffer van een niesbui.


- Besrooien: Het opgraven van oude dametjes om er besjesap van te maken.

- Besschieten: Grijsschieten* op vrouwen.

- Bestaringssysteem: Windows met geraniums.

- Betaalarbeider: Iemand die alleen maar werkt om zijn schulden te kunnen afbetalen.

- Betaalmoeheid: Te laat verschuldigd geld overhandigen.


- Betalingsjachterstand: Status van de incassoprocedure.

- Betastbaar: Willig.

- Betastende verklaring: Aangrijpend relaas.

- Bétaster: Populair publiek figuur dat de Griekse beginselen is toegedaan.

- Betastier: Manneljk rund dat zijn poten niet thuis kan houden.


- Betastingconsulent: Seksuoloog.

- Betastingdienst: Overheidsinstelling die je raakt.

- Betastingsparadijs: Rosse buurt.

- Beterham: Kwaliteitsbrood.

- Beterniet: Moderne naam voor asbestcement.


- Beukerfinale: Beslissende bokswedstrijd.

- Beukerij: Boksschool.

- Beukhaas: Amateuristische sloper die er hard vandoor gaat als er iets fout gaat.

- Beuking: Platgeslagen haring die als sliptong duur wordt verkocht.

- Beukvis: Willig tienermeisje.


- Beunhaar: Hoofdbegroeiing die een dag na het bijknippen afvalt.

- Beunkaas: Ondeskundig gemaakt melkproduct.

- Beunzing: Zwartwerkende marterachtige.

- Beursvagina: Vrouwelijk schaamdeel waar je je geld in kwijt kan.

- Beurthuis: Bordeel.


- Beurtstudent: Hoer in opleiding.

- Beuzelfles: Langwerpig glazen vat met onwaarheden op het etiket.

- Bevenwichtskunstenaar: Lijder aan de ziekte van Parkinson die van zijn nood een deugd maakt. Zie ook School van Richter*

- Beverzwijn: Wild varken dat bomen omknaagt.

- Bevitatie: Trillende verheffing.


- Bevoordelingsfout: Omkoperij van de verkeerde persoon.

- Bevoorrechter: Klassejurist.

- Bevrijingsdag: Nationale dozenherdenking.

- Bewieruiken: Folkloristisch strandvermaak.

- Bewonderaars: Tentoonstellingsrectum.


- Bewustzwijn: Varken dat zijn eigen bestaan beseft.

- Bezattingsleger: Invasiemacht die Rotterdam wilde innemen, maar bij nader inzien Schiedam toch leuker vond.

- Bezemstoel: Hulpmiddel waardoor oude dametjes toch hun stoepje kunnen blijven vegen.

- Bezemvriend: Collega straatveger.

- Bezerking: Standaardbezigheid op kerkhof.


- Bezigheidstherapa: Degene die je leert met je pik te spelen.

- Bezigheidstherapiel: Methode om te leren met je pik te spelen.

- Bezigheidstherapiet: Degene aan wie je leert met je pik te spelen.

- Bezoeka: Manier om plakkende visite weg te krijgen.


Bi

- Biblioteek: Bloedzuigende boekenwurm.

- Bibliothee: Leesvaardigheid bevorderende warme drank, getrokken van boekweitblad.

- Biblootheek: Uitleenpunt voor vieze boekjes.

- Bicini: Tweedelige balpuntpen.

- Bicoon: Afbeelding van aan twee kanten bruikbare Christelijk Orthodoxe heilige.


- Bidderaal: Godvrezende slijmjurk.

- Bidentiteit: Dubbele nationaliteit.

- Bidindustrie: Religie.

- Biefdadigheid: Het geven van steun aan bovenbillen.

- Biefkaart: Poststuk met afbeelding van een blote bovenbil. Zie ook Anusicht*


- Bierkaal: Door het wassen met bier trachten haaruitval te stoppen.

- Bierkraai: Ongrijpbare vogel die cafébezoekers van hun drank berooft.

- Bierplant: Hop.

- Bierra Leone: Vlaanderen.

- Biesloop: Diarree door het eten van bepaald soort ui.


- Biglo: Tweedeurs eskimowoning.

- Bigment: Roze kleurstof om varkentjes mee te wassen.

- Bigraine: Stereomigraine.

- Bijbaas: Leidinggevende in nevenbetrekking.

- Bijbalgordel: Gristelijk voorbehoedsmiddel.


- Bijbelbult: (Biblebult) Punthoofd veroorzaakt door onwrikbaar geloof.

- Bijbelgenotschap: Vereniging voor de verspreiding van ongekuiste bijbels.

- Bijbol: Kristallen globe waarin de 'making of the world' kan worden bekeken.

- Bijdreigen: Zijn aandeel inbrengen in een onaangename bejegening.

- Bijgamist: Man met meerdere buitenechtelijke vrouwen.


- Bijljart: Onder houthakkers populair tafelspel.

- Bijlpaard: Dik waterdier met psychopate moordneigingen.

- Bijnaad: Reservespleet.

- Bijoutering: Ziekte veroorzaakt door het dragen van veel sierraden.

- Bijschaap: Maîtresse van een schapeneuker.

- Bijseksueel: Iemand die alleen aan seks doet omdat het zo hoort.


- Bijsnijdenis: Correctieve ingreep na mislukte circumcisie.

- Bijsnuiter: Handleiding die bij aanschaf van neukdruppels* wordt meegeleverd.

- Bijstandsmodder: Gesubsidieerde blubber.

- Bijzak: Nuttig attribuut voor bijgamist*.

- Bijzoend: Oogafwijking die ervoor zorgt dat je bij een begroeting maar een beetje in de lucht staat te kussen.


- Bijzoon: Kind van bijvrouw.

- Bikinibreukje: Die verdomde bandjes die het altijd begeven.

- Bikinilijm: Middel om moderne minibadpakken op hun plaats te houden.

- Bikinix: Nudistenbadpak.

- Bil van Drion: Achterwerk waarvan men zich desgewenst dood kan schrikken.


- Bilbliofiel: Fanatiek verzamelaar van boeken over konten.

- Bildo: Kunstpenis die het liefst de artiesteningang neemt.

- Bilharsiasis: Huidaandoening veroorzaakt door veelvuldig ontharen van het achterwerk.

- Biljartkneu: Vinkachtig vogeltje dat dol is op harde ballen.

- Biljonair: Iemand die heel veel achterwerken bezit.


- Bilkini: Tweedelige zwembroek.

- Billade: Loflied op het achterwerk.

- Billantine: Aarshaarpommade.

- Billegom: Centrum voor de billenteelt.

- Billekeur: Stempel als kwaliteitsaanduiding voor achterwerken.


- Billekeurig (1): Als er maar een mooi gat in zit.

- Billekeurig (2): Zoals een welgeboren kont betaamt.

- Billenblazen: Irritatie als gevolg van het dragen van een koordslip*

- Billenbrandje: Ongemak na het eten van een gepeperde maaltijd.

- Billenhoek: Afdeling waar een speciaal soort koek wordt geserveerd.


- Billenstreek: Belangrijke toeristische trekpleister in het westen des lands.

- Billenzak: Zie Poepzak*

- Billerina: Naaktdanseres.

- Billetje-billetje: Straatspel waarvoor meestal flink betaald moet worden.

- Billichten: Opstaan.

- Billotage: Norm waaraan achterwerk moet voldoen om  bij bepaalde club toegelaten te worden.


- Billumineren: De achterlichten ontsteken.

- Biloloog (1): Academicus die de gewoonten en uitingen van achterwerken bestudeert.

- Biloloog (2): Beoefenaar van veelvuldig billateraal overleg.

- Biloven: Om kontbijtkoek in te bakken.

- Bilsbeschikking: Clausule in testament betreffende de bestemming der hammen.


- Bilseksueel: Iemand die zich uitsluitend aangetrokken voelt door achterwerken.

- Bilskracht: Maat voor de stevigheid van achterwerken. Wordt meestal getest in een notenkrakers-suite.

- Bilsonbekwaam: Niet in staat zijn om te zitten, bijvoorbeeld na een auna*

- Bilversum: Zitplaats op de Gooise matras.

- Bimbostratus: Ordinair soort wolk.


- Bimono: Verwarrend Japans kledingstuk.

- Bindvrouwtje: Meisje dat graag mannen vastbindt. Zie ook Kluisterzuster*.

- Binkenhof: Achtertuintje waar ze net doen of ze ferme jongens en stoere knapen zijn.

- Binkentrekken: Soort krachtsport.

- Bintjesjager: Iemand die piepers schiet voor de kost.

- Bintjesregen: Typisch Hollands weer op 29 April.


- Bipsaus: Diarree.

- Bipsbosch (De ~): Nationaal openluchttheater voor homofielen op de grens van Holland en Brabant.

- Bipschnitzel: Dun lapje gepaneerde billen.

- Bipschop: Heiligman die door opwaaiend gewaad met de billen bloot gaat.

- Bipscoop: Primeur over opwaaiend rokje van bekend persoon.


- Bipsdom: Werkgebied van pooier.

- Bipsig: Onvriendelijk met de kont.

- Bipsplaat: Afbeelding van achterwerk.

- Bipstro: Kleine billen met Franse inslag.

- Bipsverband: Stevige luier.


- Bipsvlucht: Speciale chartervlucht voor het ophalen van een bepaald soort sekstoeristen.

- Bipsynchroon: Gelijktijdig bewegende billen.

- Biraffe: Tweekoppige Afrikaanse herkauwer.

- Bischuit: Catamaran.

- Bisensueel: Dubbelzinnelijk.


- Bislamiet: Extremistische moslim die opnieuw een zelfmoordaanslag pleegt. Zie ook Islamaat*.

- Bislook: Soort ui waarvan je ook de volgende dag weer plezier hebt.

- Bisolement: Gesprek onder vier ogen.

- Bitrage: Netgordijnen waar van twee kanten niet doorheen is te kijken.

- Bivakmuis: Door bankovervallers gebruikt om loketjuffrouwen mee te bedreigen.


Bl

- Blaakmiddel: Drankje waarvan je lekker gaat gloeien.

- Blaakscheet: Hete veest.

- Blaarkomen (1): Zo vaak masturberen dat de vliezen breken. Zie ook Rukwond*  (2): Nogal heet orgasme.

- Blaars: Hoog schoeisel vervaardigd van tijdens de Vierdaagse van Nijmegen ingezameld materiaal.

- Blaasbelg: Winderige zuiderbuur van het land der Blaaskazen. Zie Blaaskaas*


- Blaasfemie: Honen van de windgoden.

- Blaasgalg: Self-inflating hangplek.

- Blaaskaas: Hollandse pocher.

- Blaaskak: Darmgas.

- Blaaskoek: Gebakje dat zo luchtig is dat je moet oppassen dat het niet wegwaait.


- Blaaskwartel: Slechthorende, zakvormige toeter.

- Blaastet: Instrument om te meten of een man seksueel wel voldoende opwindbaar is. Zie ook Geilllood*

- Blaatstelling: Stapelplaats voor schapen.

- Bladderden: Naaldboom die nodig geschilderd moet worden.

- Bladderzat: Hoog tijd om de kwast ter hand te nemen.


- Bladerie: Modernistische tijdschriftenwinkel.

- Bladmuis: Knaagdiersoort die in de herfst massaal uit de bomen valt.

- Bladmuts: Papieren hoofddeksel.

- Blafaard: Iemand die bang is voor honden die "echt niets doen".

- Blafhartig: Blaffend maar niet bijtend.


- Blafluis: Waaks zuigdiertje dat echt niets doet.

- Blafmotief: Waf-woef-waf, woef-waf-woef.

- Blaschemie: Scheikundige godslastering.

- Blasfemeten: Het nauwkeurig bepalen hoe erg een godslastering is.

- Blasfemiet: Godslasterende nicht.


- Blauwbeffen: Midden in de winter met een kort rokje op de scooter zitten.

- Blauwhamer: Timmergereedschap waarmee je niet naast je duim kan slaan.

- Bliekneusje: Veel slechter dan dat van de zalm.

- Blijbelgenootschap: Vereniging van blijgelovige* telefoonpredikers.

- Blijf-van-mijn-lijkhuis: Door nabestaande aangevraagd straatverbod voor necrofiele buurman.


- Blijf-van-mijn-wijfhuis: Opslagplaats voor echtgenotes van overjaloerse heren.

- Blijgelovig: Vast, innig en opgewekt gelovend.

- Blijles: Anti-depressiecursus.

- Blijrijdster: Vrouw die vrolijk alles van de chauffeur slikt om maar vooruit te komen.

- Blijslaap: Beschaafde en opgewekte bedgenoot.

- Blijstand: Financiële ondersteuning waar je opgewekt van wordt omdat je niet hoeft te werken.


- Blijstander: Iemand die alle tijd heeft om met plezier allerlei seksuele variaties uit te proberen met een bijzit.

- Blijstandsfraude: Onrechtmatig terneergeslagen zijn terwijl je in de blijstand zit.

- Blijwijlen: Tevredenheid na de dood.

- Blijziend: Alles zonnig inzien.

- Blikzanger: Entertainer die zijn amuzikaliteit verhult met sterk visuele act.


- Blinde arm: Lidmaat met worstvormig aanhangsel.

- Bloemarmoede: Oorzaak van papperig baksel.

- Bloementaas: Hippielid.

- Bloesarmoede: 'Niets om aan te trekken'.

- Bloesschande: Een knoopje teveel los.


- Bloezem: Borstpartij in de bloei van haar leven.

- Blokgroente: Diepvriesspinazie.

- Blonddoping: Verboden middel waarvan de gebruiksters denken dat het intelligent maakt.

- Blondelings: Zonder na te denken richtingsaanduidingen opvolgen.

- Blondemannetje: Sukkel die maar nooit de ware weet te treffen.


- Blondenbibliotheek: Rekje met boeken van Dick Bruna.

- Blondenbond: Belangenvereniging voor bimbo's.

- Blondengeleidehond: Intelligente partner voor domme dames.

- Blondenstok: Attribuut waarmee een bepaald soort vrouwen zich kenbaar maakt.

- Blondganger (1): Granaat of bom die te dom is om te ontploffen.  (2): Versierder die het hoofdzakelijk op domme wichtjes heeft voorzien.


- Blondhond: Speurhond die zich niet laat misleiden door haarkleur.

- Blondneus: Waar je beter niet achteraan kunt gaan.

- Blondproef: Controle op het gebruik van blonddoping*.

- Blondspiegel: IQ-gehalte in het bloed.

- Bloosbalg: Inwendig orgaan dat schaamrood produceert.


- Bloostest: Methode om het verlegenheidsgehalte te meten.

- Blooswicht: Meisje dat snel rood wordt.

- Blootshoofs: Beleefd knikken naar de glazenwasser die jou begluurt terwijl je onder de douche staat.

- Blootjesvolk: Nudisten.

- Blootleg (angl.): Illegaal vertoond been.


- Blootschoen: Sandaal.

- Blootschouw: Feestelijke naaktlopersparade.

- Blootstalling: Plaats in de schouwburg waar de juffrouw van de garderobe je zondergoed* bewaakt.

- Blootsteling: Iemand tegen zijn zin aankleden. Zie ook Naaktslopen*

- Blootstilling:  Bevrediging van je honger naar vieze plaatjes bevredigt.


- Blootvluchteling: Zeer preuts persoon.

- Blootwerker: Professioneel nudist.

- Blosjeskruid: Waterplant die vrouwen gebruiken om een kleurtje te krijgen.

- Bloslippig: Niet in staat compromitterende dingen te verzwijgen.

- Blosmuis: Schaammuis* zonder broekje.


- Blosneger: Afrikaan die in bepaalde omstandigheden wit wegtrekt.

- Blosnote: Boekje om in op te schrijven wat je niet hardop durft te zeggen.

- Blosschenaar: Beschaamde inwoner van 's-Hertogenbosch.

- Blosuil: Vogel die te verlegen is om zoch 's nachts te vertonen.

- Blotaniseren: Het in het wild verzamelen van naakt­afbeel­dingen.


- Bloteballengezicht: Rond, behaard gezicht met uitge­zakte wangen.

- Bloterij (1): Strippoker.  (2): Nudistencamping.

- Blotuline: Gif dat kleding oplost.

- Blotulisme: Ziekte die extreme veeruitval bij watervogels veroorzaakt.

- Bluesboot: Scheepje van arme zwarte brandweerlieden.


- Bluf jeans: Denimuitvoering van Wonderbroek* Zie ook Jokkebroek*.

- Blufjoker: Iemand die doet alsof hij leuk is.

- Blufschuim: Bierkraag die meer lijkt dan het is.

- Blushalte: Stopplaats voor brandende auto's.

- Blusonderneming: Brandweerderij.


Bo


- Bobbelpaard: Kameel.

- Bobbytrap: Door de IRA voor de Londense politie geplaatste valstrik.

- Bochtdeur: Wandopening om niet-te-zuipen drankjes door naar buiten te smijten.

- Boebytrap (Eng.Moobytrap): Apparaat dat een luid loeiend geluid maakt als je over de staart struikelt.

- Boedelzak: Waar je je overgebleven eigendommen in stopt als je naar de rest kunt fluiten.

- Boefka: Gezichtsbedekkend kledingstuk van overvalllers.


- Boehoorder: Ontevreden luisteraar.

- Boekelaar: Iemand die graag antiquariaten afstruint.

- Boekeloeren: Stiekem op de laatste bladzijde kijken hoe het afloopt.

- Boekenknecht: Iemand die alles volgens de regeltjes doet.

- Boekenlast: Boeken die je tegen beter weten in nog niet wil weggooien.


- Boekenpummel: Iemand die nooit iets (behoorlijks) leest.

- Boekjesmonster: Iemand die peuters en kleuters tot vervelens toe achterna zit met educatieve drukwerkjes.

- Boekmaagd: Vrouw die nog nooit iets heeft gelezen.

- Boekraïne: Land aan de Zwarte zee met zeer belezen inwoners.

- Boekrukker: Man die zich vemaakt met ouderwets drukwerk.


- Boelide: Racerund.

- Boem-moeder: Vrouw die haar kinderen laat vallen.

- Boemelrang: Werpknots die op zijn gemakje rondvliegt.

- Boemkwekerij: Opleidingskamp voor zelfmoord­terroristen.

- Boemmerang: Projectiel dat terugkomt alvorens te ontploffen.


- Boempia: Door Chinese terroristen gebruikt springtuig.

- Boemprocedure: EOD aan het werk.

- Boenderij: Badhuis waar je een stevige schrobbering kan krijgen.

- Boerdeel: Agrarische bedrijf dat tevens gelegenheid biedt.

- Boereiken: Onbeschaafd luidruchtige bomen.


- Boerenkast: Bergplaats om agrariërs op te jagen.

- Boerenknal: Carbidontploffing in melkbus.

- Boerenkoor: Onbeschaafd agrarisch zanggezelschap.

- Boerenloper: Man die graag bij agrariërs naar binnen loert.

- Boerenteller: Door de politie bij alcoholcontroles gebruikt instrument.


- Boerkanier: Plattelandsrover.

- Boermaag: Inwendig orgaan waarin bier wordt afgebroken.

- Boeros: Onbeschaafd rund.

- Boersnoes: Arabische variant van het tv-programma 'Boer zoekt Vrouw'.

- Boerstom: Niet in staat om een hoorbare mondscheet te produceren.


- Boetiek: Modewinkeltje voor oude koeien.

- Boezemkast: Bustehouder.

- Boezemlaar: Boomsoort die uitstekende bossen hout voor deuren produceert.

- Boezemsteel: Lang stuk hout om zieleroerselen mee te delen.

- Bofferte: Meevallende aanbieding.


- Bok Dylan: Oude knar die maar blijft doorgaan.

- Bokjesgeest: Voormalig offerdier.

- Bokkendoos: Geit.

- Bokkenjager: Iemand die geobsedeerd is door het schieten van mannelijke geiten.

- Bokkenpruim: Nukkig kutje.


- Bolknakker: Zeldzaam geworden mannensoort met hoed en stompje sigaar.

- Bollesoos: Stierenvereniging.

- Bolletjeshikker: Bepaald soort cocaïnesmokkelaar nadat hij is gesnapt.

- Bolsjewiet (1): Sovjethennep.  (2): Uit hennep gestookte jenever.

- Bolus-malusregeling: Financiële ontlasting voor geleden schade.


- Bombeer: Gevaarlijk knuffeldier.

- Bomentapijt: Bos.

- Bomenwerper: Methode voor grootschalige bosaanplant op vijandelijk gebied.

- Bomfiets: Wapen van milieubewuste terrorist.

- Bomhelzing: Wie droomt er niet van?


- Bommeling: Spammen met bombrieven.

- Bomposteren: Verwerking van springtuig tot teel­aarde.Voor het eerst op grote schaal toegepast in België in de periode 1914-1918.

- Bomvlieg: Tweevleugelig insect dat ontploft als je het wil doodslaan.

- Bonbonk: Meisje dat nog niet toe is aan een breezer en het daarom voor een snoepje doet.

- Bondsnotel: Onderdak voor verkouden bondsleden.


- Bonk mot: Nachtvlindertje met grote geluidsinstallatie aan boord om de meisjes mee te imponeren.

- Bonkbal: Sex party.

- Bonkbiljet: Toegangskaartje voor de hoeren.

- Bonkkaart: Toegangskaartje voor de hoeren in tijden van schaarste.

- Bonkmantel: Condoom.


- Bonkrekening: Speciaal account voor bordeelbezoek.

- Bonkroet: Platzak.

- Bonkvrouw: Prostituee.

- Bontaars: Dichtbehaard poepertje.

- Bontenegro: Veelkleurige Balkanstaat.


- Bontginning: Zeehondjes neerknuppelen in Canada.

- Bontsteltenis: Ontstaat wanneer het Dierenbevrijdings­front een bontstoppingsmiddel gebruikt.

- Bontstoppingsmiddel: Wapen van het Dierenbevrijdingsfront.

- Boobtrap: Installatie om borsten mee te verschalken.

- Boobycrap: Herhalingen van verborgen camera-programma's.


- Boobygrap (1): Klapsigaar.  (2): Fopspeen.

- Boobystrap: Beha-bandje.

- Boobytram: Israëlisch openbaarvervoermiddel.

- Boobywrap: Verpakking van onaangename verrassing.

- Boogappel: Lievelingsvrucht van Willem Tell.


- Boomauto: Vierwielig motorvoertuig dat je nooit ziet rijden.

- Boomexplosie: Geheimzinnig natuurverschijnsel dat veel brandhout oplevert.

- Boontje: Bekend Nederlands krielaardappelras.

- Boorduurwerk: Scheepsklok.

- Boorzitter: Hoofd van tandartsenvereniging.


- Boosnicht: Kwade homo.

- Boosnië: Gevaarlijk Balkanland.

- Bootanicus: Scheepskundige.

- Bootanie: De wetenschap der drijvende voertuigen.

- Bootschappen: Gestapelde ligplaatsen in haven.


- Bootuline: Gif dat een bedreiging vormt voor de scheepvaart.

- Borgasme: Klaarkomst waarvoor een onderpand moet worden gegeven.

- Borrelbootje: Reddingssloep voor liefhebbers van een jacuzzi.

- Borrelborstje: Tietje waarin samen met silicone lucht is ingespoten.

- Borrelneutje: Dubbele graanjenever.


- Borrelpreut: Vagijn dat aan de kook raakt.

- Borrelvoet: Kwaal van alcoholisten.

- Borstelaar: Iemand die niet goed overweg kan met grote memmen.

- Borstkalker: Graffitiartiest met rare afwijking.

- Borstplat:  Snoepgoed gemaakt van geïmplodeerde siliconentieten.


- Borteren: Een zwangerschap starten.

- Borteur: Man die een vrouw met jong stopt.

- Boterbraafje: Echtgenoot die nooit buiten zijn/haar broekje gaat.

- Boterkloek: Zeer malse moederkip.

- Botok: Middel waarmee soepkippen zich laten opgespuiten.


- Botsneger: Surinamer zonder rijbewijs.

- Botsnië: Balkanland waar bevolkingsgroepen voortdurend met elkaar in aanvaring komen.

- Botsnische Golf: Deel van de Oostzee waar veel scheepsongelukken gebeuren.

- Botteller: Administratief bediende bij begrafenis­onder­neming.

- Boude doos: Drieste dame.


- Bourgondisco: Drinkgelegenheid waar uitbundig plaatjes worden gedraaid.

- Bouterham (1): Het allermiddelste deel van varkens­billen.  (2): Plakje drol.

- Boutlimie: Schijtzucht.

- Boutpulp: Diarree.

- Boutverbot: Gemeentelijke verordening tegen het wildpoepen.


- Boutvier: Hondenras gekweekt voor de mestproductie.

- Bouwkakker: Bouwarbeider die zich met dure merkkleding tracht te onderscheiden.

- Bovenaannicht: Degene die bij het beoefenen van de herenliefde bovenop ligt.


Br

- Braadschede: Vagina die heet genoeg is om worstjes in te braden.

- Braaf: Kraaiachtige vogel die kan opzitten en pootjes geven.

- Braakpan: Vaatwerk waarin smerige gerechten worden bereid.

- Braakrok: Kotslelijk vrouwenkledingstuk.

- Braakvlak: Plaats waar kots neerkomt.


- Braakworst: Vleesproduct waarvan je alleen al van de lucht over je nek gaat.

- Brabbelbox: Elektronisch naaikransje voor baby's.

- Brabi pangang: Zuid-Nederlands gerecht.

- Brabrander: Extremistische vrouwenbevrijder uit de zuidelijke Nederlanden.

- Bracterie: Gammel micro-organisme.


- Braintrain: Voertuig waarmee intellectuelen massaal vertrekken.

- Brakeling: Koekje waarvan men over de nek gaat.

- Brakmiddel: Zout.

- Brakwatermokkel: Soort zeemeermin die in rivier­monden leeft.

- Bralaap: Stapstudent.


- Bralreiger: Vogel die opschept dat hij gebruikt wordt om bouwprojecten stil te leggen.

- Bralzaal: Feestgelegenheid.

- Brandbaard: Gevolg van scheren zonder scheerschuim.

- Branddebiel: Idioot die olie op het vuur gooit.

- Brandewijf: Zeer hete vrouw.


- Brandezijn: Vloeistof die wordt gebruikt voor het inmaken van borrelnootjes.

- Brandezwijn: Varken dat heet door de slokdarm biggelt.

- Brandfiguur: Pyromaan.

- Brandiet: Professionele pyromaan.

- Brandklusser: Part-time pyromaan.


- Brandstoten: Vurig soort biljartspel.

- Brandtent: Zonbescherming factor 99.

- Brandverschijnsel: Vuur.

- Brasmus: Zeer gulzig vogeltje.

- Braviaan: Niet zo erg kwaaie aap.


- Brazoeka: Op borstweringen gericht ongeleid projectiel.

- Breekdance: Vermaak waarbij veel ongelukken gebeuren.

- Breinvis: Kwade genius van de dolfijnen.

- Bretelgeuse: Rode reus die samen met Bretellatrix de broek van Orion ophoudt.

- Brijslaap: Keurige geslachtsgemeenschap die op een smeerboel uitloopt.


- Brikut (1): Vagina die urenlang blijft nagloeien.  (2): Française.

- Brilateraal: Niet onder vier, maar onder acht ogen overleggen.

- Briljoen: Getal dat zo klein is dat het met het blote oog niet waarneembaar is.

- Brille: Tastbaar hulpmiddel voor slechtzienden.

- Brilmonteur: Opticien.


- Brodega: Modernistische bakkerij.

- Broedbank: Geavanceerde spermabank.

- Broeddoping: Vooral door daaddonors* gebruikt verboden middel om de vruchtbaarheid te bevorderen.

- Broedspoor: Nalatenschap van beddoeïnen*

- Broedvrouw: Stand-in voor vrouwen gedurende de zwangerschap. Draagmoeder.


- Broedworst: Stuk darm gevuld met gemalen eendags­kuikens.

- Broeikaas: Onder glas gekweekt zuivelproduct.

- Broekeloos: Het in de blote kloten op een tochtig hoekje staan. Zie ook Blauwbeffen*

- Broekeloosheid: Populair winterspel, vooral onder de mannelijke jeugd. Wie het laatst zijn edele delen verliest heeft gewonnen.

- Broekenbal: Jaarlijks start van de week van de man.

- Broekenwurm: Piemeltje.


- Broekhouder: Iemand die bepaalde kledingstukken leent maar ze niet teruggeeft.

- Broekmaag: Waar de liefde van de man door gaat.

- Broekrem: Vertragingsinrichting die karakteristieke sporen in ondergoed achterlaat.

- Broekweit: Zaad in pantalon.

- Brokkenjager: Wrakkendienst.


- Brolprent: Voorbijtrekkend onderdeel van bijna-dood-ervaring.

- Bromchitis: Longaandoening waarmee een tweewieler kan worden aangedreven.

- Brommelia: Epifytische plant met hulpmotor.

- Bronfiets: Oerrijwiel (Velocipedor) waaruit alle andere rijwielen zijn ontstaan.

- Bronstosaurus: Voorwereldlijk dier dat altijd zin had.


- Broodborstje: Meisje dat zich om den brode ontbloot.

- Brooddaas: Soort vlieg die de kost verdient met zuigen.

- Brooddos: Professioneel poesje.

- Broodpruimpjes: Kutrestjes waar de vogeltjes blij mee zijn.

- Broodrommel: Troep die achterblijft in lunchdoos.


- Broodvet: Boter.

- Brouder: Oom.

- Bruidenier: Ambtenaar van de burgerlijke stand.

- Bruidsbonker: Man die iets meer doet dan het kussen van de bruid.

- Bruidskurk: Ouderwets voorbehoedmiddel tegen het meteen al in de huwelijksnacht zwanger worden.

- Bruidspaard: Wit zoogdier met huwbare prins op de rug.


- Bruidsruiker: Functionaris die controleert of er geen luchtje aan een voorgenomen huwelijk zit.

- Bruidstablet: Pil voor de eerste huwelijksnacht.

- Bruisvoorn: Vis die in bubbelbaden leeft.

- Brulboek: Drukwerk dat luidruchtig waarschuwt voor passages die ongeschikt zijn voor jeugdige lezertjes.

- Brulgarije: Lawaaierig Balkanland.

- Brulkoei: Speciaal rund dat een signaal geeft zodra het met de poten in de mist staat.


- Brulloft: Trouwfeest na enige glaasjes.

- Brulraap: Zuid-Amerikaans voedergewas dat zelf laat weten als het gaar is.

- Brulslang: Reptiel dat slecht gezichtsvermogen compenseert met luidruchtigheid.

- Brulterriër: Enge hond die 'echt niets doet'.

- Brunetje: Klein donker meisje dat mannen bij de vleet heeft.


Bt

- BTA: (Betasting Toegevoegde Aarde). Bepoteling door tuinman.


Bu

- Buidelreet: Toegang tot de zak van een kangoeroe.

- Buidelwrat: Kleine, eeltachtige uitwas op de portemonnee.

- Buikmaken: Bezwangeren.

- Buildier: Onhandige kruising tussen kameel en dromedaris.

- Builebalk: Hout des aanstoots.


- Builezel: Lastdier dat zich vaak aan dezelfde steen stoot.

- Builpartij: Uit de hand gelopen feestje.

- Buipenissig: Groot geschapen.

- Buisarts (1): Sanitaire noodhulpdienst.  (2): Uroloog.  (3): TV-reparateur.

- Buisjesmelker: Exploitant van televisietoestellen.


- Buispreker (1): Weerman.  (2): Televisiedominee.

- Buisschilder: Kunstenaar die zwart-wittelevisies van kleur voorziet.

- Buisvredebreuk: Televisiereclame.

- Buitbeen: Trofee van de derde hond.

- Buitbenen: Prooi waar men soep van trekt.


- Buitensnorig: Enorme bovenlipbeharing.

- Buitenwisser: Hulpmiddel om xenofoben het leven te veraangenamen.

- Buitmelken: Tijdrovende consequentie van veediefstal.

- Buitschakelen: Alarm uitzetten van te stelen auto.

- Buitzendbureau: Postorderbedrijf voor gestolen goederen.


- Bukdanseres: Meisje dat voor publiek op ritmische wijze haar bukkebaard* vertoont.

- Bukfiets: Zie Homotrainer*

- Bukkebaard: Beharing die alleen zichtbaar is als iemand voorover buigt. Zie ook Anusicht*

- Bulderwagen: Auto met teluidsinstallatie*. Zie ook Karbonker*

- Bulldover: Voertuig van plattelandsbrandweer.


- Buldrog: Nephond.

- Bunkieren: Oppotten van waardeloze vorderingen.

- Bureluurs: Gestoord door de herrie van naastwonenden.

- Burengeruft: Slaapverstorende geluiden.

- Buskroot: Explosieve rode biet.


- Busluis: Parasiet die je in het openbaar vervoer oploopt.

- Bustehouwer (1): Maker van borstbeelden.  (2) : Door borsten geobsedeerde kunstenaar.

- Busteouder: Moeder.

- Butspot: Vat om deuken in te leggen.

- Buurlinie: Schutting.


- Buurmoordenaar: Voor velen een verre vriend.

- Buurpruim: Verboden vrucht aan de andere kant van de schutting.


Home  A   B  C D E F G H I J  K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



web analytics
Bazelhoen




Benefiets