N


Na

- Naadhoos: Verwoestende broekhoest. Zie ook Aarsbeving*

- Naaigeestig: Geil.

- Naaimank: Afkeuringsgrond voor prostituees.

- Naaimondje: Pijpebekkie.

- Naaktkoper: Bezoeker van stripshow.


- Naaktslag: Orgie.

- Naaktslopen: Gewelddadige blootsteling*

- Naaktzwammen (1): Paddestoelen van de groep der Nudumycetes, waartoe o.a.behoren de Glibber-, Tril-, Fop-, Kluifjes- en Stinkzwammen, de Kaal-, Slijm- en Vezelknopjes, de Champiknons, Holamanieten, Krulzomen en Knuffels, alsmede de Vierlippige aarsster* en de Hoorn van overvloed.

- Naaktzwammen (2): Naturistisch uit de nek kletsen.

- Naaldvak: Naaien voor dames.


- Naamgeestig: Woordspelig met persoonsnamen.

- Naamgenot: Wat je voelt als je het met een naamgenoot doet.

- Naburiste: Zij van hiernaast die altijd in haar blote in de tuin ligt.

- Nachtblond: Stuntelig in bed.

- Nachtbloot: Onvermogen om in het donker naakt te zien.


- Nachtbreker: Gevangene die alleen 's nachts braakt.

- Nachtegeil: Zwoel zingende vogel.

- Nachtherrie: Angstaanjagende geluiden uit de slaap­kamer.

- Nachtkwaker: Kikker.

- Nachtlust: Onbedwingbare trek in iets waardoor je geen oog meer dicht doet.


- Nachtvinder: Met infrarood-installatie uitgeruste padvinder. Syn. Scout bij nacht*.

- Naduurgeneeswijze: Persoon die rijk wordt door aan zieken te vertellen dat hun kwaal vanzelf geneest.

- Nagelschaaf: Gereedschap van pedicure.

- Napalmboom: Brandgevaarlijke en zeer agressieve tropische boom van het geslacht Elaeis.

- Narbeider: Zot die alleen werkt om anderen te vermaken.


- Narconist: Verbindingsman van grote drugsbende.

- Narcoticut: Bedwelmende snede. Kan verslavend zijn.

- Nasyngroniseren: Het verstaanbaar maken van noorderlingen.

- Natbespreking: Nadere kennismaking met vergader­partner.

- Natclub: Besloten sauna.


- Natdenken: Vrouwenfantasie.

- Natkomertje: Meisje dat het niet droog kan houden.

- Natlatenschap: Wat een man na de daad bij een vrouw achterlaat.

- Natmerrie: Veroorzaakster van natte dromen.

- Natoeristenstrand: Door de VVV ingestelde trekpleister.


- Natpraten (1): Spreken met consumptie.

- Natpraten (2): Telefoonseks bedrijven.

- Natrukken: Knoeien bij het sjorren.

- Natslagwerk: Vrouwenliteratuur.

- Natstaren: Net zo lang naar een vrouw kijken tot ze van haar stoeltje glibbert.


- Nattafelen: Dineren onder de douche. Ontbijten in bad.

- Natte droog: Nachtmerrie van een droogkloot.

- Nattegaal: Zoetgevoosd badeendje.

- Natvorsen: De bereidwilligheid van een vrouw onder­zoeken. Vaak te zien bij apen.

- Natzwijm: Gevolg van ernstige watervrees.


- Nauiver: Jaloerse ooievaar.

- Nauwstuitend: Onfatsoenlijk strakke kleding.

- Navelbijter: Wanhopige navelstaarder.

- Navelborstel: Gereedschap om hardnekkige staar mee te verwijderen.

- Navelpak: Kostuum dat de buik vrijlaat.


- Naveltang (1): Gereedschap voor het ontwarren van knopen.

- Naveltang (2): Gereedschap om grote stukken staar te verwijderen. Zie ook Navelborstel*

- Naveltrutje: Jong meisje met veel te kort truitje. Zie ook Tobje*

- Navigatiet: Borst die altijd naar het noorden wijst.

- Navultruitje: Truitje dat, bij achterblijven van de boezemgroei, kan worden opgevuld met washandjes of stukjes kipfilet.


- Nazaad: Kind dat is verwekt door lui sperma.

- Nazibal: Dansfeest voor rechts-extremisten.


Ne

- Neandertaler: Taalgebruiker die niet verder komt dan het bezigen van zeer primitieve taaluitingen.

- Necrobiel: Lijkwagen.

- Necrologies: Tijdelijk onderdak voor lijken.

- Nederhelft: Partner die er alleen voor de seks is.

- Neegligé: Spannend Frans damesgewaadje zonder gligé.


- Neemesis: Godin van de afhaalchinezen.

- Neerlandikus: Grammaticaal correcte zoen.

- Negatiet: Ingevallen borst.

- Negerecht: Zwarte Piet die niet afgeeft.

- Negerenswaardig: Internettroll.


- Negerhurken: Het neusje van de zalm voor kannibalen.

- Negeria: Afrikaans land van zwarthuiden dat men beter links kan laten liggen.

- Negering: Overheid die doet alsof de burgers niet bestaan.

- Negerknallen: Oude Amerikaanse volkssport.

- Negerlands: Surinaams Nederlands.


- Negrofiel (1): Iemand die graag op zwart zaad zit. Zie ook Kut-Klux-Klan*

- Negrofiel ( 2): Iemand die dol is op dooie negers.

- Negropolis: Afrikaanse begraafplaats.

- Nekkletsel: Uitgekraamde onzin.

- Nemesias: Godin van de Verlossing.

- Nemeslis: Godin van het spraakgebrek.


- Nemesms: Godin van de tekstberichten.

- NemeSOS: Godin van de hoop.

- Neomesis: Godin van de vernieuwing.

- Neopeen: Synthetische wortel.

- Nepfoundlander: Soort bastaardhond.


- Nepidemie: Verzonnen volksziekte.

- Nepilepsie (1): Ziekte waarbij men op de grond valt om aandacht te trekken. (2): Voetbalvaardigheid om een strafschop uit te lokken.

- Nepiloog: Nabeschouwing met onverwachte plotwending.

- Nepmesis: Beschermheilige van de vervalsers.

- Nepologisme: Oud woord dat in nl.taal vaak wordt gesignaleerd als nieuw.


- Nepos (1): Verhalend gedicht over ontmande held. (2): Trasvestier*.

- Nestkalf: Jong rund dat nog niet is uitgevlogen.

- Nestwerken: Onder de dekens kruipen om je relaties te onderhouden.

- Net Wijf: Beschaafde dameszender.

- Netbetasting: Schokkende handeling.

- Neucotine: Verslavende stof die wordt opgewekt door de aanwezigheid van het andere geslacht.


- Neuctar: Liefdesvocht.

- Neuctarine: Geslachtsdeel van de pruimenfamilie met gladde, onbehaarde huid.

- Neukdruppels: Geneesmiddel voor als je slipverkouden* bent.

- Neukenootje: Kreetje van genot.

- Neukenwekker (1): Apparaat om man na de daad wakker te maken.  (2): Pikklok* in bordeel om aan te geven wanneer de tijd om is.


- Neukgat: Lichaamsopening.

- Neukhoorn: Plomp hoefdier met trompetvormig geslachtsdeel. (Zie afbeelding)

- Neukkramp: Seksueel uitputtingsverschijnsel.

- Neukoloog: Specialist op het gebied van vleselijke gemeenschap.

- Neukopathie: Aangeboren impotentie.


- Neukoplast: Middel om een leuterpreut* de mond mee te snoeren zodat er in alle rust gecopuleerd kan worden.

- Neukorgaan: Geslachtsdeel.

- Neukpoliep: Gesteeld aangroeisel tussen de benen van een man.

- Neuktraliteit: Niet uitmakend met wie men het doet.

- Neukverkouden: Alternatief voor hoofdpijn bij echtgenotes.


- Neukvleugel: Deel van een gebouw waar gewipt kan worden.

- Neukvleugels: Negatief onderscheidend kenmerk van trekvogels.

- Neuroos: Wegens kenmerkende zenuwaandoening geliefde tuinplant.

- Neusbui: Zo'n zeldzaam moment dat een man wel eens wat anders achterna wil lopen.

- Neustor: Eerbiedwaardige snuitkever.


- Neutaal: Paling die er wel eentje lust.

- Neutenboom: Volksnaam voor Jeneverbes (Juniperus communis).

- Neutionalist: Drinkt alleen jenever, onder het motto "Eigen stooksel eerst".

- Neutmachine: Kettingzuiper.

- Neutroglycerine: Borrel die heel hard aankomt.


- Neutsurfen: Op één avond alle drankjes proberen.

- Neuturist: Iemand die principieel alleen pure alcohol drinkt.


Ni

- Nichtegaal: Extra bruine lijster.

- Nichtekooi: Broodpoot.

- Nichtine: Homohormoon.

- Nichtinepleister: Hulpmiddel om van je homofilie af te komen.

- Nichtknijpen: Gemeen spelletje om leuke geluidjes op te wekken.


- Nichtslaan: Potenrammen.

- Nichtzinnig: Losbandige homofilie.

- Nieshoorn: Neus.

- Niesoor: Luidruchtige aandoening van het gehoororgaan waar je niet op moet letten.

- Nieuwsgorigheid: Belust op ranzige feitjes.


- Nieuwskezer: Publiciteitsgeile journalist.

- Nijldas: Humeurig Afrikaans zoogdier.


No

- Nodulatie: Knoopkunst.

- Nogmails: Resend.

- Noktober: Maand om er mee te kappen.

- Non-figuratiet: Zo'n moderne borst die nergens op lijkt.

- Non-pruliferatie: Het tegengaan van uitbreiding van het aantal landen dat goedkope rotzooi produceert.


- Nonokini: Badpak zonder boven- en onderstukje.

- Nonorarium: Onbetaald ereloon.

- Nonsequent: Altijd overal nee op zeggen.

- Noodmuskaat: Specerij voor als je niets anders hebt.

- Noodruft: Armelijke windje dat desondanks zeer oplucht.


- Noodzijk: Wildplas.

- Noordernicht: Oriëntatiepunt in darkroom.

- Nordic zwalking: Après-skisport voor 50-plussers.

- Norgasme: Klaarkomst achter de tralies.

- Normstekig: Geleidelijke aantasting van de vrijheid.


- Not dog: Kosher Chinees worstje.

- Notafel: Aanzienlijk meubelstuk.

- Nozemarijn: Ouderwetse Anita met vetkuif.


Nu

- Nudistelkamp: Opvoedingsgesticht voor te prikkelbare naaktlopers.

- Nudistenkramp: Pijnlijk ongemak veroorzaakt door langdurige erectieonderdrukking.

- Nudistenstandje: Berisping als je je broek aanhoudt op het naaktstrand.

- Null House: Combinatie van twee en drie keer niks.

- Nulmerindiaan: Greenwich Mean Time Man.

- Numesis: Godin van het heden.


Ny

- Nymfoman: Reteraan* die van geen ophouden weet.



Home  A B C D E F G H I J  K L M   N   O P Q R S T U V W X Y Z

web analytics





De Neukhoorns (Rhinöcerus) van Albrecht Durer uit 1515.