K


Ka

- Kaaimand: Slaapplaats voor huiskrokodillen.

- Kaakschaaf: Grof scheermes.

- Kaakslang: Reptiel met grote kinnebak.

- Kaakvors: Tandheelkundige.

- Kaaldemper (1): Middeltje om haaruitval te vertragen.  (2): Smeerseltje om de schedel minder te laten glimmen.


- Kaalslak: Andersgehaard* weekdier.

- Kaapwoning: Kraakpand.

- Kaarsjesknipper: Functionaris in groot bedevaartsoord.

- Kaartspeld: Scherp voorwerp om plattegronden mee door te steken.

- Kaashoer: Frau Antje. (Zie afbeelding)


- Kaasschaap: Grondstof voor plakjes kaas.

- Kabaaljauw: Luidruchtig soort zeevis.

- Kaboem: Hoofdstad van Afghanistan.

- Kaboutor: Keversoort met puntmutsje en baard.

- Kackboksen: Deftige vechtsport.


- Kakafonie: Wat de juffrouw van de reetirade* de hele dag moet aanhoren.

- Kakapult: Elastisch handwapen voor het schieten van kakballletjes*. Zie ook Schijtwerper*

- Kakastrofe: Rampzalig in de broek gepoept. Broekbraak.

- Kakballetje: Keutel.

- Kakbonade: Arrogante kotelet.


- Kakboord: Kant van schip waar de matrozen uit de broek gaan.

- Kakbouter: Schijtertje.

- Kakboutertje: Aarsmannetje.

- Kakdetje: Broodje poep.

- Kakelaansluiting: De mogelijkheid om mee te praten op Leuternet.


- Kakelaar: Vertegenwoordiger van kippenhokkenfabriek.

- Kakelexploitant: Kippenboer.

- Kakelpers: De 'Bladen' en 'Boekskes'.

- Kakeltoe: Veelkleurige stomme kip.

- Kakelwagen: Voertuig waarmee dode kippen van de weg worden gehaald.


- Kakettereren: Pronken met de eigen uitwerpselen.

- Kakfiets: Kindertweewieler.

- Kakfractuur: Te vroeg afgebroken drol.

- Kakholteontsteking: Aambei.

- Kakidioot: Liefhebber van poepseks.


- Kakjargon: Scatolingo.

- Kakkefietje: Toiletexcursie.

- Kakkelbont: Veelbruinig.

- Kakkerij: WC, reetirade*.

- Kakkerleuk: Vermakelijk huisdier.


- Kakkervisje: Jonge hockeyspeelster.

- Kakkibaal: Autoscatofaag.

- Kakliteratuur: Verplicht leesvoer voor scatofielen.

- Kakmeeuw: Vogel die de boel onderschijt.

- Kakmes: Gereedschap dat in de WC aanwezig moet zijn voor moeilijke gevallen.


- Kakmoes: Dunne ontlasting, ingrediënt van Beerburg, een frisse kruizenbitter*.

- Kakmoespapier: Product van Poepla in rood en blauw.

- Kakpan: Po.

- Kaksalon: Deftig schijthuis.

- Kaksoi: Onsmakelijk ogend Chinees koolgerecht.


- Kakvors: Amfibie dat op mesthopen en in gierputten leeft.

- Kakworst: Stoelgangbevorderend stuk gebraden gehakt.

- Kakzalver: Scatoleugicus.

- Kakzeil: Wat de bruine vloot niet meer kan halen.

- Kalfshoester: Iemand die om gezondheidsredenen alleen nog maar oude koeien uit de sloot haalt.


- Kalkmaar: Noord-Hollandse stad waar het bekladden van muren en schuttingen wordt gestimuleerd.

- Kalkure: Beschermgodin van de muurbekladders.

- Kalmere: Sanatorium voor zenuwlijers in Flevoland.

- Kama Scutra: Gebruiksaanwijzing voor tweewielig motorvoertuig.

- Kambtenaar: Medewerker van het Ministerie van Nette Kapsels.


- Kameelstokje: Geurig plantaardig product dat minstens een jaar in de kont van een bepaald lastdier heeft gezeten.

- Kamer van kookhandel: Restaurant.

- Kameraatschap: Vriendschap in de bijenkorf.

- Kamerameisje: Duitse filmactrice.

- Kamikazen: Hollands zelfmoordcommando.


- Kamkommer: Voornamelijk mannelijke ouderdoms­kwaal.

- Kampervoelie: Slingerplant die zijn graairanken uitsteekt als je voorbij komt.

- Kanariegel: Haarverzorgingsmiddel voor kooivogeltjes.

- Kandibaal: Iemand die graag eens mensenvlees zou willen eten.

- Kaneurie: Binnensmonds zingend vogeltje. Zie ook Fluistervink*.


- Kankeraars: Zeer irritante vorm van winderigheid. Nog erger dan een mopperkont.

- Kannibaas: Menseneter die altijd het lekkerste stukje krijgt.

- Kanoeuvre: Beweging tijdens het wildwatervaren.

- Kanon: Langwerpige gevulde koek die altijd in het verkeerde keelgat schiet.

- Kanongerecht: Jachtschotel.


- Kanonnik: Geestelijke die de vrouwtjes in de gaten houdt.

- Kantelaars: Draaikont.

- Kantipasto: Italiaans zijgerecht.

- Kapetje: Condoom met zonneklep.

- Kapstuk: Fraai gevormde coiffeur of coiffeuse waar je heerlijk aan kunt hangen.


- Karakoke: Net doen alsof je het eten in je eentje klaarmaakt.

- Karameel: Lastdier dat heel zoetjes in colonne loopt.

- Karbomade (1): Gerecycled vleesproduct.

- Karbomade (2): Vliegenlarf die leeft op varkensvlees.

- Karbonaatje: Een slecht stukkie vlees.


- Karbonkade: Puisterig stuk vlees.

- Karbonker: Puistenkop in auto met teluidsinstallatie*.

- Kardibaal: Hoge geestelijke die net geen paus werd.

- Kariboer: Laplander.

- Karikutuur: Prent van bespottelijk geslachtsdeel.


- Karma Sutra: Catalogus van nog beschikbare reïncarnaties. Zie ook Herborium*

- Karmaceutica: Smeerseltjes om zo mooi mogelijk in het hiernamaals te komen.

- Karnaal: Paling gebruikt bij de boterproductie.

- Karricade: Wegversperring van houten wagens.

- Kartelmees: Zangvogeltje met vervaarlijk stel tanden.


- Kartelmus: Vogel die onwettige afspraken maakt met andere soorten over het tijdstip waarop ze gaan zingen.

- Kastanjer: Bloem waar Prins Bernhard niet zo dol op was.

- Kastenavond: Jaarlijks feest waarop homofielen uit nostalgische overwegingen terugkruipen.

- Kastratie: Bankroof.

- Kastronaut: Vriendje in kleerkast.


- Kasturië: Het Westland van het zuiden.

- Kaswoensdag: Dag waarop de carnavalsinkomsten worden geteld.

- Katapulk: Elastische neuskeutel.

- Katelaan: Liefhebber van Spaanse poesjes.

- Kateraar: Bedrijf dat zwerfkatten van voer voorziet.


- Katerballet: Luidruchtig nachtelijk festijn.

- Katerdag: De dag na een avondje stappen.

- Katermeisje: Poesje.

- Katerontharder: Aspirientje.

- Katerorgel: Met de voeten te bedienen blaasinstrument.


- Katerrecreatie: Achter de poesjes aanzitten.

- Katersnood: Tekort aan poesjes.

- Kathedrol: Bisschoppelijke bout.

- Katje: Geen poesje om zonder handschoenen aan te pakken.

- Katklossen: Traditioneel Brussels volksvermaak.


- Katlantis: Legendarisch verzopen deel van het dierenrijk.

- Katlas: Boek met afbeeldingen van poesjes.

- Katomen: Dat waar poezen van gemaakt zijn.

- Katrine: Bloembed in de tuin van de buren waar je katten hun gevoeg doen.

- Kattentaart: Gebak met de smaak van roompoezen en tomsoezen.


- Katwats: Zweep die tijdens een katerballet* wordt gebruikt.

- Kazernij: Bedrijf waar dolvette kaas* wordt gemaakt.


Ke

- Keelzaad: Veroorzaker van een hinderlijk kuchje.

- Keeshand: Hond waarmee gewoonlijk wordt gemasturbeerd.

- Keeskop: Hollander met maar één ding in zijn hoofd.

- Kefstok: Waar ondeugende hondjes 's nachts op gaan.

- Keramiep: Poteuze.


- Kerfexplosie: Uiting van flatulentie. Zie ook Kontploffing*.

- Kerkcentrale: Omstreden recyclinginstallatie om energie op te wekken uit leegstaande godshuizen.

- Kerketrekker: Extremistische beeldenstormer.

- Kerksplijtstof: Oorzaak van vele kerkgenootschappen.

- Kerkwapen: Het woord Gods.


- Kermenergie: Geweeklaag veroorzakende kracht.

- Kermits: Volksfeest dat alleen doorgaat als er genoeg mensen komen.

- Kermmis: Katholieke kerkdienst voor overledenen.

- Kermofiel: Iemand die kickt op het lijden van anderen. Zie ook verrekkijker*

- Kersosine: Soort rode brandewijn.


- Kerstbom: Springtuig met ballen.

- Kerstenat: Bier dat op 25 en 26 december wordt gedronken.

- Kerstenlikeur: Beproefd middel om mensen tot het christendom te bekeren.

- Kerstmiss: Het mooiste meisje van Santa.

- Kerstmist: Jaarlijks terugkerend meteorologisch verschijnsel waardoor je de ballen niet meer ziet hangen.

- Kerstveest: Naar dennengroen geurende ruft.


- Ketenschap: Ambt.

- Ketshuis: Bordeel.

- Ketsjap: Uitbundig copulerende Aziaat.

- Ketsnat: Waterige substantie die bij opgewonden standjes wordt geproduceerd.

- Ketsovertreding: Schending van de seksueelverkeersregels.

- Ketsvoorstel: Offerte van prostituee.

- Ketswinkel: Verkooppunt met sekspeeltjes.


- Kettingzeug: Gevaarlijk waakvarken.

- Keukenkwekker: Kok die meer kletst dan kookt.

- Keukensof: Mislukte bloemballententoonstelling.

- Keurswijf: Knellende echtgenote.

- Keutelboer: Drollenvanger.


- Keuvelaars: Gezellige vorm van flatulentie. Zie ook Kankeraars*.

- Keybord: Schotel waarop sleutels worden bewaard.

- Kezem: Lang, stijf en gedeeltelijk behaard apparaat om een vrouw een veeg mee te geven.

- Kezersbedrog: Het faken van een orgasme.


Ki

- Kickbotsen: Voor de lol spookrijden.

- Kickvorsman: Wetenschapper die uitsluitend vanwege de spanning onderzoek doet.

- Kiekeboer: Pluimveehouder die zijn kippen laat schrikken om ze aan de leg te krijgen.

- Kiekenhof: Wereldberoemde toeristische attractie bij Barneveld.

- Kierenarts (1): Veterinair die in de gaten houdt wanneer een koe tochtig is.  (2): Gynaecoloog.


- Kierenbad: Bidet.

- Kierenbescherming: Legaal deel van het Kierenbevrij­dings­front*.

- Kierenbevrijdingsfront: Extremistische emancipatie­beweging onder het motto "Queen in own cunt".

- Kiereneter: Slurfdragend zuigdier dat van de lucht lijkt te leven.

- Kierenmolen: Oneigenlijk gebruikte slagroomklopper.


- Kierentuin: Openbare verzameling van levende spleten, reten en scheuren.

- Kierenveld: Akker waarop spleten worden geteeld.

- Kierenwiet: Lolgewas* waarvan je abnormale belang­stelling voor spleten krijgt.

- Kierepiet: Soort schaamluis waar je gék van wordt.

- Kiergizië: Tochtig land in Centraal-Azië.


- Kierkorps: Legeronderdeel dat zorgt voor de verkrachtingen achter de linies.

- Kierosine: Vloeistof die een vrouw in vuur en vlam zet.

- Kierpatient: Vrouw die zeer ontevreden is met haar geslachtsdeel.

- Kiersteen: Kei waar een bepaald slag wijzen continu naar op zoek is.

- Kiertransplantatie: Een absolute must voor de mode­bewuste vrouw. Zie ook Kierpatient*


- Kiertuin: Tochtig buitenverblijf.

- Kieskleurig: Racistisch.

- Kietelaars (1): Schoeisel voor voetfetisjisten. (2): Geen rust in de kont hebben.

- Kietelbinkie: Jochie dat langskomt om onder je voeten te aaien.

- Kietelsteen: Grind dat giechelt als je er met blote voeten overheen loopt.


- Kijkdoos: Stripteaseuse.

- Kijkvors: Voyeuristische amfibie.

- Kikke van Dale: Populaire versie van een bekend woorden­boek.

- Kikkerbrilletje: Optometrisch hulpstuk dat in de buurt van water telkens van de neus springt.

- Kinderbipslag: Corrigerende tik.


- Kinderhond: Is snel gevild.

- Kinderlaag: Verdekte opstelling van pedofiel van waaruit een in beweging zijnd kind kan worden bepoteld.

- Kinderlikker: Vreemde meneer die jongeren de bosjes inlokt om ze af te lebberen.

- Kinderverramming: Gewelddadige pedofilie.

- Kinkelier: Onbeschofte verkoper.


- Kippensneller: Iemand die hoenders onthooft.

- Kipvors: Kakelende kikker.


Kl

- Klaarspellen: Toppunt van genot voor een taalfanaat.

- Klaasontsteking: Beroepskwaal van goedheiliglieden.

- Kladgroente: Provisorisch plantaardig voedsel.

- Kladiator: Romeinse knoeipot.

- Kladluis: Vlekken veroorzakende parasiet.


- Kladstuk: 'Oude fiets' waarop je het mag leren.

- Kladzoen: Oefenkus.

- Klagerspeling: Onderhandelingsruimte van een klachtencommissie.

- Klanteneter: Professioneel kannibaal.

- Klapdoos: Vroeg verlepte vrouw die alles helemaal fantastisch vindt.


- Klapjeskat: Poes met licht masochistische neigingen.

- Klapperroom: Het vet van kokosmelk.

- Klapsalon: Plaats waar je je kan laten beapplaudiseren.

- Klapsloper: Iemand die de kantjes eraf beukt.

- Klapzak: Tijdens blowjob gesprongen scrotum.


- Klapzwans: Blowjobongelukje.

- Klarineut: Borrel die door een rietje moet worden gedronken.

- Klassier: Leraar.

- Klauterleidster: Berggids.

- Klazerus: Wat Sint Nicolaas is aan het eind van de avond.


- Kledderdracht: Uitrusting van kikvorslieden.

- Kleefpleiter: Vasthoudende advocaat.

- Kleermuis: Heel erge schaammuis*

- Kleftomanie: Ziekelijk neiging tot aanhaligheid.

- Kleptomaat: Lid van de nachtschadefamilie dat de balletjes uit de soep steelt.


- Klerenblind: Oogaandoening waardoor geen kleding kan worden waargenomen.

- Klerikaas: Zuivelproduct dat bij de miswijn wordt geserveerd.

- Klessebus: Touringcar vol ouwe wijven.

- Klesseopener: Inleider van praatgroepjes.

- Kletskoe (1): SM-rund.  (2): SMS-rund.


- Kletskus: Klapzoen.

- Kleunduimpje: Sprookje over onhandig timmermans­leerlingetje.

- Kleunkunst: Vechtsport.

- Kleurenblond: Kunstmatige intelligentie.

- Kliederdracht: Met verf besmeurde traditiekleding.


- Klieveheersbeestje: Geliefd soort reetkever.

- Klikdoorn: Huidaandoening die veel over de patient zegt..

- Klikkenluider: Iemand die klokkenluiders aangeeft.

- Klikvors: Amfibie dat alles overkwaakt.

- Klimdoos: Carrièrevrouw.


- Klitouwen: Land waar de vrouwen een enorme kittelaar hebben.

- Kloddervos: Man die zich als Onan gedraagt.

- Kloffieconcert: Laagdrempelig muziekfestival.

- Kloffieshop: Lingeriewinkel die zich voordoet als herenmodezaak.

- Klokodil: In water levend, gepantserd reptiel dat elk uur de tijd omroept.


- Klompenproletariaat: Volgens Marx de asocialen en defecten onder de boerenbevolking.

- Klomperd: Boerenlul.

- Kloningin: Dubbelgangster van gekroond staatshoofd.

- Kloonjuwelen: Neppertjes.

- Kloonprins: Dubbelganger van lid van het koninklijk huis.


- Kloontjesvolk: Na-apers.

- Kloosterruin: Aan verblijf bij de nonnetjes aangepaste hengst.

- Klootstelling: Lullige opmerking.

- Klopbeer: Beer die netjes om een potje honing komt vragen.

- Kloptofobie: Ziekelijke vrees om een schouderklopje te krijgen.


- Klosmonaut: Ruimtevaarder die alweer de lul is.

- Klotenkapper: Coiffeur voor het onderlichaam.

- Kloterij: Kansspel waarbij je nooit wat wint.

- Klotion: Zakwater.

- Kluchtalarm: Wat geslagen wordt op de eerste maandag van de maand.


- Kluchtballon: Lachwekkend luchtvaartuig.

- Kluchtvaarder: Piloot die maar niet van de grond kan komen.

- Kluisbeeld: Brandkast om aan de muur te hangen.

- Kluisjesman: Iemand die voor een zacht prijsje een bank voor je berooft.

- Kluisterbroeder: Monnik die vrijwillig in zijn cel zit vastgeketend.


- Kluisterspel: Bondage.

- Kluisterzuster: Religieus bindvrouwtje*.

- Kluitist: Muzikant die de boel belazert.

- Kluitjesvolk: Deel van de bevolking dat altijd het riet wordt ingestuurd.

- Klutskous: Iemand die wartaal uitslaat.

- Klutstante: Oud familielid dat ze niet allemaal meer op een rijtje heeft.


Kn

- Knakborst: Tiet die te ver is upgepusht.

- Knalbegonia: Bloemgewas dat ontploft als je het plukt.

- Knalselderie: Ingrediënt dat van erwtensoep een explosief mengsel maakt.

- Knapitein: Goed ogende gezagvoerder van een koopvaardij- of passagiersschip.

- Knappertanden: Afbrekende bijtspijkers.


- Knarcisvlieg: Oude, op hommel gelijkende zweefvlieg waarvan de larven aan het scrotum van ijdeltuiten knagen.

- Knarsestanden: Paarhoudingen geschikt voor ouderen.

- Knarsetanken: Met tegenzin brandstof laden.

- Knekelkut (1): Magere modeshowster.  (2): Mannenverslindster.

- Knelwandelen: Lopen met samengeknepen billen.


- Kneusvleugel: Vogel met belabberde vliegkwaliteiten.

- Kniesaars: Mopperkont.

- Kniesbankje: Zitplaats in een donker hoekje.

- Knijpkut (1): Energie opwekkend vrouwelijk geslachtsdeel.  (2): Benepen juffrouw.

- Knikkerbocker: Soort sportbroekje dat onder de knie is afgesloten om te voorkomen dat een jongeheer zijn stuiters verliest.


- Knikvors: Beamende duiker.

- Knipaagje: Nieuwsgierige die steeds net het belangrijkste mist.

- Knoetwilg: Slechte boom om onder te zitten.

- Knokkenist: Straatvechter.

- Knokraap: Halfgaar knolgewas.


- Knokworst: Vleesproduct dat zich hevig tegen consumptie verzet.

- Knolrape: Extreem ongewenste intimiteit met paard.

- Knolschelderij: Bekgevecht tussen paarden.

- Knookploeg: Groepje grafruimers.

- Knopgeest: Onstoffelijk wezen dat stiekem apparaten ontregelt.


- Knoppendoos: Vrouw met opmerkelijk stel tepels.

- Knopperlicht: Verlichting achter een druktoets die de stand van de toets aangeeft.

- Knoptor: Keversoort (Ampedus smegmaticus) die onder de voorhuid leeft.

- Knormandie: Franse landstreek beheerst door varkens.

- Knornet: Blaasinstrument om varkens mee te vangen.


- Knorsakovsyndroom: Gevolg van overmatig drankgebruik bij varkens.

- Knorset: Tuig om varkens mee in bedwang te houden.

- Knotswilg: Boom waaraan knuppels groeien.

- Knuffelbier: Lievelingsdrankje dat je mee naar bed neemt.

- Knuffelpaal: Detectieapparaat dat de liefde in de samenleving meet.


- Knuflook: Sterk ruikend bolgewas met hoge aaibaarheidsfactor.

- Knullentuin: Geliefde hangplek voor homo's.

- Knulselderij: Snertventje.

- Knultang: Onhandig hanteerbaar gereedschap.


Ko

- Koecumene: Beweging die de verbroedering der verschillende runderrassen nastreeft.

- Koecumenisch: Ieder een half koekje.

- Koedaver: Dood rund.

- Koehappen: Fries volksvermaak op Koninginnedag.

- Koehuis: Stal.


- Koeieloeren: Wat een voyeur doet die op runderen geilt.

- Koeieluier: Pamper voor incontinente runderen.

- Koeienvlaag: Runderruft.

- Koeierwaals: Onverstaanbaar geloei.

- Koeinrichting: Psychiatrische kliniek voor aan BSE lijdende runderen

.

- Koekoesklok: Wanduurwerk dat op gezette tijden loeit.

- Koelier: Runderslager.

- Koelweit: Arabisch land waar het nooit te warm is.

- Koemijn: Plaats waar runderen worden gedolven.

- Koengoeroe: Dappere Indiase springmeester.


- Koerdier: Postduif.

- Koerstal: Duiventil.

- Koesterbank: Oud zitmeubel waar je zeer aan gehecht bent.

- Koestsiroop: Kalmerend drankje.

- Koeval: Periode van het jaar dat de koeien rijp uit de boom vallen.


- Koevelen: Gezellig samen loeien.

- Koeviaar: Als delicatesse beschouwde rundereieren.

- Koevloeistof: Melk.

- Koezak: Uier.

- Kofferande: In bed gedane storting.


- Kofferdier: Voelt zich nergens zo goed als in de koffer. Zie ook Kutkoffer*.

- Koffergave: Aangeboren bedvaardigheid.

- Koffiepikkijken: De toekomst voorspellen door met zeker lichaamsdeel in cafeïnehoudende drank te roeren.

- Kogellieger: Iemand die er met onwaarheden omheen draait.

- Kogelslager: Beginnende wapensmid

.

- Kogelverschrikker: Bewapeningsspiraaltje.

- Kokerrock: Harde popmuziek waarop nauwelijks gedanst kan worden.

- Kokettiste: Charmante dame achter klein raampje.

- Kokosmuts: Ruw behaarde vagina.

- Kokosnot: Behaarde neuskeutel die onverwacht uit de neus valt.


- Kokossloper: Iemand die een bepaald soort noten kraakt.

- Kokotsmakroon: Braakverwekkend baksel.

- Kokshoofd: Maatbeker die er in een goede keuken altijd moet worden bijgehouden.

- Koktober: Culinaire maand.

- Kolderblindheid: Onvermogen om te genieten van nonsens.


- Koldermodel: Mannequin die louter wartaal uitslaat.

- Kolenaar: Beheerder van een kolenmolen.

- Komeuk: Tapper van flauwe moppen.

- Koningzuiger: Koningin.

- Kontademig: Winderigheid.


- Kontberen: Grote dieren met zeer groot achterwerk waaraan ze honing smeren.

- Kontbijttafel: Waarop kontbijt wordt gespeeld, een vooral op de Britse Eilanden zeer populair spel, waarvoor dan ook twee speciale televisiekanalen bestaan: KontbijtTV en AnaalTV.

- Kontboezeming: Uiting van wat in de darmen ontstaat.

- Kontbossen: Achterwerk van overdadige beharing ontdoen. Zie ook Arsen*.


- Kontbrandingspunt: Het moment waarop je op de blaren begint te zitten.

- Kontbreken: Anaal verkrachten.

- Kontdekkingsreiziger: Iemand die er alles aan doet om zijn innerlijke zelf te leren kennen. Zie ook Reetrospectie* en Kontraadselen*.

- Konteigeningsbesluit: Overheidsmaatregel waar je je reet aan afveegt.

- Kontfutselen: Aan het achterwerk zitten friemelen. Zie ook Kietelaars*


- Kontklossen: Verkeerd kant maken.

- Kontkurken: Veiligheidsmaatregel in stadsparken.

- Kontploffing: Zeer luide uiting van flatulentie. Kan gevaarlijk zijn voor omstanders en een aarsbeving* veroorzaken.

- Kontraadselen: De geheimen van achterwerken trachten te doorgronden. Zie ook Reetrospectie* en Kontdekkings­reiziger*.

- Kontsdolheid: Rabips*.


- Kontslag (1): Term uit het SM-bedrijf.  (2): Naar binnen slaande kontploffing*.

- Kontsporen: Spontaan schilderwerk aan binnenkant van onderbroek, beter bekend als 'remsporen'. In moderne onder'broeken' vrijwel altijd non-figuratief.

- Kontspruiten: Aambeien.

- Kontstopper: Purgeermiddel.

- Kontuchtig: Sodomie.


- Kontvetten: Manier om het een bildo* gemakkelijk te maken.

- Kontwikkeligswerk: Taak van het COC.

- Kontworstelen: Vechtsport waarbij handen en voeten niet mogen worden gebruikt.

- Kooievaar: Uiver in gevangenschap.

- Kooikarper: Vis die te gevaarlijk is om vrij rond te laten zwemmen.


- Kook- en kluistergeld: Toeslag om vrouwen thuis te houden.

- Kookchirurg: Arts die het afsnijdsel in zijn eigen restaurant verkoopt.

- Kookdoos: Keukenprinses.

- Koolaap: Soort haardbewoner*

- Koolborsten: Elektriserende prammen.


- Koonprins: Blozend lid van het koninklijk huis.

- Koordslip: Onderbroekje waarvan je blaasjes tussen je billen krijgt.

- Koornuit: Lid van een zanggroep.

- Koorsakov: In groepsverband zingende alcoholisten.

- Koortrekken: Publiekelijk simultaansjorren.


- Kooruitgang: In orgieverband voor het zingen de kerk uit.

- Kopieerappapraat: Kantoormachine om contact met de secretaresses te houden.

- Koplichterij: Geestverruiming.

- Koploskoffie: Warme drank die zo sterk is dat de mok ervan oplost.

- Koprakelen: Het geheugen opfrissen.


- Kopschik: Make-up.

- Kopsporingswerk: Taak van psychiater.

- Korenwolk: In Nederland met uitsterven bedreigde hemelbedekking.

- Korsec: Soort wijn die geacht wordt het figuur te corrigeren.

- Kort blontje: Snel aangebrand gansje.


- Kortefeuille: Opbergmapje voor te weinig geld.

- Kortelet: Stuk vlees dat breder is dan lang.

- Kosmonet: Grofmazig weefsel om losmonauten* mee te vangen.

- Kostenplatje: Onbetaalbare schaamluis.

- Koterbabbelaar: Iemand die onafgebroken over z'n kinderen praat.


- Kotergroen: Geen ervaring met kinderen.

- Kotsautootje: Misselijk makende kermisattractie.

- Kotsch: Goedkoop nep-braaksel.

- Kotseband: Walgelijk lange peulvrucht.

- Kotsmonaut: Ruimtevaarder met last van ruimteziekte.


- Kotsmopoliet (1): Dronkenlap die de hele wereld onderbraakt. (2): Antiglobalist.

- Kotsophouder: Iemand die de neiging tot braken weerstaat.

- Kotsstudent: Uitwonende leerling aan hogeschool.

- Koi van Faraday: Goudvis met bliksemafleider.

- Koudwatervlees: Sidderaal.

- Kozijn met pruiken: Feestmaal voor mensen die gewend zijn om op een houtje te bijten. Zie ook Baaliekluiver*.


Kr

- Kraaikliniek: Ziekenhuis waar kippen tot haan worden omgebouwd.

- Kraaiorgel: Muziekinstrument waar voornamelijk herrie uit komt.

- Kraakpad: Amfibie dat in leegstaande panden gaat zitten.

- Kraalkip: Miniatuurhoen waarvan de eieren worden gebruikt om de inboorlingen zoet te houden.

- Kraamprostitutie: Core-business op de hoerenmarkt.


- Kraamvogel: Ooievaar.

- Kraankliniek: Sanitorium.

- Krabeljauw: Zeevis die vaak jeuk heeft.

- Krakelings: Net niet gebroken.

- Krakmadam: Dame met gebarsten pancake.


- Krakworst: Penis die in een knijpkut* heeft gezeten. Zie ook Kutkramp*

- Krakzinnig: Geneigd om te breken.

- Kramperen: Met een te klein tentje op vakantie gaan. Zie ook tentenkramp*

- Krampetampen: Spierpijn na een inspannende nacht.

- Krampioenschap: Slecht lopend sportevenement.


- Krampvogel: Schijtlijsterachtige met voortdurende buikpijn.

- Kransportfiets: Vervoermiddel van begrafenismede­werker.

- Krappertanden: Met de mond vol tanden staan.

- Kratjetoe: Gevarieerde biervoorraad.

- Krentbriefkaart: Zie anuszichtkaart*.


- Krentenakker: Schraal stuk grond waarop gedroogde druiven worden geteeld.

- Krentenbakker: Iemand die te gierig is om pruimen te bakken.

- Krentenboek: Drukwerk met plaatjes van achterwerken.

- Krentenkabinet: Balkenende IV.

- Krentenlakker: Iemand die gedroogde druiven vernist om ze mooi te laten glimmen.


- Krentmeester: Iemand die zeer goed is in het behouden van zijn zetel/functie.

- Kreunvogel: Langbenige trekvogel die voortdurend klaarkomt.

- Kribfractuur: Had kindeke Jezus last van.

- Krijsgevangene: Islamiet in Amerikaanse handen.

- Krikspaan: Gereedschap om tegenstribbelende leuters tot de daad te brengen.


- Krikvors: Amfibie die altijd op zoek is naar vrouwtjes met een lekke band.

- Krioelaardappelen: Kleine knolletjes die alle kanten oprennen als je ze in de pan gooit.

- Krioelkippen: Welig tierend pluimvee.

- Kristalheler: Opkoper van gestolen Swarovskiproducten.

- Kroeghaas: Soldaat achter de linies.


- Kroelkarper: Aanhalige zoetwatervis.

- Kroelkip: Aanhalige chick.

- Kroketteren: Iemand trachten te imponeren met een romantisch etentje bij de automatiek.

- Kroketterie: Pronkerige automatiek.

- Krokobil: Reet met vervaarlijk stel tanden.


- Krokobillenleer: Het beste materiaal om schoenen van te maken.

- Kromkommer: Scheefgegroeide augurk.

- Kromplot: Ingewikkelde samenzwering.

- Kroonpeins: Overdenking die tot iets geniaals heeft geleid.

- Kroonprijs: Waarde van vorstelijk hoofdsieraad.


- Kroosteloos: Ongewenst onbevallen. Zie ook Onbevallen­verzekering*

- Kroostprijs: Kinderbijslag.

- Krotgans: Uitgewoonde eendvogel.

- Krotwilg: In onbruik geraakt hoogstamhakhout.

- Kruidje-roep-me niet: Plantje dat op geen enkele manier gestoord wil worden.


- Kruimellief: Liefje dat alleen voor het kleine zuigwerk tussendoor wordt gebruikt.

- Kruinvis: Zeezoogdier met kale plek op de kop.

- Kruinwerker: Homo die aan de verkeerde kant zit.

- Kruiraket: Met de hand voortbewogen eenwielig projectiel.

- Kruisboot: Middeleeuws oorlogsvaartuig.


- Kruisdamp: Walm die tussen de benen vandaan komt.

- Kruisfilter: Instrument om ongewenste lichaamsgeurtjes mee te verwijderen.

- Kruisgeweld: Voor meeste mensen ongewenst seksueel gedrag.

- Kruisje-roer-me-niet: Iemand die zich al snel in het kruis getast voelt.

- Kruisolie: Smeermiddel dat atleten gebruiken om een soepele tred te krijgen. Zie ook Antisjok*.


- Kruisredder: Held die vrouwen van aanranders redt.

- Kruisspit: Penis.

- Kruisteek: Soort schaamluis.

- Kruistoog: Bar met open onderkant zodat ook daar kan worden bediend.

- Kruiswagen: Voertuig dat Jezus op zijn laatste reis werd onthouden.


- Kruizenbitter: Jenever gemengd met een aftreksel van aromatische kruizen.

- Krukfout: Per ongeluk op de barstoel van de verkeerde persoon gaan zitten. Kan fataal zijn.

- Krukkerij: Bar.

- Krullaria: Afgeknipte en dus waardeloze haarlokken.

- Krullenbak: Afvalemmer waar de kapper krullaria in gooit.

- Kryptofoon: Apparaat dat de werking van gasontladings­buizen verstoort.


Ku

- Kuddebeier (1): Belhamel.  (2): Veehoeder.

- Kuikenwekker: Paashaan.

- Kuishoudkunde: Belangrijk lesvak op een Groot Semenarie.

- Kuiskeurig: Beschaafd preuts.

- Kuisleeuwerik: Vogelsoort die zich door veranderde moraal laat uitsterven.


- Kuisraket: Afstandsgeleid projectiel dat door ramen van wasruimten naar binnen vliegt.

- Kuisridder: Iemand die ten strijde trekt tegen alles wat vies en voos is.

- Kuitdeuken: Professionele voetbaltechniek.

- Kukelekut: Vrouwelijk schaamdeel dat altijd veel te vroeg begint te kraaien.

- Kulandijvie: Soort apekool.


- Kulva: Schaamspleet die feitelijk niets voorstelt (ook: nulva).

- Kunstaars: Hulpmiddel voor kontneukers.

- Kunstpens: Prothese voor liefhebbers van dikke mannen.

- Kunstvagina: Artistiek behaarde kut.

- Kunstzwammen: De kletspraat van kunstkenners.


- Kurkgangster: Lid van bende die sluitingen van wijnflessen steelt.

- Kurkije: Land waar sluitingen voor wijnflessen worden geproduceerd.

- Kurkuil: Gelovige nachtvogel met groot drijfvermogen.

- Kuscheque: Tegoedbon voor zoen.

- Kusmonaut: Iemand die zijn tong graag in een oneindige ruimte steekt.


- Kussengerecht: Instantie die bemiddelt in stoeipartijen.

- Kussmoes: Doorzichtig excuus om iemand te zoenen.

- Kustbeoefening: Artistiek verantwoord op het strand liggen niksen.

- Kustenaar: Man die heel artistiek kan zoenen.

- Kustengevecht: Onschuldige botsing der continenten.


- Kustlong: Apparaat om het hele jaar van gezonde zeelucht te kunnen genieten.

- Kustnijverheid: De strandtenthouderij.

- Kustrum: Viering van de vijfde zoen.

- Kustwijf: Zeemeermin.

- Kut-Klux-Klan: Vereniging van huisvrouwen die niet graag op zwart zaad zitten. Zie ook Negrofiel*


- Kut-regeling: Slechte pre-pensioenvoorziening.

- Kutapult: Elastische inrichting om langwerpige objecten vanuit te lanceren.

- Kutbroek: Minislipje.

- Kutchenette: Open vagijntje.

- Kutchup: Pikante soort saus.


- Kuteiland: Lesbos. Zie ook Scheureiland*

- Kutelet: Creatief vormgegeven stuk vlees, uitsluitend verkrijgbaar in 4-sterrenrestaurants.

- Kuterus: Uitgang van de baarmoeder.

- Kuthalisator: Vrouwelijke collega die vastgelopen processen tussen twee of meer mannelijke functio­narissen vlot trekt.

- Kuthandje: Spieraandoening in de categorie muisarm, tenniselleboog en voetbalknietje. Komt voornamelijk bij vrouwen voor.


- Kuthedraal (2): Bisschoppelijke vagina.

- Kuthode: Lichaamsdeel met negatieve lading.

- Kuthodestraalbuis: Piemel.

- Kutholicisme: Geloof met vrije seks als uitgangspunt.

- Kutholiek: Waardeloze paap.


- Kutje bij mutsje leggen: Het uitzoeken van een probleem.

- Kutjesschepper: Vrouwenarts.

- Kutkoffer: Niet zo stevige draagbare bergruimte waar graag in gedoken wordt.

- Kutkramp: Soms ook voor mannen pijnlijke vrouwen­kwaal. Zie ook Krakworst*

- Kutnetsova: Tennisspeelster die er geen bal overheen kan krijgen.


- Kutoyeren: Heel vertrouwelijk met elkaar omgaan.

- Kutrecht: Vervelendste provincie van Nederland.

- Kutrechtenaar: Kloterige inwoner van het centrum des lands.

- Kutselaar: Iemand die graag rotklusjes doet.

- Kutsnoesje: Leuk meisje dat onder valse voorwendselen mee naar huis wordt getroond.


- Kutspot: Commercial waarmee een reclamevagina* de daad onderbreekt.

- Kuttapercha: Bepaalde uitscheiding van het vrouwelijk schaamdeel.

- Kuttenbak: Auto met uitsluitend vrouwen.

- Kuttegespin (Het eerste gewin is ~): Doel van voorspel.

- Kuttelaar: Pruimenboom.


- Kutteloosheid: Kenmerk waardoor mannen zo in trek zijn.

- Kuttelorig: Kenmerk van snel geprikkeld poesje.

- Küttenkäse: Smegma.

- Kuttenmepper: Gewelddadig seksueel perversionist.

- Kuttepeer: Oud fruitras (Pyrus vulviformis) met zeer sappige vruchten en harige schil.


- Kuttifrutti: Vruchtenmengsel van bijv. Kuttepeer*, Ochtendkrent*, Neuctarine*, Sneepruim*, Oudewijvepreut*, Kuttelaar*, Ananus* en Immorel*.

- Kutwacht: Rijksdienst voor de Bescherming van Vrouwen..

- Kutzwijm: Kortstondige flauwte na orgasme.

- Kuurpruim: Dot op doktersadvies.



Kw

- Kwaakhond: Oplettende viervoeter die door laag volume ook geschikt is voor gebruik in de stad.

- Kwabcocktail: Mixdrankje van overtollige vetlobben.

- Kwakersbeweging: (Eng.: Quackerymovement) Filosofische richting die zijn oorsprong vindt in een groep eendachtigen die zich aanvankelijk alleen bezighield met het kwaken van leegstaande panden. Nu wijdvertakte organisatie met o.a.tal van bekwakings­firma's. Zie ook Hartbekwaking* Plantenkwaker*.

- Kwakkeloos: Vorm van mannelijke onvruchtbaarheid.

- Kwakvergiftiging: Geslachtsziekte veroorzaakt door teveel slikken.

- Kwakworst: Penis.


- Kwalhalla: Een vol naaktstrand.

- Kwartepiet: Gevierendeelde knecht van Goedheiligman.

- Kwattel: Laag-bij-de-grondse Fluimingo*.

- Kweekdier: Slijmerig konijn.

- Kwekkerij: Vrouwencafé.


- Kwekkerradio: Radiostation waarop alleen maar slaap­verwekkend wordt geluld.

- Kwekschool: Leuterdagverblijf.

- Kwekwater: Drankje om de tongen los te maken.

- Kweldaad: Ernstige misdraging.

- Kweldoener: Plaaggeest.


- Kwijlgeest: Spook dat je 's nachts komt benatten.

- Kwikvors: Snelle amfibie met temperatuurafhankelijk formaat.

- Kwinkelier: Handelaar die een goede slag heeft geslagen.

- Kwinksla: Geestig soort groente.

- Kwispedeur: Uitgang om doorheen te spuwen.


- Kwispelturigheid: Variabiliteit in de staartzwaaifrequentie bij honden.

- Kwispelturigheid: Vooral onder hondenliefhebbers veel voorkomende oogafwijking.

- Kwistziek: Aandoening die gaten in de handen veroorzaakt.



Home  A B C D E F G H I J    K   L M N O P Q R S T U V W X Y Z


web analytics







    Kaashoer


Kerkcentrale