A


- 0906 lijmen: Reparatiemiddel voor kapotte mobieltjes.

Aa

- à propot: Lesbo die gemakkelijk van haar stuk is te brengen.

- Aaibes: Lief oud vrouwtje.

- Aaimachine: Hebbeding voor luie poezenliefhebbers.

- Aaimoes (1): Hele lieve moeder. (2): Wat overblijft van iemand met een té lieve moeder.

- Aalcohol: Drank gestookt van palingkonten.


- Aalfluiting: Een zeer tegenvallende palingroking.

- Aambij: Behoort evenals aarsmade, holtor, reetkever en zakrat tot de kruisfauna.

- Aanbesteling: Aanbieding van werk aan de duurste inschrijver.

- Aanbranding: Het met geweld dwingen tot het ondergaan van ontuchtige handelingen met een tosti-ijzer.

- Aanfluitdoos: Slissend vagijn.


- Aangenegenheid: Welwillend zaakje.

- Aankopingspunt: Winkelcentrum.

- Aantekenbroekje: Slipje dat de moeite waard is om in je dagboek te vermelden.

- Aanvegende wijs: In de schoonmaaksector gebruikte werkwoordsvorm.

- Aapologie: Geschrift waarin de leer de der primaten wordt verdedigd.


- Aardappelgravin: Adellijke dame met hete knol in de mond.

- Aardappelkoket: Zelfs in een juten zak er nog goed uitzien.

- Aardappelmeisje: Miss Bintje.

- Aardappelpruim: Een droge, kruimige vagina. (lekker met een beetje sju).

- Aardruikskunde: Onderdeel van de geografie dat de aarde beschrijft aan de hand van geuren.


- Aarsbeving: Gevolg van zeer zware kontploffing*. (Zie afbeelding)

- Aarsbewoners: Aambijen, reetkevers, holtorren enz.

- Aarsbloem: Bloem met de geur van ongewassen konten.

- Aarsenaal: Opslagplaats voor poepertjes.

- Aarsengel: Zweverig tiep dat over de rectums waakt.


- Aarsenicum: Gifstof bereid uit oude rectums.

- Aarsenmaker: Goudse ambachtsman die uitgescheurde endeldarmen repareert.

- Aarsgarnaal: In bilspleten levende kreeftachtige.

- Aarsgasbaten: Het voordeel van zelf geproduceerde brandstof.

- Aarsgier: Iemand die voordeel wil halen uit het achterwerk van een ander.


- Aarskunde: Leer der analen zoals bestudeerd door aarsvaderen* en anaalogen 2*.

- Aarslicht: Gezellige gasverlichting tijdens intiem samenzijn.

- Aarsmannetje: Kakboutertje*.

- Aarsrivaal: Mededinger naar dezelfde reet.

- Aarsster: Geslacht van buikzwammen met groot bruin oog. Zie ook Naaktzwammen*.


- Aarstwijfelaar: Homo die nog niet weet of hij uit de kast zal komen.

- Aarsvader: Stamvader der Anaalogen*.

- Aasbest: Kankerverwekkend lokmiddel.


Ab

- Abalgaam: Klotezootje.

- Abattor: Aasetende kever die zijn voedsel zelf slacht.

- Abberratiet: Afwijkend gevormde vrouwenborst.

- Ablatiet: 6e borstval, een fase in de degeneratie der damesborsten.

- Abordeur: Geheime uitgang voor het afvoeren van ongewenste gasten.


- Aborta: Ziekte waardoor de kransslagader wordt afgestoten. Zie ook Aortus*

- Abortusboor: Gereedschap van abortusboer.

- Abridoos: Openbaarvervoershoer.

- Abrigade: Partner die men heeft ontmoet tijdens het wachten op de bus.

- Abrikolos: Reusachtige vrucht van de pruimenfamilie.


- Abrikots: Braaksel in wachthuisje voor het openbaar vervoer.

- Absnormaal: Ongewone bovenlipbeharing.

- Absolultisme: Onbeperkte heerschappij van de man.

- Absolvegen: Toestemming verlenen om met een vuile kont rond te lopen.

- Absorbieren: Alcoholische dranken die zichzelf verzwelgen.


- Absorboeren: Het uit beleefdheid weer inslikken van mondruften.

- Abuseren: Zich vermaken met zelfbevlekking.


Ac

- Acceptabal: Aanvaardbare worp of schot bij balsport.

- Accommodderen: Moeite hebben om zich aan te passen.

- Accupressuur: Massagemethode waarbij stroomstoten worden gebruikt.

- Accureet: Nauwkeurige bips.

- Accusatiet: Borst die een beschuldigende tepel uitsteekt.


- Achromantisch: Kenmerk van een kleurloze relatie.

- Achterhoedegerecht: Toetje, dessert.

- Achterhoeregevecht: Twist om de goedkoopste lichtekooi.

- Achternicht: Degene die bij het beoefenen van de herenliefde niet voorop loopt.

- Achtertochtig: Winderig.


- Achtervagina: Damesbips.

- Acnanas: Tropische ziekte die zeer sappige en geurige ontstekingen in het gelaat veroorzaakt.

- Acneur: Iemand die net doet of hij jeugdpuistjes kan genezen.

- Acoleut (1): Misdienaar die te diep in het kelkje heeft gekeken.

- Acoleut (2): Wat meneer pastoor heeft als hij zich met misdienaar vermaakt.

- Acrobaziek: Misselijk makende capriolen voor publiek.


Ad

- Ademharing: Zeevis die voor een uitje het land op gaat.

- Ademnijd: Psychisch bijverschijnsel van astma.

- Aderhaling: Dotterbehandeling.

- Adervertalking: Verpulvering van de bloedvaten.

- Administradief: Witteboordencrimineel.


- Admoraal: Opperbevelhebber die normen en waarden hoog in het vaandel heeft staan.

- Adom: Legendarische man die domoorcodicil tekende en daardoor voortijdig een rib kwijtraakte.

- Adremaline: Bijnierhormoon dat voor snedigheid zorgt.

- Adrempauze: Tijdelijke stagnatie in de productie van adremaline*.

- Advocado: Spaanse raadsman met veel pit.


Ae

- Aerdenbout: Kakker uit de buurt van Haarlem.

- Aerobips: Strak kontje.

- Aerosnol: Vrouw van zwevende zeden.


Af

- Afdaalrestaurant: Ondergronds gelegen eetgelegenheid .

- Afdenkertje: Andermans verworpen ideeën als nieuw presenteren.

- Afdroogdeuk: Beschadiging aan vaatwerk door hard­handig afdrogen.

- Afdruipdrek: Diarree.

- Affietsel: Gegoten halfproduct om rijwielen van te maken

.

- Affluiter: Scheidsrechter.

- Afghanistad: Kabum.

- Afkutten:  Snauwerig copuleren.

- Afkrukkwaliteit: Waardigheid waarmee iemand zijn barstoel verlaat.

- Afkutsen: Het mislukken van een versierpoging.


- Aflaatoxine: Een vooral op pinda's voorkomende giftige schimmel waardoor na consumptie alle zonden verdwijnen.

- Afnichten: Homo's trachten om te turnen tot hetero.

- Afpruimen: De bezoedelde vruchten naar de wasruimte brengen.

- Afranden: Iemand niet aanranden.

- Afrikraan: Waterput.


- Afrollook: Soort ui in handig compacte verpakking.

- Afrosbaar: Masochistische instelling.

- Afrossingstermijn: Periode waarin betaald kan worden zonder in elkaar geslagen te worden.

- Afrukpapier: Vies boekje.

- Afrukapparaat: Mannelijk tegenhanger van de dildo.


- Afscheidsdeceptie: Tegenvallende gouden handdruk.

- Afscheidsveest: Een stinkende laatste adem.

- Afsluitdak: Overkapping van het IJsselmeer.

- Afstapkraan: Hijswerktuig om bejaarden uit de bus te helpen.

- Aftakelding: Niet zo goed meer fuctionerend apparaat.


- Aftersave: Opgelucht gevoel na gebruik van condoom.

- Aftieteling: Mammectomie.

- Aftocht blozen (De ~): Een blauwtje lopen.

- Aftrekpose: Houding aannemen alsof.

- Aftrekpot: Belangrijk attribuut van de orde der Onanieten*.


- Afwasborsten: Boezem die is gerimpeld door het doen van de afwas zonder rubber beha.

- Afzakdoos: Verlepte pruim.

- Afzijken: Stiekem net zo pissen als je buurman.

- Afzuigklap: Het geluid van een klapzwans*


Ag

- Agamier: Insect dat het te druk heeft voor geslachtelijke voortplanting.

- Aggregratie: Collectieve genadeverlening.

- Agneusticisme: Levensbeschouwing die aanneemt dat de mens God niet kan ruiken.

- Agnostikus: Goddeloze zoen.

- Agoorafobie: Ziekelijke angst voor smerige ruimtes.

- Agorafobiel: Heel klein autootje voor chauffeurs met pleinvrees.

- Agrilultuur: De teelt van boerelullen.


Ai

- Aidstructie: Aanwijzingen hoe Hiv-positief te worden.


Ak

- Akkefietsje: Lastig rijwieltje.

- Akoerier: Geluidstransporteur.

- Akoestick (1): Stemvork. (2): Joint met ringtone.


Al

- Alarmklonk: Noodklok die te laat signaal geeft.

- Alaveloosheid: Kennelijke staat gedurende carnaval.

- Alcoholikus: Afstandelijke intimiteit tussen drankkegels.

- Alcohollist: Manier om een gratis drankje te krijgen.

- Alfabed: Ligplaats voor letterkundigen.


- Alijas: Arabische mantel.

- Alikruk: Gereedschap om bepaalde zeeslakken mee van de rotsen te plukken.

- Allangalang: Zeer oude tropische grassoort.

- Allergeoloog: Specialist op het gebied der overgevoelig­heid van de aardkorst.

- Allergier: Aaseter die overgevoelig is voor dode dieren.


- Allergil: Verbale uiting van ernstige overgevoeligheid.

- Allerzeulen: Rooms Kaholieke gedenkdag waarop men grote hoeveelheden bloemen naar begraafplaatsen sjouwt.

- Allochzonen: Tweede generatie importpersonen.

- Alpendoosje: Heidi of Olga Lawina.

- Alpianisme: Sport waarbij men hoge bergen beklimt met een piano op de nek.


- Alsofa: Nep-bank.

- Altzviool: Snaarinstrument dat melodieën voortbrengt die je meteen weer vergeet.

- Aluminimum: Kleinste stuk alumaximum.


Am

- Amazonde (1): Behorend tot een liederlijk volk van vrouwen. (2): Duitse internetverkoper van vieze boekjes.

- Ambiguitiet: Borst die gemengde gevoelens oproept.

- Ambilance: Hulpvoertuig dat niet kan kiezen naar welk spoedgeval te gaan.

- Ambivavent: Biseksuele man.

- Ambochtelijk: Met vakmanschap gemaakt, bijna uitsluitend toegepast op dranken.


- Ambtedaar: Overheidsdienaar die je steevast doorver­wijst.

- Ambtenaaf: Overheidsdienaar die denkt dat hij de spil is waar de wereld om draait.

- Ambtenar: Gek geworden overheidsdienaar.

- Ambtepaar: Stel in duobaan werkende overheidsfunctio­narissen.


- Ambtesaar: Vijftigjarige overheidsmedewerkster.

- Ambtewaar: Overheidsdienaar die nooit op zijn plaats is als je hem belt.

- Ambtgeneut: Collega-barman.

- Amendel: Gristelijke sloerie.

- Amenland: Gristelijk waddeneiland.


- Amenuensis: Assistent op natuur- en scheikundig terrein in gristelijke scholen.

- Amfetamina: Vrouwelijke speedfreak.

- Amfibiel: Rijwielpad.

- Amperzand: Noodlijdende Hollandse badplaats.

- Ampeuteren: Zonder gereedschap een lichaamsdeel afzetten.


- Ampuberen: Het zich losrukken van de ouders en op zichzelf gaan wonen.

- Amsterdommer: Inwoner die denkt dat zijn stad de belangrijkste van Nederland is.


An

- Anaalfabeet (1): Iemand die zijn eigen kont niet kan vinden als hij jeuk heeft. (2): Iemand die het Grieks niet machtig is.

- Anaaloog (1): Rectum. (2): Aarskundige, Anaaliticus. Zie ook Goorarts* (3): Iemand met een wel érg donkere kijk op de zak.

- Anabas: Zeer grote tropische vrucht.

- Anagrap: Komische verwisseling van de letters van een woord of zin. (Geestige anagrammen / gaan samen met gegier.)

- Ananaas: Tropische vrucht die gebruikt wordt om dieren mee te lokken.


- Ananus: Saprijk en geurig tropisch rectum.

- Anarchrist: Gelovige die zijn Heer niet als meerdere erkent.

- Anawas: Substantie om rectums te laten glanzen.

- Andersgehaard: Eufemisme voor kaal of kalend.

- Andrijvie: Vaartuig gemaakt van doorgeschoten witlof.


- Anemeun: Ranonkelachtige zeevis.

- Aneukdote: Amusant kort verhaal over een avontuurtje.

- Aneus: Verkeerd aangesloten lichaamsopening.

- Anglobiel: Auto met het stuur aan de verkeerde kant.

- Angorafobie: Ziekelijke angst voor lang haar.


- Angstzweed: Bang uitgevallen Scandinaviër.

- Animieren: Tot wederzijds genoegen mierenneuken.

- Anoruxiapatient: Iemand met een ziekelijk gebrek aan belangstelling voor aftrekken.

- Anosexia nervosa: Ziekelijk gebrek aan vleselijke lust bij meisjes.

- Ansjorvis: Soort trekvis behorende tot de familie der Masturbaarzen.


- Antercedent: Iemand die bemiddelt in voorbije gebeurtenissen.

- Anticonceptiepils: Bier met extra alcohol zodat je hem echt niet meer omhoog krijgt.

- Antifada: Opstand van Israël tegen de Palestijnen.

- Antiliaan: Iemand die iets tegen slingerplanten heeft.

- Antiloper: Groot voorstander van zittenblijven.


- Antiqueer (1): Handelaar in oude nichten. (2): Handelaar die weigert boeken van oude nichten te verkopen.

- Antiracketraket: In de tenniswereld illegaal hulpmiddel.

- Antisjok®: Opwekkend middeltje om weer een kwieke tred te krijgen.

- Antismerum: Middeltje om terugtrekken te voorkomen.

- Antistankwapen: Air-conditioner.


- Antistisch: Tegen de buitenwereld zijn.

- Antoniet: Woord zonder tegengestelde betekenis.

- Antropologé: Natuurhistorisch wezen dat een paar nachtjes blijft slapen.

- Antroposofa: Levensbeschouwing over de mens in verhouding tot het geestelijk wezen zijner zitplaats.

- Antroprologie: Wetenschap betreffende de mensheid voorafgaand aan de schepping.


- Anuscript (1): Ontwerp voor rectaal avontuur.

- Anuscript (2) : Zie Scheetschrift*

- Anusicht: Prentbriefkaart met één of meer gebukt staande naakte personen. Zie ook Bukkebaard*

- Anusje van alles: Iemand die door alles is te porren.

- Anusjovis: In het water levend gewerveld dier met overmaats rectum.

- Anuskop: Blotebillengezicht.

- Anusthesist: Medicus die bij darmoperaties het rectum verdooft.


Ao

- Aortie: Toestand van de kransslagader.

- Aortus: Stevige aderlating.


Ap

- Apatiet: Tepel die bij opwinding niet reageert.

- Apecalyps: Apenbaring.

- Apecool: Retegaaf.

- Appelpoes: Eva van Eden.

- Appelsmoes: Waar Adam mee werd overgehaald.


- Apendix: Wormvormig aanhangsel bij primaten.

- Appendnix: Ontbrekend aanhangsel van de blinde darm.

- Apeneutje: Borrel waarvan je jezelf op de borst gaat kloppen.

- Apenijnen: Italiaanse klimknaagdieren.

- Apestolaat: Geloofsverkondiging onder primaten.


- Apetros: Groep primaten die allemaal in dezelfde autoband schommelt.

- Apocaalyps: Het einde der beharing.

- Apogrief: Klacht zonder grond.

- Apparateur: Werktuigkundige.

- Appelflop: Mislukt gebakje van bladerdeeg, rozijnen en fijngesneden appels.


- Aprul: Voorjaarsmaand van niks. 


Aq

- Aquajokken: Liegen tot je nat gaat.

- Aquaplanning: Taak van Rijkswaterstaat.


Ar

- Arabiet: Kroot met hoofddoek.

- Arabipst: Deskundige op het gebied van achterwerken in het Midden-Oosten.

- Araboe: Papegooievaar die kleine kindertjes aan het schrikken maakt.

- Arbeidsnotivatie: Zin om te werken, ondanks verkoud­heid.

- Arbeidstherapiel: Vibro-massageapparaat, veelal gebruikt door uitgebluste secretaresses. In Amerika 'dicktaphone' genoemd.


- Archiraaf: Rover van schatten uit archieven.

- Arcitectenbureau Talamini: Voor klassieke iglo's en ijsmachines.

- Argentijnië: Zuid-Amerikaans land vol met argentieners.

- Arkbeider: Personeelslid van Noach.

- Arkitectenbureau Noach: Voor al uw woonboten, reddingsvaartuigen en konijnenhokken.


- Armadildo: Gepantserde kunstpenis die omgegord moet worden.

- Armeturig: Slechtziende die geen bril kan betalen.

- Armlustigheid: Ontwenningsverschijnsel bij fervente masturbanten.

- Armoeder: Mama aan lager wal.

- Armtebestendigheid: Veronderstelde ongevoeligheid voor ernstig geldtekort.


- Arreschede: Kut met belletjes.

- Arsen: Het achterwerk m.b.v. hars van ongewenste beharing ontdoen. Zie ook Kontbossen*.

- Artisjor: Farty masturbatie.

- Artisok: Modernistische voetkleding.

- Arund: Vliegende roofkoe.

- Arvitrage: Schimmig optreden als scheidsrechter.


As

- Ascheet: Iemand die zich het genoegen van het laten van winden ontzegt.

- Ascombinezuur: In de wielersport gebruikt stimulerend middel.Vitamine €.


- Asfalturen: Rijtijd.

- Asgier: Zie Vaasgier*.

- Asjortiment: Variatie aan aftrekmogelijkheden.

- Asnortiment: Sortering vermommingsartikelen.

- Aspergeloot: Limburgse folkloristisch gebruik, waarbij het erom gaat wie de grootste mee naar huis mag nemen.


- Aspergenant: Op obscene wijze aan bepaalde groente zitten sabbelen.

- Aspergesyndroom: Onaangepaste autitude t.o.v. bepaalde jonge spruiten.

- Assemplee: Ontlastingsplaats voor vertegenwoordigende organen.

- Assepoetster: Post-productionmedewerkster in een crematorium.

- Asserlief: Mondige beminde.


- Assimileuren: Het ter inburgering langs de deuren gaan van immigranten.

- Astmatikus: Zoen waarvan je longen gaan piepen.

- Astoombom: Uit vliegtuig geworpen springtuig dat een voorraad steenkool en een stoker nodig heeft.

- Astronauw: Te kleine ruimte.

- Asvak: Gedoogplaats voor rokers.


At

- Atheeïst: Principiële koffiedrinker.

- Atolweg: De oorspronkelijke rondweg.


Au

- Aubergin: Jeneversoort waarvan je een glimmend paarse kop krijgt.

- Aubtenaar: Overheidsdienaar die, als je maar "alstublieft" zegt, alles voor je regelt.

- Augiasstel: Echtpaar dat een zootje heeft gemaakt van hun huwelijk.

- Augutstus: Natte zomermaand.

- Auna: Stoombad waarvan je achteraf op de blaren zit.


- Aureura boerealis: Alleen op het platteland waarneem­baar (ont)luchtverschijnsel.

- Autarctica: Zelfvoorzienend poolgebied.

- Autitude: Wijze waarop men over een moeilijk contact met de omgeving denkt.

- Autobiogirafie: Boek waarin een giraffe zichzelf beschrijft.

- Autobuts: Spontane deuk in vierwielig motorvoertuig.


- Autochboon: Rare inheemse snuiter.

- Autogorgel: Methode om files op te lossen.

- Autoisme: Geestelijke afwijking waardoor men denkt niet zonder auto te kunnen.

- Automagisch: Vraag niet hoe, maar het werkt.

- Automatiet: Soort interactiet* waar een kroket uitkomt als je op het knopje drukt.


- Automobiet: Genetisch gemanipuleerd knolgewas dat zich zelf bij de suikerfabriek meldt.

- Automobilust: Zin in seks op de achterbank.

- Autoombom: Springtuig dat het zelf doet.

- Autopie (1): Onderzoek van autowrak.

- Autopie (2): Zichzelf verwezelijkend ontwerp van een volmaakte toestand.


- Autoque: Hulpmiddel ter bescherming van 's nieuws­lezers genitaliën.

- Autoruft: Uitlaatgassen.

- Autowak: Gat in de bodem van een vierwielig motorvoertuig.

- Auwgurk: Ingemaakt komkommertje dat zo zuur is dat het pijn doet aan de tanden.


Av

- Avant-garden: Engelse tuin met vooruitstrevende Franse aanleg.

- Avant-la-tettre: Voordat de vrouw geschapen was.

- Avondpaal: Waar een man met nachtdienst last van heeft bij het wakkerworden.

- Avondturier: Iemand die na werktijd een blokje om gaat.

- Avonturierstier: Mannelijk rund dat over het prikkeldraad is geklommen zonder zijn ballen kwijt te raken.



Home  A  B C D E F G H I J  K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
web analytics



Aarsbeving. Naar Gustav Doré, 1866
(met dank aan Goltzius & Gotlib)