Hiërogamie

DE SNIJDENDE TEGENDELEN 
Alle leven werd vanouds gezien als een vrucht van de samengesmolten tegendelen. Binnen de stoffelijke context van zijn aards bestaan wist de archaïsche mens dat alle materie en verschijnselen zich kenmerken door vormen van dualiteit (dag-nacht, zomer-winter, man-vrouw, vuur-water, hemel-aarde... ). Vruchtbaarheid, groei, hogere verheffing naar de eenheid werd gezocht via het stramien van de tegendelen: via these en antithese naar synthese. Die mechaniek van de samensmeltende tegendelen werd naar de goddelijkheid geprojecteerd. Zo zag men het integrale natuurgebeuren als een resultaat van de werkzame koppeling van de moedergodin aan de partnergod. De levenskracht en de regeneratie vloeide uit de hiërogamie van de goddelijke tegendelen. 

Water en vuur verenigd hielden de levenscyclus lopend (tot heden duikt in vrijwel elke eredienst naast het wijwater ook de gewijde kaars op). De aardmoeder verenigd met de zonnegod leverde in een eindeloze rotatie flora, fauna en mensdom... Hun vereniging produceerde het zijn uit het nietzijn. Periodiek verging het verwekte zijn (zomer) terug naar het niet-zijn (winter): een toestand die als noodzakelijk werd beschouwd voor een nieuwe geboorte (lente) en voor de eeuwige wederkeer van de levenscyclus. 

Hierin zie je de enorme symboolkracht van de bron. De onderaardse waterader (moedergodin) werd precies op die plek vereerd waar zij het contact legde met de buitenlucht en het zonnevuur (partnergod). Bronnencultus impliceerde derhalve een zeer sterk bewustzijn van de regeneratie door de hiërogamische werking. Ons woord "fontein" vond in die filosofie zijn etymologische geboorte: fion = helderwit + tan = vuur. "Bron" werd afgeleid van het oude werkwoord "brennan" = branden. Het Engelse en Oudnederlands "weil - wel" komt van het werkwoord "wellan" = koken.
Er is vaak een van buiten komende mannelijke kracht nodig om het water uit moeder aarde te doen vloeien, gesymboliseerd door de drietand van Neptunus, de Thyrsosstaf van Dionysos, de staf van Mozes of een of andere bisschop.
Met deze opvattingen voor ogen kleefden onze Keltische voorvaderen een goddelijk paar op hun sacrale bronnen (de godinnen Sul, Sirona, Rosmerta ... werden o.m. gekoppeld aan de goden Belenos, Grannus, Borvo ...). Hiermee wilden zij echter geen gelijkwaardigheid toedichten aan beide geslachten. De hedendaagse archeologen zijn het erover eens dat in de Keltische hiërogamie de vrouwelijkheid nog als dominant werd ervaren. Aldus stellen 95% van alle in Frankrijk opgegraven beelden godinnen voor en slechts 5% goden. Verderop zullen wij zien hoe ook de hiërogamisch geïnspireerde Keltische liturgische jaarkalender een sterke nadruk inhield op het vrouwelijke deel van het goddelijke koppel. De moedergodin stond dus niet alleen, zij verbond zich met een gedelegeerde mannelijkheid. Dit moet als volgt worden begrepen. Eerder spraken wij al over de initiële scheppingskracht van de voor- en buitenchristelijke moeders: zij brengen voort zonder te ontvangen. Hun schoot gold als de troon van de mannelijke god, die precies door het zitten op die schoot te kennen gaf de deelhebber te zijn van de moedergodinnelijke oerschepping. Zelf werd hij door haar geschapen. Wat de god achteraf zelf schiep, of de manier waarop hij de schepping beheerde, hoorde verder te vibreren op de scheppingsritmiek van het vrouwelijke beginsel. Die opvattingen vinden wij ook sterk terug in de Germaanse mythologie. De Edda-genesis verhaalt ons hoe het geslacht van Buri, waaruit de Germaanse mannelijke drievuldigheid Ve, ViIIi en Wodan werd geboren, uit een ijsklomp werd gelikt door de hemelkoe Audhumla. Wodan creëerde op zijn beurt het mensenras door aan de es de man Ask en aan de olm de vrouw Embla te onttrekken. Wat de mens op zijn beurt, als drager van een lagere scheppingspotentie zou creëren en beheren hoorde evengoed te vibreren op de ritmiek en de orde van de hogere echelons. Vandaar zijn levenscadans op de loop van de hemellichamen, zijn arbeid en religieuze brandpunten afhankelijk van de natuur. 

DE DRIE FUNCTIES 
Vanouds werd de schepping gezien als evolutionair met oorspronkelijk aan de top het vrouwelijke principe. 
Deze oermoederllike verbondenheid met alle dingen resulteerde in de opvatting over de drie functies van haar persoon: 
- als hemelkoe regeert zij het bovenaardse
- als ochtendgloren (Aurora) of lente (Maia-Ostara) zet zij de dag en de zomer in. Zo regeert zij de aardse context; 
- als zielenleidster (Vrouw Holle) regeert zij over de onderwereld
Analoog hiermee zag de Indo-europese kosmologie het wereldbeeld als eveneens drieledig: 
- een warme witheldere bovenaardse wereld (Asgard); 
- een rode en groene aardse wereld (Midgard); 
- een koude zwarte onderwereld (Helheim); 
In de alledaagse werkelijkheid herkende men in elk etmaalverloop een analogie van die kosmologie: een zwarte nachtelijke hemel, een rode ochtendhemel, een witte daghemel. 
Uit het niet-zijn van het duistere (nacht-Helheim) ontstond het zijn (ochtend-Midgard). Hetzelfde herkende men in de jaarcyclus. De donkere koude winter ging vooraf aan de lente en de zomer. Alle begin werd gezien als spruitend uit de Helheim, de nacht, de Zwarte Madonna. Van hieruit ontsproot en evolueerde het leven. Daarom lieten de Kelten hun etmaal beginnen met de avond en de nacht, hun jaar met de winter. Uit die godinnelijke drieledige functie werd het beeld geboren van de drie schikgodinnen, Moiren, Pareen, Nornen, de triple matronen. Door de hiërogamie kleefde aan het mannelijke godenbeeld eveneens de drieledige functie. Mannelijke goden speelden, als gedelegeerde partners, derhalve ook een rol in de drie deel
gebieden als hemelgod, stamgod en onderwereldheerser. Deze goddelijke drievuldigheden zijn tijdloos en vormden vele eeuwen een van de grondslagen van de religieuze reflexen in talloze culturen. 

HET PRINCIPE VAN DE DUALITEIT OF POLARITEIT 
Een belangrijk kenmerk van de natuurgodsdienstige godenfiguren, zoals zij werkzaam waren in de drie kosmologische deelgebieden, lag in hun dualiteit. Zowel de moedergodinnen als hun mannelijke partners hadden een tweevoudige verschijningsvorm. Een duisternis-zijde en een licht-zijde, een rustfunctie en een werkingsfunctie
Dezelfde tegenstelling projecteerden zij in hun beleving van de jaarcyclus. De Kelten deelden hun jaar in in winter en zomer, een periode van duisternis en een periode van licht, Zij zagen alle begin opstarten bij het levenbewarende-Ievenbelovende aspect van de zwarte moedergodin. Vanuit dat punt leefden zij naar volle wasdom, rijping en verval. Kelten rekenden dus in winters, hun jaarcyclus begon op 1 november. 

SCHEMA 
De vier Keltische hoogfeesten zijn grotendeels door de Kerk overgenomen en met eigen tinten herkleurd: 
-Samain: Allerheiligen-Allerzielen 
-lrnbolc: Maria-Lichtmis 
-Beitain: Pasen 
-Lugnasa: Maria-ten-hemel-opneming. 
 
Deze Keltische cyclus is o.m. vertaald gebleven in de voorstelling van het Iers kruis: het kruis in de cirkel als het symbool van de stoffelijke evolutie (kruisende tegendelen) binnen de eeuwigheid (cirkel). Uiteraard was het Ierse kruis, en daarmee de jaarcyclus, de levenscyclus, georiënteerd naar de zon. Het zonnige zuiden werd dus bovenaan gezien, in tegenstelling met onze gewoonte het geografische duistere noorden bovenaan de windroos te zetten. 

 
Wij stellen de Keltische feestencyclus in deze oorspronkelijke schikking schematisch voor. Het natuurgebonden fundament ervan wordt hierdoor aanschouwelijker. De steeds kenmerkende hiërogamie binnen de cycli uit zich door het samenkomen van de tegengestelde elementen water-vuur, aarde-lucht, warmte-koude, droogte-vocht. 




Bijgaand werelddiagram (Salzburg 818 n.Chr.) uit een astronomisch handschrift associeert op dezelfde wijze als de Keltische traditie de vier natuurelementen met de vier jaarkwartieren. 

Rechts: Occidens = west, water (aqua), Samain. 

Onder: Aquilo = noord, aarde (terra), Imbolc. 

Links: Oriens = oost, vuur (ignis) , Beltain. 

Boven: Auster = zuid, lucht (aer), Lugnasa. 



Deze traditionele kosmologische voorstelling met het noorden vanonder en het zuiden van
boven, het westen rechts en het oosten links bleef voortleven tot in de tijd van Copernicus. 
Bijgaande 16de-eeuwse houtsnede met de geocentrische visie op de zeven hemelsferen 
toont ons dat. (Merk hier ook de vier gevleugelde wezens op in de hoeken, zoals de vier 
maskers op de doopvonten symbool voor de wijsheid en de scheppingskrachten.)





uittreksel uit: De Keltische Erfenis, Riten en symbolen in het volksgeloof van Eddy Valgaerts en Luk Machiels  (Stichting mens en Kultuur Gent, 1992)

Vorige pagina                Volgende pagina