Gekalkte tekens

In de 19de en vroege twintigste eeuw vinden we ook het fenomeen terug dat er op hoevegevels tekens worden gekalkt. Mogelijk werd het gebruik reeds van in de 17de eeuw toegepast. Het zijn geen metseltekens. Maar ze zijn wel terug te brengen onder dezelfde apotropaeïsche reflex, het zoeken naar bezwering/bescherming tegen diverse verschijnselen. Men sprak vaak van bescherming tegen de kwade hand of het boze oog. Openingen in huis of lichaam geven toegang tot het kwade. In het doopsel werd de mond met zalf bestreken. Aan de huizen werden vensters en deuren wit gelijst en/of vergezeld van kruisvormen aan kelder- of stalvensters ter bezwering.
Geschriften bevestigen dat dit gevoel sterker leefde in katholieke milieus. Protestanten namen meer afstand van deze beschermende reflex. In dit opzicht is er een parallel met de metseltekens. Als tekens zijn kruisvormen dan ook erg courant. Maar ook de letters BMC (Balthasar, Melchior en Caspar, de drie koningen) of later IHS (Iesus Hominum Salvator: Jezus, redder der mensen - ofwel: In Hoc Signo: in dit teken zult gij overwinnen) of andere vergelijkbare monogrammen.

In onderstaande diareeks zijn een aantal voorbeelden verzameld.
 
Magie, hekserij en volksgeloof, Tensie Pellaerts-Eddy Geentjens, DNB/Uitgeverij pelckmans, 1986.