S


Sa

- Saamhoerigheid: Solidariteit onder prostituees.

- Sabbad: Wekelijkse wasbeurt.

- Sabbelschede: Vagijn dat spannende dingen kan doen met een penis.

- Sabeljauw: Gewapende zoutwatervis.

- Sabeltandhijger: Roofdier dat de tijd niet meer kon bijbenen.


- Sabeltjeskrant: Kinderprogramma dat er inhakt.

- Sado-sado: Indonesisch gerecht dat je alleen opeet om iemand te pesten.

- Sadofoon: Doedelzak.

- Safdankertje: Joint.

- Safleren: Cursus stoppen met roken.


- Safvalproduct: Sigarettenpeuk.

- Sagamander: Amfibie die oude volksverhalen vertelt.

- Salama: Zuid-Amerikaans hoefdier waarvan het speeksel gebruikt wordt in Italiaanse worst.

- Salamand: Keukengerei waarin amfibieën rondgezwaaid worden om ze droog te krijgen.

- Salamiak: Ingrediënt van hartige dropjes.


- Salaminder: Amfibie die niet zo dol is op knoflookworst.

- Salmonelsla: Een ongezond soort groente.

- Salsamander: Latijns-Amerikaanse amfibie.

- Saltotekort: Financiële doodsmak.

- Saluutscheet: Geurige verwelkoming.


- Sam en Doos: Legendarisch Amsterdams echtpaar.

- Sandaalpers: Geeft geitenwollensokkenkranten uit.

- Sandalig: Nederlander op vakantie.

- Sandelbout: Heerlijk ruikende drol.

- Sanisette: Een gezonde likeur.


- Sanitorium: Kraankliniek.

- Sanskreet: Onverstaanbare uitroep.

- Sapibara: Zuid-Amerikaans reuzenknaagdier dat bij uitpersen een smakelijk drankje oplevert.

- Sappeltaart: Een gebak gemaakt van aanelkaar geknoopte eindjes.

- Sardiner: Grote maaltijd uit klein blikje.


- Sarhoofd: Pestkop.

- Sarmenië: Plaaggrage voormalige Sovjet-republiek.

- Sasmanie: Land waar de bewoners heel tevreden zijn.

- Saspirientje: Pilletje waarvan men euforisch wordt.

- Sasserette: Modernistisch urinoir.


- Saxofoob: Iemand die onpasselijk wordt van bepaalde blaasinstrumenten.


Sc

- Scalpeermees: Zangvogeltje dat je in het bos met een groot mes achterna komt.

- Scatoleugie: Kakzalverij.

- Scatorfiel: Peversionist die op mestkevers kickt.

- Schaafluis: Zuiginsect dat je van je schaamhaar ontdoet.

- Schaafstuk: Kanjer met ruwe kantjes.


- Schaakboord: Buitenste rij velden van een dambord.

- Schaamblusser: Apparaat om ernstige blozers mee op hun gemak te stellen.

- Schaamboek: Lectuur met blote plaatjes, door primitieve volkeren in hun bibliotheek achter de voorste rij boeken verstopt.

- Schaambord: Wat heel preutse mensen voor hun kop hebben.

- Schaambrood: Dat wat een prostituee eet.

- Schaamdier: Heremietkreeft die altijd binnen blijft omdat hij zich niet naakt durft te vertonen.


- Schaamdood: Er niet voor uit durven komen overleden te zijn.

- Schaamhaam: Tuig om steigerende geslachtsdelen mee in toom te houden.

- Schaamhaas: In dierenpak verkleed persoon die in de paastijd blozend zijn eitjes verstopt.

- Schaamherder: Geestelijk leider die zijn schaapjes verplicht een broek te dragen.

- Schaamkluis: Kuisheidsgordel.

- Schaamlood: Denkbeeldig gewicht waardoor het hoofd gaat hangen.


- Schaamluik: Technische inrichting om gemakkelijk door de vloer te kunnen zakken.

- Schaammodel: Gênante vertoning.

- Schaammuis: Knaagdier met een broekje aan. Zie ook Blosmuis* en Kleermuis*

- Schaampluis (1): Stofnest in lang niet gebruikt geslachts­deel. Zie ook Befragen*  (2): Ontluikende venusbeharing.

- Schaamsluis: Detectiepoortje op vliegveld om geslachts­ziekten mee op te sporen..


- Schaamstreep: Tot strookje nieuwbouwplantsoen gereduceerd schaambos.

- Schaamvis: Mossel die niet uit zijn schulp durft te komen.

- Schaapmodel: Opblaasdier voor Texelaars.

- Schaapschot: Mislukte poging tot het schieten van een bok.

- Schaapzucht: Onbedwingbaar verlangen naar blatende wollebalen.


- Schaatsbanket: Koek en zopie.

- Schaatsbegrafenis: Ritueel afstand doen van glij-ijzers.

- Schaatsbelang: IJs.

- Schaatsiefoto: Afbeelding van ijsheiligen.

- Schalmeid: Behulpzaam meisje dat graag een herdersfluit ter hand neemt. (zie afbeelding)


- Schandknoop: Knoop die als straf in de eh...dinges van zedendelinkwenten wordt gelegd.

- Schandspringen: Naturistische wintersport.

- Schandtalig: Groot deel van dit woordenboek.

- Schapeloosheid: Niet in slaap kunnen komen omdat er niets is om te tellen. Zie ook Remschaap*

- Schapenvrees: Vorm van hardnekkige slapeloosheid.


- Scharrelkid: Nakomeling, geboren uit een scharrelpartij.

- Scharrelkruiken: Los rondlopende warmwaterzakken.

- Scharrelui: Bolgewas dat vrij over het land mag lopen.

- Schavod: Tent waarin executies plaatsvinden.

- Schedebreuk: Gespleten scheur.


- Schededak: Schaamheuvel.

- Schedehond  (2): Keurig kuttenlikkertje. Beffiaan.

- Schedelbasisfactuur: Wordt verstuurd nadat men iets op de kop heeft getikt.

- Scheelvis: Loens zeedier.

- Scheenaanval: Bepaalde voetbaltactiek.


- Scheepsjoggen: Ochtendgymnastiek voor zeelui.

- Scheepspruim: Vrouwelijke matroos.

- Scheepstamp: Lul die altijd kotsend over de reling hangt.

- Scheerkaas: Broodbeleg gemaakt van zeep en baard­stoppeltjes.

- Scheet-bij-nacht: Flinke flatulentie bij de marine, in smerigheid overeenkomend met generaal-jameur bij de landmacht.


- Scheetapparaat: Toiletmachine.

- Scheetbeen: Stuitje.

- Scheetbewaarder: Iemand die het zonde vindt om zijn drollen door te trekken en ze daarom in een scheetkist bewaart.

- Scheetgraver: Zeer fanatieke poepliefhebber.

- Scheetschrift: Pamflet waarin iemand op smerige wijze in de rug wordt aangevallen.


- Scheetstoel: WC-pot met ontsnappingsinrichting voor als de stank niet meer is te harden.

- Scheettent: Kermisattractie die in een kwade reuk staat.

- Schelastiek: Rekkelijke wijsheid.

- Scheldpad: Amfibie met syndroom van Gilles de la Tourette.

- Scheldvis: Humeurig zeedier.


- Schelmvis: Vis die continu rare streken uithaalt.

- Schemerbonker: Iemand die alleen met het licht uit neukt.

- Schepenpad: Kleine vaarweg.

- Schepkunde: Wetenschap van het grondverzet.


- Schepticus: Iemand die twijfelt aan de schepping.

- Schepzinnig: Gemotiveerd tot grondvertzet.

- Scheurapparaat: Ladyshave.

- Scheureiland (1): Isle of Man. (2): Lesbos.

- Scheurhond: Hazewind.


- Scheurkwast (1): Zachte borstel om voor het ontharen de poes mee in te zepen.  (2): Rare snuiter die veel te hard rijdt. Zie ook Plankgast*.

- Scheurmutseling: Onenigheid tussen mannen over wie als eerste naar binnen mag.

- Scheurpioen (1): Kampioen uit de naad werken.  (2): Bepaalde slordig uitziende plantensoort.

- Scheurseneer: Praktisch wortelgewas voor vrouwen die een winterpeen te dik vinden.

- Schiereland: Noordelijk levende hertachtige die graag waterplanten eet, maar altijd met tenminste één poot op het land blijft.


- Schijfmemmen: Zeer platte borsten.

- Schijnwerkpers: Ambtenarenkrant.

- Schijtheiligheid: Vreselijk lopen ruften maar net doen of je neus bloedt.

- Schijtschijf: Hulpmiddel om te voorkomen dat mannen buiten de pot poepen.

- Schijtwerper: Middeleeuwse belegeringsapparaat, als een grote kakkapult*


- Schijtzwanger: Nodig moeten poepen.

- Schilversezel: Lastdier dat last heeft van roos.

- Schimblusser: Wapen tegen spoken.

- Schimmelklaas: Franse Sint.

- Schimpscheur: Kut!


- Schipbrakeling: Iemand die last heeft van zeeziekte.

- Schlemuil: Iemand die alleen maar domme dingen zegt.

- Schoenpoeps: Bruin goedje om op of onder schoeisel te smeren.

- Scholera: Een zeer besmettelijke vorm van schoolziekte.

- Schone Sloopster: Sprookjesprinses die mannen volledig uitwoont.


- School van Richter: Academie waar lijders aan de ziekte van Parkinson tot bevenwichtskunstenaar* worden opgeleid.

- Schoolekster: Iemand die glimmende dingen steelt uit onderwijsinstellingen.

- Schoonjuffrouw: Ongetrouwde zuster van partner.

- Schoonloeder: Moeder van partner.

- Schoonmeester: Broer van leraar of lerares.


- Schoonsmeer: De bagger waarmee vrouwen zich dagelijks insmeren.

- Schorfiets: Rijwiel met hulpmotor dat nodig moet tanken.

- Schorpion: Stuk dat al kuchend over het schaakbord schuift.

- Schorriemerrie: Vrouwelijk viervoetig tuig.

- Schouderknopje: Schakelaar waarmee men zijn partner van de kantoor- in weekendstandje kan zetten, ook wel wiptoets genoemd.


- Schout-bij-nicht: Generaal-majoor in een homobar.

- Schrikkelhaar: Onregelmatig wassende lichaams­begroeiing.

- Schroothondje: Keffertje dat gewillig oud roest aflikt.

- Schuiljuffrouw: Dame met grote boezem die van pas komt als het regent.

- Schuinmaakmiddel: Manier om van een gewoon zinnetje toch weer iets dubbelzinnigs te maken.


- Schuinpoetser: Bakker die gewaagde grappen uithaalt.

- Schuinsmarscheerder: Iemand die andermans vrouwen onthaart.

- Schurftrompet: Scabieuze trombone.

- Schutterskutje: Het soort vrouw waar een soldaat graag in zit.

- Schuttingzaal: Theater voor vuilbekken.


- Schuurbuik: Huidkwaal door teveel eenzijdige seks.

- Schuurvrouw: Dame die haar poesje nodig weer moet scheren.

- Schuwspel: Angstaanjagende theatervoorstelling.

- Scout bij nacht: Zie Nachtvinder*


Se

- Secreetaresse (1): Administratief assistente van toiletjuffrouw.  (2): Een kreng van een administratief assistente.

- Seinegal: West-Afrikaanse wijk in Parijs.

- Seksboem: Wat er gebeurt als er een brandende lont in een seksbom wordt gestoken.

- Sekslijm: Wat bedpartners bindt.

- Seksmanniak: Nymfomane.


- Seksroos: Schilfers in het schaamhaar.

- Seksslavink: Worstvormig vleesproduct dat gedwongen wordt tot seksuele handelingen.

- Seksuele voordichting: Neuken met een condoom.

- Seneut: Bestuursorgaan van borrelvereniging.

- Sensator: Lid van de Eerste Kamer dat telkens weer het nieuws weet te halen.


- Separapisme: De filosofie achter gescheiden toiletten voor mannen en vrouwen.

- Serremoordenaar: Vlaamse wurgplant.

- Sex aequo: Tegelijk klaarkomen.

- Sex Tempore: Improviatieseks.

- Sexclamatie: Uitroep van lichamelijk genot.


- Sexcuus: Het soort hoofdpijn waar vooral vrouwen last van hebben.

- Sexerceren: Droogoefenen voor de daad.

- Sexicograaf: Schrijver van opwindende boekjes.

- Sexicon (1): Handboek voortplanting. (2): Alfabetisch geordend overzicht van woorden die niet in het openbaar mogen worden uitgesproken.

- Sexofonist: Iemand die alleen via de telefoon aan zijn gerief kan komen.


- Sexsatieblad: Tijdschrift dat intieme zaken publiceert over jou onbekende personen.

- Sexspander: Spiraalveer om bepaalde spieren mee te versterken.


Sh

- Shitlander: Pony met last van paardenrace-kak.

- Shitting Bull: Beroemde indiaan die niets dan onzin uitkraamde.

- Shorlist: Trucje om ongemerkt het mannelijk lid te kunnen (laten) beroeren.

- Showakije: Medialand.


Si

- Sidderlapje (1): Stuk vlees dat nog stuiptrekkingen vertoont als je het in de pan gooit. (2): Stukje vlees dat klappertandend van angst de pan in stapt.

- Sidderpaal: Langwerpig voorwerp waarmee spannende en schokkende avonturen kunnen worden beleefd.

- Sidderroman: Griezelverhaal.

- Siernaad: Modieuze tweede bilspleet.

- Siervië: Land waar alles mooier lijkt dan het is.


- Sigarenpik (1): Penis met afgesabbeld uiteinde.  (2): Een roker van dikke bruine stinkstokken.

- Sikkemeurig: Met de geur van een nat kinbaardje.

- Siliconenkat: Huisdier voor de moderne vrouw.

- Siliconenkut: Nieuwste trend op het gebied van vrouwen­verfraaiing.

- Siliconenworst: Opgespoten vleesproduct.


- Sinaarsappelhuid: Dermatologische aandoening rond de damesanus.

- Singleut: Onderhemdenlol.

- Sint-Kuttemis: Spannende versie van Moederdag.

- Sint Kaarten: Caraïbisch gokparadijs.

- Sintaxis: Leer van het gebruik van de rede- en zinsdelen, van de woordvoeging en van de zinsbouw in pakjesavond-gedichten.


- Sintegriteit: De ernst waarmee kinderen voor de gek worden gehouden over het bestaan van een goedheilig­man.

- Sinterklaasveest: Stinkende wind met aangename verrassing.

- Sinterklas: Opleidingsinstituut voor goedheiligmannen.


- Sinthesizer: Goedheiligmangenerator.

- Sintjesregen: Overvloed aan hulpklazen in het winkel­centrum.

- Sinutitis: Ontsteking van de luchtwegen waardoor de patient geen borsten meer kan ruiken.


Sj

- Sjaboon: Modelpeulvrucht.

- Sjorapova: Aantrekkelijke sportvrouw met goede balbeheersing.

- Sjorbet: Coupe met ijs, vruchten en een toefje liefde.

- Sjordanië: Land van oude rukkers.

- Sjorriemorrie: Trekvogels.


- Sjorkramp: Symptoom van sjortering*

- Sjortering: Een van de vreselijke aandoeningen die jongetjes van masturberen kunnen krijgen. Zie ook Rukklachten*.


Sk

- Skiheling: Inkoop van gestolen wintersportuitrusting.

- Skimono: Japanse wintersportkleding.

- Skinkhoest: Longaandoening veroorzaakt door het roken van een bepaald soort hagedissenhaar.


- Skotsjesilen: Deelnemen aan misselijk makende zeilwedstrijd.

- Skrabbelen: Letterspel dat zo moeilijk is dat je er kaal van wordt.

- Skutjesilen: In Friesland achter de vrouwen aan gaan. Zie ook Praamprostitutie*.


Sl

- Slaafliedje: Negro-spiritual.

- Slaaphandelen: Dingen doen die je wakend nooit zou durven.

- Slaapmoordenaar: Iemand die 's nachts zonder het te weten mensen om het leven brengt.

- Slaboratorium: Gebouw waar empirisch-wetenschappe­lijk onderzoek wordt gedaan naar morsdoekjes.

- Slacaravan: Mobiele seksclub waar men zich met verse groente kan laten aftuigen.


- Slachtend: Vervuld van een vleselijk verlangen.

- Slagadder: Reptiel met levensgevaarlijke uppercut.

- Slagdader: Degene die de eerste klap gaf.

- Slagerzanger: Iemand die bloederige liederen kweelt.

- Slagoom: Ouder familielid dat altijd wel wat lekkers heeft voor neefje of nichtje.


- Slagoomspuit: Daarin heeft ouder familielid altijd wel wat lekkers voor neefje of nichtje.

- Slagschaap: Zie Wolvink*.

- Slagschep: Militair gereedschap om elkander de hersens mee in te slaan.

- Slanke ras: Deel van de bevolking dat zich in voortbe­staan bedreigd voelt door immigranten uit Obesië.

- Slankoverlast: Grootste bron van ongenoegen in Obesïë.


- Slapmuts: Uitgelubberd vagijn.

- Slaproos: Snijbloem die al na een dag in de vaas de kop laat hangen.

- Slapschaduw: Heeft Lucky Luke last van als hij opgewonden is.

- Slapzoen: Beleefd kusje.

- Slapzwans: Vent van niks die ook nog geen erectie kan krijgen.


- Slaveloosheid: Kennelijke staat waarin men alles zelf moet doen.

- Sleepzak: Als gevolg van sleepziekte sterk uitgerekt scrotum.

- Slethoscoop: Instrument om dellen mee te bekijken.

- Sletje rijden: Gangbangen. Zie ook Doosploegen*

- Sletsjer: Reusachtige massa ijssnollen.


- Sleurkut: De vrouw waarmee men altijd op vakantie gaat.

- Slingerie: Rondzwervend damesondergoed.

- Slingerklant: Cafébezoeker die bezopen de deur uit gaat.

- Slipbewoner: Iemand die nooit uit de broek gaat.

- Slipbloemigen: Plantenfamilie met bloemen als dames­onderbroeken.


- Slipjanus: Iemand die damesondergoed van de waslijnen steelt. Zie ook Onderbroekenlul*

- Sliplezen: Toekomst voorspellen m.b.v. ondergoed.

- Sliposuctie: Wanneer de arts een vitaal orgaan raakt tijdens een overvetbehandeling.

- Slipperdag: Vrije dag waarvan de de partner niets mag weten.

- Sliprover: Iemand die vrouwen ongemerkt van hun broekje ontdoet.


- Sliptang: Instrument om hele vieze onderbroeken mee uit de wasmand te halen.

- Slipverkeer: Veroorzaker van remsporen in onder­broeken.

- Slipverkouden: Aanstekelijk nat kruis.

- Slobbertrut: Zeikwijf dat ook nog eens slurpt bij het pijpen.

- Slobbervos: Iemand die onsmakelijke geluiden maakt bij het drinken.


- Slofeend: Lusteloze watervogel.

- Slofvenië:  Land van luie pantoffel­helden.

- Slofzuiger: Huishoudelijk apparaat dat traag is geworden doordat hij een pantoffel heeft opgezogen.

- Slokdoof: Storing van het gehoor door overmatig slikken.

- Slokophouder: Iemand die aan het afkicken is van alcoholverslaving.


- Sloopcoupé: Voor hooligans gereserveerd treincomparti­ment.

- Sloopdronken: Kennelijke staat van vandalen.

- Sloopjanus: Vandaal.

- Sloopmutsje: Meisje waarnaast je de volgende ochtend geradbraakt wakker wordt.

- Sloopstand: Energiezuinige stand van je computer waarin hij al je bestanden vernietigt.


- Sloopwandelaar: Relaxte vandaal.

- Sluierbroekje: Kanten slipje.

- Sluikerspin: Gesmokkelde kermislekkernij.


- Sluikrede: Gesponsorde officiële toespraak.

- Sluikspier: Verborgen spier die voor onverwachte spasmen zorgt.

- Sluipaard: Hoefdier op kousevoeten.


Sm

- Smachthuis: Tehuis voor ongewenste vrijgezellen.

- Smachtlap: Haags levenslied.

- Smakpapillen: Delen van de tong die eetgeluiden veroorzaken.

- Smakreel: Zeevis die onsmakelijke geluiden maakt tijdens het eten.

- Smakversterker: Middeltje om zoenen echter te laten klinken.


- Smeekijzer: Wapen om dringende verzoeken kracht bij te zetten.

- Smeerboek: Plaatjesboek waarvan de bladzijden aan elkaar geplakt zitten.

- Smeerpaal: Rukdalf.

- Smeerprijs: Omkoopbedrag.

- Smeerval: Soepel lopende zoetwatervis die er gauw vandoor gaat.


- Smoestuin: Volkstuintje waar opa heengaat om van het gezeur van oma af te zijn.

- Smoezelwijn: Witte wijn met grauwsluier.

- Smokelen: Blowend de grens overschrijden.

- Smoordenaar: Wurger.

- Smoringsdienst: Bedrijf dat kan worden ingeschakeld om iemand definitief te laten inslapen.


Sn

- Snaai-instrument: Dievengereedschap.

- Snaaicursus: Opleiding kruimeldiefstal.

- Snaaimachine: Apparaat om vrouwen mee van hun eer te beroven.

- Snakbar: Café voor alleenstaanden, waar je alleen maar naar een biertje mag kijken.

- Snakworst: Vleesproduct dat er hevig naar verlangt om in de mond te worden genomen.


- Snarcist: Iemand die niets van zichzelf begrijpt.

- Snavelstaarderij: Geliefde bezigheid van rare vogels als Schele kwikstaart en Scheelgors.

- Snaveltruitje: Bivakmuts.

- Sneedoorn: Wilde pruimensoort (Prunus spinovulvi­formis).

- Sneeftabak: Dodelijke rookwaar.


- Sneefweek: Hollandse herdenking van de slag bij Warns in 1345.

- Sneepruim: Vrucht van de sneedoorn*

- Sneeuwkliekje: Restantje winterneerslag.

- Sneeuwklikje: Voorjaarsbloem die andere bloemen verraadt.

- Sneeuwwipje: Sprookje over meisje dat zeven dwergen afwerkte. Zie ook Sneuwwitje*


- Sneuboon: Verlepte peulvrucht.

- Sneubrander: Apparaat waarmee niet meer dan zilver­papier kan worden doorgebrand.

- Sneuheidsbegrenzer: Sociaal vangnet.

- Sneumatisch: Jammerlijk.

- Sneuveulen: Babypaard dat niet op zijn poten kan blijven staan.


- Sneuwwitje: Sprookje over meisje dat door zeven dwergen tegelijk werd genomen. Zie ook Sneeuwwipje*

- Snikkelcelanemie: Erfelijke bloedarmoede van het mannelijk geslachtsdeel.

- Snikkeneurig: Lusteloos en bedroefd.

- Snipperlicht: Lamp die af en toe een dagje vrij neemt.

- Snoefbaars: Gestreepte zoetwatervis die beweert snoek te zijn.

- Snoeibaars: Uitvoerder van onderwatergroenonderhoudswerk.


- Snoepmeisje: Lekker ding dat altijd met de baas op stap mag.

- Snokbaars: Trekvis die er een flinke ruk aan geeft.

- Snokkelaar: Ouwe rukker.

- Snolarium: Als 'zonnestudio' vermomd bordeel.

- Snolbinder: Band, touw of ketting waarmee bondage­spelletjes worden gespeeld.


- Snoldaat: Militaire hoerenloper.

- Snolfiets: Hoerenrijwiel* met hulpmotor.

- Snolheid: Mate van hoerigheid.

- Snolheidscontrole: Onderzoek op locatie door zeden­politie.

- Snolheidsmaniak: Iemand die zich overmatig hoerig gedraagt.


- Snolidariteit: Vakbond voor Poolse hoeren.

- Snolist: Eenzame hoerenloper.

- Snolkoker: Iemand die hoeren ophitst.

- Snolkraak: Verkrachting van prostituee.

- Snollentuin: Walhalla voor hoerenlopers.


- Snollicitant: Iemand die op uitdagende wijze naar een baan dingt.

- Snolraap: Seksueel halfgaar knolgewas.

- Snoltram: Vervoermiddel waarmee callgirls naar klanten worden gebracht.

- Snolweg: Tippelzone.

- Snorkelaars (1): Apparaat om ook onder water van eigen lucht te kunnen genieten.  (2): Verlengde uitlaat om ongewenste borrelingen in bad te voorkomen.


- Snorriemorrie: Gajes met haar op de bovenlip.

- Snotakte: Emotionerend laatste hoofddeel van toneelstuk, opera of film.

- Snotgracht: Poel van neusvocht in zakdoek na uitbundig snuiten.

- Snotkever: Snuitkever zonder zakdoek.


So

- Soa constrictor: Reptiel met enge ziekte aan geslachts­deel.

- Soaboon: Peulvrucht waarvan je een geslachtsziekte krijgt.

- Soasaus: Uitscheidingsproduct van een druiper.

- Sociëtiet: Genootschap van tettengekken.

- Sodaflikker: Ruige flamingo.


- Sodemijter: Homofiele bisschop.

- Sodomiep: Wichtje dat dol is op anale seks.

- Sodomieren: Pietlutten die mieren alleen in de kont neuken.

- Soepknop: Ongewassen eikel.

- Soepraan: Zangeres die er niet veel van bakt.


- Soeptember: Maand waarin traditioneel de soeptic tank* wordt geleegd.

- Soeptepel: Ongewassen speen.

- Soeptic tank: Vat om vloeibare kost in te laten gisten. Zie ook Soeptember*

- Soepticus: Iemand die geneigd is te twijfelen aan het aantal balletjes in vloeibare kost.

- Sofanummer: Klant van psychiater.


- Sofaporno: Huiselijk geweldig.

- Sofporno: Onbevredigende seksvoorstelling.

- Soigeur: Assistent die sporters lekker laat ruiken.

- Soigmeur: Assistent die sporters niet lekker laat ruiken.

- Sokaas: Middel om te proberen in de was verdwenen sokken terug te vangen. Zie ook Mesokke*


- Soktober: Maand om de teenslippers in de kast te gooien.

- Soldoot (1): Gesneuvelde militair.  (2): Geurverdrijver die aan gevulde bodybags wordt toegevoegd.

- Solodariteit: Egoïsme.

- Solomiet: Vrijgezellige homo.

- Solomo: Koning die wijselijk alles in zijn eentje deed.


- Solsex ®: Ouderwetse vibrator met voorwielaandrijving.

- Sombarie: Onnodig ingewikkelde optelling.

- Sompel (1): Eenvoudige optelling.  (2): Depressieve mijnwerker.

- Somputer: Rekentuig dat alleen kan optellen.

- Sopatleet: Sopfokker, Bedspetter.


- Sopfokken: Neuken tot het schuimt.

- Sopiaten: Waar het badwater vol mee zit.

- Soploopje: Voortbewegen alsof men over zeepbellen loopt.

- Soprakelen: Naspel van het sopfokken*.

- Sopsnuiven: Populair onder leeghoofden. Zie ook Sopspuiten.*.


- Sopsparen: "In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.".

- Sopspuiten: Populair onder gevorderde leeghoofden. Zie ook Sopsnuiven.*.

- Soptember: Wasmaand.

- Sopvrijen: Voorspel van het sopfokken*.

- Soutaneur: Priester die nonnetjes exploiteert.


Sp

- Spaakgebrek: Soort rijwielpech.

- Spaakkunst: Vak op de rijwielherstellersacademie.

- Spaakwaterval: Voorbijrazend wielerpeleton.

- Spaarlemoer: Sierraad van schelpproduct dat groeit naarmate men bijbetaalt.

- Spamjaard: Zuid-Europese verzender van ongewenste email.


- Spankiel: Hondenras dat graag wordt geslagen. Zie ook Spankjool*

- Spankjool: Zuid-Europeaan die plezier heeft in slaan en geslagen worden.

- Spantalon: Zeer strakke broek. Zie ook Knelwandelen*

- Spastis: Frans anijsdrankje dat ernstige krampen veroor­zaakt.

- Spatschelm: Iemand die ter hoogte van bushaltes door plassen rijdt.


- Specualist: De koekpiet.

- Specubaas: Sinterklaas.

- Specublaaspop: Sinterklaascadeautje voor eenzame mannen.

- Specularisatie: Het proces waardoor de sinterklaasviering onttrokken wordt aan kerk en geloof.

- Speedbat: Opgevoerde Engelse vleermuis.


- Speedvarken: Snelzwijn.

- Speenarend: Jonge roofvogel.

- Speenuil: Vogel die 's nachts stiekem de koeien melkt.

- Speerma: Zeer snel zaad.

- Spekwoerd: Vette mannetjeseend.


- Spelingchecker: Apparaat om lagerstelling mee te controleren.

- Speloncoloog (1): Arts gespecialiseerd in tumoren in liefdesgrotjes. Speloncoloog (2): Specialist op het gebied van kwaadaardige taalwoekeringen.

- Spermabonk: Het kenmerkende geluid van een kwakkie dat ter aarde wordt geplengd.

- Spermafrost: Chronische frigiditeit bij mannen die ijsballen veroorzaakt.

- Sperman: Osperma Bin Laden, de meest gezochte zaad­donor ter wereld.


- Spermareet: Bips na bevlekte ontvangenis.

- Spermat: Vloerbedekking van Onan.

- Sperpa: Vrouwelijk zaad.

- Spetvrees: Ziekelijks angst voor zelfbevlekking.

- Speurvarken: Ambtelijk rechercheur.


- Spiekpijn: Aandoening veroorzaakt door veelvuldig afkijken.

- Spijkerjak: Langharige Tibetaanse denimkoe.

- Spijsverering: Staatsgodsdienst in Obesië.

- Spijtzwam: Niet gemeende, slapppe excuses.

- Spinaaltje: In de vagina levend wormpje dat zaaddiertjes vangt in een web.


- Spinazi: Popeye in het Derde Rijk.

- Spineuzie: Wat in reukorgaan groeit als er enige tijd niet in is gepeuterd.

- Spinrage: Fanclubwezen van de Araneae.

- Spionager: Wilde ezel die voor een vreemde mogendheid werkt.

- Spiritusme: Geloof in contact met overledenen in beschonken toestand.


- Spitmuis: Roofdiertje dat je tuin netjes omwoelt.

- Spitroede (1): Penis die lang genoeg is om de tuin mee om te woelen. (2)  Penis geschikt om speenvarken aan te rijgen.

- Spleenkruid (Ranunculus malheuria): Plantje dat gebruikt wordt tegen lichte depressiviteit.

- Spleetzwam: Beruchte vaginale schimmel waar je schizo van kunt worden.

- Spoedboot: Gehaast vaartuig.


- Sponsnor: Gezichtsbeharing die altijd vol zit met geabsorbeerde etenswaren.

- Sponsoor (1): Oorzaak van een waterhoofd.

- Sponsoor (2): Gehooroorgaan dat het verschil tussen ch en g absorbeert.

- Spookbaan: Engelse snelweg.

- Spookpannekoek: Griezelige Nederlandse pizza.


- Sporadisco: Dansfeest dat eens in de 100 jaar plaatsvindt.

- Sportivitiet: Borst die nooit stil hangt of staat.

- Sportlachen: Oefening van de gezichtsspieren.

- Sportugal: Land waar het lichamelijk vermaak is uitgevonden.

- Sportvagina: Competitief aangelegde pruim.


- Spotlood: Schrijfgerei waarmee minachtende humor wordt geschreven.

- Spreekoor: Gehoororgaan dat niet zo snel van je kop wordt geluld.

- Spreekpost: Telefoongesprek.

- Spreeksteelmeester: Woordvoerder van dievenbende­leider.

- Spreekwoerd: Donald Duck.

- Spreukverbod: Verordening tegen Loesje figuren.

- Spreukwaterval: Iemand die alleen in gemeenplaatsen spreekt.


- Springhaan: Nakomeling van konijn dat niet genoeg soortgenoten kon vinden.

- Sprinterbom: Mooie hardloopster.

- Sprintergroepering: Verzameling hardlopers.

- Sprinthaan: Renvogel.

- Sprookjebroek: Kledingstuk waarmee wonderlijke dingen gebeuren.


- Spuigeiten: Holhoornige hoefdieren die alleen uitlopen als het te erg wordt.

- Spuitkool: Soort groente waarvan je hevig aan de schijterij raakt.

- Spuitlust: Drijfveer van brandweerlieden.

- Spuitprent: Pornoplaatje.

- Spuitvogel: Vliegende brandweerman.


- Spuitziek: Beroepskwaal van brandweerlieden.

- Spurtpagina: Deel van de krant om snel doorheen te bladeren.


St

- Staargeld: Tarief voor peepshow.

- Staartkloek: Grootvader's kip.

- Staartplaats: Achterwerk.

- Staartsambt: Openbare functie met onaangename gevolgen.

- Staatsblosbeheer: Instantie die ervoor moet zorgen dat de overheid een gezonde indruk maakt.


- Staatskuishoudkunde: Wetenschap die zich bezighoudt met de seksuele verloedering van de maatschappij. Zie ook Vuiligheidspolitie*

- Staatsrukkerij: Centrale spermabank van de Nederlandse Kwakkies Autoriteit.

- Stakutsel: Hekwerk tussen de dijen als voorbehoeds­middel.

- Stalcaravan: Boerenvakantievoertuig.

- Stalkknecht: Iemand die helpt bij het hinderlijk volgen.


- Stalknicht: Homo op jacht.

- Stalkshow: Televisieprogramma waarin vrijwilligers tegen hun wil worden gevolgd.

- Stampamper: Pleger van zinloos geweld.

- Stampot: De aartsmoeder aller lesbo's.

- Standenborstel: Gereedschap om iemands kennis van de Kama Sutra mee op te poetsen.


- Standengeknars: Wat 's nachts uit een bejaardenhuis opstijgt.

- Stapborst: Conservatieve boezem.

- Stapdance: Ritmische beweging waarbij ook de voeten meedoen.

- Stapperij: Uitgaansgelegenheid.

- Statisziek: Manier om door middel van cijfers een verkeerd inzicht in verschijnselen te krijgen.


- Statoet: Verkeerswet die bepaalt dat automobilisten moeten claxonneren als ze langer dan 10 seconden niet kunnen doorrijden.

- Steedsverkeer: Voortdurende bron van lawaai.

- Steekmus: Irritant zoemend vogeltje dat jeukende bulten veroorzaakt.

- Stekelaars: Egel.

- Stelefoongesprek: Gesprek waarvoor ze je eerst tien minuten keuzetoetsen laten indrukken.


- Stelinisme: Diefachtig politiek bestel.

- Stelepathie: Iemand met jouw idee ervandoor zien gaan zonder dat je er ooit met iemand over gesproken hebt.

- Stelthoscoop: Instrument om de hartslag van giraffen mee te beluisteren.

- Stervië: Balkanland met groot geboortetekort.

- Stikvraag: Iets waarop je desgevraagd nooit antwoord krijgt.

- Stilesso: Knipmes voor beginners.


- Stinctuur: Kwalijk riekend elixer.

- Stipverkouden: Ziekte onder lieveheersbeestjes waardoor ze een heleboel snottebellen krijgen.

- Stoefzuiger: Iemand die opschept over zijn of haar fellationele vermogens.

- Stoefpoes: Vlaams katje dat beweert leeuw te zijn.

- Stoepgroente: Onkruid tussen tegels.

- Stoeplepel: Gereedschap om stoepzootje* mee op te scheppen.


- Stoepzootje: Drek van stads- of dorpshond.

- Stoertegel: Robuuste badkamerbekleding.

- Stoffee: Snoepje dat diep in een zak wordt terugge­vonden.

- Stofzeugen: Vrouwelijke varkens die niet van modder houden.

- Stom Poes: Jonge vriend van Ollie B. Boemel*


- Stomaat: Glanzend oranjerode vrucht met vernietigende werking op het darmstelsel.

- Stomachtig: Dom lijkend.

- Stomarij: Bedrijf voor het uitragen van kunstmatige anussen.

- Stomatensoep: Effluent van kunstkont.

- Stomatietis: Ontsteking van het mondslijmvlies veroor­zaakt door mondeling contact met borsten.


- Stomppot: Lesbische bokser.

- Stondwerker: Marktkoopman na bedrijfsongeval.

- Stooflid: Penis die alleen is klaar te maken door geruime tijd zachtjes  laten pruttelen.

- Stookmug: Insect dat 's nachts onenigheid tussen bedgenoten veroorzaakt.

- Stookvis: Gedroogde kabeljauw, gebruikt om de kachel mee aan te maken.


- Stoomgast: Saunabezoeker.

- Stoomram: Kolengestookt schaap.

- Stoottram:Voertuig met een stel flinke koplampen.

- Stoomtrap: Vroeg model roltrap uit de tijd dat binnen roken nog mocht.

- Stoothaspel (1): Toestel om lekkere wijven op te winden.  (2): Knap maar onhandig meisje.


- Stootkundige: Specialist in lekkere wijven.

- Stopnicht: Homofiele verkeersregelaar.

- Stoppelharing: Zeevis die nogal grof in de mond is.

- Stoppelpaard: Ongeschoren hoefdier.

- Stoteren: Hakkelend neukelen.


- Stout-bij-nacht: Hoge marinier die overdag de schijn weet op te houden.

- Straalveger: Iemand die satellietverbindingen reinigt.

- Straflid: roede.

- Strafpleister: Doekje voor het bloeden.

- Strafpleite: Wat een ontsnapte gevangene is.

- Strakinrichting: Dolhuis waar de patiënten in dwangbuis worden opgestapeld.


- Stramconducteur: Bejaarde kaartjesknipper.

- Strammelaar: Bejaard mannetjeskonijn.

- Strampoline: Weinig veerkrachtig springtoestel.

- Strandjatter: Boef die badgasten berooft.

- Strandsmoel: Door zon en zand getaande kop.

- Stratenbijbel: Gristelijk navigatiesysteem.


- Streekoefeningen: Fitnessen naar lokaal gebruik.

- Streepjescodex: Wetboek geschreven in een heel vreemd handschrift.

- Streptokoek: Gebak waarvan je keelpijn krijgt.

- Strijkstuk: Mooie vrouw waaraan nog wel eens wat blijft hangen.

- Strikijzer: Apparaat om schoenveters mee te knopen.


- Strikvlaag: Rukwind die tot gevolg heeft dat je tuigage op onverklaarbare wijze in de knoop gaat zitten.

- Stringconcours: Wedstrijd waarbij het er om gaat welk onderbroekje als laatste knapt.

- Stripbroek  (1): Kledingstuk dat op komische wijze publieke­lijk wordt uitgetrokken.  (2): Ondergoed waar een verhaal aan vast zit, bedoeld om te sliplezen*.

- Striploge: Plaats in de schouwburg waar de Koninklijke Familie uit de broek kan gaan.

- Striptiek: Erotische dans voor trio.


- Stroefpleiter: Niet zo goed gebekte advocaat.

- Stroomwafel: Goudse koek met ingebouwde elektrische verwarming.

- Stropfiguur: Pechvogel.

- Stroposfeer: Deel van dampkring waar nauwelijks doorheen valt te vliegen.

- Stroppenhoofd: Deel van het lichaam waarin tegenvallers worden opgeslagen.


- Stroppenkast: Kluis waarin financiële tegenvallers worden bewaard.

- Stroptent: Hoerenkast gespecialiseerd in wurgseks.

- Strotskisme: Politieke richting waarvan de aanhangers elkaar voortdurend naar de keel vlogen.

- Struifrover: Iemand die leeft van het leegzuigen van eieren.

- Struifvogel: Grote loopvogel die zijn eigen eieren kapot trapt.


- Struikbout: Wat iemand achterlaat die in de bosjes heeft zitten kakken.

- Struikvogel: Potige holbewoner die met zijn kop uit de bosjes steekt. Algemeen in stadsparken.

- Struikvraag: Wat is dat voor smerigs in de bosjes?

- Struisgewas: Struweel waar bepaalde vogels hun kop in steken.

- Studentenhaven: Café.


- Studentenkoter: Kind van uitwonende Vlaamse student.

- Studentenveest: Brallerige darmgasontsnapping met de geur van noten en rozijnen.

- Studiebroek: Pantalon voor beginners.

- Stuifmixer: Vibrator voor droogklutten.

- Stuifmuil: Iemand die altijd droge opmerkingen maakt.


- Stuifpot: Het lebisch equivalent van een droogkloot. Zie ook Droogklut*.

- Stuiftrekking: Samentrekking van spieren die stof doet opwaaien.

- Stuimelaar: Iemand met een stuimige persoonlijkheid.

- Stuiterij: Kangoeroefokkerij.

- Stuitspier: Spier in de hurken die gebruikt wordt om op en neer te veren.


- Stuitzwam: Paddenstoel die door het bos huppelt.

- Stuttebel: Saaie meid, die eigenlijk alleen geschikt is om het bed mee te verstevigen.

- Stuurbaard: Haargroei aan de rechterkant van het gelaat.


Su

- Sub-woefer: Onderhond*.

- Sudderaal: Gestoofde paling.

- Suïcider: Alcoholhoudende vruchtendrank om je mee dood te drinken.


- Suikerveest: Weldadige scheet na een maand abstinentie.

- Sukker: Vrouwelijke bewoner van Twente.

- Surplasser: Penis die pas op de plaats maakt alvorens de sprint in te zetten.


Sy

- Syfiluis: Zuigende parasiet die bepaalde geslachtsziekte overbrengt.

- Symfobie: Irreële, ziekelijke angst voor bepaalde klassieke muziek.

- Syndikaal: Vereniging voor andersgehaarden.


- Syndroom van Drown: Aangeboren onderwatervrees.

- Synoniet: Een op een synoniem gelijkend woord dat daar in maar één letter van verschilt.

- Systomatisch: Stelselmatige afvoer van ontlasting via een in de buik gemaakte opening.



Home  A B C D E F G H I J  K L M N O P Q R   S   T U V W X Y Z

web analytics






Schalmeid.  (statische versie)
Tiziano Vecellio, ca 1512 "Le tre età dell'uomo" (fragment). National Gallery of Scotland


De Slipjanus van Jeroen Bosch uit c.a. 1501.
Nu in Museum Boymans van Beukingen in Rommeldam


Specublaaspop