Reddende mensen - Hijme en Eem

laatste bewerkingsdag: 29 maart 2013

Reddende mensen

Hijme Stoffels (1907-1975) en
Eem van Brussel (1918-1995)

d o o r    F r i t s    S t o f f e l s


Hijme en Eem in 1955

(Ver)korte levensloop

Hijme Stoffels (Hijme; 1907–1975) werd op 5 september 1907 geboren in een huisje aan de Damstraat te Utrecht. Zijn moeder. Johanna So­phia Catharina Pieters (1881–1920), had dat tijdelijk betrokken na haar terugkeer uit Amerika. Zij en Hijmes vader, Hijme Stoffels (1877–1958), beeldend kunstenaar van geciseleerde kerkelijke kunst bij de firma Brom in Utrecht, waren in de eerste maanden van 1907 naar New York geëmigreerd. Doch Cathrien Pieters kreeg zoveel last van heimwee dat ze na reeds enkele weken met de boot naar Nederland terugkeerde; Hijme senior volgde in maart 1908. In die tussenliggende tijd werd Hijme geboren, na eerder een jongen (Jan) en een meisje (Jo).

In z’n jonge kindertijd maakte Hijme vele ziek­ten door, die hem een of enkele malen aan de rand van de dood brachten. Ook nadien bleef hij een bron van zorg voor zijn ouders: in tegenstelling tot de andere kinderen was de jonge Hijme zeer bedreven in het uithalen van kattekwaad. In en buiten school was hij de aanstichter van allerlei ondeugd. Zuster Tine vertelde dat hij uit school steevast op allerlei ramen bonkte, en eenmaal zo hard dat de ruiten sprongen. Wanneer een school­meester even de klas verliet, zette Hijme heel de klas op stelten.

Een geheel andere, zeer zorgzame trek bleek echter na de dood van zijn moeder in 1920. Het gezin was inmiddels naar Woensel verhuisd, en trok in 1922 naar Den Bosch. Het gezin was ontredderd, doch terwijl andere kinderen enigszins mokten toen Hijmes vader hertrouwde, nam Hijme voor– en nadien zonder morren grote delen van de zorg voor het huishouden en de jongere kinderen op zich.

Ook door z’n aanstekelijke levenslust, vrolijke jovialiteit en daverend orgelspel op het huiselijk harmonium was hij zeer gezien bij de (vele) jongere kinderen in het gezin. Achter de bravoure stak een weemoedige, snel geroerde man. Toen in 1945 een jongere broer, met een nog jong gezin, overleed, was nie­mand verbaasd dat Hijme tot voogd over diens kinderen werd benoemd, een taak waaraan hij weer evenveel zorg besteedde als aan het redderen na de dood van zijn moeder.

Na de middelbare school, afgesloten in 1924, vervulde Hijme een eerste baan in Den Bosch, als kantoorbediende bij sigarenfabriek Van Laarhoven, naderhand als boekhouder. Maar ook als ver­koper bleek hij talent te hebben. Het werken op een sigarenfabriek was een droom uit zijn kinder­tijd: “Daar kun je voor niets roken”. Als zeventienjarige ging hij al op kamers wonen, toen het ouderlijk gezin naar Den Haag verhuisde. Met a­vondstudies verrijkte hij zijn reeds nuttig gebleken commerciële vaardigheid.

Na een kort intermezzo bij Philips in Eindhoven trad Hijme in 1931 als hoofd der boekhouding in dienst van de firma Gebroeders Wijtenburg in Lei­den, beter bekend als Edelachtbaar Sigarenfabrie­ken. Het jaarsalaris dat hij hier opstreek, eindigend op drie nullen – en dat in de jaren der­tig! – stak scherp af tegen de schrale inkomsten van het ouderlijk gezin, gewend aan een karig kunste­naarsbestaan. Toen ook nog een bevordering tot procuratiehouder bij genoemde firma volgde, gold Hijme in de familie als wel bijzonder geslaagd.

Het voordeel was dat Hijme onbekommerd kon reizen, veel naar Duitsland ging, en met eigen o­gen vaststelde hoe gevaarlijk het nazi–bewind werd. Hij liet zich goed voorlichten door zijn neef Jan Stoffels, die als Telegraaf–journalist in Berlijn zat. Jan werkte samen met NRC–man Hen Noordewier, die ongekend goed spitwerk verricht­te, en vele (vergeefs) waarschuwende rapporten aan de Nederlandse regering schreef, naar verluid ook samen met Jan.

Mede door deze kennis gewapend, verrichtte Hijme zijn verzetswerk in Leiden. Met Eem meer dan standvastig en zelfstandig aan zijn zijde, Emilie Hubertine Jeannette van Brussel, geboren op 4 augustus 1918 te Leiden, een dochter van Albertus Gerardus Johannes van Brussel en Anna Maria Verhoef. Geloofsverschillen speelden nog een grote rol: Hijme kwam uit een gereformeerd gezin, Eem was rooms–katholiek, en het voorgenomen huwelijk werd door vader Stoffels aanvankelijk afgekeurd. Doch toen haar sterke karakter bleek, ging Hijme senior uiteindelijk in bewonderende termen van haar spreken. Eem werkte als bankbediende, en later als medewerkster bij Wijtenburg.

Ook aan ‘Roomse’ zijde rezen bezwaren: de pas­toor bracht een ongunstig advies uit aan de bisschop van Haarlem. Op het laatste ogenblik: de trouwkaarten, voor 9 april 1942, waren reeds gedrukt en verzonden. Hijme pakte de zaak echter op een hem kenmerkende manier aan: zonder zelfs maar audiëntie aan te vragen, stapte hij binnen bij de bisschop, maakte een gezellig praatje, en... verliet het bisschoppelijk paleis met de gewenste toestemming op zak. Op 31 juli 1942 werd het hu­welijk alsnog te Leiden voltrokken. Het echtpaar zelf zag geen problemen: zonder oecumenisch te worden, ging elk van beiden ’s zondags naar zijn eigen kerk.

Hijme en Eem raakten kort voor hun trouwen betrokken in het verzet, vooral doordat zij naast een joods weeshuis woon­den. Het echtpaar heeft vele joodse kinderen en volwassenen uit Leiden gered van een wisse dood. Door ze een valse iden­titeit, tot in de puntjes verzorgd, te verschaffen, door ze uit Westerbork weg te praten, door als Duits militair verkleed, mensen van stations, met gereedstaande treinen naar het Oosten, weg te leiden, door onderduikadressen te verzorgen, en door Duitse autoriteiten te paaien of regelrecht om te kopen. In dit reddingswerk hebben Hijme en Eem een twintigduizendtal guldens gestoken.

Hijme en Eem groeiden al met al uit tot de centrale figuren van het Leidse verzet. Hun huis aan de Cronesteinkade zat vol onderduikers en werd de broed– en vergaderplaats van alle verzetswerkers van de stad. Om deze reden werd Hij­me aan het eind van de oorlog gevraagd burgemeester van Leiden te worden. Hij bedankte, daar hij de voorgenomen procedure niet democratisch vond.

Kort na de oorlog werd Hijme medevennoot bij Wijtenburg. Doch in 1947, na een kort tijdvak waarin Hijme zich verdiept had in een rechtenstudie, verlieten Eem en hij hun geliefde Leiden: Hijme was benoemd tot adjunkt–direkteur bij de Panter–siga­renfabrieken in Veenendaal. In 1965 volgde de kroon op het werk: Hijme werd commercieel direkteur van Panter, tot aan zijn pensionering in 1972. In deze gang van zijn loopbaan zag Hijme de sturende hand van God.

Niet lang, wel intens, heeft Hijme van zijn pensionering genoten. Hij was heel zijn leven al verzot op architectuur, bracht uren, ja dagen door met het ontwerpen van huizen en gebouwen, tot in de kleinste bijzonderheden getekend of op schaal gebouwd, en liet nu een grotendeels zelf ontworpen huis aan de Goohorstlaan in Noordwijk neerzetten.

Met Eem werd een wereldreis gemaakt. Niet eens zóveel nieuws zagen ze onder de zon: Hijme was, zonder en met Eem, al in de jaren dertig in heel Europa, en van eind jaren veertig af in alle delen van de wereld geweest. Op 2 mei 1975, toch nog ietwat onverwacht en zeker te vroeg naar ieders gevoel, stierf hij in het Academisch Ziekenhuis van Leiden. Wel had hij van 1970 af om verschillende redenen in ziekenhuizen gelegen.

Voor Eem volgden geen gemakkelijke jaren: ze kreeg suikerziekte, en hartritmestoornissen maakten de altijd zo kranig lijkende vrouw onzeker. Ze moest dikwijls naar het ziekenhuis. Een inbraak, waarbij kunstvoorwerpen, in elk geval een groot fraai stadsgezicht vervaardigd Hijmes oom Eduard Stoffels, werden geroofd, was ook niet echt aangenaam.

Haar naam wordt in Israel met die van Hijme bewaard en geëerd”, zei Hijmes broer Flip Stoffels toen Eem op 4 februari 1995 in Noordwijk ten slotte overleed, in hetzelfde ziekenhuis als waar haar man gestorven was. Dit was niets teveel gezegd: het echtpaar ontving de hoogste onderscheiding van de staat Israël (Yad Wasjem) voor zijn moed en vastberadenheid in de oorlog. Hijme en Eem waren tal­loze malen in Israël, om de mensen te bezoeken die zij in de oorlog gered hadden, en vrienden geworden waren. Steevast stond een heus ontvangstcomité klaar, of een vrolijk orkestje. Nog in de jaren tachtig ontving Eem vele post van dankbaar gebleven vrienden.

Mede door hun al te grote bescheidenheid, en zwijgzaamheid over hun verzetsrol, is een eerbetoon, vergelijkbaar met dat van Israël, in Nederland enigszins achterwege gebleven. Wel werd Hijme op 10 april 1973, onder mer voor zijn oorlogsverdiensten, benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau. Door enkele evenementen en nieuw onderzoek wordt in elk geval iets goedgemaakt. In 2003 werd in Leiden op allerlei wijzen aandacht worden besteed aan het joodse weeshuis, aan Hij­me en Eem, en aan hun verzetswerk. In maart 2013 volgde een kleine tentoonstelling in het voormalig Joods Weeshuis aan de Roodenburgerstraat in Leiden, gewijd aan het verzetswerk van Hijme Stoffels en Eem van Brussel.

Het echtpaar bleef kinderloos.


Blank van weggekneed verdriet

Door de bossen achter Westerbork spoedt zich een man voort. Ik stel me voor dat hij in Westerbork aankwam in de hoop dat het kamp niet ver van het dorp lag. De dorpelingen schudden meelijdend hun hoofd: het kamp is hier vijftien kilometer vandaan, bij Hooghalen. Meneer kan beter een fiets huren.Ik stel me hem voor op een gammele fiets: goede rijwielen zijn allang niet meer te krijgen. Een gruwelijke stilte hangt in het dorp, in het landschap, in de bossen. Schreursmaat, Essenmaat, Zwiggelte, Schattenberg. De namen geven hun afschuwelijk geheim niet prijs.
Die man, mijn oom, komt aan bij de poort.
Het moet 1942 zijn.
De eerste opgepakte joden zijn naar dit doorgangskamp gebracht.
Zonder bedenking had mijn oom zich in het verzet gestort, samen met zijn vrouw, daarbij gebruik makend van drie voordelige eigenschappen: hij papte makkelijk met mensen en speciaal met overheden aan, hij sprak vloeiend Duits, én hij had si­garen.
Die sigaren – hij had een belangrijke baan bij een sigarenfabriek – deden af en toe kleine wondertjes en redden verscheidene mensen het leven. Zouden ze nu ook Jochanan gaan redden?

Een paar dagen geleden had hij hem nog zo ge­waarschuwd: Jochanan, duik onder, ga er vandoor, uit Westerbork komt niemand terug. Maar de jongen was zo somber niet: ‘Misschien kom ik er goed vanaf. Het leven in Westerbork schijnt niet slecht te zijn. En mochten ze me naar Duits­land doorsturen, dan kan ik daar misschien een nieuw bestaan opbouwen. Ik heb trouwens ge­hoord dat vrijwel iedereen heel lang in Westerbork kan blijven. Pas na enkele maanden gaan ze’es bekijken of je naar Duitsland moet’.
Toen oom Hijme na enkele dagen terugkwam, was Jochanan weggehaald. ‘Naar Westerbork gebracht’, was het enige dat de buurtbewoners wis­ten.
Oom Hijme bedacht zich niet. Nog diezelfde dag zat hij in de trein naar dit merkwaardige Ner­genshuizen.

Oom Hijme kwakt z’n fiets tegen het prikkeldraad. Even voelen, ja, een binnenzak vol edele rookwaar. De wachtposten, zwaar bewapend, norse blik, gaan even later genoeglijk rokend voor de bijl. Een joviaal praatje had de rest gedaan en de slagbomen sprongen omhoog.
In het kamp, in de hoofdstraat, schuifelen allerlei vrouwen, mannen, kinderen. Het regiem heeft hun een jodenster opgenaaid. Jochanan is zo gauw niet te ontdekken.
Het kantoortje van de kommandant.
‘Wer sind Sie? Ach... Herr Stoffels! Was kann ich für Sie tun?’
Een sigaar, een grap, een grol.
Vertrouwelijk buigt oom Hijme zich over de tafel. Hij noemt de naam van Jochanan, een joodse jongeman uit Leiden, waar hij zelf ook woont.
‘Als we van uw bemiddeling hadden geweten, hadden we de zaak nog eens kunnen bekijken’, zegt de kommandant, dankbaar kringetjes blazend in z’n kantoortje, ‘helaas kunnen we nu niets meer voor u doen. Als u enkele uren eerder was gekomen... Schade, schade!’

Tussen Westerbork en Auschwitz hobbelt een trein.
Onverwacht was er ekstra ruimte geweest. Jochanan, juist in Westerbork aangekomen, mocht daarom meteen mee. Slechts enkele uren was hij in het kamp geweest. Woedend rijdt oom Hijme o­ver hobbels en denneappels terug naar het dorp.
Tegen de tijd dat zijn trein Leiden weer binnen­rijdt, wordt in Auschwitz een transport uitgeladen. Tussen al die mensen staat ook Jochanan, uit Leiden. Ze moeten meteen overstappen: de trein naar een volgend kamp, Mauthausen genaamd, staat ronkend op het perron.
De menigte wordt in grauwe veewagens geperst. Onderweg geduw en getrap om een hapje lucht. Dit is niet meer uit te houden.
In een flits springt Jochanan uit de rijdende trein. Daar ligt hij, in een open niemandsland. In de verte boemelen de rookbepluimde hellewagens naar de heuvels, waarachter de Endlösung ligt.
Vrij!
Maar niet voor heel lang.
Na een dooltocht door de vlakten wordt hij opgepakt door soldaten die een vrachtwagen besturen, volgestouwd met een gruwelijke vracht. Jochanan wordt erbij gestopt.
Enkele uren later rijdt Jochanan, bovenop een berg lijken, een vernietigingskamp binnen. De soldaten pakken hem als een zware misdadiger bij de armen en duwen hem voort naar de beruchte bok, gevreesd martelwerktuig voor ontsnapte kampbewoners.
Daarna mag hij in dát gebouw een douche gaan nemen, zegt een zwaarbewapende militair die in z’n papieren snuffelt.
Nietsvermoedend stapt Jochanan een grote doucheruimte binnen. Een weeë gaslucht blauwt dansend naar voren. Achter hem valt de deur in het slot, voor eeuwig.

1984. Er is een prachtig museum gekomen in de nabijheid van kamp Westerbork. De koningin heeft het onlangs geopend. Daarmee is voor het eerst een stukje doek over de geschiedenis weggetrokken. Naoorlogse plattegronden van de streek doen nog niets vermoeden van wat op deze plek heeft plaatsgegrepen. Ach, die oorlog, dat is verleden tijd. Laten we de Molukkers er in onderbrengen. En toen die er uit waren, reden buldozers het kamp binnen, en wisten alle sporen weg.
Onwillekeurig denk ik terug aan een reis door Joegoslavië, enkele jaren geleden. Waar je ook kwam, elk stadje, elk dorp had wel een oorlogsmuseum, samengesteld uit nietige aandenkens: een grauwe vlag, twee vergeelde foto’s, enkele bonkaarten en een teruggevonden veldfles van Tito.
Zo’n museum kon je nooit mislopen: de VVV, de borden, en de Joegoslaven zelf brachten je voor je het wist voor het loket. Bewoners reageerden opmerkelijk koeler als je bekende dat je een oorlogs­museum nog niet had bezocht of zelfs overgeslagen. Zo iemand kon niet deugen.
Wij hebben twee reizen nodig om het kamp te vinden. De meeste plattegronden laten ons in de steek. De eerste keer brengt de fiets ons in het dorp Westerbork. Een wegwijzer, in onduidelijke taal gesteld, brengt ons niet op het spoor. Een postbode wel. Hij kijkt ons meelijdend aan: het kamp is nog minstens vijftien kilometer fietsen, bij Hooghalen. Moedeloos geven we op: de wind is straf en het regent aanhoudend.
De tweede reis brengt sukses.
Hier en daar staan wegwijzers met de weggeknede boodschap: ‘Herinneringsteken’. Zouden ze daarmee ons reisdoel bedoelen? Inderdaad. Wat moet een argeloze bezoeker zich daar bij voorstel­len?

De buldozers en de natuur hebben hun werk grondig gedaan. De bossen en de velden zijn hier erg mooi geworden. Een slinger van radiosterrenwachten wentelt zich dwars door het oude kamp en trekt een lange streep door het bos.
De weg naar het kamp is geplaveid met planeten en sterrenbeelden, in kijkkastjes gezet door Staatsbosbeheer, ten behoeve van toeristen die liever de blik hemelwaarts richten dan de pijn van de aardse geschiedenis voelen. M’n boosheid krijgt lucht door hard over hobbels en denneappels te fietsen.
Een oude wachttoren aan de rand van het veld heeft de gelijkschakeling overleefd. ‘Dit’, zegt Marieke, en grijpt van een laatste stuk hek het prikkeldraad vast, ‘dit’.
De fraaie vlakte van het kamp staart ons leugenachtig aan. Lijden, hier? Welnee. Opgepakte jo­den hier verzameld voor een enkele reis vernietiging? Het gras, de bomen, kijken ons schaapachtig aan. Molukkers hier twintig jaar lang gewoond? We weten van niets, roepen de naoorlogse jaren van sloop en ontkenning ons toe.

In een klein hoekje staat een grafsteen, volgegrift met namen van verzetsstrijders, mannen en vrouwen, opgepakt door de fascisten, neergeschoten zonder pardon.
Marieke gaat met haar rug naar het monument staan, strak en onbeweeglijk, de blik op eeuwig, de rug recht, onverstoorbaar.
‘Wat doe je nou’, roep ik bevreemd. Het duurt nog even, dan komt het antwoord: ‘Ik probeerde me voor te stellen dat ik bij die verzetsstrijders hoorde, dat ik hier met hen op een rij stond en daar, vóór ons, bewapende nazi’s, hun geweer in de aanslag. Ik wilde weten hoe het gevoeld moet hebben om hier gefusilleerd te worden’.
Ze heeft gelijk: het leed is hier alleen nog met verbeelding terug te roepen. Geschiedvervalsing, zeg ik tegen het landschap.
‘Al hadden ze maar één barak laten staan’, zeg ik tegen Marieke, ‘dan had m’n verbeelding houvast gehad; al hadden ze alleen de hekken maar laten staan, of de straatjes intakt gehouden’.
‘Hou m’n fiets ‘es vast’, zegt Marieke.
Ze loopt de velden in, met haar voeten zoekend naar een tastbaar bewijs dat hier het kamp was. Piekerend dwaalt ze door het gras. Dan valt mijn blik op het monument voor de oorlogsslachtoffers, hier een honderd meter vandaan. Twee dames van middelbare leeftijd wandelen terug en komen onze richting uit, beladen met boterhammen en thermos­kannen. Ik stel me voor dat ze hier jaarlijks een dagje van maken, uit piëteit voor een zuster, neef of nicht die hier de reis naar de gaskamer begon.
Ze passeren ons. Een raar ogenblik. Ik zie de dames denken: dat meisje daar moet even haar verdriet kwijt over een vergaste oma, oom of tante. Hun gedachten zijn zo sterk dat ik het ook e­ven denk, wel wetend dat Mariekes familie de oor­log heelhuids heeft doorstaan.
Vol eerbied lopen de dames zwijgzaam langs ons heen. Even later kwebbelen ze weer, in een stevige pas. En Marieke staat daar maar, schoppend, mompelend, zoekend.
Die dames... waar waren zij in de oorlogsjaren? Wat is hún leed geweest? Hoe diep hebben zij hun herinneringen en gevoelens weggestopt? Is hun eerbied voor Marieke plaatsvervangend voor wat ze zelf toch ergens moeten voelen?
Maar het komt niet bij hen op, het blijft onzichtbaar, evenals de schimmen van de Duitsers, de joden, de barakken, die hier allemaal geweest moeten zijn op deze kaalgeslagen en vervolgens tot kwasi–park gemaakte plek. Nog steeds mag je hier niet huilen.
‘Kijk es’, komt Marieke terug. Vol trots heeft ze wat gevonden, een stukje dakpan en een brok onduidelijk grijze steen, ‘misschien wel van een gas­oven’. Dat laatste is onwaarschijnlijk, bedenken we ons, want de mensen werden hier alleen verza­meld en voor de gek gehouden.
‘Nou ja, in ieder geval heb ik een aandenken’, beslist ze. De stenen moeten mee in onze jassen. Met een zwaar gevoel rijden we het kamp uit.
De twee dames van zoëven wijken eerbiedig opzij, en kijken nogmaals meelijdend naar Marieke. ‘Wat zielig voor dat meisje’, zeggen hun gezichten, blank van weggekneed verdriet.

31 augustus 1984

Frits Stoffels


H I J M E   S T O F F E L S    ( H I J M E )

(1907 – 1975)

zoon van Hijme Stoffels en Johanna Sophia Ca­tharina Pieters

geboren op donderdag 5 september 1907 te U­trecht, in de Damstraat hoek Bleekerkade
gereformeerd gedoopt in de Westerkerk aan de Ca­tharijnesingel te Utrecht
overleden op vrijdag 2 mei 1975 te Leiden, in het Academisch Ziekenhuis
gehuwd op vrijdag 31 juli 1942 te Leiden met

EMILIE HUBERTINE JEANNETTE VAN BRUSSEL  (EEM)

dochter van Albertus Gerardus Johannes van Brussel (geboren op 26 november 1882 te Leiden) en Anna Maria Verhoef (geboren op 12 februari 1881 te Bodegraven); dit echtpaar trouwde in Leiden op 28 augustus 1907
geboren op zondag 4 augustus 1918 te Leiden
rooms–katholiek
overleden op 4 februari 1995 te Noordwijk

Hijme en Eem kregen geen nageslacht


Een deugniet met talenten

Den 5 den september heeft mijn vrouw mij een zoon, Heimen genaamd, geschonken. Moeder en kind naar omstandigheden wel”.

Dat schreef Opa Heimen/Hijme Stoffels in zijn te New York bijgehouden dagboek, op 29 september 1907. Opa was daar na de emigratie gebleven, terwijl zijn vrouw reeds na enkele weken naar Nederland was teruggekeerd. Pas in maart 1908 volgde Opa het spoor van zijn vrouw terug naar het moederland.

Cathrien Pieters verwekte haar tweede zoontje en derde kind op haar tijdelijke onderkomen aan de Damstraat in Utrecht. Hijme was dus al ruim een half jaar oud toen zijn vader hem voor het eerst zag.

In dat eerste half jaar maakte Hijme een gevaarlijke ziekte door, “die veel zorg, inspanning en opoffering van zijn Moeder gevergd heeft”, vermeldt Opa Stoffels in zijn Geslachtsregister van de Familie Stoffels. Later kreeg Hijme maar liefst drie keer mazelen en één keer geelzucht, weet O­pa ook nog.

Hijme moet een gelukkige jeugd hebben gekend in het ouderlijk gezin. In het blad De Tabaksplant van december 1972 denkt hij, volgens de intervie­wer, “met weemoed en dankbaarheid aan het voortreffelijke gezinsleven waarin hij is opgegroeid”.

Heimen of Hijme?
Heimen, schrijft Opa zo aardig, Opa die totdantoe zelf ook zijn naam als Heimen schreef, hoewel hij officieel, zij het per abuis, als Hijme te boek stond.

De kans om deze fout in het nageslacht te korrigeren, werd om een mij onbekende reden niet door Cathrien Pieters aangegrepen. Ik denk dat ze gewoon heeft gedacht: ‘Mijn man zit aan de andere zijde van de oceaan. Laat ik m’n zoontje naar hém noemen’, en zonder nadenken wat officiële papieren meegegeven heeft aan de persoon die de boreling op het stadhuis ging aangeven. En hier­in stond, uiteraard, Hijme.

Aardig is dat Opa sinds deze tijd, die van zijn terugkeer en van zijn nieuwe zoon, zijn naam ook als Hijme is gaan spellen. En grappig dat hij in New York er niet aan twijfelde of Cathrien had zijn zoon Heimen genoemd.

een echte deugniet
Hijme bezocht een christelijke lagere school in Utrecht, en na mei 1919, na de verhuizing van het ouderlijk gezin, een christelijke school in Eindhoven. “In die periode heeft hij, in tegenstel­ling met zijn andere broers, veel kattekwaad uitgevoerd”, meldt een misnoegde Opa Stoffels in zijn Geslachtsregister.

Hierbij past een aardig verhaal van Hijmes iets jongere zuster Tine, mijn Tante Tine Boersma–Stoffels:

Oom Hijme was in zijn kinderjaren een echte deugniet. Zo had hij de gewoonte om, wanneer hij uit school kwam, bij ieder huis op de ramen te roffelen. Maar eens deed hij het ergens zó hard dat de ruiten sprongen. Dat was echt iets voor Hijme. Ook zat hij een keer in de klas en de onderwijzer was weggegaan. Hijme ging vreselijk zitten wippen op z’n stoel; z’n benen staken helemaal in de lucht. Juist op dat ogenblik trad de meester weer binnen en Hijme schreeuwde van schrik:

– ‘Och hemeltjelief!

Nou, toen kon hij helemáál op de gang gaan staan...

Hijmes karakter
Zelf maakt Oom Hijme nog melding van “reeds stiekem roken op 12–jarige leeftijd” (De Tabaksdetailhandel, december 1972). En op latere leeftijd: “Niemand die kans zag zijn binnenlandse reizen zo te larderen met bekeuringen wegens te snel rij den” (uit: afscheidsboekje uw toekomst begint nú in deze seconde, 1972).
Maar al die ‘deugnieterij’ maakten één ding duidelijk: Hijme was energiek en talentvol.
Dit brengt ons op Hijmes karakter. Wat was hij voor iemand?
Mijn man kon heel driftig zijn”, aldus zijn vrouw, Tante Eem.
Maar ook heel gezellig en joviaal:
Met Hijme hadden we thuis altijd de meeste lol als jongere kinderen”, vertelt Oom Flip Stoffels. “We mochten erg veel van hem. Zo speelde hij altijd orgel, en dan legde hij zijn brandende sigaar of sigaret op de rand van het harmonium. Wij mochten van hem dan oogluikend trekjes nemen”.
En in 1967 zei dezelfde Oom Flip tegen Hijme:
"Het was voor ons een feest als je de weekends thuis was. Je was wel onze grote broer, maar dat voelden we niet zo". Want: "Feest was het als je achter ons orgeltje ging zitten. Je waande je organist van een cathedraal, in ieder geval waanden wij dat. Je speelde Mosmans en Moortgat dat het daverde. En als 'Adoremus' aan de beurt was, waren wij je man en stonden klaar om de bladzijden om te slaan en dat deden we wel eens te vroeg omdat we popelden naar de laatste pagina als wij dan op jouw knik mochten beginnen met de bas-partij die voor het grootste deel bestond uit het spelen van twee naast elkaar liggende tonen die we in het eerst vlug maar bij het eind plechtig langzaam moesten laten uitsterven". Ook het roken hoorde bij dit feestje: "We stonden je ook terzijde bij je huiselijke orgelconcerten om je sigaret tijdens jouw spelen vast te houden en meestal tegelijk maar helemaal op te roken".

de móóiste beschrijving
Hijme ging op een speciale wijze met zijn (veel) jongere broers en zus om. “Hij behandelde ons als volwassenen”, aldus Oom Flip. “Zodra je de eerste kinderkleren was ontgroeid, praatte hij met je en deed hij tegen je of je zijn gelijke was. Dat was wel heel wat anders dan een andere oude broer. Die lag het woord ‘snotneuzen’ in de mond bestorven”.

De wellicht mooiste beschrijving van Oom Hijme vind ik in het al genoemde maandblad ‘De Tabaksplant’ van december 1972, waarin een vraaggesprek met Oom Hijme is opgenomen: “Hij ontpopte zich bij dit onderhoud als een gezellig mens”, heet het hier, “een aangename causeur met een open en prettig gezicht, dat heel peinzend en ernstig kan zijn. Ogen die U doordringend kunnen aankijken maar dan op een volgend ogenblik in een bui van vrolijkheid opklaren als een donkere dag in december onder een vleug zon”.

mijn eigen herinnering
Zelf herinner ik me Oom Hijme als een vrolijke, levenslustige en joviale man. Hij was een levensgenieter en stond open voor avontuur. Niet bepaald het type van de klassieke gereformeerde.

Ook was hij gul, en dan trakteerde hij ons, bijvoorbeeld op het strand. Altijd – hoe kan het ook anders – een dikke sigaar in de mond. Hij kon leuk orgel en piano spelen, het liefste liedjes uit de jaren dertig. Hij had ook wel iets sentimenteels of weemoedigs, zoals meer Stoffelsen.

Eigenlijk leek hij sterk op zijn oudste broer, Oom Jan, maar wat meer bravoureachtig en zonder het opvliegende van diens karakter – hoewel hij volgens Tante Eem dus wél driftig kon zijn.

Terzelfder tijd was hij ook veel zakelijker dan Oom Jan, en leek hij de dingen goed en verstandig te doordenken. Een echte durfal: lef samengebald met charme. Ik denk dat hij het mede daarom zo ver geschopt heeft. Oom Flip Stoffels omschreef in 1967 zijn broer aldus: "Je hebt, Hijme, veel verschillende aspiraties gehad en van idealen gedroomd, waarvan, geloof ik, dat van chauffeur op een greyhoundbus in de Verenigde Staten de hardnekkigste was, maar je bent de sigaren trouw gebleven. Jij hebt een fantasie en vitaliteit waarbij ik me wel eens een beetje oud ga voelen. Maar dit hebben jij en Eem steeds gehad: je hebt met je beide benen op de grond gestaan. En zo tussen ons als familie in".

Hijme beweerde vaak dat hij niet 'familieziek' was. Maar hierachter school, net als in Eem trouwens, een persoon die altijd als eerste klaar stond om bij problemen zijn familie te helpen, en  die trachtte een verbindende factor te zijn. 

maar ook zakelijk en helder
Dat hij behalve gezellig en gul ook zakelijk en helder was, vind ik ook terug in het blad ‘De Tabaksdetailhandel’ van december 1972, waarin de interviewer schrijft:

Bij ons gesprek in de eenvoudig zakelijke werkkamer van de heer Stoffels, hebben wij hem enkele vragen voorgelegd, waarop hij met een duidelijke liefde voor zijn vak antwoordde op een weloverwogen manier, zonder franjes en met een duidelijke lijn in hetgeen hij als zijn mening naar voren bracht”.

Of, nog fraaier en grappiger: “ ‘In de bovenste la rechts van de bruine kast ligt een sleutel. Die past op het kastje links in de hoek. In het derde laatje van boven liggen 8 mappen. De zesde map is een groene. Daarin zit een brief van ...... Wil je die straks voor me meebrengen?’ Zelfs tijdens een verblijf in het ziekenhuis konden medewerkers een dergelijke vraag verwachten” (uit: uw toekomst begint nú ..., 1972).

Oom Flip Stoffels: “Hijme is in zijn jongere jaren, geloof ik, tamelijk veel met zijn neef Jan Stof­fels, van Oom Eduard omgegaan”. Jan Stoffels werkte later voor de dagbladen De Standaard en De Telegraaf in Berlijn.

kerkgang keurig verdeeld
Niet bepaald het type van de klassieke gereformeerde”, schreef ik eerder van Oom Hijme. En dit klopt ook wel, want Oom Hijme heeft nooit ge­loofsbelijdenis gedaan in de Gereformeerde Kerken.

Hij had daar een goede reden voor”, meent zijn vrouw, Tante Eem. “Want hij vond dat, als hij kinderen kreeg, niet kon beloven dat hij hen in het ware gereformeerde geloof zou opvoeden als zijn vrouw rooms–katholiek was”.

Toen Hijme en Eem – zonder kinderen – in de naoorlogse jaren in het rechtzinnige Veenendaal gingen wonen, waren daarover geregeld moeilijkheden met de plaatselijke predikanten en ouderlingen.

Wij hebben onderling nooit problemen gehad op geloofsgebied”, vertelt Tante Eem. “ ’s Zondags ging Hijme naar de gereformeerde kerk en ik naar de katholieke. Hijme vertelde dan na afloop over ‘zijn’ preek, en ik over ‘de mijne’. Dat ging prima, ook financieel: we verdeelden onze kerkelijke bijdrage, de helft voor de gereformeerden, de helft voor de katholieken”.

‘problemen’ in Veenendaal
Eén keer kwam er weer zo’n ouderling”, aldus Tante Eem. “Hij sprak almaar over de ‘moeilijkheden’ die wij hadden. Maar we hadden helemaal geen moeilijkheden. Die man bleef daarover maar zeuren”.

Op een gegeven ogenblik werd Oom Hijme kwaad. “Hij trok wit weg, stond op, hield de deur open en zei:

– ‘Als u ons moeilijkheden wilt aanpraten, is daar het gat van de deur’.

En de man was meteen vertrokken”.

Met de landelijk bekende plaatselijke dominee Overduin kon Hijme helemaal niet opschieten, “want die Overduin was een nogal ijdel mannetje”, vond Tante Eem. “Bovendien begon hij met Hijme altijd over de morele verplichting van Veenendaalse fabrikanten om extra grote giften aan de Kerk te geven. Die werden dan opvallend vermeld in het kerkblad. Maar Hijme wilde daar niets van weten”.

irritant gebengel
Een ander mooi verhaal is dat van het nieuwe kerkgebouw dat er moest komen.

Tante Eem:

Ze hadden ook van die rare dingen. Er moest een nieuwe gereformeerde kerk komen, en wel naast ons huis. Iedereen had meebetaald aan het nieuwe gebouw, ook wij. Maar op een gegeven o­genblik kwamen ze aan de deur voor een éxtra inzameling: voor kerkklokken. Dat vonden we beiden gek, want als je een begroting maakt, maak dan een goeie en hou daar rekening mee. Dus daar deden we niet aan mee. Nu had Hijme later erg veel last van het gebengel van die klokken. Dan zei ik altijd tegen Hijme:

– ‘Wees maar blij dat je niet hebt meebetaald; anders had je je nog meer geërgerd!

Hijmes hartstocht: architektuur
Oom Hijme had een kunstzinnige liefhebberij: architektuur, het zelf ontwerpen en tekenen van huizen. Niet om ze te laten bouwen – afgezien van zijn huis in Noordwijk, dat hij samen met een architekt ontwierp – maar als vrijetijdsbesteding voor zichzelf.

Tante Eem:

Eindeloos kon hij bezig zijn met een ontwerp. Dan besteedde hij vele vrije weekeinden aan één enkel ontwerp. Hij stelde zichzelf een opdracht: ‘een huis voor zoveel mensen, met kamers van zo’n grootte’, enzovoort. Dat tekende hij dan tot in de kleinste bijzonderheden. Ik heb nog stapels van die ontwerpen liggen”.

In de jaren dertig werd veel gediscussieerd in het ouderlijk huis van Hijme. Oom Flip herinnert zich als veel jonger broertje: "In die jaren waren verjaardagen bij ons meestal een soort politieke teach-ins. Frits, Jan, Jaap en Hijme discussieerden om het hevigst onder het dikwijls nauwelijks geduld toezicht van pa [...] Wij zwegen. Wij hadden het hart niet. Omdat we niet mochten, maar ook omdat we niet durfden. We vreesden alarm uit de andere hoek van de kamer: Is het al zo laat? Naar bed jongens. Zo maakte moeder een eind aan onze bijdrage aan het feest. Reden waarom we dan ook meestal niet op een stoel maar op de grond en soms onder de tafel zaten".

de eerste liefde
Oom Hijmes eerste liefde heette Gon. Jaren later, toen Hijme al lang met Eem getrouwd was, belde Gon nog eens op. Ze wilde bij Hijme en Eem langskomen. Enigszins verbouwereerd zei Hijme:

– “Da’s goed”.

Maar Tante Eem, zo vertelt ze mij, dacht bij zichzelf:

– “Ze komt om mij te bezichtigen”,

en daar voelde ze niets voor. Eem zette een dienblad met thee en koekjes klaar en ging weg. Zo zat Oom Hijme daar, met zijn ex–Gon.

Doch Hijme en Eem moesten die middag nog naar een andere afspraak. Dus Eem dacht:

– “Nu moet ik maar ’ns terug. Want anders komen we te laat. Die Gon zal nu wel vertrokken zijn”.

Tante Eem: “Maar ik kwam thuis en daar zit ze nog. Dus ik moest wel een praatje met haar maken”.

Achteraf voelde Tante Eem zich “nog het meest beledigd” doordat die vrouw zo lelijk was: “Ik had zo gehoopt dat het een knappe verschijning zou zijn. Want dan had ik me kunnen strelen met de gedachte dat Hijme een mooi meisje had laten zitten om mij”.

meer vriendinnen
In werkelijkheid heeft Hijme in de jaren dertig veel meer vriendinnen versleten.
Oom Flip, jongere broer van Hijme, uit 1923, schreef in 1967 in een toespraak:
"Spannend was je wekelijkse komst soms om een andere reden. Je had ons de vorige keer aangekondigd de volgende keer in het gezelschap van een lieve dame te komen, waarvoor wij dan getraind werden in het zeggen van tante Door of tante Truus of zo. Ze kwam wel met het oog op een toekomstige familie-relatie maar wij mochten vanwege onze leeftijd nog niet te familiair tegen de dame zijn. Ik moet zeggen dat we de naam weleens tevergeefs hebben geleerd. En waarschijnlijk hebben we ook wel eens een verouderde naam gebruikt omdat om het maar zo te zeggen de situatie zich intussen had gewijzigd. Kortom we hebben als grut nog al in jouw lief en leed gedeeld. Zoals jij trouwens ook in 't onze deed".

toen kwam Eem
Reeds in 1938 hadden Hijme en Eem een verhouding. Van 10 juni 1938 stamt dit gedicht van Hijme, waaruit blijkt dat er even een kink in de kabel moet hebben gezeten:


            Vrijdagavond 10 juni 1938.

Aan Eem.

Ik zag ..... en toen wist ik, 'gevonden'!
Wilde slechts, in vrijheid gebonden,
Oprecht en spontaan
Samengaan,
In liefde voor immer verbonden.

Die liefde heeft mijn leven herboren,
Dat heerlijk geluk, mij beschoren,
Geeft mijn leven doel.
En toch ..... oh, bitter gevoel!,
Gaat 'dat schoone' nu toch weer verloren?

                                            Hijme.

het uitgestelde huwelijk
Van Hijmes huwelijk met Eem van Brussel zijn twee trouwkaarten in omloop. De trouwdag was gepland op 9 april 1942. De tweede kaart vermeldt dat het uitgestelde huwelijk nu zal worden voltrokken op 31 juli 1942.

Hoe zit dat?

Dat vroeg ik aan Tante Eem. Het gezin waarin zij opgroeide, verhuisde – binnen Leiden – om de haverklap, maar bleef als vast punt kerken in de Roomskatholieke Hartebrugkerk ter stede. Dit was tegen de regels, want als Roomskatholiek hoor je bij de kerk van je eigen wijk.

Toen Hijme en Eem gingen trouwen, diende ze derhalve dispensatie te verkrijgen van haar wijkpastoor. Doch deze kende Eem niet en was weinig genegen een positief advies uit te brengen aan zijn baas, de bisschop van Haarlem.

Wel stelde hij een onderzoek in. Hierbij kwam hij erachter dat Hijme al een jaar bezig was zich in het katholieke geloof te verdiepen, ten behoeve van een goede betrekking met zijn aanstaande vrouw. Niettemin bracht hij een ongunstig advies uit aan de Haarlemse bisschop. Deze nam het advies natuurlijk over en de toestemming kwam niet.

Oom Hijme was zó verontwaardigd dat hij een stout stukje uithaalde. Zonder audiëntie aan te vragen, stapte hij bij de bisschop in Haarlem bin­nen, praatte met de man... en stak na afloop tevreden de toestemming in z’n zak.

Een huwelijk tussen een protestant en een katholiek was tamelijk ongewoon in die jaren, en werd door beide kampen over het algemeen als ongewenst gezien. "Het begin was voor jullie niet zo feestelijk", zei Oom Flip in 1967 tegen broer en schoonzuster. "Er was nog geen paus Johannes de 23ste geweest. Daarom begon het alles met veel moeilijkheden. Als ik me goed herinner heb je nog eens opnieuw trouwkaarten moeten laten drukken. Een gemengd huwelijk is een moeilijke zaak", wist Flip als gereformeerd predikant. "Ik heb dat nogal eens tot gemengd verloofden moeten zeggen, en als ik dan zei 'toch kan het soms goed gaan' dan heb ik altijd aan jullie gedacht".

Tante Eem: ‘Je zorgt maar dat je komt!’
Mijn man kon heel driftig zijn”, zei Tante Eem boven van haar man. Maar zelf was ze ook een kranige tante. Een haar zeer kenmerkend verhaal gaat als volgt: ze was jarig. Mijn ouders woonden sedert kort in Zevenaar en hadden het eigenlijk te druk om Tante Eems verjaardag in Noordwijk te vieren. Die hadden ze overigens nog nimmer overgeslagen.

Dus mijn vader belde op met de melding:

– “We kunnen niet komen

Doch dat was buiten de Eemse waard gerekend.

– “Wát?!!!

brieste Tante Eem door de telefoon,

– “
dat kan niet hoor. Als familie zie je elkaar toch al zo weinig. En je aan de verjaardagen houden, is dan wel het minste wat je kunt doen. Dus je zorgt maar dat je komt!

En Tante Eem hing op.

Even later stapten mijn ouders, enigszins gelaten, in de auto, voor een lange rit richting Noordwijk.


Achter Westerbork

kort verhaal, door Frits Stoffels

[versie oktober 2000]

Door de bossen achter Westerbork spoedt zich een man voort. Ik stel me voor dat hij in Westerbork aankwam in de hoop dat het kamp niet ver van het dorp lag. Doch de dorpelingen schudden meewarig hun hoofd: het kamp is hier niet, vijftien kilometer verder, bij Hooghalen. Meneer kan be­ter een fiets huren.
Ik stel me hem voor op een gammele fiets: goede rijwielen zijn allang niet meer te krijgen. Een gruwelijke stilte hangt in het dorp, ligt in het landschap, spookt in de witgerijpte bossen. Schreursmaat, Essenmaat, Zwiggelte, Schattenberg. De namen geven hun verschrikkelijk geheim niet prijs.
Die man, mijn oom, komt aan bij de poort.
Het moet 1942 zijn.
De eerste opgepakte joden zijn naar dit doorgangskamp gebracht.
Zonder bedenking had mijn oom zich in het verzet gestort, samen met zijn vrouw, daarbij gebruik makend van drie voordelige eigenschappen: hij papte makkelijk met mensen en speciaal met overheden aan, hij sprak vloeiend Duits, én hij had sigaren.
Die sigaren – hij had een belangrijke baan bij een sigarenfabriek – deden af en toe kleine wondertjes en redden verscheidene mensen het leven. Zouden ze nu ook Jochanan gaan redden?

Een paar dagen geleden had hij hem nog zo gewaarschuwd: Jochanan, duik onder, ga er vandoor, uit Westerbork keert niemand weer. Maar de jongen was zo somber niet: ‘Misschien kom ik er goed vanaf. Het leven in Westerbork schijnt niet slecht te zijn. En mochten ze me naar Duitsland sturen, dan kan ik daar misschien een nieuw bestaan opbouwen. Ik heb trouwens gehoord dat vrijwel iedereen heel lang in Westerbork kan blijven. Pas na enkele maanden gaan ze ’es bekijken of je naar Duitsland moet’.
Toen Oom Hijme na enkele dagen terugkwam, was Jochanan weggehaald. ‘Naar Westerbork gebracht’, was het enige dat de buurtbewoners wis­ten.
Oom Hijme bedacht zich niet. Nog diezelfde dag zat hij in de trein naar dit merkwaardige Nergenshuizen.

Oom Hijme kwakt z’n rammelfiets tegen het prikkeldraad. Even voelen, ja, een binnenzak vol edele rookwaar. De wachtposten, zwaar bewapend, norse blik, gaan even later genoeglijk rokend voor de bijl. Een joviaal praatje had de rest gedaan en de slagbomen sprongen als vanzelf omhoog.
In het kamp, in de hoofdstraat, schuifelen allerlei vrouwen, mannen, kinderen. Het regiem heeft hun een jodenster opgenaaid. Jochanan is zo gauw niet te ontdekken.
Het kantoortje van de kommandant.
‘Wer sind Sie? Ach... Herr Stoffels! Wat kan ik voor U doen?’
Een sigaar, een grap, een grol.
Vertrouwelijk buigt Oom Hijme zich over de tafel. Hij noemt de naam van een zekere Jochanan, een joodse jongeman uit Leiden, waar hij zelf ook woont.
‘Als we van Uw eh... bemiddeling hadden geweten, hadden we de zaak nog eens rustig kunnen bekijken’, zegt de kommandant, dankbaar kringetjes blazend in z’n kantoortje. ‘Helaas kunnen we nu niets meer voor U doen. Als U enkele uren eer­der was gekomen... Schade, schade!’

Tussen Westerbork en Auschwitz hobbelt een trage trein.
Onverwacht was er extra ruimte geweest. Jochanan, juist in Westerbork aangekomen, mocht daarom meteen mee. Slechts enkele uren was hij in het kamp geweest. Woedend bijtend op een sigaar rijdt Oom Hijme o­ver hobbels en denneappels terug naar het dorp.
Tegen de tijd dat zijn trein Leiden weer binnenrijdt, wordt in Auschwitz een transport uitgeladen. Tussen al die mensen staat ook Jochanan, uit Leiden. Ze moeten meteen overstappen: de trein naar een volgend kamp, Mauthausen genaamd, staat ronkend op het perron.
De menigte wordt in grauwe veewagens geperst. Onderweg geduw en getrap om een hapje lucht. Dit is niet meer uit te houden.
In een flits springt Jochanan uit de rijdende trein. Daar ligt hij, in een open niemandsland, op een dikke laag sneeuw, de jodenster ietwat verfrommeld nog aan zijn jas. In de verte boemelen de rookbepluimde hellewagens naar de heuvels, waarachter de Endlösung ligt.
Vrij!
Maar niet voor heel lang.
Na een dooltocht door de vlakten komt hij aan bij een verlaten boerderij. Of hij... ‘Nein, keine Juden’, blaft de boer, en stuurt voor de zekerheid zijn hond achter Jochanan aan. Na een duizelende dwaaltocht wordt hij opgepakt, door soldaten die een vrachtwagen besturen, volgestouwd met een gruwelijke vracht. Jochanan wordt er bovenop gezet.
Enkele uren later rijdt Jochanan, boven op een berg lijken, een vernietigingskamp binnen. De soldaten pakken hem als een zware misdadiger bij de armen en duwen hem voort naar de beruchte bok, gevreesd martelwerktuig voor ontsnapte kampbewoners.

Lange tijd later rijden Amerikanen het kamp binnen. Ze strooien voedsel en edele rookwaar in het rond. Op een legerwagen mag Jochanan mee naar Parijs, naar Brussel, en vandaar naar Leiden. Daar belt hij aan bij mijn oom. ‘Jongen, hoe is het, hoe heb je het overleefd?’
Jochanan vertelt, en vertelt, en vertelt. Een weeë gaswalm blauwt uit zijn mond. Dan, als hij alles gehad heeft, valt hij stil. ‘Dit is de eerste en laatste keer dat ik mijn verhaal deed’, zegt hij tot besluit. ‘En, ik ga naar het Beloofde Land’. Dan valt zijn mond in het slot, voor eeuwig.


Verzet verkleed als spel

M’n broer Hijme wist al heel lang wat er in Duitsland in de jaren dertig gaande was. Want hij ging er nogal eens heen, ook naar Berlijn. En dan ging hij natuurlijk naar z’n neef Jan Stoffels, want dat was interessant. Die werkte daar als journalist”. Aldus Hijme Stoffels’ jongere broer, predikant Flip Stoffels.

Die neef, tussen haakjes, woonde al sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog in Duitsland, en werkte daar, eerst voor dagblad De Standaard, en sinds het begin van de jaren dertig als Berlijns correspondent van De Telegraaf. Samen met zijn vriend Hen Noordewier van de NRC was Jan Stoffels de best geïnformeerde journalist in Berlijn. Het duo richtte zich in tal van rapporten, tevergeefs, tot de Nederlandse regering, om haar van de ernst der ontwikkelingen te doordringen.
Hijme en Eem waren ook werkelijk bevriend met neef Jan Stoffels en diens vrouw 'Deeltje' (Adele Kunath).
Doordat Hijme al in de jaren dertig waarschijnlijk een auto had, toerde hij er rustig op los door Europa. Oom Flip Stoffels over die jaren dertig in een toespraak tot Hijme: "Je had genoeg vacantie-belevenissen te vertellen om de avond te vullen. Op die manier kregen we de kaart van Europa haast aanschouwelijk voor ons. Je weet dat vader bij zulke verhalen altijd een en al oor was. Van reizen hij gedroomd. Wij deden het toen ook".

gewone menselijkheid
Omstreeks 1942, 1943 rolden Oom Hijme en zijn vrouw, Tante Eem Stoffels–Van Brussel, in het verzet. Wat de aanleiding was? Daarover straks meer.

In 1983 heb ik, samen met mijn vrouw Marieke, een dag lang met Tante Eem over de verzetsaktiviteiten van haar en Oom Hijme gesproken.

Het maken van een afspraak hieromtrent was moeizaam: Tante Eem vond het, uit bescheidenheid, beslist onnodig dat de verzetsrol van haar en haar man op schrift zou worden gesteld: “Wat wij deden, hebben we uit gewone menselijkheid gedaan”.

Hijme en Eem deden het sámen
Gelukkig kon ik haar uiteindelijk overtuigen van het belang dat men in kleine familiekring in later tijden nog eens zou kunnen nalezen wat het echtpaar aan reddend werk heeft verzet. Want Hijme opereerde samen met zijn vrouw Eem:

Wanneer ik van Hijme praat, praat ik net zo goed van Eem”, aldus Oom Flip Stoffels. “Want zij deed in alles keihard mee. Een kranige vrouw. Ook toen Hijme gevangen zat, heeft ze van alles gedaan. Uiteindelijk was het, geloof ik, hun vriend Roel Harder die Hijme vrij heeft gekregen”.

Een kleine noot: tijdens ons gesprek met Tante Eem heeft deze niet gerept van een gevangenschap van Oom Hijme. Wél van één arrestatie.

En toch moeten er twéé zijn geweest. In een van Oom Hijmes vakbladen, De Tabaksdetailhandel, van december 1972, lezen we: “Tweemaal werd hij gearresteerd, maar kwam door louter toeval toch weer vrij”.

strijd tegen onrecht
Mijn vader, Kees Stoffels, is eenzelfde mening toegedaan over Tante Eem: “Zij ondersteunde het verzetswerk van Oom Hijme waar het maar kon”.

Tante Eem:

Mijn man zag de situatie al vrij vroeg scherp in. Ik deed wel direkt spontaan mee, maar hij moest mij toch overtuigen. Pas later zag ik in hoe scherp en juist hij de toestand beoordeeld had”.

Waarom eigenlijk dat verzetswerk?

Volgens Tante Eem hadden ze maar één, simpel motief: “Strijd tegen onrecht”. En voor Oom Hijme gold een eigen levensmotto:

Eén stelregel heeft echter altijd bij de heer Stoffels voor ogen gestaan: ‘de belangrijkheid van het leven wordt bepaald door het nut, dat het voor anderen heeft’. Een stelregel, die hij vasthield en ook in praktijk bracht” (‘De Tabaksdetailhandel’, december 1972).

een jood voorspelde alles
Tante Eem heeft ook een nog iets uitgebreidere en genuanceerdere versie van bovenstaand verhaal:

Kort na de bezetting wandelden we eens op straat met een jood. Die voorspelde ons in grote trekken alle maatregelen die de Duitsers zouden gaan nemen: aanvankelijk zou je niets merken, dan zouden er steeds meer inperkingen komen. Vervolgens zou het via werkkampen en wreedheden tot oorlogsmisdaden komen. Die man zei:

– ‘Binnen een paar jaar is alles heel anders dan nu’.

Op dat ogenblik geloofden we hem niet, want er was weinig te merken van de bezetting. Toch bleef de voorspelling van die man ons bij. Vooral Hijme zag voor zichzelf steeds scherper hoe de Duitsers geleidelijk hun Endlösung doorvoerden. Daarom o­vertuigde hij mij van de noodzaak om verzetswerk op te zetten, op een moment dat alles, naar de schijn gemeten, nog meeviel”.

zonnige kaartjes uit het werkkamp
Pas later werd Eem zelf ook feller in haar o­ver­tuiging en in haar verzetswerk. Ze vertelt:

Inderdaad moesten joden op een gegeven ogenblik naar werkkampen. Toch leek dat toen nog niet bijzonder alarmerend: je bleek die kampen te kunnen doorstaan. Van bevriende joden die naar een werkkamp werden afgevoerd, kwamen aanvankelijk zonnige kaartjes binnen: ’t was allemaal goed in die kampen, mooi weer, goed eten enzovoort”.

De waarheid bleef nog verborgen:

Van concentratiekampen en gaskamers hoorde je pas veel later. Toch waren Hijme en ik overtuigd dat deze schijn bedrieglijk was”.

Vooral toen de Duitsers razzia’s gingen houden, groeide Eems eigen motivatie krachtig.

twee karakters, één streven
Eem groeide in haar rol, die wonderwel bij haar karaktereigenschappen paste. Was Hijme meer de joviale levensgenieter, die gemakkelijk met mensen en autoriteiten aanpapte, Eem moest het van haar kranigheid hebben. Oom Flip Stoffels:

Eem had haar moeilijke kant. Ze was niet wat je een gemakkelijk mens noemt. Ze kon nogal eens zakelijk overkomen en haar oordeel scherp. Maar ze was ook voor zichzelf niet zo gemakkelijk of toegeeflijk. Ik denk dat dat alles te maken had met dat ze knokken kon. Niet alleen voor zichzelf, maar ook en vooral voor anderen. Ze was daadkrachtig, hulpvaardig en veel gevoeliger dan ze liet blijken. Trouw was ze en dan zo ontvankelijk”.

Twee karakters bleken één in streven. Oom Flip:

Ik heb dat een beetje van dichtbij mogen meemaken. Als vanzelf zijn ze toen in het verzetswerk terechtgekomen. Met een soort vanzelfsprekendheid zijn ze in de bres gesprongen voor die joodse kinderen en ze hebben er vele gered. Ook anderen, joden en niet–joden, hebben aan hun inzet veel, zo niet hun leven te danken. Daarbij heb ik haar nooit echt bang gezien”.

een eigen stijl: die van het spel
Oom Hijme had volgens Oom Flip Stoffels een eigen stijl van verzet tegen de Duitsers:

Als ik nou het verzet in de Tweede Wereldoorlog kort moet karakteriseren, dan zou je kunnen zeggen dat er grofweg twee vormen bestonden: aan de ene kant de hardere jongens, de knokploegen, de mensen die overvallen op touw zetten, en aan de andere kant de mensen van het spel”.

Oom Hijme was typisch iemand van het spel. Oom Flip:

Hij papte aan met Duitsers, wist hen gunstig te stemmen met sigaren, of met kaas waar hij dan op een of andere manier aan was gekomen. En zo kreeg hij allerlei dingen voor elkaar. Hij heeft nooit geweld gebruikt. Niet zozeer uit beginsel, dacht ik, maar omdat dat niet paste in zijn spelstrategie. Hij hoorde ook niet bij een groep of zo. Dat wilde hij niet, of dat vond hij niet nodig, al stond hij er natuurlijk wel op allerlei manieren mee in verbinding”.

Mijn vader Kees Stoffels vertelt een soortgelijk verhaal:

Een van Hijmes belangrijkste aktiviteiten tijdens de oorlog was het onderhandelen met autoriteiten. Hij was op dat gebied nogal begaafd. Bovendien sprak hij vloeiend Duits. Zo maakte hij bijvoorbeeld gebruik van kontakten op het Binnenhof, waar zich de Grüne Polizei bevond”.

niet bij een groep, het liefst geen geweld
Ook Tante Eem vertelde mij dat zij en Oom Hijme niet bij een verzetsgroep waren aangesloten:

Dat vonden we te gevaarlijk. Hoe minder betrokkenen, hoe minder gevaar. Wel hadden wij in het verzet veel met andere groepen te maken”.

Tante Eem noemt in dit verband de Groep–83, de groep van Johannes Post, de groep van Hannie Schaft en de verzetsgroep van Rijnsburg, die bijzonder krachtdadig werk heeft verzet.

Inderdaad meden Hijme en Eem alle vormen van geweld:

We hebben samen heel veel gediskussieerd over het gebruik van geweld. We kwamen tot de slotsom dat dit alleen in uiterste noodgevallen reëel zou zijn, bijvoorbeeld ten opzichte van het slachtoffer, of ten opzichte van het verzetswerk. Want schoot je er één dood, dan wist je dat de Duitsers gerust tien onschuldigen tegen de muur zouden zetten als wraak. Een eventueel gebruik van geweld moest altijd bespreekbaar blijven en te verantwoorden zijn. Wij hadden overigens wel twee revolvers in huis, voor het geval”.
Commentaar van onderzoeker Leonard Kasteleyn:
Je tante heeft haar eigen rol en die van je oom wel érg gerelativeerd. Ik heb een verzetsman gesproken die me uitdrukkelijk vertelde dat er geen vergadering van ook maar enig belang was, of die werd in huize Stoffels op de Cronesteinkade gehouden”.

wie bereikten meer?
Veel mensen denken bij de term verzet aan a­vontuurlijke en spektakulaire daden”, meent mijn Oom Flip:

Je kunt evenwel de vraag stellen of de mensen van het spel niet veel méér hebben bereikt. Wanneer ik nu wel eens die clubs van oud–verzetsstrij­ders zie, met rissen onderscheidingen, kan ik een zeker wantrouwen niet onderdrukken. Wat waren dat voor mensen in de oorlog? Ik heb vaak het i­dee dat het toen ook maar opgeschoten avonturiers waren, of opportunisten, of wat dan ook. Zo helder was dat in de oorlog heus niet, al lijkt het nu, achteraf, vaak zo”.

Ook Hijme en Eem zélf hadden in de oorlog hun bedenkingen tegen tal van ‘verzetsmensen’.

Vooral na Dolle Dinsdag zag je dat steeds meer mensen zich bij het verzet aansloten”, vertelt Tan­te Eem. “Mensen die voorheen te laf waren geweest. Nu de Duitse ondergang voorspelbaar was, werden ze ineens ‘verzetsmensen’”.

een onderscheiding van de staat Israël
Die ‘rissen onderscheidingen’ werden kennelijk niet voor Hijme en Eem klaargelegd, althans in eigen land.

Wél kregen zij, in 1968, van de staat Israël de Jad–Wasjeem–onderscheiding, die totdantoe aan slechts enkele tientallen Nederlanders was uitgereikt. In mei van dat jaar gingen Oom Hijme en Tante Eem naar Israël om van de regering deze onderscheiding voor hun hulp aan joden in de Tweede Wereldoorlog te ontvangen.

Bij de uitreiking behoorde het planten van een boompje, naar ik meen voorzien van Oom Hijmes naam (of van Hijmes en Tante Eems naam beiden).

Die uitreiking ging daar in Israël niet onopgemerkt voorbij:

Bij zijn aankomst op het vliegveld in Tel Aviv waren al tientallen Israëli aanwezig ter verwelkoming, waarmee een duidelijke dankbaarheid voor de van hem ondervonden hulp in de oorlog werd gedemonstreerd”, heet het van Oom Hijme in het blad De Tabaksdetailhandel van december 1972.

toch een ridderorde, en een verzetskruis
Wel heeft Oom Hijme in 1973 een ridderorde gekregen. Niet alleen, maar mede om zijn rol in het verzet. Toen de Ridder in de Orde van Oranje–Nassau in 1975 stierf, moest Tante Eem de versierselen weer inleveren: “Nou, dat was me wat. Want waar had hij die ridderorde gelaten?

Tante Eem keerde het huis in Noordwijk wel tien keer ondersteboven, maar het ding wilde niet tevoorschijn komen. “Uiteindelijk heb ik hem gevonden. Mijn man had de ridderorde in een simpel pennedoosje gestopt, waar ik wel honderd keer o­verheen gekeken had gekeken”.

Dertig jaar na afloop van de oorlog werden verzetskruisen uitgereikt aan aktieve verzetsmensen. Tante Eem wilde echter geen onderscheiding, hoe­wel velen haar aanmoedigden zo’n kruis aan te vragen. Toch kwam het er van:

Ik was een keer in Hoofddorp bij de uitreiking van een verzetskruis aan een verzetsman die ik goed had gekend. Daar hield Prins Bernhard een toespraak waarin hij zei dat zo jammer was dat slechts weinig mensen een verzetskruis aanvroegen”.

Maar Tante Eem wilde nog immer niet.

Uiteindelijk heeft ze toch een kruis aangevraagd. “Niet voor mezelf, maar voor mijn overleden man”. Ze wilde echter geen toespraken en bloemen, dus ze liet het gewoon opsturen.

zwijgzaam over eigen rol
Al met al kon in de oorlog bij familie en betrekkelijke buitenstaanders de indruk ontstaan dat Hijme zich helemaal niet met verzetswerk bezighield.

Oom Flip Stoffels:

Hijme en Eem speelden het spel zó goed dat ik in de eerste oorlogsjaren wel eens geërgerd dacht:

– ‘Nou, die Hijme doet ook geen lor aan verzet’.

Hij praatte er ook niet zo veel over. Pas gaandeweg werd me duidelijk waarmee Hijme en Eem bezig waren. Dat het verzetsmensen van de beste soort waren. Na de oorlog hebben ze me natuurlijk de meeste verhalen wel verteld. Maar over het algemeen hoorde je hen er niet over”.

Dat wordt bevestigd in een vraaggesprek, Oom Hijme bij gelegenheid van zijn pensionering afgenomen door het al enkele malen genoemde blad De Tabaksdetailhandel en hierin afgedrukt in december 1972:

Zo is velen niet bekend, dat de heer Stoffels gedurende de oorlog enorm veel heeft gedaan voor Joodse medeburgers (...) De heer Stoffels praat niet graag over die sombere oorlogsjaren. Hij is ook niet bereid veel te vertellen over wat hij (en zijn vrouw) deed in de wetenschap, dat hij grote risico’s nam”.

weinig weten was veiliger
De verzetsmensen wisten weinig van elkaars persoonlijk leven, vaak niet veel meer dan de schuilnaam, daar dat veiliger werd bevonden.

Tante Eem droeg in verzetskringen de schuilnaam Amalia. Oom Hijme bediende zich niet van een schuilnaam.

Mijn oudoom Bert Storm (1894–1980), brandmeester bij de om haar verzetswerk roemruchte brandweer te Leiden, een oom van mijn moeder, en eveneens een onverschrokken verzetswerker (‘koelbloedig’ en ‘superbetrouwbaar’), werd door Tante Eem gekend als De Vlam, wegens zijn werk bij de brandweer, waar hij al voor de oorlog duidelijk stelling had genomen tegen het fascisme.

Een zoon van Bert Storm, Bart Storm, bezat tijdens zijn leven een brief van een oud–verzets­man. Die legde hierin getuigenis af van het verzetswerk van Bert Storm. In diezelfde brief wordt echter ook Oom Hijme genoemd als behorend tot de belangrijkste verzetsmensen van Leiden.

Hijmes omkooppraktijken
Van Tante Eem hoorde ik dat zij en Hijme ongeveer twintigduizend gulden in hun verzetswerk hebben gestoken. Een deel daarvan diende tot het omkopen van Duitsers of NSB–ers, om bepaalde maatregelen ongedaan te maken.

Tante Eem:

Je kon beter met Duitsers te maken hebben dan met NSB–ers. Duitsers waren vaak omkoopbaar, terwijl NSB–ers daar te fanatiek voor waren”.

Dat omkopen, waarmee Oom Hijme heel wat voor elkaar kreeg, ging dan meestentijds ongeveer zo: hij stapte op de desbetreffende Duitse instan­tie af, papte daar aan met een of meer sleutelfiguren, en kwam dan, steeds en steeds vaker, terug. Met nóg weer eens extra sigaren. Op den duur kregen ze door dat hij op die wijze iets van hen wilde, en daar gingen ze dan nogal eens op in.

Eén keer had Oom Hijme toch geweld in zijn achterhoofd. Oom Flip:

Ik weet wel dat hij één keer een pistool in huis had. Dat weet ik, omdat ik toen zelf een tijd bij Hijme en Eem in huis was, ondergedoken. Dat pistool had hij gekregen omdat het op een gegeven ogenblik erg gevaarlijk dreigde te worden. Maar uiteindelijk kon hij er niks mee, of het was niet meer nodig. Toen heb ik het pistool moeten wegbrengen, dat weet ik nog”.


Licht in het donker

(1)

Hoe zijn Hijme en Eem in het verzetswerk gerold?

Het echtpaar woonde in de oorlogsjaren op Cronesteinkade 20 in Leiden. Oom Hijme woonde daar sinds 1 april 1942, met de bedoeling hier samen met Eem te gaan wonen na hun trouwerij, gepland op 9 april, die toen aanvankelijk niet doorging.
Tante Eem vestigde zich bij Hijme in de loop van 1942, toen beiden getrouwd waren. Naast hun huis was een joods tehuis gevestigd. ’t Was een tehuis voor verweesde kinderen en kinderen van ongehuwde moeders.

Op een gegeven ogenblik mocht het tehuis van de bezetter alleen nog joods personeel aannemen. Dat bracht het tehuis in moeilijkheden, vooral op de wekelijkse sabbat. Dan moesten allerlei karweitjes gedaan worden die joden op die dag ontzegd zijn.

Ik meen van Tante Eem begrepen te hebben dat het aldus ging: Hijme en Eem hadden nooit iets van doen gehad met het joodse tehuis. Op een dag werd bij Hijme en Eem aangescheld: iemand van het tehuis. Of meneer het licht wilde komen uitdoen op de sabbat.

van het een op het ander
Van het een kwam het ander. Hijme en Eem knapten, ook op andere dagen, steeds meer klusjes voor de verpleegden op. Het eindigde ermee dat ze tot aan hun nek in het verzet zaten.

Mijn Oom Flip Stoffels, in een feestrede uit 1967 bij het vijfentwintigjarig huwelijk van zijn oudere broer Hijme met Eem schrijft het volgende:

Een (...) schaduw over het begin van jullie huwelijk was de oorlog, 31 juli 1942 was midden in de oorlog (...) Jullie hebt, geloof ik, van [de] eerste dag af te maken gehad met de oorlog of beter gezegd met de misere en de gruwel van de duitse bezetting. Vooral omdat je naast een tehuis woonde waarin afstammelingen van dat oude Israel waren gehuisvest”.

had Wohldeit het gezien?
Een fraai sukses in zijn ondersteuning van het joods tehuis boekte Oom Hijme nadat enkele jongens die daar werden verpleegd op transport naar Westerbork werden gezet. Door bemiddeling wist hij hen daar uit te krijgen.

Op deze weg ging Oom Hijme voort. Allerlei mensen wist hij te redden voor een transport naar Westerbork of de arbeidsinzet in Duitsland. Daar­toe had Hijme echter stempels van de spoorwegpo­litie nodig. Die lagen op het Binnenhof in Den Haag, op de Kommandantur van de Wehrmacht. Hijme Stoffels wist ter plekke een relatie op te bouwen met kommandant Wohldeit, die hij zich gaandeweg ten nutte wist te maken, waar het ook om begonnen was.

Het was Hijme bekend dat er een vinnige competentiestrijd gaande was tussen de Wehrmacht en de SA. In een aantal gevallen wist Hijme die twee handig tegen elkaar uit te spelen als dat nuttig was.

Om de stempels te krijgen, ging Hijme naar Wohldeit op het Binnenhof. Daar wachtte hij een kans af. Eens, toen Wohldeit even het vertrek verliet, bedacht Hijme zich geen ogenblik, aldus Tante Eem, en drukte hij snel een groot aantal stempels op een vel papier af.

Terwijl hij hiermee nog bezig was, kwam Wohldeit weer binnen. Het kon Wohldeit welhaast niet ontgaan zijn, maar hij ging er niet op in, of had het werkelijk niet in de gaten. Hijme is altijd blijven twijfelen of Wohldeit het nu opgemerkt had of niet.

de overval op de Weteringschansgevangenis
Al vroeg in het verzet vond een overval plaats op een gebouw aan de Amsterdamse Weteringschans”, vertelt mijn vader. “Daar waren, na de allereerste razzia’s, Amsterdamse joden bijeengebracht. Het verzet wilde zoveel mogelijk mensen bevrijden, met geweld”.

Hijme en Eem deden ook aan de voorbereiding mee, vertelt Tante Eem, en ze waren volledig van de plannen op de hoogte. Toch lieten ze de uitvoering aan anderen over, wegens hun bedenkingen tegen het gebruik van geweld.

Overigens dicht mijn vader zijn broer Hijme wél een aktieve rol toe bij de overval op de Weteringschans: “Hij heeft toen meegeholpen joden uit de Weteringschans te halen”.

Wellicht heb ik hetzij bij Tante Eem hetzij bij mijn vader iets verkeerd begrepen of opgeschreven. Want de overval op de Weteringschans (eigenlijk het Kleine–Gartmanplantsoen) greep niet in de beginfase van het verzet of van de aktieve jodenvervolging plaats, maar op 1 mei 1944, onder leiding van Gerrit van der Veen. En deze o­verrompeling betrof geen gewelddadige bevrijding van joden, doch van mensen uit het verzet. De 1–mei–poging mislukte overigens, en werd op 14 juli 1944 door Johannes Post herhaald, eveneens zonder sukses.

Oom Hijmes donderpreek: ‘Duik onder!’
In de begintijd van het verzet, leek het, zoals gezegd is, allemaal zo erg nog niet. Ook vele joden dachten – of hoopten tegen beter weten in? – dat ‘het’ allemaal nogal zou meevallen. Zo was er in het joods tehuis naast de woning van Hijme en Eem een vrouw met drie kinderen. Ze ontving een oproep voor een werkkamp in Duitsland, voor hen alle vier.

Tante Eem:

Ze dacht:

– ‘Och, een werkkamp. Waarom niet? Dat moet te doen zijn’.

Verscheidene mensen gaven haar de raad onder te duiken. Maar daar gaf ze geen gehoor aan. Ze wilde best naar zo’n werkkamp, en bovendien vond ze onderduiken eng. Velen zagen gewoon de ernst van de toestand niet in”.

Toen oom Hijme ervan hoorde, ging hij meteen naar haar toe.

Om half acht ’s avonds moest ze vertrekken”, verhaalt Tante Eem. “Hijme kwam daar om kwart over zeven, een kwartier voor vertrek. Ja hoor, daar stond ze, met haar drie kinderen, de rugzak­jes vol, en alles keurig in orde. Hijme werd toen ontzettend kwaad. Hij stak een donderpreek tegen haar af dat ze niet wilde onderduiken. Eindelijk gaf ze toe, en in die paar minuten bedenktijd besloot ze alsnog onder te duiken. Wij hebben toen een onderduikadres voor haar geregeld”.

Brammetje Degen
In het tehuis zat ook een joods jongetje, Bram­metje Degen geheten, samen met zijn moeder, die ongehuwd was. Eens kwam een oom van Brammetje daar op bezoek. Deze wist te melden dat Bram­metjes vader geen jood was. Dat maakte voor de Duitsers verschil.

Tante Eem:

Toen Hijme dat hoorde, maakte hij er meteen werk van. Inderdaad bleek er een notariële akte te bestaan waarin Brammetje en zijn moeder verklaard hadden te weten wie de vader was. Maar dat was niet zo, in werkelijkheid hadden ze geen idee gehad. Maar toen ze met z’n tweeën bij de notaris hadden gezeten, en daar de naam van de vader moesten noemen, hadden ze, op dat moment, toevallig uit het raam gekeken en een vrachtwagen zien voorbijrijden. ‘Van Klaveren – Vlaardingen’ had erop gestaan. Brammetje en zijn moeder hadden toen die naam opgegeven”.

een keurige man
Oom Hijme kende die malle achtergrond natuurlijk niet. Hij dacht met Van Klaveren wérkelijk Brammetjes vader gevonden te hebben.

Tante Eem:

Hij er achterheen, naar Vlaardingen, om die man over te halen een verklaring te tekenen dat ook hij zijnerzijds erkende de vader te zijn. Hijme postte een tijd voor het huis, om de man onder vier ogen te kunnen spreken. Maar er gebeurde niets. Het leek hem wel allemaal wat vreemd, want, zo te zien, ging het om een keurig huisgezin”.

De man bleek Nederlands Hervormd te zijn.

En zo ging Hijme naar de Hervormde predikant om erover te praten. Maar deze leek het ook een onwaarschijnlijk verhaal. Want hij kende Van Klaveren als een keurige man, al was hij vroeger zeeman geweest... “.

Van Klaveren bijna met Hijme op de vuist
Opnieuw toog Hijme naar Van Klaveren, en hij wachtte tot deze uit zijn huis kwam. Hijme schoot hem aan.

De man werd meteen heel agressief”, aldus Tante Eem, “want al vaker had iemand hem hiero­ver aangeschoten, en hij was écht de vader niet... De man wilde meteen met Hijme op de vuist. Hijme stond te trillen op z’n benen, maar zei, met de moed der wanhoop:

– ‘Dat zou ik maar niet doen, mannetje. Je weet niet of ik toevallig sterker ben’.

Gelukkig kwam de man tot bedaren”.

Uiteindelijk stemde Van Klaveren er morrend in toe een verklaring te ondertekenen, al was hij wérkelijk de vader niet! Maar Brammetje was in elk geval gered.

Gevallen als dat van Brammetje Degen deden zich vaker voor in het joodse weeshuis. Er zaten vele kinderen van ongehuwde joodse moeders. Wanneer er een niet–joodse vader bleek te zijn, was dat een stuk gunstiger. Talloze malen zorgde Hijme voor notariële akten waarin allerlei willekeurige mensen verklaarden vader te zijn van een hun in werkelijkheid volslagen onbekend kind uit het tehuis.

van de nood een deugd
Uiteindelijk werd het joodse tehuis door de Duitsers leeggehaald. Indrukwekkend was dat de kinderen zingend het pand verlieten, herinnert Tante Eem zich.

In het pand werd nu een Bureau voor de afvoer van burgerbevolking gevestigd”, weet ze zich ook nog voor de geest te halen.

Doch van deze nood kon een deugd worden gemaakt. Tante Eem: “Gelukkig zat daar ook een stel bevriende agenten op dat bureau. We konden voor elkaar krijgen dat op zolder een zwaar zieke onderduiker werd gehuisvest. Hij kreeg er een bed en werd er verpleegd”.

Slechts één meisje uit het joodse weeshuis is na de oorlog teruggekeerd uit het concentratiekamp. Tante Eem: “Zij trouwde in het kamp met een violist, om vrij te komen. Die violist speelde namelijk in een orkestje dat de opdracht had de kampleiding te vermaken”.
Leonard Kasteleyn in 2000:
Dat meisje dat met die violist trouwde, heeft inderdaad de oorlog overleefd. Maar vraag niet hoe! Ze is zwaar mishandeld en diende als proefkonijn voor de experimenten van Mengele. Ze leeft nog, maar wil nergens over praten”.

In 1973 werd door Q–produkties een brochure uitgebracht: Een pot piccalilly voor Westerbork. In een zeer beperkte oplaag van tachtig exemplaren wordt hier een journalistiek verslag gegeven van de gebeurtenissen rondom het Joodse Weeshuis in de oorlogsjaren. Oom Hijme en Tante Eem worden er veelvuldig in genoemd.

joden weggehaald uit Westerbork
Oom Hijme heeft ook joden uit Westerbork weten weg te halen”, is een van de dingen die mijn vader te binnen schieten wanneer hem gevraagd wordt naar de verzetsgeschiedenis van zijn oudere broer.

Vaak snapten de joden amper waarom ze daar uit Westerbork weggehaald moesten worden”, vervolgt hij. “Velen waren zich niet echt bewust van de gevaren die hen bedreigden. Oom Hijmes voornaamste werk was het regelen van onderduika­dressen voor joden. Zelf hebben hij en Eem ook joden in huis gehaald”.

tweemaal naar Westerbork
Tweemaal is Oom Hijme zelf naar Westerbork getogen. Eén keer om voedsel te brengen. Een andere keer om een joodse jongen, Ben, een knaap van zeventien, vrij te krijgen. Dat laatste mislukte, vertelt Tante Eem. Want, tegen de gebruikelijke gang van zaken in was Ben zonder dralen doorgestuurd naar het vernietigingskamp Auschwitz.

Bens ouders zaten eveneens ondergedoken. Doch zijn moeder wist niets van het lot van haar zoon. Men wilde haar die mededeling vooralsnog besparen.

Tante Eem vertelt:

Het liep raar af. In Auschwitz aangekomen, werd Ben doorgestuurd naar Mauthausen. Met talloze andere joden werd hij in een trein geperst. Onderweg geduw en getrap om een hapje lucht. Het was niet uit te houden. Ben liet zich uit de trein vallen en kwam terecht in een dikke laag sneeuw. Na een aantal uren kwam hij weer bij bewustzijn. Hij liep naar een boerderij en vroeg daar om onderdak, maar de boer weigerde”.

Bens gruwelijke belevenissen
Ben werd toch weer opgepakt, en op een vracht­wagen gezet, boven op een berg lijken, in de richting van een vernietigingskamp.

Tante Eem:

Daar moest hij naar de beruchte bok, een martelwerktuig voor mensen die uit een kamp ontsnapt waren. Dan werden ze afgeranseld. Toen Ben aan de beurt was, kreeg de officier plotseling medelijden. Ben werd vrijgesteld van de afranseling”.

Uiteindelijk, na een lang verhaal, liep alles nog ‘goed’ af:

Aan het eind van de oorlog werd Ben bevrijd door twee Amerikanen. Niettemin een kritieke tijd, want vele gevangenen gingen alsnog dood doordat ze opeens weer onbeperkt konden eten, en dan te veel en te snel aten. Ben deed daaraan niet mee, want dat leek hem niet verstandig”.

Met een Amerikaans peloton reed Ben mee naar Parijs. Via Brussel kwam hij onverwacht in Leiden aan, bij Hijme en Eem. “Hij kwam bij ons, want hij durfde niet naar zijn ouders”, vertelt Tante Eem. “Hij had zoveel gruwelijkheden meegemaakt dat hij het hun niet kon vertellen. Na een tijdje heeft hij ons in één ruk het hele verhaal gedaan en voor de rest van zijn leven hierover gezwegen. Nu woont hij in Israël, getrouwd en met kinderen. Maar ook hun heeft hij nooit iets verteld”.


Gevaren van overal

(1)

Zoals ik al eerder aanstipte, was een der voornaamste aktiviteiten van Hijme en Eem het centraal regelen van onderduikadressen. In eerste aanleg werden de onder te duiken joden bij Hijme en Eem gehuisvest; vandaaruit zorgde het echtpaar dan voor een adres ergens in den lande. Zo hielden die twee vaak tien onderduikers tegelijkertijd in hun huis verborgen.

Het was een komen en gaan”, vertelt Tante Eem. “En ik heb dikwijls door het hele land gezeuld met kinderen om adressen te vinden. Zo her­inner ik me een meisje dat maar nergens kon aarden. Ik ging overal met haar heen, bracht haar ergens onder, maar moest haar dan weer komen ophalen omdat ze nergens paste. Waar ik toen allemaal niet geweest ben! Met de trein, eindeloze fietstochten, gesjok door polders naar afgelegen boerderijen... “.

In noodsituaties moesten Hijme en Eem wel eens tien adressen in één uur tijds zien te regelen. “Soms lukte het iemand onder te brengen bij een familie van eenzelfde achternaam”, aldus Tante Eem. “Dat was dan natuurlijk een mooie oplossing”.

Ook moesten Hijme en Eem wel eens iemand weghalen wanneer de buurt verdenkingen begon te koesteren, bijvoorbeeld wanneer de onderduiker bij een boer was gehuisvest en de aangrenzende boeren opmerkingen begonnen te maken als:

– ‘Hé joh, dat lijkt wel een joods kind!’.

Dan werd het gevaarlijk.

hondegeblaf en laarzengedreun
Op een keer waren Hijme en Eem getipt over een inval die zou gaan plaatsgrijpen bij een familie die tien joden had verstopt. Ze hadden precies één uur de tijd iets te ondernemen.

Tante Eem: “Hijme sprong meteen op de fiets en gaf het bericht door. Maar waar moesten al die joden in één uur tijds naartoe worden gebracht? Gelukkig kwamen ze op een idee. Buiten Leiden lag een loods, en daar gingen ze naar toe”.

Op de volgende dag zei Hijme:

– ‘Die mensen moeten toch wat te eten hebben’.

Hij stuurde er iemand heen, op de fiets, met een pannetje eten. Tante Eem:

Toen die man in de buurt kwam, schrok hij zich lam. Hij hoorde geblaf van honden en zag gelaarsde mannen in uniform rondlopen.

– ‘Ontdekt’

dacht hij. Voorzichtig fietste hij verder. Toen hij bij de loods kwam, haalde hij opgelucht adem. Want wat bleek nu? Bij de loods was een vereniging van hondendresseurs aan het oefenen! Tegen wil en dank werd hij meteen tot lid van die hondenclub gemaakt. De joden in de loods kregen hun eten. Maar wát waren ze geschrokken van al het geblaf en die dreunende laarzen!

ook familie geholpen
Mijn vader en zijn broers Flip en Nico hebben alledrie gedurende langere tijd bij Hijme en Eem in huis doorgebracht. Enerzijds om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen, wat met hulp van Hijme gelukte, anderzijds omdat ze niet genoeg te eten hadden. Mijn vader: “Hijme heeft veel, heel veel voor ons gedaan”. En Oom Flip schrijft in een feestrede, op 19 augustus 1967 gehouden bij gelegenheid van het vijfentwintigjarig huwelijk van Hijme en Eem:

Omdat ik in die Leidse jaren nog al eens vaak bij jullie in huis heb mogen zijn weet ik er iets van hoeveel je toen hebt gewaagd en betekend voor Joden in’t meest maar ook voor anderen. Dat was een zaak waarin jullie samen en naast elkaar hebben gestaan met een verantwoordelijkheid en moed, waaraan ik nog steeds met respect terugdenk. Niet in’t minst hebben jullie toen veel voor ons (...) gedaan. Kees en ik die toen in de termen vielen, om door de duitsers te worden weggevoerd hebben aan jullie zorg bemoeiing en gastvrijheid te danken dat wij hier gebleven zijn en misschien zelfs ook dat we in leven gebleven zijn”.

papieren en baantjes
Oom Hijme zorgde voor valse papieren en regelde voor mijn vader een baantje in het centrale–verwarmingsbedrijf van Bouwman in Leiden. Zo leerde hij het verwarmingsvak, waaraan hij zijn verdere leven wijdde. Voor Oom Flip regelde Oom Hijme een baan in een, ’t kon niet missen, een sigarenwinkel. Een optelsom leert dat Hijme ruim vierhonderd op uiterst professionele wijze vervaardigde vervalsingen van persoonsbewijzen maakte. Door contacten op het stadhuis kwam hij aan blanco persoonsbewijzen, en thuis oefende Hijme flink op handtekeningen van ambtenaren, die hij vervolgens zonder enige zweem van aarzeling aan het document toevertrouwde . Vele velletjes oefenhandtekeningen zijn in zijn nalatenschap aangetroffen. Naar believen vulde hij blanco persoonsbewijzen in, of veranderde geboortejaren, of bezorgde iemand een volledig niet-joods voorgeslacht.

een gevaarlijke onderduiker
Eens hadden Hijme en Eem een gevaarlijke onderduiker in huis, E. geheten. Zoiets kwam trouwens wel vaker voor. Mijn vader: “De joden bij hen in huis waren nogal eens onvoorzichtig. Als Tante Eem er niet was geweest om hen in het oog te houden, zouden Hijme en zij al lang opgepakt zijn geweest”.

Die E. was nogal roekeloos, en moeilijk aan regels te binden. “Een beweeglijke man”, aldus Tante Eem, “helemaal geen type om onder te duiken. Wij wisten geen raad met hem. Toen vonden we een oplossing: als we hem met valse papieren, waarin hij als niet–jood te boek zou staan, naar de arbeidsinzet in Duitsland stuurden, zou dat beter zijn voor zijn eigen veiligheid. Hij liep daar minder gevaar, hij kon zich daar dan vrij bewegen. Want bij onderduiken in Nederland zou hij vroeg of laat toch opgepakt worden”.

Elchanan wordt ‘Jozef Bonnet’
Hijmes neef, de al gememoreerde Jan Stoffels, verslaggever in Berlijn, had aldaar kontakten met het Zweedse konsulaat. Zo werd Jan ingeschakeld om voor een Zweeds persoonsbewijs te zorgen. Tante Eem:

Uiteindelijk kreeg hij papieren van een zekere – werkelijk bestaande – Jozef [Joseph? – FST] Bonnet uit Den Haag. Die wist van niets, dus ’t was een beetje een hachelijke zaak. Maar goed, ‘Jozef’ ging naar Berlijn”.

Nu waren Hijme en Eem gewend aan ‘kodetelegrammen’, telegrammen met verdekte berichten en boodschappen. “Roodvonk”, stond daar dan in, of “mazelen”. Dan wisten ze dat een zaak was misge­lopen of ontdekt. Nu kwam er een telegram van ‘Jozef’ uit Berlijn:

– ‘Ik heb tbc opgelopen’.

Tante Eem:

We schrokken, want we meenden dat de zaak verkeerd was afgelopen. Maar hij had wérkelijk tuberculose opgedaan. Met als gevolg dat hij met verlof naar Leiden kwam. Weer bij ons! En nu was het nog erger, want ook met z’n ziekte was hij erg onvoorzichtig. Hij raakte alles onbekommerd aan. Dat was veel te gevaarlijk, temeer daar we op dat ogenblik nog zo’n tien andere joodse onderduikers in ons huis verborgen hielden”.

de verloofde van Jozef Bonnet
Hijme wist een plaatsje in een sanatorium te regelen, in Sonnevanck te Harderwijk. ‘Jozef’ mocht er komen. Doch ook dat ging niet door: er brak een spoorwegstaking uit (in september 1944 was er een spoorwegstaking, maar er zijn er, meen ik, meer geweest). Vervolgens vonden Hijme en Eem een ziekenhuis in Den Haag bereid ‘Jozef Bonnet’ op te nemen.

Ook daar ging het twee keren bijna mis.

Tante Eem:

Een verpleegster vroeg:

– ‘Ben jij familie van Bonnet uit Oegstgeest?’

Jozef zei nee. Dat was al verdacht. Vervolgens kwam er een nachtzuster, en je gelooft het of niet, maar zij was de verloofde van de échte Jozef Bonnet. Ze was heel verbaasd, maar gelukkig speelde ze het spelletje mee”.

terug naar huis: opgepakt
Er waren meer gevaarlijke onderduikers. Een speciaal soort waren de mensen die terugverlangden naar hun eigen huis. Tante Eem:

Ik kan me er nog over verbazen dat vele onderduikers niet buiten hun bezittingen konden. Er zijn flink wat onderduikers om die reden opgepakt. Ze hielden het niet uit en wilden terug naar hun eigen spulletjes”.

Zo hadden Hijme en Eem eens een ouder joods echtpaar uit Amsterdam in huis: “Maar de twee waren niet meer te houden en moesten en zouden terug naar Amsterdam. Ik dacht:

– ‘Nou, vooruit dan maar’.

Het echtpaar ging met de trein naar Amsterdam. Ik reisde onopvallend mee in een andere coupé om een oogje in het zeil te houden. Toen alles veilig leek, ben ik naar Leiden teruggekeerd”.

Doch toevallig was er die avond een razzia in Amsterdam. Het echtpaar werd opgepakt en stierf in een concentratiekamp.

valse papieren, onopvallende verdwijningen
Oom Hijme regelde vaak valse papieren voor on­derduikers en voor bedreigde joden, maar maakte ook zelf persoonsbewijzen na. “Hij zorgde er dan wel voor, via relaties, dat de valse gegevens ook in het Bevolkingsregister werden aangetekend, zodat de zaak volkomen gedekt was”, vertelt Tante Eem, die nog aanvult dat “Hijme ook fantastisch handtekeningen kon vervalsen”.

Eenmaal werd Hijme gearresteerd. Het werd een dag vol zinderende spanning. Hijme was naar Den Haag gereisd. Daar wilde hij, op het Binnenhof, valse papieren gaan regelen voor zijn vriend Roelof Harder.

Tante Eem zat onderwijl thuis met enkele joodse onderduikers: “ ’t Was extra gevaarlijk, want er zat een geestelijk minder begaafde jongen bij. Van mijn broer kreeg ik de melding dat de Duitsers die dag allerlei mensen aan het oppakken waren. Hijme wist dat natuurlijk niet”.

Duitsers aan de deur
De bel ging. Schrik. Enkele Duitsers van de Ortskommandantur. Wilden weten waar Hijme was. Tante Eem:

– ‘Hij is er gewoon niet’.

Maar ze bleven doorvragen. Tante Eem:

– ‘Hij is op z’n werk’.

Doch ze wisten al dat dat niet waar was.

Tante Eem:

Ik hield m’n hart vast. Want ik hoorde die geestelijk gehandicapte jongen in de kamer rommelen, die zich van geen kwaad bewust was. Tegen beter weten in hoopte ik dat hij zo slim was de illegale radiokrantjes die in de kamer lagen in de kachel te gooien. Maar dat deed hij niet. Erger nog: hij stak zelfs z’n hoofd om de deur en zag mij daar staan praten met die Duitsers. Dat was gevaarlijk. Toen dacht ik:

– ‘Laat ik maar gewoon de waarheid vertellen. Als ik zeg dat hij op het Binnenhof zit, maakt dat juist indruk’.

Ik zei:

– ‘Hij zit voor overleg op het Binnenhof’.

Ze schrokken, het werkte inderdaad.

– ‘Op nummer 7?’,

vroegen ze nog. Daar zat namelijk hun hoofdkwartier. Ik zei ja, hoewel hij in werkelijkheid op num­mer 20 zat”.

Van schrik vergaten de Duitsers huiszoeking te doen. Ze dropen af. En er was nóg een geluk. Tante Eem:

Toen de Duitsers aan de voordeur stonden, had ik gehoopt dat de onderduikers zo slim zouden zijn via de achterdeur te vluchten. Pas nu bleek dat dat levensgevaarlijk zou zijn geweest. Want ze hadden in het geheim ook een Duitser bij de achterdeur laten posten”.

Hijmes redding
Onderwijl in Den Haag.

Hijme was nog niet op het Binnenhof aangekomen, of hij werd al gearresteerd. Hem werd een foto voorgelegd. Een van hemzelf, zag hij, van zijn persoonsbewijs afgenomen en vergroot. Andere foto’s volgden, van allerlei personen:

– ‘Kent u deze mensen?’

Tante Eem:

Maar Hijme hield zich op de hem eigen quasi–naïeve wijze van den domme. Z’n lot zou echter bezegeld zijn geweest als de Duitsers bij mij thuis iets hadden gevonden. Dus belde kommissaris Frank om te horen hoe de huiszoeking was verlopen.

– ‘Niets gevonden’,

meldden de ‘huiszoekers’. Dat was Hijmes redding. Hij werd vrijgelaten, keerde naar Leiden terug en hoorde nu pas mijn verhaal”.

Ondanks die goede afloop achtte Eem het raadzaam dat Hijme een tijdje onderdook:

– ‘Jongen, maak dat je wegkomt – duik onder!’

Dat heeft Hijme toen inderdaad een paar dagen gedaan. Ook hun eigen onderduikers werden tijdelijk elders gehuisvest.

Toch moet Hijme nogmaals gearresteerd zijn ge­weest, al heeft Tante Eem mij daarvan niet ver­teld. Mijn Oom Flip: “Elke dag diende zich toen een nieuw probleem aan. Altijd weer was het Eem die een oplossing vond. Hijme werd door de Duitsers gearresteerd. Eem heeft toen letterlijk aan de poort gestaan om hem vrij te krijgen. En het is haar gelukt”.

pissen en wegwezen!
Een andere bezigheid was het onopvallend laten verdwijnen van mensen die bijvoorbeeld voor de arbeidsinzet waren opgeroepen en op het station gereed stonden om met de trein naar Duitsland te vertrekken. Dat deed Hijme alleen, of samen met Manus, een man die bij Hijme en Eem in huis was. Tante Eem: “Officieel werkte Manus voor de Duitsers op het arbeidsbureau, maar hij saboteerde de zaken waar hij maar kon”.

Met deze Manus hielp Hijme mensen op weg naar Duitsland te ontsnappen aan transport. Hijme zorgde dat de aanstaande reizigers officieel werden gemeld in Den Haag als zijnde op transport gesteld. Ook regelde hij dat ze bij de grens op de lijst van naar Duitsland vervoerde personen werden geplaatst. Zo leek het of ze in Duitsland zoekgeraakt moesten zijn.

Vervolgens begaf Hijme zich, al dan niet met Manus, mogelijk ook wel met een ander of anderen, naar het station van vertrek. Ze trokken een Duitsachtige vermomming aan (“Hij deed bijvoorbeeld een groen hoedje op”, weet Tante Eem), hielden de Duitsers op het perron flink aan de praat, en lieten onderwijl mensen die dat wilden, uit de rijen verdwijnen.

Of ze stelden zich op bij het stationsurinoir en sisten dan tegen de ontsnappenden:

– ‘Pissen en wegwezen!’

een Duitse militair op het perron?
Bij één zo’n aktie kreeg Oom Hijme eens een telegram van een medewerker:

– ‘Vandaag kan het niet doorgaan. Ik heb een Duitse militair op het perron gezien’.

Tante Eem:

De aktie werd afgeblazen. Pas achteraf bleek dat die medewerker Oom Hijme voor een Duitse mi­litair had aangezien. Hijme was die dag namelijk een beetje laat geweest en had zich niet kunnen scheren. Daardoor had hij een stoppelbaard en mét die vermomming maakte hem dat niet alleen onguurder, maar ook onherkenbaarder”.

zo ontkwam ook mijn vader
Op eendere wijze ontkwam mijn vader, Kees Stoffels, aan tewerkstelling in Duitsland. Hij was van 1924, en op 10 juni 1943 werd zijn jaarklasse voor vertrek naar Duitsland opgeroepen. Er volgden meer oproepen, onder meer op 15 september en navolgende data.

Mijn vader, wonend in Den Haag, begaf zich met Oom Hijme aldaar naar het station Holland–Spoor. Daar aangekomen, en, denkelijk, na en­kele plichtplegingen, maakte mijn vader rechts­om­keert. Oom Hijme zorgde vervolgens voor afmelding bij de grens met Duitsland.

Naar huis gaan, kon niet meer. Mijn vader woonde in dat najaar officieel bij zijn broer en schoonzuster aan de Cronesteinkade.

als ‘student Engels’ in het achterhuis
Maar zelfs dat vond Hijme niet veilig genoeg. Hij regelde onderduikadressen in Leiden, die om de zoveel tijd gewisseld werden. Zo zat mijn vader eens, samen met zijn broer Flip, ondergedoken in een sigarenzaak in Leiden, drie maanden lang, op aanwijzing van Hijme Stoffels. “In die winkel zaten houten voorraadpanelen”, schetst mijn vader. “Eén kon je wegschuiven, dan zat daarachter een achterhuis. Daar zaten we”. De beide broers speelden er schaak op een zelfgemaakt schaakbord. Voor nog wat meer zekerheid liet Hijme mijn vader als ‘student MO–Engels’ inschrijven; ook dan had je meer kans uit handen van de bezetter te blijven.


Gevaren van overal

(2)
Met Hijmes kameraad Manus liep het minder goed af. Zoals gezegd is, was hij bij Hijme en Eem in huis. Daar was op een gegeven ogenblik ook een zekere Harry als onderduiker.

Tante Eem: “Harry had een zus Gerda. Die zat in Scheveningen in de gevangenis. Harry wilde graag dat wij pogingen ondernamen die zus vrij te krijgen. Maar Hijme voelde daar niet meteen voor. Hij wilde eerst weten wat die Gerda op haar kerfstok had, anders vond hij het te gevaarlijk. Ik wil­de wel, maar m’n verstand zei dat Hijme gelijk had”.

Harry besloot dan maar op eigen houtje iets te gaan doen. Hij had evenwel geen vervoer. “Wij hadden nog anderhalve fiets”, verhaalt Tante Eem, “dus zou het mooi zijn als we er nog een fiets konden bij krijgen. De volgende morgen ging Harry in de vroegte weg op de enig goede fiets”.

Hij kwam in de stad, en daar zag hij een Duitse militair die een winkel binnenging. Z’n fiets had hij met de trappers tegen de stoep geparkeerd. Tante Eem: “Harry bedacht zich geen ogenblik. Hij stapte af, pakte de fiets van de Duitser en ging er met z’n eigen fiets aan de hand vandoor”.

Manus gesnapt door de Duitsers
Op die avond zaten Hijme en Harry in het huis aan de Cronesteinkade bij een heel schraal lichtje de fietsen te herstellen. Terwijl ze zo bezig waren, kwam Manus thuis.

Tante Eem:

Nu dronk hij nogal veel, en die avond kwam hij dronken thuis. Hij schreeuwde luid:

– ‘We zijn vrij! We zijn vrij!’

Nu, daar was natuurlijk niets van waar. Hijme vond het gevaarlijk en riep:

– ‘Donder die man in z’n bed met een emmer water’

s Morgens verscheen Manus aan het ontbijt en zei:

– Vannacht was het met m’n dronken kop net of ik allemaal fietsen in de kamer zag staan!’

Ik zei:

– ‘Nou, dat kan heel goed. Het was ook zo!’

Nog diezelfde dag werd Manus opgepakt. In een door de Duitsers tot kantoor omgetoverd hotel [‘Centraal’, in Leiden– FST] stond hij bij een kast allemaal belangrijke papieren in een tas te duwen. Maar hij werd gesnapt, door de Duitsers, op heterdaad”.

nogmaals Duitsers aan de deur
Oom Hijme en Tante Eem hadden een hekje voor hun huis. Wie hen kende, sprong eroverheen. Hoorden ze piepen en kraken, dan wisten ze: het kan mis zijn.

Nog een tweede keer kregen Hijme en Eem Duitsers aan de deur. Gevaar.

Tante Eem:

Ik stond nog met ze te praten, toen er een verzetsmedewerker aankwam om radiokrantjes te brengen. Ik dacht:

– ‘Doe ik niets, dan schrikt hij, slaat hij op de vlucht en wordt neergeschoten’

Dus ik riep hem en zei:

– ‘Hallo, kom ’es binnen’

En met een smoesje en een stukje toneel lukte dat”.

‘da’s een foute’
Een andere keer liep een man het tuinpad op. een onbekende, maar Tante Eem zei meteen:

‘Da’s een foute’

Hijme deed open. De man kwam een belangrijk bericht doorgeven van verzetsgroep–83. Dus Oom Hijme zei:

‘Welnee, die man is goed’

Tante Eem:

Maar ik hield vol dat ik die man niet vertrouwde. Ik herkende hem van een ‘foute’ situatie, maar ik wist niet meer van wat. Voor de zekerheid stapte Oom Hijme op de fiets om bij de verzetsgroep het bericht te verifiëren”.

Het klopte. Oom Hijme was gerustgesteld.

Maar ’s nachts in bed wist ik het ineens”, vertelt Tante Eem. “Voorheen had ik op een bank gewerkt. Ik moest dan wel eens een geldtransport verzorgen. Ik werd dan beschermd door een paar mannen die me volgden. Eens, bij zo’n transport, waren er Duitse soldaten op straat. Er was een vrouw die hen voor de voeten liep. Een van de mannen in Duits uniform werd toen heel kwaad en begon die vrouw uit te schelden. Dezelfde man als die van het bericht over verzetsgroep–83!

Tante Eem was bij het zien van dat straattoneeltje heel kwaad geworden. Ze had zich ermee bemoeid en het voor die vrouw opgenomen. “Later kreeg ik nog een uitbrander van de bank. Met al dat geld bij me had ik me er nooit mee mogen bemoeien!

doodschieten of niet?
Hijme en Eem kwamen tot de slotsom dat er maar één mogelijkheid was: tóch gebruik van geweld. “Die man moeten we doodschieten”. Ze vonden dit nu echt een geval waarin wél gewelddadig moest worden opgetreden.

Tante Eem:

Hij bleek Jan D... te heten. Hij had in Berlijn voor de Duitsers gewerkt, en was daar getrouwd met een pro–Duitse vrouw die via het Rode Kruis in dienst van de Duitsers stond”.

Doch vervolgens kwamen Hijme en Eem er achter dat D's vrouw in verwachting was. Dat deed hen van gedachten veranderen. En ze schoten niet.

Later kregen Hijme en Eem evenwel spijt. Want de man bleek wel degelijk een onduldbare verradersrol te hebben gespeeld. “Dit was echter het enige geval waarin we spijt hadden dat we geen geweld hadden gebruikt”.

Stille verraders waren er in nogal groten getale. Bij de politie kwamen wel eens briefjes binnen in de trant van: “Jullie hebben wel naar onderduikers gezocht op nummer 48, maar ga ook eens zoeken op 44 of 46, want daar zitten er volgens mij ook een stel”.

Zulke briefjes waren anoniem. Bevriende agenten stopten dit soort korrespondentie wel eens in de bus bij Hijme en Eem.

angstig bezoek van NSB–rechercheur
Nogmaals hebben Hijme en Eem op het punt gestaan iemand uit de weg te ruimen.

Tante Eem:

Er waren onderduikers bij ons in huis. Hijme was er niet, ik wel. Toen belde de NSB–rechercheur Van der Plas aan met een smoesje. Een beetje op goed geluk, hij wilde gewoon eens weten wat voor vlees hij hier in de kuip had”.

Eem kende hem wel, en was erg bang voor deze man.

Gelukkig kwam hij niet binnen. Maar later zei ik tegen Hijme:

– ‘Die man komt vanavond nog terug, maar dan met een hele groep’.

We wilden geen risiko’s, temeer daar er een klein kind bij ons in huis zat ondergedoken. Hijme zei:

– ‘Nou, we gaan vanavond toch ergens op bezoek. Dan nemen we dat kind maar mee’.

Inderdaad bleek later dat een trein klaarstond om opgepakte joodse kinderen af te voeren”.

‘Ik dacht al: waarheen met het lijk?’
Die avond stond Van der Plas echter eerder dan verwacht voor de deur. Het kind liep nog in de kamer rond. Tante Eem:

We zaten met de handen in het haar. Maar de moeder van dat kind, die ook in huis rondliep, was resoluut. Ze rende naar beneden, pakte haar kind, snelde ermee de tuin in en zette het over de schutting in de tuin van de buren. Zelf rende ze weer naar boven, terug naar haar schuilplaats”.

Die buren hadden echter geen benul dat Hijme en Eem onderduikers in huis hadden. Alles hing er van af of ze dit snel zouden begrijpen en het spel meespelen. Dat ging gelukkig goed.

Tante Eem:

Van der Plas had echter één fout gemaakt. Hij kwam niet met een groep, maar alleen. Eenmaal binnen zei hij:

– ‘Ik meende dat ik zoëven een kind hoorde’.

Dat had hij niet moeten zeggen, want toen dacht ik:

– ‘Jij gaat er aan als je het kind weet te vinden en meeneemt’.

Ik dacht na waar de revolvers lagen. In gedachten was ik al bezig met de vraag waar ik het lijk zou verstoppen. Achteraf bleek dat Hijme op dat ogenblik precies hetzelfde had gedacht”.

een geschenk uit de hemel
Van der Plas moet gevoeld hebben wat we van plan waren”, vervolgt Tante Eem. “Hij begon zichtbaar bang te worden en z’n fout in te zien. Op dat moment kwam er nog een geschenk uit de hemel. Juist toen Van der Plas zei:

– ‘Ik heb een kind gehoord’

werd bij de achterdeur inderdaad een kinderstem hoorbaar. Hijme zei meteen, zonder een zweem van aarzeling:

– ‘O, dat kan best. We hebben veel kontakt met de buren en hun kinderen lopen hier in en uit. Kijk maar, daar heb je er weer één’

en op dat ogenblik kwam juist een buurjongetje binnen! Terwijl het niet echt waar was dat die kinderen voortdurend bij ons binnenkwamen, zoals Hijme suggereerde”.

Van der Plas koos eieren voor z’n geld. Snel ging hij weg.

de truuk van de ‘huiszoeking’
Zelf moesten Hijme en Eem ook eens iemand schrik aanjagen en bedreigen. Ze waren een onbe­trouwbare man in het verzet op het spoor gekomen. Deze had bij een overval een bedenkelijke rol gespeeld, en tevens allerlei buit van die overval in z’n huis gesleept.

Tante Eem vertelt:

Hijme vond dit gevaarlijk en bedacht samen met een andere verzetswerker een truuk. Die man diende een tijd van het toneel te verdwijnen. Samen hielden ze zijn huis een tijdje in de gaten. Ze wachtten tot hij weg was. Hijmes makker, verkleed als Duitser, en Hijme, niet vermomd, kwamen nu tevoorschijn en belden aan. Z’n vrouw deed open. Ze eisten een huiszoeking. Hijme vond het wel zielig en probeerde nog de vrouw, die erg overstuur was, te kalmeren. Maar het was veel beter dat die man bang zou worden en onderduiken”.

De ‘huiszoeking’ had inderdaad het gewenste gevolg: de man was geschrokken en verdween een tijdje van het toneel.


Dagelijks nieuws

In Leiden en omstreken verscheen dagelijks een verzetskrant, Het Dagelijks Nieuws, opgezet door Hijme Stoffels. Hij werkte trouwens ook wel eens aan een ander blad: Ons Vrije Nederland.

In Het Dagelijks Nieuws ventileerde Hijme onder meer zo nu en dan zijn opvattingen over de wijze van verzet plegen tegen de Duitse bezetters. Zo schreef hij eens dat hij vond dat velen in het verzet te roekeloos opereerden, ja dat het verzet zijns inziens voor vijfentachtig procent uit avonturiers bestond en voor nog eens tien procent uit mensen met een verkeerde motivatie.

Eem Stoffels–Van Brussel:

Ook iemand als Hannie Schaft bijvoorbeeld von­den wij te roekeloos. Te veel op eigen houtje, te veel doodschieten. Dat vonden wij principieel, maar vooral uit praktisch oogpunt niet goed”.

het geheim van de radio
Om het blad met nieuwsberichten te kunnen vullen, was het bezit van een radio onontbeerlijk.

Toen kwam het ogenblik dat we, op last van de Duitsers, allemaal onze radio moesten inleveren”, herinnert Tante Eem zich. “Maar wij konden niet zonder, voor Het Dagelijks Nieuws. Om de schijn op te houden dat wij braaf aan de oproep gehoor gaven, ging ik naar de buren, vroeg hun kinderwa­gen te leen, en zei dat het was om m’n radio in te leveren”.

Tante Eem maakte een wandeling en kwam weer, uiteraard, mét radio, naar huis. Daar verstopten ze hem in de grond, en haalden hem ten voorschijn indien gewenst.

Toch vielen we bijna een keer door de mand. Oom Hijme stond zich te scheren en hoorde op de radio van de zelfmoord van Mussolini. Vol enthousiasme rende hij het balkon op en riep naar de buurman:

– ‘Heb je gehoord van de zelfmoord van Musso­lini?’

Het antwoord was:

– ‘Hoe weet jij dat?’

Nog net op tijd kon Hijme inslikken dat hij het op de radio had vernomen. Hij hield het op:

– ‘Eh, daar werden we zojuist over opgebeld’.

Mussolini werd aan het eind van april 1945 op de vlucht door verzetsstrijders om hals gebracht. Twee dagen later pleegde Hitler zelfmoord.

een komplete, geheime telefooncentrale
Op deze plek kan ik nog een verzetsrol van Oom Hijme noemen: in de oorlogsjaren was hij tevens voorzitter van het Interkerkelijk Bureau voor de Voedselvoorziening. Dat was gehuisvest in verpleeghuis Lidwina aan de Zoeterwoudsesingel in Leiden, niet ver van de Cronesteinkade.

Dat onderkomen bood Oom Hijme een prachtige gelegenheid een volledig, illegaal, telefoonnet voor het verzet op te zetten.

Met hulp van de PTT werd een putje gegraven”, aldus Tante Eem, “en vervolgens werden kabels aangelegd. Die kwamen uit op een geheime telefooncentrale in de kelder van het verpleegtehuis. Die centrale, een induktorapparaat, werd onafgebroken door twee jongens bewaakt. Zo konden Hij­me en de zijnen belangrijke berichten opvangen en doorgeven”.


Licht in het donker

(2)

Langzaamaan kwam toch het eind van oorlog en bezetting in zicht. Eerst nog met valse tekenen, zoals op Dolle Dinsdag, op 5 september 1944. Niettemin beleefden Hijme en Eem daaraan groot pleizier, en niet alleen omdat Hijme op die dag toevallig ook nog jarig was. Op grond van een loos gerucht dat de geallieerde legers op het punt stonden de Duitse bezetting te breken, sloegen talloze NSB–ers en hun trawanten hals–over–kop op de vlucht.

Er was één tegenvaller: in het voormalige joodse weeshuis naast het huis van Hijme en Eem, bezet door Duitse soldaten, gebeurde helemaal niets. Hierin wilde Hijme verandering brengen. Tante Eem:

Hij nam de telefoon, zette de stem op van een hoge Duitse officier, en blafte:

– ‘Wat! Zijn jullie nóg niet weg! Maak dat je o­genblikkelijk voortmaakt!’

Even later hadden we het kostelijke genoegen van ons huis uit een lange stoet Duitsers in haast het pand te zien verlaten!

geen zin in burgemeesterschap van Leiden
Dan heb ik nog twee versies van het verhaal dat Oom Hijme na de oorlog burgemeester van Leiden had kunnen worden.

Eerst de versie van mijn vader:

Na de oorlog werd mijn broer voorzitter van de Leidse afdeling van Volksherstel. Om die reden kreeg hij toen het burgemeesterschap van Leiden aangeboden. Maar hij bedankte voor de eer, hij had er geen trek in”.

Dan het verhaal van Tante Eem:

Aan het eind van de oorlog begonnen vele mensen uit het verzet onderling de baantjes te verdelen voor de tijd na de oorlog. Al snel waren de Leidse verzetsmensen het er over eens dat mijn man burgemeester moest worden, temeer daar hij had geholpen bij het opzetten van Volksherstel, en vervolgens direkteur hiervan geworden was. Maar Hijme voelde hier niet voor. Hij vond dat ondemokratisch, dat die mensen alle baantjes verdeelden zonder enige vorm van verkiezing”.

wél in tribunaal
Op een fraaie wijze kwam Oom Hijme van zijn beoogd burgemeesterschap af:

Toen de avond naderde dat een en ander besloten zou worden, vond Hijme een medestander die het hier ook niet mee eens was”, vertelt Tante Eem:

Ze spraken af beiden een redevoering te houden die avondvullend was. Zo deden ze: Hijme sprak uitgebreid over de repatriëring van ontheemden, en z’n makker over een soortgelijk droog onderwerp. Er was geen speld tussen te krijgen. En zo kwam de burgemeestersbenoeming gelukkig niet meer ter sprake”.

Wel nam Oom Hijme in de tijd na de oorlog plaats in een tribunaal dat foute Nederlanders moest beoordelen.

de wegvoering van Van der Plas
Na de oorlog werden vele NSB–ers weggevoerd. Wanneer ze over straat liepen, werden ze door drommen toekijkenden uitgejouwd. Tante Eem ging hier nooit heen: “Ik had geen behoefte aan wraak”.

Doch toen ze hoorde dat NSB–rechercheur Van der Plas, die bij hen binnen was geweest, zou worden afgevoerd, had ze die behoefte wel. Ze stelde zich zo op dat hij haar goed moest zien, en zij hém nog eens van top tot teen kon bekijken.

Intussen stond ik met de andere toekijkers mee te schelden op de NSB–ers”, vertelt ze mij. “Maar toen Van der Plas langskwam, liep het anders dan verwacht. Hij zag mij, hij stopte, hij nam z’n hoed voor me af en boog diep, met een glimlach. Zo leek het net of ik een handlangster of liefje van hem was geweest. De toeschouwers keken mij ook heel vreemd aan”.

Hijme en Eem - en na Hijmes dood Eem alleen - gingen heel vaak naar Israël, want daar hadden ze tal van joodse vrienden uit de oorlog. Anno 1983 waren er nog steeds mensen die Eem elke maand schreven.