Dakelementen en volksgeloof

Erg passend in dit bijgeloof-verhaal is een hoofdstuk uit het boek: Het boerendak van Clemens V. Trefois, Danthe, St-Niklaas, 1980. Het wordt hiernavolgend in een licht bijgeschaafde versie hernomen.
De deurdorpel had in de Lex Salica (LX, I) niet alleen een juridische betekenis, ook de deurposten welke de huisingang begrenzen hadden een bijgelovige betekenis. Wat echter onze belangstelling verdient is het feit dat bijzonder veel belang gehecht werd aan de zg. Hochstod, de sogle, de Suller, de Stotter (Denem.) en de Stodr (Noorw.), niet omdat deze daksteunende elementen als krachtzuilen werden aanzien, maar wel wegens het feit dat de boomgeest er nog in huisde. Over dat soort bijgeloof heeft Lily Weiser een merkwaardige studie geschreven. Dat men tenslotte de boomgeest als een huisgeest beschouwde, zou blijken uit de vele aantekeningen in oude documenten steunende op meningen van vroeger en van eigen observatie. Liefst verbleef de geest in het dakhout ofwel bij de haard. Kortom, juist omdat hij als schutsgeest verkoos in een der draagzuilen te wonen, werd dit element door de bewoners geëerbiedigd. Aldus de Völsunasaga (cap. 3). Ons treft het blinde geloof, dat een verstandig volk er aan heeft gehecht. Nu nog geldt de spreuk: Die Eiche soll man pflegen, unter man ein Haus bauen will, Aldus de Eglissaga (cap. 68). Weiser besluit: So tritt uns schon in den ältesten Berichten die Verehrung von Schützbäumen, Haussäulen, van Stab- und Pfahlgötzen, von Naturgeistern, der Ahnen- und Totenkult entgegen
Dit zijn enkele van de vele variaties die als bijgeloof in de oude boerderijen zijn opgegroeid. Zij vormden in het leven van de mens een zeer machtig stuk van zijn cultuurbezit en mythologisch vormende aandrift. Bij de Noord-Europese volkeren heeft de boomcultus een gewichtige rol gespeeld. Strikt populair was de symbolische mey als geestwerende en geestbannende kracht. Tot op heden getuigt een levensboom-teken op het boerendak dat de woning onder het heil gesteld is. 

Huisgeesten waren zeer gevreesd. Volgens de Egelssaga (cap. 68) bleven ze bij voorkeur voortleven in het voornaamste bestanddeel van de dakconstructie, hetzij als knecht of schalk (Noorw. dialect: dvergar en verg), maar huisden liefst in de gevorkte gaffelzuil (Syldr, sula). Men heeft deze hinderlijke mensengedaanten de naam gegeven van huisgeesten omdat ze meestal met het haardvuur verbonden waren en graag een dak over zich hadden. 
De wijze waarop de bescherming van het huisdak is ontstaan en gegroeid, heeft uiteraard een enorme invloed op de bouwcultuur uitgeoefend. Te allen tijde werd naar middelen gezocht om het gevreesde hemelvuur af te wenden. Door een hazelaartak of en een vliertak kruisgewijs op de nok te plaatsen, werd de Wilde Jager machteloos. Een paardenschedel verdreef de meest gevaarlijke kwelduivels. Ook het menselijk gezicht bezat kracht en sterkte om de gistende onrust van de huisbewoners weg te nemen. Paardenschedels op boerendaken waren geluksbrengend en weerden alle onheil af. In het oud Noors werden ze Faske, Frey faxar en als vruchtbaar wekkend aan de godin Frey gewijd. Ook in Vlaanderen zien we het gebruik van paardenschedels in de l7de eeuw nog niet verdrongen. 

Met het IJslands Gezetz Uifljorsbog willen we slechts een merkwaardig voorbeeld geven van de vele individuele handschriften, waarin het toenmalige volksgeloof in min of meer gewijzigde vormen herontdekt wordt. Met het mensenhoofd beoogde men praktische mogelijkheden om geheimzinnige krachten te domineren. Een uit klei vervaardigd masker behoefde niet eens kunstig volmaakt te zijn. Men vindt ze nog her en der in Frankrijk (BasRhin) en ook wel eens in de Moezelstreek. Dergelijke maskers zogenaamd Schreckköpfe en Schreckgesichten, die plötzlich am Rand vom Dachfirst auf die Strasse herablicken, zijn uiterst zeldzaam geworden. 

Er onderscheidt zich in de pre-romaanse decoratieve beeldhouwkunst een menselijk gezichtsmasker die iets fascinerend spookachtigs vertoont. De ogen zijn wijdgeopend en van een indrukwekkend kracht. Zij zien de verte in, ontwaren een wereld die moet worden verafschuwd ... Denken we hier zeer terloops aan de gebeeldhouwde gemeentewachters van het Gentse Belfort uit 1338. Treffend is de streng manende gezichtsuitdrukking, de symbolische uitbeelding van de burgerlijke vrijheidszin die de toenmalige gemeentenaren eigen was. 
Volgens de Vatnsdalsaga zou een uit hout gesneden mensenhoofd bedoeld geweest zijn om boze en geheimzinnige machten op afstand te houden. Evenals in het dichterlijk volksverhaal Vermundarsaga wordt koning Olaf Horaldson beschermd door een mannengezicht met ogen vol spanning, harde en onverbiddelijke trekken. Er bestaan heel wat aardige anekdoten aangaande de motieven die tot de keus van zeer bepaalde mensen- en dierenfiguren hebben geleid. Dit is vooral duidelijk te constateren in de middeleeuwse symboliek. Ireëel zijn de ver over de dakranden stekende drakenlijven van de Stavkirke (Borgond, Gol, Urnes e.a.), evenals de schematisch gestileerde diabolische waterspuwers op gotische kathedralen. 

Wat voor de huiskamer geldt, geldt grotendeels voor het boerendak. Hoe zijn er de figuratieve tekens tot stand gekomen? Wij zijn tamelijk veilig door aan te nemen dat alles wat de agrarische mens tot doel heeft gehad de natuur te beheersen door geloofsovertuiging en aldus te bereiken hetgeen voor zijn schaarse levensmogelijkheden, onontbeerlijk was. In zijn harde kamp tegen het ruwe klimaat lagen de taaie wortels van een bewust vertrouwen in de wederopstanding van de zomerse vruchtbare warmte uit de winterse duisternis. Mythen en sagen zijn psychologisch te verklaren. Elk mysterie bleef de mens aanlokken. Door zijn eigen levenswijze te doorgronden trachtte hij de gedragingen en uitingsvormen der door hem uitgebeelde goden duidelijker van elkaar te onderscheiden. Met het primitieve dak begon de ruimtelijke bouwschepping. Toen de techniek zich echter meer en meer op de constructieve stabiliteit ging concentreren, hechtten de bewoners een grotere waarde aan dergelijke prestaties. Telkens wanneer de Wilde Jacht over hun trillende dakschilden stormde en Donar zijn geduchte hamer naar de aarde wierp, werden de huisgenoten door gevoelens van angst en bekommernis aangegrepen. De verklaring van dit verschijnsel hebben wij praktisch te zoeken in een oeroude onbeweeglijke en geslachtenlange traditie. 

Mythen en sagen berusten op natuurkrachten waaruit goddelijk erkende personen ontstonden, menselijke wezens die konden optreden en handelen. 
Nemen wij hier tot voorbeeld de dondersteen die de Donar-traditie zinnebeeldig voortzet. Wanneer dit oude volksgeloof vaste vormen heeft verkregen, is niet met zekerheid na te gaan. Het is een feit dat de middeleeuwse mens zich sterk heeft bezig gehouden met het ontraadselen van de door het bliksemvuur naar de aarde geslingerde donderstenen. Ten allen tijde werd de dakruimte beschouwd als zijnde de meest geschikte plaats voor het bergen van de bliksem afwerende amuletten. De kernbron die de stuwkracht van dit volkse bijgeloof is geweest, vinden wij in het Skandinavisch mythologisch Edda-verhaal, geschreven door Snorri Sturluson in de elfde eeuw.  Toen men zich in het geheel geen denkbeeld meer kon vormen van de prehistorische culturen, werden deze uit steen vervaardigde gebruiksvoorwerpen aanzien als zijnde natuurproducten. 
De huidige archeologische opgravingen hebben een helder licht geworpen op de levenswijze van een lang geleden ondergegaan volk dat werktuigen uit vuursteen of flint wist te maken. Deze vondsten zijn zo talrijk, dat de ontwikkeling van drie belangrijke steentijdculturen zeer duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Dat bewijzen ons in hoofdzaak de al of niet gepolijste hamervormen, beitels, behendig geslepen en getongde pijlspitsen met afgesplinterde omtrekranden, voornamelijk de erg fijne afwerking van de microlithen. 

In de Middeleeuwen werd Donar voorgesteld als een geweldenaar die zonder zijn werphamer of mjollnir machteloos was. In dit verband koesterde men voor de raadselachtige dondersteen-vondsten en uitzonderlijke belangstelling. Ze werden dan ook gebruikt als een soort talisman om het gezin en de woning tegen de donderaar en zijn glanzende bliksemschichten te beschermen. Aldus werd Donar of Thor, de verschrikking der godenreuzen, in de oude volkswijsheid aanzien als behoeder van de huiselijke haard. In deze geestesgesteldheid moet men de gestilleerde zinnebeeldige motieven opvatten. Meer in het barre Noorden waren de boerenwoningen bedreigd door reuzen, die natuurkrachten: ijs, water en storm personifieerden. Het huisdak was de symbolische grens van het familieleven en de dagelijkse werkbezigheden. De akkerbouwers en veetelers hielden het langst vast aan de mythologische traditie. 

Zoals Donar wordt ook Wodan in de Edda als een indrukwekkende god beschreven. Hier verkrijgt men een bont beeld van de geheimzinnige ruiter met speer en paard. Tot op heden leeft hij in het boerenbestaan voort terwille van de vruchtbaarheid en het gemeenschappelijk Joel-feest, aangevuld door tal van varianten. Wodan (of Odhin) bevrijdt al het dode, die hij in de nachtstorm met zich voert, gezeten op zijn achtvoetig ros Sleipnir. In de sage van de Wilde Jacht of Odinjacht is hij de stormende schimmelruiter die echt vervaarlijk over de trillende huizendaken zwerft. Dan wakkert hij het haardvuur aan, hetgeen meteen bewijst dat hij ook de milde gever is van vernieuwende krachten voor de wasdom. 
In de volksverbeelding heeft Wodan velerlei gestalten aangenomen. Men ziet hem gezeten op een zwart spookpaard gevolgd door afschuwelijke en angstaanjagende gezellen, die de lucht doorkruisen terwijl luid schallende horens en een geheimzinnig bellengeklingel door de infernale echo van een hondengeblaf wordt overstelpt ... Kenmerkend is, dat de uitbeelding van het paard als dierenornament in de West-Europese kunst, en vooral in het volksgeloof, een impressionistische rol heeft vervuld. Zo leeft de Wodan-traditie in onze gewesten voort in de populaire winterfiguur die doorgaans Sint-Niklaas wordt genoemd. Is het een louter toeval dat die Sint in gezelschap van een paard over de daken rijdt om er zijn zegenbrengende giften in de rookkokers uit te strooien? Treffend is het verband tussen de afgebeelde paarden in de prehistorische rotsschilderingen, graveersels en de plastisch bewerkte ruiterplaketten uit de bronstijd, waarin de godenfiguur van Wodan duidelijk te herkennen is. En zo komt men tot de gevelplanken of windveren die elkaar aan de top elkaar overkruisen en versierd zijn met scherp gesilhouetteerde paardekoppen. Ook op de nok van het boerendak prijkt hier en daar nog het snuivende ros van Wodan in de vorm van een windvaan. 

Tot in onze tijd zijn formele survivals van Wodan en Donar aan te wijzen, en is de geesteshouding der vroegere generaties nog goed te begrijpen. Het paard was aan Wodan gewijd, de haan aan Donar. Deze beide stamdieren hebben ook op kerktorens als windwijzer een zinnebeeldige functie uitgeoefend. Van de haan kan ook gezegd worden, dat hij over voldoende kracht beschikte om dreigende onweerswolken te splijten. Het dier werd eveneens aanzien als een vruchtbaarheidsgeest, die betrokken was bij het oogstfeest als stoppelhaan. 
Naast paard en haan blijkt het zwaansilhouet op de Friese boerendaken een stamteken te zijn. Men treft het dier paarsgewijs rug aan rug aan op de driehoekige uileborden in de top van een schildvlak. Eigenlijk zou de zwaan als schreeuwende vogel een totemdier zijn zoals bijvoorbeeld de vleermuis. Het driehoekig luik met zwaanmotieven heeft inderdaad een en dezelfde betekenis als het Fledermausluke, de luchtverversende en tevens lichtopening in het schuurdak nodig om gisting en hooibroei van de grote hooistapel te voorkomen. 
Menigvuldig waren de nuances omtrent het geloof van de agrarische mens in de heilskracht van sommige dierenvormen ter beveiliging van have en goed. Zijn levensbestaan was grotendeels afhankelijk van de zon, regen en de kiemkracht van het zaaigraan dat hij aan de aarde toevertrouwde. Geweldiger dan wij ons kunnen voorstellen beleefde hij de wentelingen der seizoenen. Het ziet er dus naar uit, dat zijn doorvoelde vrees in onheilsmachten imaginatieve zinnebeeldige gestalten heeft gewekt en gevormd. Evenzo heeft de meiboom zijn oorsprong te danken aan de oudheilige gerechtigheid, en zo ook wordt de richtmei op het boerendak aanzien als een kenmerkende voorstelling van vruchtbaarheid en welvaart. Bij. het oprichten van een woning, wanneer de daktimmer gezet was, werd een met bloemen en strikken opgetuigd boompje triomfantelijk op de nok van het dak geplaatst. 

Zoals in de voortijdse volksreligie wordt ook de hedendaagse mens beheerst door bepaalde gevoelens en gedachten. Deze redenering is zeker betwistbaar. Wij staan hier inderdaad als 't ware aan de wieg van een zeer ingewikkelde omschrijving, waarin allerlei primitieve geloofsvormen uit vroegere eeuwen nagenoeg los naast elkaar zijn waar te nemen. Oorspronkelijk werden ideeën weergegeven door een symbool; langzamerhand verkreeg de inhoud een ruimere betekenis in de levenskring van de heidense mens. In mythen en sagen vinden we bepaalde psychologische uitdrukkingen eigen aan de tijdgeest. 

In het benevelde duister der volksverhuizingen komt een nieuw licht opdagen. Anglikaanse en Frankische predikers strooien in de West-Europese gewesten de eerste zaden van de christianisering. Met het Karolingische Rijk, omstreeks 800, begint de tijd van de kerkenbouw door te breken. Werden de Germaanse goden en godinnen uit hun Walhala gestoten, het geloof aan boze en behulpzame geesten verbleekte niet. Het surrationeel respect voor de traditie die tot in de diepten van een verre tijd terugging, bleef in de mens voortleven. Hij kon zich niet losmaken van de goden die de natuurelementen personifieerden. Werden deze goden ten tijde van de Karolingers beoordeeld als zijnde duivelse machten, voor de Frankische mens, de pagi, was deze evolutiewet een dwangmiddel. Taai bleven onze voorvaderen weerstandbieden aan het kiemende christelijk leven. In feite heeft de kerkelijke overheid aansluiting gezocht met het zinvol en vroom gemoed, godsdienstig denken en de betekenisinhoud van hun kampende leven. De mens leefde toen in afgezonderde buurtschappen. In deze eenzaamheid heeft hij zijn vrees in bovennatuurlijke onheilsmachten gestalten gegeven en kwam hij tot de abstracte denkwijze ieder begrip door een symbool te verzinnelijken. 

Op de wolfseinden van de met groengrijze mosbegroeide dakvorsten komen geen schoofkens of tuiltjes voor, wel een eenvoudig houten kruisje, een rechtstaande hartkruis, schuinkruis of gaffelkruis, heilstekens die alle kwaad moeten weren en in de zin van traditie van de ene eeuw in de andere zijn overgegaan. Dergelijke schutstekens verschaffen ons een inzicht omtrent de mythische denkwijze van de mens in vroegere cultuurperioden. De ons bekende versieringsmotieven zijn steeds eenvoudig gebleven en nooit opdringerig geweest. We verwijzen hier naar de zwaansilhouet als stamteken op de uilenborden in Friesland, en de uitgezaagde paardenkoppen als gevelteken. Zeer merkwaardig is het aller primitiefste silhouet van een calvarieberg, waarin het karakter van de volksmoraal weerspiegelt, uitingen van hoop en vertrouwen, van ontzag voor het mysterie van de vruchtbaarheid, dood en geboorte in nauw samenhang met de kringloop der jaargetijden ...