Kerstening van cultusplekken

1. De voorchristelijke cultusplekken 
De heidense cultusplekken bevonden zich voor het grootste deel in de vrije natuur: hoogten, grotten, bossen, water. Slechts een klein deel was door de mens gemarkeerd met palen (hermen), wijaltaren (arae) of tempels (tempia). Een precies overzicht kan alleen gegeven worden aan de hand van archeologische opgravingen of van teofore (= godennamendragende) plaatsnamen. 
Vele cultusplekken hadden een plaatselijk en tijdelijk karakter, ze werden weer verlaten in de loop der tijden of veranderden van godheid. Typisch voor het Gallo-Romeinse tijdperk was de hoge graad van syncretisme: Keltisch-Germaanse en Romeinse goden werden naast elkaar op dezelfde plek vereerd. Pas het monotheïstische christendom, dat per definitie slechts één godheid erkent en zelf decennia lang vervolgd was geworden, maakte tabula rasa met al de goden van al de heidenen. 

De Keltisch-Germaanse cultusplek werd veelal aangeduid met het woord lieu, in het Latijn locus of lucus, in het Keltisch lok, in het Germaans los of Io(h). De plaatselijke godheid werd vaak genius loci genoemd. Het woord lo wordt door linguïsten veelal vertaald als bos, of open plek in het bos. Het komt overeen met een klein bosje, wat de Duitsers een Hain noemen, een omheinde afgepaalde plek. De Grieken noemden dergelijke plaatsen temenos, de Kelten nemeton (Lat. nemus = bos + dunum = omheining). In de moderne literatuur spreekt men vaak van Viereckschanzen omdat er soms een greppel rond aangelegd is, waarin dieren geofferd konden worden. Het waren offerplaatsen waar zich een heilige boom, steen, bron bevond, met of zonder een gebouw. Men spreekt ook vaak van heiligdom of fanum (dat de grens met het profanum trekt). De ingang ervan situeerde zich vaak aan de oostkant. Sommige plaatsnamen verwijzen nog altijd naar zulke vroegere cultusplekken. Bv. Lo met zijn bekende Caesarsboom, Tessenderlo (Toxandrië + lo), Tongerlo (Tungri + lo), Eeklo (eik + lo), Lillo (linde + lo), Waterloo, Goorle (goor, moeras + lo), Oosterlo, Westerlo, Ermelo (lrmin + lo), Tremelo (= te Ermelo),Tinarlo (Donar + lo), Ballo (Belenos + lo), Lochristi, ... 
Taalkundigen wijzen er de jongste tijd op dat ook namen met voort (= doorwaadbare plaats) en -drecht (= oversteekplaats, Lat. traiectum) vermoedelijk verwijzen naar cultusplaatsen bij een rivier. Aldus kennen wij Zwijndrecht, Berendrecht, Woensdrecht (Wodan + drecht), Maastricht, Utrecht, Bekkevoort, Stevoort (= steen + voort), Poelvoorde, Helvoirt, Amersfoort, Vilvoorde (= wel + voort). 
Veel van die cultusplekken zijn in de Laat-Romeinse periode teloorgegaan. Sommige ervan zijn kunnen blijven voortbestaan door de overname door het christendom en werden een kerk of kapel. 

2. De kerstening 
De kerstening van onze streken is grosso modo in drie golfbewegingen gebeurd: 
- in de 7de eeuw toen de eerste missionarissen hier verschenen; 
- in de 11 de eeuw tijdens de Gregoriaanse hervorming
- rond 1600, na het Concilie van Trente

De eerste kerstening begint pas echt in de 7de-8ste eeuw. Voordien kon men alleen in Laat-Romeinse steden, zoals Tongeren of Maastricht, christelijke soldaten en landbestuurders vinden. In die steden verschenen de eerste tekenen van de exotische mysteriegodsdiensten zoals het christendom, de Mithrascultus en de keizercultus. Na de ondergang van het Romeinse bestuur (5de eeuw) wist alleen het christendom, in de vorm van een aantal varianten (o.a. het Arianisme) zich op de voorgrond te werken. 
In de 7de eeuw ontstonden twee stromingen om de inheemse bevolking te kerstenen via zendelingen. De voornaamste stroming kwam uit het noorden, uit de streken waar de Kelten de overgrote meerderheid van de bevolking vertegenwoordigden, namelijk Engeland en Ierland. De bekendste verspreiders van het Keltische christendom waren Bonifatius, Columbanus, Folianus, Willibrordus. Het feit dat Ierse zendelingen op het Europese continent geestelijke leiding kwamen geven, vindt zijn verklaring in de hogere kennis die op de Britse eilanden nog aanwezig was. Dit in tegenstelling met het oude Gallië waar vanaf keizer Tiberius de druïdenpriesters grotendeels waren uitgeroeid. Een tweede stroming kwam uit het zuiden (Zuid-Frankrijk en de Provence) en verkondigde het Latijnse christendom. Natuurlijk is de kerstening indertijd niet gestart op plaatsen waar er, bij wijze van spreken, niets was. Integendeel, men zocht doelbewust de bewoonde wereld en de oude centra op. Als eerste doel gold de oude adel. Van daar kon de nieuwe geloofsvorm doorsijpelen naar de lagere bevolkingslagen. Het is trouwens erg opvallend hoe manifest de hagiografieën de eerste streekheiligen omschrijven als van zeer adellijke komaf, vandaar de term adelheiligen. 
Historici zijn het erover eens dat die eerste kersteningsfase zonder onoverkomelijke hindernissen verliep. Anders verging het de predikers die te krachtig optraden tegen de natuurlijke aspecten van de bestaande religie. De kerkelijke opvattingen hieromtrent waren lange tijd niet uniform. Het Keltische christendom gold hierin als veel toleranter dan de Latijnse Kerk. Zo werd enerzijds door de Concilies van Tours (567) en Nantes (568) het vereren van bomen, stenen en bronnen verboden. Anderzijds gaf paus Gregorius de Grote in 601 de richtlijn aan zijn zendelingen de heidense religieuze centra gewoon over te nemen en ze christelijk te wijden en in te kleden. Heidense godenbeelden dienden evenwel vernietigd te worden. Mede dankzij deze Gregorius-strategie raakte de Frankische Kerk sterk Keltisch-Germaans geïnspireerd. 

Toen Karel de Grote kon bereiken dat hij tot keizer werd gekroond door de paus van Rome, waardoor hijzelf, en niet meer zoals voorheen de keizer van Constantinopel, de politiek-militaire arm van de paus werd, trachtte hij als tegenprestatie op eenvormige wijze het Latijnse christendom op te leggen. Verdere Keltische invloed werd ingedijkt. Toch waren de grootste Westerse geleerden van die tijd Kelten (Beda Venerabilis, Alcuinus, Johannes Scotus Eriugena). 
Karel de Grote zou ook beginnen met de systematische uitbouw van een kerkbestuur onder leiding van bisschoppen in plaats van kloosters. (In de 7de-8ste eeuw had de officiële kerstening van het platteland namelijk plaatsgevonden via abdijen en via gouwheren, de zogenaamde adelheiligen.). De Karolingers richtten nadien dus aartsdiakonaten, landdekenaten en oerparochies op met vaste geestelijken die bevoegd waren voor hun gebied. Op het platteland werden op de belangrijkste plaatsen doopkerken of moederkerken (vaak ter ere van Maria) opgericht per oerparochie. Dit had ook een wijziging van de christelijke initiatieritus tot gevolg. De christelijke doopritus evolueerde van volwassenendoop opnieuw naar de natuurgodsdienstige kinderdoop. Terwijl in de periode van de eerste missionering (7de-8ste eeuw) door de rondtrekkende zendelingen voor de christelijke doopritus nog gebruik werd gemaakt van de talloze Keltische matronenputten, werden de doopfaciliteiten vanaf de Karolingische hervorming stilaan gecentraliseerd per oerparochie en toegekend aan een vast aangestelde priester. Vanaf de Gregoriaanse hervorming in de 11 de eeuw waren er overal doopvonten. Die vonten waren in hun vormgeving exacte kopieën van de Keltische matronenputten en de oersymboliek errond (flora- en kop motieven ). Ook na de invoering van de doopvonten in de parochiale moederkerken bleef de bevolking de oude heilige bronnen (dus de voormalige doopputten) bezoeken en vereren. Het is vooral in de periode van de hoge en late middeleeuwen dat er bij vele van die heilige bronnen kapellen, kluizen kwamen en sterk in de verf gezette christelijke oorsprongslegenden. 

Vanaf de 11 de eeuw duiken te lande ook de ontelbare volksverhalen op over aan rivieroevers, bronnen en bomen verschenen of gevonden Mariabeelden. Die legenden, met daarop geënte volkse Mariadevotie, vormden de voortzetting van de vroegere cultus rond de aardmoeder. Niet alle volkse cultusplekjes zijn terzelfder tijd in die 11 de eeuw verchristelijkt. Sommige waren het al eerder, andere in meer afgelegen streken, werden het later. Geschreven historische gegevens hierover zijn uiteraard zeer schaars. Bovendien heeft de officiële geschiedschrijving al te frappante voorchristelijke aspecten van de volksrituelen met opzet onvermeld gelaten. De officiële geschriften over legendarische of miraculeuze aspecten van de ontstaansdata van de onderscheiden cultusplekjes mogen derhalve begrepen worden als de vermoedelijke kersteningsdata ervan. Die oorsprongsgegevens variëren echter nogal van plaats tot plaats: 13de tot 17de eeuw. Hieruit kan men afleiden dat in de meer afgelegen streken een grondige kerstening van de cultuspIekjes voor de lagere bevolkingslagen nogal laat mag worden gesitueerd. 
uittreksel uit: De Keltische Erfenis, Riten en symbolen in het volksgeloof van Eddy Valgaerts en Luk Machiels  (Stichting mens en Kultuur Gent, 1992)

Vorige pagina                Volgende pagina