Een ongewoon echtpaar in de pruikentijd (1)

laatste bewerkingsdag 5 jan 2012
De wereld op A4-formaat  1010-C01

Een ongewoon echtpaar in de pruikentijd (1)


Barta Klasen (1767-1847), vroedvrouw, en Wynand van Leeuwen (1760-1841), heelmeester


d o o r   F r i t s   S t o f f e l s




engelbarta claessen klumpers (1767-1847)
wynand van leeuwen (1760-1841)

...een uniek echtpaar in de pruikentijd...

hij: heelmeester
zij: vroedvrouw

grootouders van evert jan stoffels (1848-1921)

I      N      H      O      U      D
Een ongewoon echtpaar in de pruikentijd    1

Te voet    3

    Een verkenning in de contreien van Brummen, Barta Klasen Klumpers' bakermat.

Naar boven gedreven    5

even op een rijtje (1)    7

'het lief dorpje Brummen'    8

even op een rijtje (2)    9

een 'verraedelykse' snijwond geheeld    10

Het kunstig handwerk (1)    2

chirurgijn: praktische kennis    3

knippen, scheren en aderlaten    4

de eerste boer de beste    5

Potjes- en dokterslatijn    6

Paulus Barbette    8

De polderdokter    9

Het kunstig handwerk (1)

    Een uniek echtpaar in de pruikentijd. Zij: vroedvrouw. Hij: heelmeester- chirurgijn. Een eerste kennismaking.

Het kunstig handwerk (2)    10

      Wijnand en Barta zijn beiden ambitieus. Daarom grijpen ze naar de pen wanneer in 1793 een aantrekkelijke advertentie in de 'Haerlemmer Courant' verschijnt.


‘het kunstig handwerk gelykkig bediend'    12

de brief van 16 mei 1793    13

Wynand solliciteert voor Barta    14

  De vroedvrouw

          De geschiedenis van een vrouwenberoep bij uitnemendheid.
  Amsterdams vroedvrouwen

        in de zeventiende en achttiende eeuw. 'Schreeuwende mishandelingen', 'meedogenloze wreedheden'. Is dit beeld van de werkwijze van vroedvrouwen juist? Een artikel uit 'Ons Amsterdam'.

Gluren tussen de lakens    16

    Merkwaardige opvattingen over seks en voortplanting in de achttiende eeuw.


Te voet

van Brummen naar Klarenbeek

De Telegraaf, 28 augustus 1999

TREKVOGELPAD


Het razend populaire Pieterpad - de lange afstandswandeling van het Groningse Pieterburen naar de Pietersberg bij Maastricht - heeft er sinds deze week een 'dwarsliggende' evenknie bij gekregen.
Dit oost-west 'Trekvogelpad' voert de wandelaar door een dwarsdoorsnede van het Nederlandse landschap van de kust bij Bergen aan Zee tot de Duitse grens bij Enschede. En omdat het een cadeautje is van wandelpadexpert NIVON aan de dit jaar honderd jaar jonge Vogelbescherming is er extra aandacht voor de internationaal belangrijke vogelgebieden.
" 'Trekvogelpad' volgt geen vogeltrekroutes, daar staat het precies haaks op zodat je juist overal de overtrekkende zwermen kunt zien", verklaart Hans Peeters van de Vogelbescherming. En grapt: "Misschien zou dat ándere pad dus moeten worden omgedaaopt in 'Vogeltrekpad'!"

NEDERLAND IN HET KLEIN


Gloednieuwe gids

cadeau van NIVON

voor 100-jarige

Vogelbescherming


door KIRSTEN COENRADIE

BRUMMEN, zaterdag

'Na viaduct rechtsaf Bronkhorsterweg. Tussen buitens Spaensweerd en De Wijde Landen naar het Bronkhorsterveer. IJssel over'.

    Met de net uitgekomen gids 'Trekvogelpad' opengeslagen op kaart 47 en hem vervolgens veilig en waterdicht verpakt in doorzichtig plastic, zijn we op weg van Brummen naar Vorden. Een route die ons onder meer langs de Baakse Beek en de uiterwaarden van de Gelderse IJssel zal brengen.

    Het boekje ziet er overzichtelijk en met zijn vele foto's en tekeningen kleurrijk uit. De in stukken geknipte routes worden voorafgegaan door informatie over het gebied en de betekenis daarvan voor vogels. Dankzij de erbij geleverd gedetailleerde kaartjes op de linkerbladzijde naast de routebeschrijving is - zelfs voor de richtinggevoellozen onder ons - dit 'spoorzoekertje-spelen-voor-volwassenen' goed te volgen.
     Het veer zet uit

.    
    Links:   
    De kerk van Brummen

    Rechts:
    Bronkhorst - Kasteelweg en kapel
    Foto's: 29 augustus 1988
    Frits Stoffels

.Naar boven gedreven


.
een pruiken-
echtpaar in
1788

    Engelbarta en Wynand vormen samen een uniek echtpaar in de pruikentijd. Hij meester chirurgijn of heelmeester, zij vroedvrouw, beiden een beroep dat wonderwel dat van de ander aanvulde.
     Gevolg was dat beiden even belangrijk waren in de maatschappij, zij niet minder, misschien zelfs meer in aanzien dan hij. Zo konden zij beiden "nuttig zyn voor het mens dom", zoals Wynand het zo mooi, geheel in de stijl van de Verlichting, kon zeggen.
.doopakte van 'Engelbartjen', 22 maart 1767 Brummen
even op een rijtje (1)
     Engelbarta Claessen (ook: Klasen, en alle denkbare spelvarianten) Klumpers, in het dagelijks leven Barta, ook wel Bartje geheten, werd in 1767 geboren. Ze was een dochter van Arendt (Arend) Claessen (in spelvarianten) de Klompmaaker en Wendalina Egbertz Belloo (Bello). Haar doopdatum: dinsdag 22 maart 1767. Barta was lid van de Nederduits Gereformeerde (= protestantse) Kerk.
     Over de naam
Klumpers dient te worden opgemerkt dat deze nooit door Barta zelf is gebruikt. Haar broer Egbert tooide zich met de naam Klumpe, haar broer Matthijs ging als Klumpert door het leven. De naam Klumpers voor Bartje wordt alleen gebruikt in de akten van overlijden van twee dochters van haar, beide te Monnickendam opgemaakt. Klumper is Oostnederlands voor klompenmaker, de naam waaronder haar vader bekend was.
     'Engelbarta' schreef men in akten ook wel als:
Engelberta, Engelbartta, Egbarta of Egberta. De variant Engelbartjen komt alleen in de doopaantekening voor. 'Klasen' werd ook wel genoteerd als: Klaasen, Klaassen, Claassen of Claesen. Zelf schreef ze: Engelbarta Klasen - ook wel zonder hoofdletters - en soms: Engelbarta van Leeuwen, al dan niet met de toevoeging 'gebooren klasen'. Dit laatste, je noemen met de familienaam van je man, was toen nieuw en vooruitstrevend.

handtekening 1816

handtekening 1821

handtekening 1824

handtekening 1830
.                                                 
brummen
            kerk en kermis
                      foto: 29 augustus
                                    1988, frits stoffels
'het lief dorpje Brummen'
    Officieel werd Barta geboren in Brummen. Maar haar man schrijft in een brief preciezer: "(...)
geboortig van hall op veluwen (...)". Hall is een dorpje even ten noorden van Brummen. Ook het Elburger bevolkingsregister spreekt van 'Hall op veluwe'.
    Barta werd dus in 1767, in Hall, niet ver buiten Brummen, op de grens van Veluwe en Achterhoek, geboren. Het was een mooi plaatsje, dat Brummen, als we Jacob van Lennep mogen geloven Die passeerde het in 1823 op zijn met Dirk Hogendorp ondernomen voetreis door Nederland:

    "
De morgenstond was heerlijk en de weg alleraangenaamst. Aan het lief dorpje Brummen gekomen zagen wij rechts en links fraaie buitengoederen en bekoorlijke dreven. Links af lieten wij den ouden vierkanten toren liggen van het huis te Bronkhorst. Nu in de herberg gekomen, plaatsten wij ons in het Zomerhuisje en spraken over het heerlijke weder".
     Hall telde in 1844 negenenveertig huizen en driehonderddertig inwoners, weet A.J. van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden.

     Niet bekend is hoe Barta haar man Wynand heeft leren kennen en met hem in Hoevelaken verzeild raakte.


        H A L L       
In het kerkje van Hall zijn bijzondere
gewelfschilderingen te zien,waarop de
vier evangelisten zijn uitgebeeld.

Delftse piskijkers en professionals

Trouw 30 oktober 2002

Beeldende kunst
-----------------------------
Arjan Terpstra

De Delftse tentoonstelling 'De snijkunst verbeeld: genees- en heelmeesters aan het werk' geeft een boeiende illustratie van de voortijd van de medische wetenschap. Stap voor stap drong de nieuwsgierige menselijke geest het lichaam binnen.

Als één ding duidelijk wordt in het Delftse museum Het Prinsenhof, is het wel dat de huidige medische stand een groot geschenk is voor de samenleving. Vergelijk de grootste geneeskundige problemen van nu met die van rond 1600. Nu zijn er de wachtlijsten, met mensen die doorgaans behandelbare ziekten hebben maar waarvoor nog even geen bed vrij is. Bij uitzondering gaan mensen dood aan het wachten. Rond 1600 was de uitzondering dat de patiënt niet overleed. Mensen wachtten tot het niet meer ging, en hadden dan doorgaans onbehandelbare kwalen ontwikkeld waar de arts weinig mee kon. Geneesheren begrepen ook te weinig om de juiste diagnose te kunnen stellen. Niet dat de geneesheren niet serieus aan het werk waren: de chirurgijn stond erop dat zijn 'urinalen' van het dunste en meest kleurloze glas gemaakt waren. Anders kon het piskijken door vervormingen in het glas weleens tot de verkeerde conclusies leiden.
    De Delftse tentoonstelling geeft een mooi beeld van ontwikkelingen in de geneeskunst van de 17de en 18de eeuw. Deze periode is van groot belang geweest voor de huidige medische professie. Natuurlijk zijn de 19de en 20ste eeuw belangrijker vanwege de doorbraak van het empirisch onderzoek en de toepassing van nieuwe instrumenten, medicijnen en behandelmethoden. Maar, zo wordt in Delft duidelijk, deze doorbraak was onmogelijk geweest zonder de inspanningen van hun nieuwsgierige collega's in de vroeg -moderne tijd. Deze waren lang praktisch gericht geweest, en haalden hun theorie uit de klassieke oudheid, met name bij de beroemde medicus Claudius Galenus. Zijn anatomische tekeningen werden voor waar aangenomen, zijn theorie van de harmonie van de vier lichaamssappen (slijm, bloed, gele en zwarte gal) bepaalde voor een groot deel de manier van behandelen. Christelijke opvattingen over de integriteit van het menselijk lichaam maakten controle van Galenus door anatomische sectie eeuwenlang onmogelijk.
    Begin zestiende eeuw brak het inzicht door dat Galenus het anatomisch niet in alle opzichten bij het rechte eind had. Eigenhandig ging men op zoek naar een beter beeld van de menselijke anatomie, en deed men al zoekend in het menselijk lichaam - lang dat van misdadigers - allerlei kennis op die het Galeniaanse mensbeeld op de helling zette. Het is dit historische scha[r]nierpunt dat door de tentoonstelling met verve over het voetlicht wordt gebracht. Dat gebeurt met een keur aan medische instrumenten, publicaties en vier speciaal voor de gelegenheid gerestaureerde 'anatomische lessen',

De nieuwe medici kwamen voort uit de blanke,
mannelijke, liberale burgerij. Op het schilderij
wordt de eerste operatie onder verdoving, in
1846, afgebeeld.


waaronder een prachtig doek van Delftenaar Michiel van Mierevelt.
    In de zeventiende eeuw is men van de ballast van Galenus bevrijdt [sic - FST], en wordt een begin gemaakt met stelselmatig medisch onderzoek. Dit is de grote tijd van Delftse onderzoekers als Anthonie van Leeuwenhoek en Reinier de Graaf. Een tijdperk waarin belangrijke aanzetten worden gedaan voor elementair inzicht in voortplanting, spijsvertering of het zenuwstelsel. Van het belang van deze doorbraak toont men zich in d[i?]e tijd ook bewust, zo blijkt uit een lofdicht op Van Leeuwenhoek: "Des wereldts Wondren en Verborge kleenigheên/Volmaakt in ieder deel, vol heerlykheid en luister/voor 't algemeen vernuf en oog bedekt en duister/Wert hier als klaar ontdekt (dog niet voor ider een)'.

Nog tot 19 januari 2003. Stedelijk museum Het Prinsenhof, Sint Agathaplein 1 Delft. di-za 10-17h, zo 13-17h. Catalogus 'De Snijkunst verbeeld' 24,50 euro.

even op een rijtje (2)
     Wijnand of Wynand van Leeuwen was een zoon van Geurt van Leeuwen en Beertjen Stevens van de Pol. Gedoopt werd hij op zondag 14 december 1760, in het Gelderse Barneveld, na een geboorte op 6 december.
    Zijn beroep omschrijft men met de termen 'Meester Chirurgijn' of 'Heelmeester', maar ook 'Arts', 'Artsenijmenger' en 'Wondheeler' komen voor. Ook Wijnand was lid van de Nederduits Gereformeerde Kerk (hervormd = protestant).
    Wijnand en Barta trouwden in Hoevelaken. Hij was zesentwintig, zij negentien, en sinds twee maanden zwanger. Het huwelijk werd voltrokken in de kerkdienst van zondag 13 mei 1787.
na de dood van moeder Beertjen
     Reeds in zijn kleuterjaren, op een tijdstip tussen 1762 en 1768, verloor Wynand zijn moeder, Beertjen Stevens van de Pol. Vader Geurt bleef enkele jaren alleen, tot hij in 1768 een nieuw huwelijk aanging, met Hendrikjen Hendriks.

     Na de dood van moeder Beertjen kregen Wynand en zijn broertje Steven twee voogden. Ten eerste vader Geurts oudere broer Evert van Leeuwen. En ten tweede de oude buurman van Geurts ouders, Harmannus van der Kieft. Ik neem aan dat hun voogdijschap in 1768 werd opgeheven.

     Nu het volgende.

     Al voor zijn huwelijk in 1787 tref ik Wynand in Hoevelaken aan. De tot nu toe oudst gevonden vermelding stamt uit 1785. Wynand is dan vierentwintig.

     Dan kan het haast niet anders of het feit dat Wynand in Hoevelaken zijn praktijk uitoefende, en hier ook trouwde, moet veel van doen hebben met de omstandigheid dat in Hoevelaken familie woonde.

J.J. Horemans | Het huwelijkscontract | 1768
                                                     

Het kerkje van Hoevelaken
in de achttiende eeuw
Wynand grootgebracht bij oom en tante?
     In Hoevelaken woonde een broer van Wynands vader, Anthony van Leeuwen (1748-1836). Deze trouwde in 1769 met Grietje Hendriks.

     Naderhand was deze oom Anthony er landbouwer, op de langs de Oosterdorpsstraat gelegen hoeve Weltevreden. Hij bouwde aanzien en vermogen op, want hij mocht de, aan de elite voorbehouden, ambten van kerkvoogd en schepen vervullen. In 1809 oefende Anthony zelfs het burgemeesterschap van Hoevelaken uit. Voor dit ambt kwam doorgaans de rijkste boer van een dorp in aanmerking.

     Nogmaals: wat moest Wynand in Hoevelaken?

     Ik heb de volgende theorie - of fantasie - bedacht: toen oom Anthony in 1769 trouwde, werd Wynand, al dan niet samen met zijn jongere broertje Steven, meteen of later, door vader Geurt bij zijn oom en tante in Hoevelaken ondergebracht.

.

Barneveld, Dorpsstraat, 1900-1905    

een kleine en ook dunne theorie
     Ik heb nog een bijkomend argument voor die kleine en ook dunne theorie.

     Enkele maanden voordat vader Geurt in 1768 ging hertrouwen, trof hij enkele regelingen, onder meer voor zijn halfverweesde zoontjes Steven en Wijnand.

     Op 13 april 1768 liet vader Geurt in Barneveld vastleggen dat "s
ijn twee minderjarige kinderen voor haar [hun - FST] moeders versterff wordt beweesen en toegedeelt een summa van een duijsend ses en sestig gulde vier stuijvers en dertien penningen en dus aan ieder kindt 533-2-6½, welke summa door de vader aan sijn onmundige kinderen soo ras deselve meerderjarig geworden sullen sijn sal worden uitgerijkt".
.een troostrijke zekerheid
     De kinderen stond dus bij meerderjarigheid een aardig bedragje te wachten. Vader Geurt is er echter als de kippen bij om de regeling voor Wijnand te wijzigen tegen de tijd dat diens achttiende verjaardag in zicht komt. Op 26 mei 1779 bepaalt hij dat de portie van Wynand gehalveerd wordt.

     Zes jaren later, op 19 mei 1785, gaat vader Geurt nog een stap verder: de regeling wordt geheel "
geroijeert" (Caudron, Civiel -rechterlijk archief dorp Barneveld 1675-1811, blz 222/223).
     Waarom?

     Er ging geen geschil of verwijdering tussen vader en zoon achter schuil. Wanneer Wynand in 1787 voor het eerst vader wordt, vernoemt hij terstond zijn vader Geurt. Zeer waarschijnlijk speelden Geurts grote financiële problemen hem parten. Hierbij had hij, volgens mijn theorietje, de troostrijke zekerheid dat Wynand in goede handen was bij diens rijke oom, en bovendien nu zelf, als chirurgijn, een aardig inkomen kon opbouwen.

J. Cibbetson | Naar de markt | 1785
. Hoevelaken | Huize Hoevelaken | omstreeks 1904
met je neus tot in de sloot
     Omdat Hoevelaken een heerlijkheid was, werd het bestuurd door een Heer of Vrouwe van Hoevelaken, die zetelde in Huize Hoevelaken. In Wynands tijd was dat Agatha Theodora Geelvinck, weduwe en opvolgster van haar man Derk Wolter van Lynden van Hoevelaken. Zij leefde van 1739 tot 1805, en voerde het bewind van 1770 of 1771 tot aan haar dood.

     De inwoners van Hoevelaken hadden groot ontzag voor de Heren of de Vrouwen. Van een andere, latere Vrouwe van Hoevelaken heet het:

     "
Uit de mond van oude dorpsbewoners vernam ik dat het ontzag dat zij bij haar Hoevelakers inboezemde zo groot was, dat, als men haar tegenkwam je wel met je neus tot in de sloot boog. Als zij op de dorpsstraat wandelde, liep zij midden op de weg. Niemand die achter haar reed met paard en wagen haalde het in zijn hoofd te proberen om haar in te halen; er kon zo een file ontstaan!" (Mr A. Veldhuizen, Hoevelaken 1132-1982, bladzij 31).
Voor Wynand als verlicht chirurgijn zal er ook heel wat oud Hoevelakens bijgeloof te bestrijden zijn geweest. Veldhuizen:

"
Eeuwenlang hebben de inwoners van deze streek angst gehad voor het zogenaamde 'Laakmannetje'. 's Avonds was er een lichtje dat altijd rondzweefde over en langs de beek en altijd maar uitriep:
Laakmannetje, Laak.
Ik heb de Laak niet recht gemeten
en nu heb ik mń arme ziel vergeten."
een 'verraedelykse' snijwond geheeld
     Reeds op z'n vierentwintigste vinden we Wynand als chirurgijn gevestigd, in Hoevelaken. Het kan heel goed zijn dat hij er toen al langer een praktijk uitoefende.

     Maar het navolgende geval speelt in 1785, en ik vond er iets van terug in een met de hand geschreven verklaring van Wynand, die ik, min of meer bij toeval, opdook uit het brievenarchief van de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, op de afdeling
Zeldzame en Kostbare Werken (Brievenarchief, inventarisnummer Bc 168).
    Lees maar:

"ik ondergetekende verklaare Bij dezen den 22 February 1785
Een gesnede wond aan het hoofd verbonden te hebben aan den Persoon Jan Dirksen woonende int Swarte Broek
Boven gemelde Persoon verklaard de voornoemde wonde
verraedelyks gekreegen te hebben van den persoon
Eldert Blaank op den 17 February 1785

Actum Barneveld                    Wynand van Leeuwen
Den 22 (23?) February:             Chirurgijn tot Hoevelaken"

    1785


NB Zwartebroek ligt ten oosten van Hoevelaken.

Wat Gerrit Paape in 1798
voorspelde over 1998

Trouw
6 november 1998

door Jan Dirk Snel

Gerrit Paape: De Bataafsche Republiek, zo als zij behoort te zijn, en zo als zij weezen kan: of revolutionaire droom in 1798: wegens toekomstige gebeurtenissen tot 1998. Bezorgd door Peter Altena, met medewerking van Mireille Oostindië. Vantilt, Nijmegen; 120 blz. - f 24, 90.
------------------------

We leen vandaag de dag in een gelukzalige maatschappij. Iedereen die wel eens een wandeling door een Nederlandse stad maakt, zal dat beamen. Allerwegen ziet men een grote bedrijvigheid. Een uitgebreide koophandel zorgt voor welvaart zonder pracht, rijkdom zonder weelde. De mensen genieten een bloeiende gezondheid, dat zie je zo, en een ongeveinsd genoegen straalt van ieders gelaat.

Elke vriendenkus of handdruk getuigt van oprechtheid en grote welmenendheid. Ambachten en kunsten zijn tot de hoogste trap van volkomenheid gebracht. Bedelaars of leeglopers ziet men nergens. Ieder mens is in zijn eigen kring werkzaam, vergenoegd en dus gelukkig. Ik zou me waarschijnlijk schuldig maken aan plagiaat als ik er niet snel bij vertelde dat ik deze op zich ietwat mallotige waarnemingen licht parafraserend heb overgeschreven uit een geschriftje dat Gerrit Paape (1752-1803) precies tweehonderd jaar geleden publiceerde en dat nu door Peter Altena opnieuw is uitgegeven.
Om het boek zit een buikbandje met daarop de spannende vraag: "Wat voorspelde Paape in 1798 over 1998?" Wie het alleen daarom aanschaft, raakt allicht gauw teleurgesteld, want het enig redelijke antwoord luidt: niet bar veel. Want zoals dat met toekomstdromen gaat, Paapes utopie gaat natuurlijk helemaal niet over onze tijd maar over zijn eigen dagen. De hoofdfiguren zijn Balsamon, een voornaam heerschap, en diens knecht Celanor, die op magische wijze in het jaar 1998 belanden.
Bij toekomstromans denken wij al gauw aan iets Jules Verne-achtigs. Maar dit is duidelijk geen sciencefiction. Paape leefde nog net voor de techniek toesloeg. De wereld waar balsamon en Celanor in terechtkomen, is uiteraard fraaier, de materialen zijn perfecter en de economie draait geweldig, maar je krijgt niet de indruk dat de toekomstwereld van Paape geweldig afweek van de zijne.
Nee, het ging Paape niet om uiterlijkheden, maar om de morele verbetering van mens en maatschappij. Tijdreiziger Balsamon hoort geduldig een lang relaas van zijn gastheer uit 1998, Lijsidor, aan, die uitlegt hoe alles zoveel volmaakter is geworden. Lijsidor is nogal slecht in jaartallen, maar hij blijkt wel complete toespraken van verstandige lieden die ze niet al te lang na 1798 hielden, uit het hoofd te kennen. Kortom, hier worden de idealen van Gerrit Paape verwoord. Het boek is in feite één lange politieke preek.
Toen Paape zijn roman schreef, was de Bataafse Republiek nog jong. Drie jaar eerder had men de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden omvergeworpen, maar hoe de nieuwe staat er uit moest zien, daar was men nog niet uit. Paape hield zich bezig met de vraag: hoe krijgen we in een democratische staat werkelijk deskundige mensen aan de leiding? Hoe voorkomen we dat leeghoofden en zwetsers verkozen worden?
Eigenlijk gaat het om het nog steeds actuele dilemma: de macht ligt bij het volk, maar is dat volk wel tot oordelen in staat? Als oplossing bedenkt Paape een systeem waarbij volksvertegenwoordigers getest worden op kennis van zaken en op morele integriteit. Maar hoe het volk zover gekregen wordt, dat het naar de 'verstandigen' zal luisteren, blijft onhelder. Interessanter dan de vraag of de idealen van 1798 nu echt uitgekomen zijn - een beetje, denk ik - is dan ook de constatering dat de problemen nog steeds dezelfde zijn.

Jan Dirk Snel


Blank naar boven gedreven

     Het is wel grappig, te ontdekken dat 'Eldert Blaank', of eigenlijk Eldert Jansen Blank, nu ook weer niet het eerste het beste onbeschaafde heethoofd van Hoevelaken was. Hoewel..., het is misschien maar hoe je het bekijkt.

    Ik neem er het boek van Mr A. Veldhuizen bij: Hoevelaken 1132-1982. Eldert was een zoon van het boerenechtpaar Jan Eldertsen Blank en Trijntje Willems van Overbeek. En Rooms-Katholiek.
    Drie jaren na het gewelddadig incident met Jan Dirksen erft Eldert de boerderij van zijn ouder, Meerveldserf, middenin het dorp van Hoevelaken gelegen, op Oosterdorpstraat 9. Dat was in 1788.
    Na 1795 komt Blank op bestuurlijk peil bovendrijven op de golven van de Bataafse revolutie (vrijheid, gelijkheid, broederschap), die ook Hoevelaken meezogen. De Vrouwe van Hoevelaken, overigens een tevreden cliënte van chirurgijn Wynand van Leeuwen, heeft al haar biezen gepakt en is naar Brunswijk in Duitsland gevloden. In Hoevelaken wordt een revolutionair gemeentebestuur geïnstalleerd, de municipaliteit.
    En wie zit hier in?
    Juist: onze voormalige vechtersbaas Blank.


Op 13 augustus 1796 kwam voor het eerst de (revolutionaire) Nationale Vergadering bijeen
klacht over reactionaire schout Van der Kieft
    In 1796 stelt Blank met een ambtgenoot een brief op. Ik laat voor het vervolg Veldhuizen aan het woord:
    "De municipalen Dirk Huurdeman en Eldert Jan[sen - FST] Blank - beiden zijn rooms-katholiek - schrijven 'uyt naam van alle de stemgerechtigden van Hoevelaken' aan 'het Comité van politie en finantie en algemeen Welzijn in Gelderland'. In de brief beklaagt men zich over de schout Peter van der Kieft, die voor de oude constitutie is. Hij heeft geweigerd mee te werken aan uitgeschreven verkiezingen en heeft de eed op de nieuwe wetten nog niet afgelegd. Hij heeft een aantal dorpelingen zelfs een verklaring laten ondertekenen waarin zij verzoeken Hoevelaken van de nieuwe bestuursvormen uit te zonderen. Hier zijn deze briefschrijvers het geheel niet mee eens: 'Wij zouden soo graag vrij volk wesen en niet weer onder de oude Slavernij raken'."



Amsterdam - Dam | 1795 | Dans om de Vrijheidsboom

.

Juich braven! Gij wier hart der Vrijheid is verpand!

Dus strikt Bataaf en Frank de schoonste vriendschapsband.

illustratie: H. Roosing Sr.

'wij laten hem overal baas van'
     Er is nóg een klacht tegen Van der Kieft:

     "
Op een vergadering in Barneveld heeft Van der Kieft onder andere gezegd dat de roomsgezinden teveel voorrechten zouden krijgen. Ook hiermee zijn de briefschrijvers het niet eens: 'daar kan hij int Minste geen reden Voor geven want wij laten Hem over al baas van'. De brief besluit dan deemoedig: 'Medeburgers, maakt het met ons zoo als uwe het goet vint. Als gij ons maar in geen meer beswaren en brengt!' "
     Blijkbaar heeft de klacht tegen Van der Kieft niet geholpen: "
In 1797 blijkt Van der Kieft nog als schout te funktioneren" (Veldhuizen, bladzijde 35).
     Een leuke bijzonderheid is nog dat de 'reactionaire' schout Van der Kieft hoogstwaarschijnlijk een zoon was van Hermannus van der Kieft uit Barneveld, die van 1762 tot 1768 voogd van chirurgijn Wynand van Leeuwen was geweest. In veel later jaren was Peter van der Kieft nog gemeentesecretaris en burgemeester van Hoevelaken.

     Dan krijg je het volgende beeld: Wijnand had de Vrouwe van Hoevelaken, Agatha Theodora Geelvinck, die natuurlijk tegen de Bataafse Revolutie was, in zijn patiëntenkring; hij wist dat Blank, althans vroeger, een ordinaire vechtjas was; hij moet Peter van der Kieft als de zoon van zijn voormalige voogd hebben hooggeschat.

     Al met al voldoende reden voor Wynand om zich tegen de woelige Bataven te keren. En toch lijkt het er op dat zulks niet het geval was. Wordt vervolgd.

eerbiedwaardig en steenrijk
     Blank eindigde zijn leven als eerbiedwaardig burger van Hoevelaken. In 1818 was hij
assessor, de voorloper van de huidige wethouder. En hij was steenrijk. In 1825, Blank is dan al dood, verkopen zijn erven al wat hij bezat. Veldhuizen (bladzijde 101):
    "Getuigen daarbij zijn de heelmeester Cornelis Marteling (!), wonende in de Kantemars (Oosterdorpsstraat1) en molenaar Teunis Tijsseling, Eén van de taxateurs is buurman Wouter van de Glind. Van 's ochtends 8 uur tot 's avonds 8 uur is het gezelschap bezig om de inventarisatie te verrichten. Binnen en buiten wordt alles bekeken en getaxeerd. Er worden 8 koeien aangetroffen (in prijs variërend van 35 tot 58 gulden), 1 kalf en 4 ossen; daarnaast 2 paarden, 40 kippen en een haan en 2 varkens. Op het veld staat rogge, tarwe, aardappels en vooral veel boekweit".

een kapitaal voor de boerderij
    De boerderij brengt een kapitaal op:
    "In september 1825 gaan de erfgenamen Blank over tot de openbare verkoop van de boerderij met de daarbij behorende zogenaamde Zes Morgen (het Meerveldsland). De boerderij wordt omschreven als 'boere-erf bestaande in een huis, hof en brink, een bakhuis, schuur, 2 bergen, bouw-, wei- en driestlanden, heide, veen en bosgronden, opgaande bomen, akkermaalsheggen en verdere houtgewassen'. Koper van het geheel wordt Hendrik van Meerveld, landbouwer uit Stoutenburg. Zijn bod beloopt f 4.000-; de totale oppervlakte van de boerderij bijna 25 bunders (omgerekend vanuit Gelderse morgen is dat + 21½ ha)."

Landgoed Stoutenburg

'natuurbehoud', jrg 28, nr 2, mei 1997

jongste aankoop

Landgoed
       Stoutenburg

Aan de westrand van de Gelderse vallei, aan de Barneveldse Beek in de provincie Utrecht, ligt het 11 ha grote landgoed Stoutenburg met daarop een kasteel en een koetshuis. Op dit moment wordt het kasteel bewoond door een Franciscaanse communiteit, die daar de komende jaren zal blijven wonen. Oorspronkelijk was het landgoed circa 750 ha groot en behoorde het tot de bezittingen van de Amsterdamse bankiersfamilie Luden. Het kasteel uit 1888 diende als zomerverblijf, de rest van het jaar verbleef de familie in Italië. Na 1918 raakte het bezit versnipperd en werden de boerderijen aan de zetboeren verkocht. In 1948 werd het Provincialaat Franciscanen eigenaar van het huidige landgoed en sinds kort is het in handen van Natuurmonumenten.
    Dat er al in 1259 een kasteel op het terrein stond, is af te leiden uit de lanenstructuur en de plaats waar vroeger twee tolhuizen stonden. Aan de voorzijde van het kasteel ligt een rondgang met gazon. U vindt er veel sneeuwklokjes, krokussen en kleine maagdenpalm. Het parkbos, bestaande uit beuken, eiken en naaldbomen, biedt huisvesting aan heel wat vogels. De buizerd, sperwer, boomvalk, bosuil, boomklever en goudvink zijn slechts enkele voorbeelden, in totaal zijn er zo'n 66 vogelsoorten geteld. Bovendien voelt de dwergvleermuis, maar ook de baardvleermuis, grootoorvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis zich er thuis.




brief van                              aan
Frits Stoffels                        Mr. A. Veldhuizen
Stadswerf 71                        Nassaulaan 24
1354-CG Almere-Haven     3818-GM
lid nr 67 van                        Amersfoort
'Veluwse Geslachten'

                Almere-Haven, 7 november 1998

Geachte heer Veldhuizen,
    zojuist heb ik met veel pleizier uw boek 'Hoevelaken 1132-1982' gelezen.
    Ik heb nog een aardige, zij het kleine aanvulling. In uw boek komt enkele malen Eldert Jan(sen) Blank ter sprake. Ondanks zijn latere ordentelijke loopbaan in het bestuur van Hoevelaken, en zijn maatschappelijk aanzien als welgestelde boer was hij in zijn jongere jaren kennelijk een woeste vechtersbaas.
    Geheel toevallig trof ik in Amsterdam een briefje uit 1785 aan, van de hand van chirurgijn Wynand van Leeuwen (een oomzegger van schepen en latere burgemeester Antonie van Leeuwen):
"ik ondergetekende verklaare Bij dezen den 22 February 1785 Een gesnede wond aan het hoofd verbonden te hebben aan den Persoon Jan Dirksen woonende int Swarte Broek Boven gemelde Persoon verklaart de voornoemde wonde verraedelyks gekreegen te hebben van den persoon Eldert Blaank op den 17 February 1785
Actum Barneveld                Wynand van Leeuwen
Den 23 February:            Chirurgijn tot Hoevelaken
        1785 "
    Het briefje is te vinden in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, Afd. Zeldzame en Kostbare Werken, Brievenarchief, inv.nr. Bc 168.
    Mag ik u nog op een klein foutje wijzen, wellicht handig bij een eventuele herdruk? Volgens bladzijde 30 wordt 1770 aangehouden als het jaar waarin Agatha Theodora Geelvinck aantrad als Vrouwe van Hoevelaken. Op bladzijde 116 is echter sprake van 1771. Hoe zit dat precies?
    Voor het overige niets dan lof voor uw boek.

                Hoogachtend,
                    [get.]
                    frits
                       stoffels

+ kopie briefje Wynand van Leeuwen

brief van A. Veldhuizen

ontvangen 23 november 1998
Mr. A. Veldhuizen


                                        De heer F. Stoffels
                                 Stadswerf 71
                                 1354 CG  Almere-Haven






MR A. V E L D H U I Z E N



De heer F. Stoffels
Stadswerf 71
1354 CG   Almere-Haven



20 november 1998


Geachte heer Stoffels,


Hartelijk dank voor uw brief van 7 november jongstleden! Het is altijd plezierig te horen dat belangstellenden iets hebben aan de neerslag van het speurwerk dat ik overigens met veel genoegen deed.

Met betrekking tot de overlijdensdatum van Dirk Wolter van Lynden het volgende: hij overleed op 5 juli 1770 maar de verdeling van zijn nalatenschap (en dus de -administratieve- opvolging van hem in de heerlijkheid) vond eerst plaats in 1771. Vandaar de verwarring! Ik zal de volgende druk (dat zou de derde zijn, ik denk dat u de eerste hebt gelezen) aanpassen.

Met genoegen las ik de gegevens die u vermeldde over Eldert Jansen Blank. In een volgende uitgave van het periodiek van Historisch Hoeflake zal ik daarover -met vermelding van u als bron- iets schrijven.

Met vriendelijke groeten,

[get.]

A. Veldhuizen




NASSAULAAN 24

3818 GM AMERSFOORT

TELEFOON 033 4659313 / TELEFAX 033 4659323



Het kunstig handwerk (1)


De maatschappelijke positie van de arts
'trouw' | 5 augustus 1988 | jelle jan klinkert

De maatschappelijke
positie van de arts

In de sociale wetenschappen zie je regelmatig modeverschijnselen en hippe trends optreden. Daaruit blijkt allereerst dat het toch maar welzeker echte wetenschappen zijn (want in de natuur- en medische wetenschappen zie je hetzelfde), en tevens dat sociale wetenschappen met beide benen in de samenleving staan.

Een van die modes is het onderzoek naar het verschijnsel stratificatie. Dat is het fenomeen, dat de samenleving ingedeeld kan worden in 'lagen' - als aardlagen in een berg - van mensen die 'hoger' of 'lager' in de maatschappij staan.
Dat hoger of lager wordt meestal beschreven in termen van maatschappelijk aanzien en het wekt geen verwondering dat er in onze samenleving een vrij nauwe relatie tussen dit aanzien en het verdiende inkomen bestaat.
Wij drukken onze waardering immers graag in geld uit. In andere culturen is dat soms niet zo: het aanzien heeft daar geen enkel verband met het inkomen, en wie even nadenkt, begrijpt dat zoiets ook heel goed mogelijk is.
In de jaren vijftig was onderzoek naar de maatschappelijke stratificatie heel populair. Maar in het daarop volgende decennium verdween het naar de achtergrond. De jaren zestig en zeventig waren immers de jaren van de grotere gelijkheid - spreiding van kennis, macht en inkomen - en het nastreven van dat ideaal was kennelijk van groter belang dan onderzoek naar het resultaat van dat streven.
In die jaren was stratificatie-onderzoek verdacht in de ogen van progressieve wetenschappers, en daardoor is er twinitg jaar lang nauwelijks enige aandacht aan besteed. Maar ziedaar! Koud breken de jaren tachtig aan en begint een no-nonsense wind door de maatschappij te waaien, of de mode verandert: het stratificatie-onderzoek verschijnt weer.
Kennelijk wordt nu erkend dat er toch ongelijkheid in onze samenleving bestaat, en dat men - ook als men deze zou willen bestrijden - beter goede informatie erover kan verwerven, dan in den blinde er op los te trekken.
Onlangs is dergelijk onderzoek weer verricht en - op basis van de gegevens uit een artikel van Sixma in Huisarts en Wetenschap - in het volgende zal ik enige gegevens eruit naar voren halen. In het bijzonder gaat het dan om de maatschappelijke positie van de arts.
Maar eerst even terug in de geschiedenis. Begeven wij ons naar het begin van deze eeuw. Het was voor het artsenberoep een iets rustiger periode, na de troebelen van de negentiende eeuw. In die tijd namelijk was de wetgeving tot stand gekomen (in 1865) die ervoor zorgde dat er


LIJF

&LEDEN


door Jelle Jan Klinkert



maar één soort arts in Nederland zou komen te bestaan: de universitair opgeleide medicus.
En aan het begin van de twintigste eeuw was die situatie zo'n beetje bereikt. Daarom behoorde de huisarts tot de notabelen van de stads- of dorpsgemeenschap, en stond hij in aanzien globaal op één lijn met de burgemeester, de notaris en de geestelijke.
Veel andere artsen dan huisartsen waren er niet. Er bestonden enkele specialisten, maar die waren ver weg; geografisch: in de grote stad en sociaal: onbereikbaar voor de meeste gewone patiënten.
In de eeuwen voor deze tijd was het beeld van de maatschappelijke positie van de medicus minder duidelijk. Allereerst omdat er meer soorten artsen waren. Je had in die vroegere eeuwen de doctores, artsen die aan een universiteit waren opgeleid en gepromoveerd. Binnen die groep bestonden de doctores medicinae (een soort internisten), de doctores obstetricae (verloskundigen, eveneens universitair opgeleid) en de doctores farmacauticae, apothekers dus.
Deze doctores waren de dokters die het hoogst in aanzien stonden.
Een tweede groep geneeskundigen werd gevormd door de heelmeesters of chirurgijns. Dezen hadden geen universitaire opleiding. In het beste geval haddeen ze een Klinische School gevolgd, maar er waren er ook die het vak in de praktijk geleerd hadden. Het was niet bij voorbaat zeker dat de laatsten minder goed werk leverden dan de eersten. Hun maatschappelijk aanzien was dan ook aanzienlijk geringer dan dat van de doctores. En daarom moesten ze ook allerlei medische handelingen verrichten, waar de doctores in die tijd van gruwden; opereren bijvoorbeeld, of aderlaten.
Onder de heelmeesters had je ook weer verschillende soorten. Vooral belangrijk was de vraag of de chirurgijn de bevoegdheid had in de stad te werken of alleen op het platteland. Aan de laatsten werden lagere eisen gesteld dan aan de eersten. Nog minder waren de vereisten gesteld aan een scheepsheelmeester waardoor tegelijk inzicht wordt geboden in de maatschappelijke waarde die zeelieden in de ogen van de burgers van die tijd vertegenwoordigden.
(Over veertien dagen het tweede artikel in deze serie.)

'Anatomische les van Professor Willem Roëll' | schilderij van
Cornelis Troost uit 1728 | Van 1500 tot 1850 veranderde er
vrijwel niets in de universitaire medische opleiding
de chirurgijn: praktische kennis
     Wynand moet dus op een of andere wijze een chirurgijnsopleiding hebben gevolgd, want hij mag zich sieren met de titel 'Meester'. Dit betekent dat hij een proeve van bekwaamheid of een examen heeft afgelegd. Helaas is hiervan (nog) niets teruggevonden.

     Een chirurgijn of heelmeester had vooral veel praktische kennis, maar amper een theoretische ondergrond. In Wynands tijd, toen de medische kennis nauwelijks die der middeleeuwers en zelfs der oude Grieken overtrof, was dit nog geen bezwaar: wanneer je ziek was, kon je toch niets beters vinden dan een chirurgijn. De universitair opgeleide medici stapten wel gewichtig in het rond, maar enige praktijkkennis bezaten ze niet. Wat ze wél wisten, beperkte zich veelal tot de anatomie.

     Pas in de loop van de negentiende eeuw, wanneer de medische kennis spektakulair toeneemt, vermindert het aanzien van de ouderwetse chirurgijn, die plaats maakt voor artsen van nieuwe snit. Aan het eind van die eeuw is hij 'uitgestorven'.

knippen, scheren en aderlaten
     De opleiding tot chirurgijn was al sinds de Middeleeuwen een zaak van de gilden. Zo om en bij z'n twaalfde meldde de aankomende chirurgijn, of diens vader, zich aan bij het gilde, sloot mondeling of schriftelijk een kontrakt met een Meester Chirurgijn, en betaalde het leergeld. De Meester verzorgde de huisvesting en de opleiding.

     De chirurgijnsopleiding was zo ongeveer de langst denkbare beroepsopleiding: ze kon wel zeven jaren duren. Er waren twee examens aan verbonden, het eerste voor gezel, het tweede voor Meester. Bij het tweede examen moest een (zware) meesterproef worden afgelegd.

     Vele chirurgijns waren tevens barbier, en knipten en schoren hun klanten. Bij het barbiersexamen behoorde ook het aderlaten. De kandidaat moest een paar ijzeren messen maken die hij voor het aderlaten gebruikte. Aderlating werd niet alleen bij lichamelijke kwalen toegepast, maar ook wanneer mensen chronisch sacherijnig of verliefd waren.

     Na het barbiersexamen kon je nog 'heelmeester' worden, aldus Prof. Dr N.F. Noordam in zijn
Historische pedagogiek van Nederland (Nijkerk, 1979); in dat geval moest je ook nog "kennis hebben van de gezwellen en de temperamenten om de oorzaak van de stoornis te kunnen vaststellen (...) Daar kwam bij inzicht in de meest voorkomende wonden, ontwrichtingen en fracturen, de techniek van het tandentrekken en de samenstelling van geneeskrachtige kruiden en zalven (...) Wie voor dit examen zakte mocht alleen maar knippen en scheren".
Boven: operaties werden na de middeleeuwen zonder
verdoving uitgevoerd door chirurgijns. In de middel-
eeuwen werd verdoofd met in opium gedrenkte
sponzen, maar deze methode raakte in onbruik,
misschien door het verdwijnen van kloostertuinen. De
patiënt werd door een paar potige lieden vastgehouden
om de chirurgijn in staat te stellen zijn werk te doen.
Het amputeren zonder verdoving lijkt erger dan het is,
aangezien het bot ongevoelig is. De chirurgijn die het
snelste kon zagen, gold als de beste. Dat de
patiënt na de amputatie toch een grote kans had dood
te gaan, kwam enerzijds door het optreden van
ontstekingen als gevolg van de onhygiënische
werkwijze, anderzijds door shock. Het aderlaten na de
operatie was ook niet bevorderlijk voor het herstel van
de patiënt.
Aanvankelijk waren chirurgijns ongeletterden die hun
kennis vooral in de praktijk moesten opdoen. Hun
theoriekennis was zeer gering. De geleerde doctores
medicinae maakten immers hun handen tot in de
negentiende eeuw niet vuil.
Titelpagina van Armentarium Chirurgiae, geschreven
door Joannes Scultetus (1693, Leiden).
de eerste boer de beste
     Het Chirurgijnsgilde werd in 1795 opgeheven. Uit het boek
58 Miljoen Nederlanders: "Dat hield voor de geneeskunde in, dat de eerste boer de beste zich ongestraft als heelmeester kon vestigen. De bedreigde standen van doctores medicinae en chirurgijn sloegen, op voet van gelijkheid staande, de handen ineeen om dit te verhinderen".
     Dit lukt in 1804. Dan wordt een wet aangenomen die de geneeskundigen, ongeveer als voorheen, in twee rangen verdeelt: de wetenschappelijke en, te vergelijken met de oude chirurgijns, de praktijkgerichte.

     Maar Wijnand van Leeuwen was nog van vóór de opheffing der chirurgijnsgilden en had dus wel degelijk een opleiding gevolgd en een meesterproef afgelegd. Vaak konden chirurgijns "v
eel beter uit de voeten dan de zeergeleerden, volgepropt als dezen waren met standswaan en belegen kennis", aldus 58 Miljoen Nederlanders..

Cornelis Troost | Drie overlieden van het Chirurgijnsgilde
te Amsterdam | 1731


Potjes- en dokterslatijn


Leken wisten altijd wel van wanten

Potjes- en dokterslatijn door de eeuwen heen

door Frits Stoffels


voor het blad Humanist van het Humanistisch Verbond, dec 1986/jan 1987


    Ziek van liefdesverdriet? Vroeger wist men wel raad met alle mogelijke kwalen. Ook met deze. Doe zoals een Leidse student deed aan't begin van de achttiende eeuw. Hij beminde een jongedame, maar haar ouders lagen dwars. De student verviel in een smartelijk lijden, dat gepaard ging met hoge koortsen. Hij deed wat velen al eeuwen deden, en wat heel gewoon was: een recept bereiden uit menselijke afvalstoffen. De zogeheten 'drek-artsenij' schreef hem een teug urine van de geliefde voor. Het meisje stond haar plas gewillig af, de jongen nam een frisse dronk en knapte zienderogen op.

    De geschiedenis van ziekte en beterschap reikt tot in de donkerste oudheid terug, en is helaas tot voor kort altijd donker gebleven, aangezien emn bij vrijwel alle ziekten in het duister bleef tasten. De geneeskunst is ongeveer even oud als de mensheid zelf. Toch heeft het tot ongeveer 1850 geduurd voor de doktoren werkelijk heilzame en doeltreffende methoden begonnen te ontwikkelen. Rond ziekzijn hing een waas van geheimzinnigheid en angst. Niet voor niets was de geneeskunst in de oudste tijden meestal in handen van godsdienstige ambtenaren: priesters en medicijnmannen. Met veel mysterieuze en mystieke tam-tam, blabla en vooral poeha werd de zieke op suggestieve wijze geheeld.
    Daarnaast kwam een volksgeneeskunst tot bloei die aan van alles en nog wat heilzame krachten toeschreef. De drek-traditie behoorde daar ook toe. De Romeinse schrijver Plinius vermeldde al dat 'barbaren' urine spaarden, voor-het-geval-dat. Na vijf jaar rijpen was ze een uitstekend middel tegen hardlijvigheid. Bij de oude Egyptenaren, wier medische kennis toonaangevend was, stond drek in alle denkbare toepassingen op de receptenlijst.
    In de tijd van onze Leidse student, de achttiende eeuw, werd in't bijzonder de plas van jonge knapen aangeraden. Die was het krachtigst. Hij moest gemengd worden met zuurdeeg en een scheutje Rijnwijn. Ook de drek van vogels was zeer geliefd bij onze voorouders .uit die tijd. In Franeker boekte iemand aan de hogeschool goede resultaten in de strijd tegen hardlijvigheid door de uitwerpselen van eksters te dopen in pruimensap, en zich het mengsel toe te dienen.
    Ook vroeger gold blijkbaar al: hoe onsmakelijker het geneesmiddel, hoe beter de werking wel zal zijn. Bij die 'werking' kunnen we nu wel heel wat vraagtekens plaatsen. Wat dacht u van het bestrijden van bedwateren door het eten van levend gebakken muizen? Had u een paar honderd jaar geleden geleefd, dan had u, ter voorkoming van stuipen, misschien heel wat verwacht van de volgende tips: mosterdpap op uw kuiten, spinrag in uw handpalm en het opdrinken van bloed, liefst van het daartoe stukgeknipte oor van een zwarte kat. Hoewel, zou dit recept u niet juist de stuipen op het lijf hebben gejaagd, in plaats van ze te voorkomen? Het verorberen van drie pissebedden voorkwam wormen om de long. En een aftreksel van hondedrek en weegbreeblad hielp u beslist van uw buikpijn af.

knippen, scheren, opereren
    Toch heeft diezelfde volksgeneeskunst ook geslaagde bijdragen geleverd aan de 'officiële' medische wetenschap. Zo konden we enkele maanden geleden in de kranten lezen dat een Australische boer een wespesteek had genezen door de getroffen plek te behandelen met een elektrische schok. Het werkte. Heel kenmerkend was dat het voorval al een aantal jaren geleden had plaatsgevonden, en nu pas kwam de medische wetenschap ermee voor de draad. En waarom? Ook dát is een eeuwenoude traditie: in vele gevallen aanvaardde de wetenschap slechts na veel schoorvoeten en tegensputteren het volksinzicht. Eerst riep ze: 'onmogelijk'. Maar achteraf bleek dat meer mogelijk was dan de heren medici aannamen.
    Tot in de vorige eeuw waren universitaire medici vaak nogal parmantige lieden die gewichtig in het rond stapten, maar er niet over peinsden praktisch aan de slag te gaan. Liever diskussieerden ze in't Latijn over stoffige theorieën zoals die van Claudius Galenus. Maar diens beweringen proefondervindelijk staven of kraken, was er niet bij. Dat was 'handwerk', en dus te min. Bovendien: Galenus had in die tweede eeuw na Christus alles al gezegd wat er te zeggen viel, dus wat kón daaraan nog verbeterd worden? Verbeteringen van Galenus werden steeds met ongeloof ontvangen, of, indien men er niet onderuit kon dat het toch anders was dan de grote man gezegd had, .verklaard uit de veronderstelling dat het menselijk lichaam in de tijd sinds Galenus op belangrijke punten veranderingen had ondergaan. Paradoxaal mag't heten dat Galenus z'n voor die tijd toonaangevende kennis juist had verworven door uitproberen en nog eens uitproberen.
    De werkelijke medische kennis, hoe weinig ontwikkeld ook, berustte tot 1850 dan ook niet bij de wetenschappers, maar bij de volkse barbier-chirurgijns. Scheren, knippen en aderlaten gingen in één moeite door. Na de Gouden Eeuw traden steeds meer zelfstandige chirurgijns op, die hun kennis, en daarmee ook hun aanzien, flink wisten op te vijzelen. Zo kon een universitaire medikus niet opereren, een dorps- of stadschirurgijn, hoe primitief ook, wél, al schroeide hij de operatiewonden met brandende ijzers dicht.
    De barbier-chirurgijnsopleiding was dan ook zo ongeveer de langste beroepsopleiding die bestond. Omstreeks z'n twaalfde meldde de chirurgijn-in-spe zich bij een gilde aan, en rond z'n twintigste was hij afgestudeerd. Voor het meestersexamen moest een zware proef worden afgelegd, waarbij ook het onvermijdelijke aderlaten behoorde. De kandidaat diende een paar ijzeren messen te fabriceren die hij bij de aderlating gebruikte. Het aderlaten werd niet alleen bij lichamelijke kwalen toegepast, maar ook wanneer de patiënt chronisch sacherijnig of ziekelijk verliefd was: een aderlating reinigde het bloed en daarmee heel het menselijk gestel, zo meende men. Voor het heelmeestersexamen moest de kandidaat verder kennis hebben van allerlei wonden en gezwellen, ontwrichtingen en breuken. Ook moest hij tanden en kiezen kunnen trekken, en geneeskrachtige kruidenmengsels en zalfjes kunnen samenstellen. Wie zakte, mocht z'n klanten alleen knippen en scheren.

zonder vrouwen geen beterschap
    Niet alleen de niet-universitair opgeleide chirurgijns bepaalden lange tijd mede de vooruitgang in de medische kunde en kennis, ook leken en buitenstaanders droegen heel wat verbeterde inzichten aan. Daarvan zijn vele staaltjes, zoals die van de Australische boer, te geven.
    Anthonie van Leeuwenhoek bijvoorbeeld dreef een stoffenzaak in Delft, en had een bijbaantje als belastingambtenaar voor alkoholische dranken. Hij vond de eerste echte mikroskoop uit en .legde er vervolgens de voedselresten die tussen z'n tanden zaten onder. Zo ontdekte hij de infusiediertjes en de bakteriën, die hij verrast onder de lens zag wemelen en krioelen als "kleine diertjes, talrijker dan de gehele bevolking van Nederland, die zich in't rond bewegen op een allergrappigste manier". Als het aan Calder (in 'Medicine and Man', 1960) had gelegen, had een van de Parijse boulevards die op de Arc de Triomphe uitkomen, nu 'Avenue Van Leeuwenhoek' geheten. Helaas bleek de Franse binding aan oorlogsvechtjassen en generaals vastgeroester dan aan die van ontdekkers uit de medische sfeer, en de straatnamenwijziging ging niet door.
    Tot de heil en zegen brengende buitenstaanders behoorden niet in't minst tal van vrouwen. Mary Wortley Montague, vrouw van een Engels gezant, zette de geneeskunst van haar dagen te kijk. Die wist geen enkel antwoord te bedenken op de grote pokkenepidemieën die Europa honderden jaren lang teisterden. De gezantenvrouw spoot in 1718 de huid van haar zoon met menselijke pokstof in. De daardoor opzwellende puisten beschermden het kind tegen de gevreesde ziekte. De 'variolatie' werd een stormachtig sukses.
    Een Engelse plattelandsdeerne droeg een nieuwe verbetering in deze methode aan. Het toedienen van menselijke pokstof bleek toch niet geheel zonder gevaren te zijn. Maar wie met pokstof van koeien besmet was geweest, zoals het Britse melkmeisje vaststelde, was van die risiko's goeddeels vrij. Haar vinding bereikte de gespitste oren van de arts Edward Jenner (1749-1823), die met de wetenschappelijke eer mocht gaan strijken. De koepokinenting werd wetenschappelijk getest, en juist bevonden. Volksinentingen werden in steeds meer landen verplicht gesteld.
    De koepokinenting speelde zelfs een niet onbelangrijke rol bij de gebeurtenissen op het wereldtoneel. In 1870 braken twee soorten pest uit: een pokkenepidemie, en een oorlog tussen Frankrijk en Duitsland. Bij de Fransen, die niet aan verplichte inenting deden, stierven meer dan 23.000 soldaten in de linies van het pokkengeschut. Bij de Duitsers, die zich wel verstandig hadden getoond en zich massaal hadden ingeënt, waren niet meer dan 261 pokkendoden te betreuren.

een verbeten strijd
    Een van de belangrijkste voorwaarden om beter te worden, is .een goede verzorging. Zonder hygiëne geen beterschap. Pas het ijveren voor schone lucht, schone straten en huizen, schoon water, een schoon lichaam en schone ziekenhuizen maakte de opgang van de volksgezondheid na 1850 mogelijk. Door de eeuwen zijn het steeds met name vrouwen geweest die op dat aambeeld hamerden. Iedereen kent Florence Nightingale, maar zij stond in een lange traditie.
    In 390 na Christus liet Fabiola het eerste echte ziekenhuis van Rome bouwen, waar ze persoonlijk de patiënten verzorgde, waste en voedde. Sindsdien, tot ver in de Middeleeuwen, trokken allerlei vrouwen verplegend en helend door Europa. Ze lieten hele ketens van door haar gestichte ziekenhuizen achter, en bouwden tevens een grote kennis van de geneeskunst op. Zo was Hildegard van Bingen in de twaalde eeuw een van de eerste vrouwelijke artsen, die bovendien al haar mannelijke kollega's in kennis en kunde overtrof. Het verhaal gaat dat ze zelfs al de geheimen van de bloedsomloop kende. Maar ze schreef er niets over op, en de mensheid moest nog vier eeuwen puzzelen voor het raadsel ontsluierd werd.
    We kunnen rustig stellen dat veel van wat in moderne ziekenhuizen aan orde en reinheid heerst, aan inzichten van vrouwen is te danken, zoals, om maar één ding uit vele te noemen, de regel van één zieke per bed. Vroeger was het normaal dat vijf of meer zieken onder een en dezelfde, smerige, deken werden gestopt. Zo besmette men elkaar uiteraard met de vreselijkste ziekten.
    Operaties werden gewoon op de ziekenzaal uitgevoerd, gezellig tussen de medepatiënten in, of, in't beste geval, op de vergadertafel in de bestuurskamer. Alles zonder narkose natuurlijk; die deed pas in 1845 haar intree. De patiënt werd vastgebonden, dronken gevoerd, 'high' gemaakt, of simpelweg met een rake klap buiten westen en buiten werking geslagen. Operatiekamers zijn nog maar honderd jaar oud, en zonder de inzet van vrouwen en haar verbeten strijd voor ziekenhuishervormingen werd uw been misschien nog steeds op de ziekenzaal geamputeerd.

de kreatieve leek
    Zoals al aangetoond aan het voorbeeld van onze Australiër, deden ook boeren nogal eens medische vindingen. Omstreeks 185 trad in het Oostenrijks deel van Silezië een geneeskundige boer op, Vincent Priesznitz. Van heinde en verre kwamen heilzoekenden naar .hem en naar z'n watertherapieën toe. Eén van z'n vondsten: het gebruik van natte verbanden voor wonden. Totdantoe behielp de medische stand zich met onhygiënische zalfverbanden. Die leidden tot onstuimige bakteriegroei en wondkoorts. Ook vond Priesznitz het dauwtrappen uit: dauw was vochtig en dus geneeskrachtig, zo meende de veelzijdige landbouwer. Niet alleen de armen, en vooral de rijken, van Europa kwamen bij hem allerlei krachtige baden namen, ook de artsen wilden in groten getale weten hoe Priesznitz z'n medische varkentjes waste - en lieten zich overtuigen. Boer Priesznitz en pastoor Kneipp (van de bekende, waterrijke 'Kneipp-kuur') kunnen door hun vele en fantasierijke methoden gezien worden als de vaders van de fysiotherapie.
    Ook de grondlegger van de homeopathie, Samuel Hahnemann (1755-1843) mag door z'n afwijkende denkbeelden gelden als buitenstaander die verbetering bracht. Zijn geneesmiddelen maakten de mensen in ieder geval niet zíeker, en dat was al heel wat, in een tijd dat meer mensen aan dokters en medikamenten stierven dan aan hun eigen ongesteldheden. Niettemin werd Hahnemann, oude tradities getrouw, door z'n vakbroeders weggehoond.
    Met een vondst op het gebied van de suikerziekte komen we weer terug bij het begin van ons verhaal: de 'drek-apotheek'. Zelfs díe is toch nog nuttig geweest: een suikerpatiënt ontdekte bij het geneeskrachtig nippen aan eigen plas dat z'n urine zoet van smaak was. Dat leidde uiteindelijk tot de ontdekking van het verschijnsel dat suikerzieken teveel suiker in hun lichaam aanmaken.

    Zo ziet u maar hoe kreatief de leek en de enkeling tot op de dag van vandaag nog kunnen zijn. Ondanks de geweldige verwetenschappelijking van de medische wereld, ondanks de schrikwekkend ingewikkelde geneeskundige apparatuur en het nog immer bloeiende dokterslatijn aan het ziekbed, is er nog alle ruimte voor nieuwe, heel simpele ontdekkingen. Misschien doet ú vandaag of morgen wel een wereldschokkende vondst. 'Proefdieren' genoeg met Kerst... eet smakelijk.

 november

1986


kaartje van hes van huizen

ha die frits!

hier is ie dan dus.
mooi hè...
    groet van hes


kaartje van hoofdredakteur hes van huizen bij de verschijning van het kerstnummer 1986 van de 'humanist'

Paulus Barbette


Een vernieuwingsgezind geneesheer in 17de-eeuws Amsterdam

uit Ons Amsterdam|42ste jaargang nr. 10 oktober 1990

H.L. Houtzager

P a u l u s   B a r b e t t e

Tot de wetenschappen die in de 17de eeuw snelle ontwikkeling doormaakten,

De polderdokter

Meekijken met een koele polderdokter

Trouw ZATERDAG 11 NOVEMBER 2000
door Hans van der Ploeg

P.G.M.G. Perneel: Het beroepsjournaal van Dr. J.F.Ph. Hers. Arts te Oud-Beijerland (1881-1915). Een reconstructie van een plattelandspraktijk omstreeks 1900. Erasmus Publishing. Rotterdam; 326 blz. - f 59,50.
------------------------

Ruim honderd jaar geleden hoefde je in een gebied als de Hoekse Waard niet bang te zijn dat de dood je zou vergeten. Al voor de geboorte

Het kunstig handwerk (2)


Huis Hoevelaken

[door Ben Hendriks] [http://www.absolutefacts.nl/kastelen/data/hoevelakenhuis.htm]


Het dorp Hoevelaken ligt op de grens van Utrecht en Gelderland. In 1333 was het in het bezit van Elias van Hoevelaken. Op 16 augstus 1333 verkocht hij het goed Hoevelaken met alles wat er bij hoorde aan gaaf Reinald II van Gelre. Daardoor ging Hoevelaken direct tot Gelre behoren en daarmee ten slotte tot de huidige provincie Gelderland.

In 1402 is de heerlijkheid in het bezit van Steven, lid van het geslacht Van Zuylen, die de heerlijkheid in leen heeft ontvangen van de hertog van Gelre. Dit geslacht houdt het kasteel eeuwenlang in haar bezit. Wanneer precies het kasteel gebouwd is, is helaas niet bekend. Zelfs nu is nog niet bekend waar het middeleeuwse kasteel Hoevelaken precies gelegen heeft, want er zijn nooit opgravingen verricht. Men neemt echter algemeen aan dat kasteel Hoevelaken ten zuiden van de weg Hoevelaken-Amersfoort moet hebben gelegen. Blijkens een anonieme prent uit 1602 zou het kasteel Hoevelaken een vierkante burcht zijn geweest met een markante poorttoren. Omstreeks 1672 zou de oude burcht door brand verwoest zijn.

In 1634 vererfde kasteel Hoevelaken op het geslacht van Lynden, waarin het, met een korte onderbreking, eeuwenlang is gebleven. Kort na de verwoesting in 1672 werd een nieuw huis gebouwd ten noorden van de weg Hoevelaken-Amersfoort, dat tot 1926 in stand is gebleven. In 1834 gaat het huis over op de familie Schimmelpenninck van der Oye, die het huis tientallen jaren bewoonde. In 1915 wordt het landgoed met het huis publiek verkocht. Het komt dan in handen van dr. C.J.K. van Aalst, wiens familie het goed heeft bezeten tot aan het tijdstip van de verkoop vanhet goed aan het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten in 1963. Het landgoed werd voor het grootste deel overgedragen aan de Stichting Het Geldersch Landschap, maar het huis met directe omgeving bleef in eigendom bij het Bouwfonds.

In 1926 werd het bestaande huis, dat destijds ter vervanging van de middeleeuwse burcht werd gebouwd, gesloopt en vervangen door een modern pand. Het huidige huis is dus geen oud gebouw, maar is de opvolger van oudere voorgangers. In de Tweede Wereldoorlog werd het huis zwaar beschadigd, maar het werd weer hersteld. Tot 1963 bleef het bewoond. Thans zijn in Huis Hoevelaken de kantoren van het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten gevestigd, die op een belendend terrein ook moderne nieuwbouw heeft gepleegd.

Het huis is gebouwd op een merkwaardig terrein. In de middeleeuwen werd dit gebied verveend. Daardoor ontstonden zeer lange, maar smalle kavels. Een aantal daarvan werd samengevoegd en zo ontstond het terrein, dat behoort tot het landgoed Hoevelaken. Het huidige terrein is slechts 375 meter breed, maar bijna drie km lang. Behalve de directe omgeving van het huis, is het landgoed opengesteld op wegen en paden, zowel voor fietsers als voor wandelaars; ook de directe omgeving van het huis is voor wandelaars toegankelijk.

Het huis is niet moeilijk te vinden. Het ligt juist ten noordoosten van het kruispunt Hoevelaken, de kruising van de autosnelwegen A28 en A1. Komende uit de richting Amsterdam, kan direct na de kruising vis de afslag Hoevelaken de snelweg worden verlaten. Daarbij dient de richting Hoevelaken te worden aangehouden. Tegenover de rondweg rond het dorp Hoevelaken, ligt - voor het dorp - aan de linkerzijde het landgoed Hoevelaken.

Literatuur

- Evert Zandstra, Kastelen en huizen op de Veluwe, 's-Gravenhage, z.j. (ca 1960).
- Mr. A. Veldhuizen, Hoevelaken, 1132-1982, Amersfoort, 1993.
- Gids voor de terreinen van de Stichting Het Geldersch Landschap, Arnhem, 1994.
- Eigen documentatie.

Ben Hendriks, 1999 - 2000
Auteur van Nederlandse kastelen: van motte tot buitenplaats

Na de huwelijkssluiting, in 1787, vestigt Barta zich bij Wynand in Hoevelaken. Wijnand is er, in eigen woorden, 'Meester Chirurgijn Der heerlykhyd hoevelaken'.
    Dat Hoevelaken was toen nog een landelijk boerendorp van zo'n zeventig tot honderdtwintig huizen, een negentig- tot honderdveertigtal gezinnen en vijf- tot zevenhonderd inwoners. Het werd als 'heerlijkheid' bestuurd door de familie Van Lynden van Hoevelaken. Wynand had er goede banden met de 'hoog welgeboren vrouwe van hoevelaken', zoals hij haar noemt, de al vermelde Agatha Theodora Geelvinck. Zij kan later getuigen dat Wynand en Barta van onberispelijk gedrag zijn.
    Terwijl Wijnand heelt en chirurgeert, zit de leergierige en ambtieuze Barta niet stil. Ze krijgt belangstelling voor geneeskundige zaken en besluit ook een opleiding te gaan volgen, tot vroedvrouw. Wellicht werd ze hierin aangemoedigd, zo niet betaald, door de Vrouwe van Hoevelaken, en anders kan ook Wynands rijke oom Anthonie een duit in de studiezak hebben gedaan.
    Het beloofde een aardige vooruitgang in aanzien en welstand voor het jonge echtpaar te worden toen Barta op donderdag 11 augustus 1791 slaagde voor haar examen, afgelegd voor het Collegium Medico-Chirurgicum in Utrecht, bij Doctor Theodorus Hendrik Ketell en de chirurgijns G. Greeve en P. van Lanckom, die Barta "bekwaam bevonden".

tweemaal

utrecht,

fotoos: frits

stoffels, 23.2.1980

Wynand solliciteert voor Barta
     Die kans op positieverbetering kwam.

     Op dinsdag 7 mei 1793 lezen Barta en Wynand een advertentie in hun Haarlemmer Courant. Dat was eertijds zo'n beetje dé krant van Nederland. In de advertentie vraagt de stad Lochem een stadsvroedvrouw. Wynand gaat naar z'n schrijftafel, neemt een pen en schrijft een sollicitatiebrief voor zijn vrouw, op donderdag 16 mei.

     Waarom schreef Barta de brief niet zelf?

     Ze was hiertoe zeker in staat geweest, deze pittige en ontwikkelde vrouw. Maar waarschijnlijk was de samenleving van toen nog zo patriarchaal dat vrouwen niet geacht werden zelf zo'n stap te nemen.

‘het kunstig handwerk gelykkig bediend'
     Barta gaat meteen aan de slag als vroedvrouw, kennelijk in Hoevelaken. In 1793 kan Wynand van zijn vrouw zeggen dat ze "
reeds over de twee Jaren vroedvrouw geweest" is, "en in die tyd het kunstig handwerk gelykkig bediend heeft". In deze, overigens nog geen twee volle jaren - Wynand overdrijft ietwat - heeft Barta getoond "de vereijschte bekwaamheden te bezitten die een waare vroed vrouw nodig heeft".
     Mede hierom zoeken Barta en hij naar een kans om wat te stijgen op de maatschappelijke en financiële ladder. Goed bekeken: de stad die Barta als vroedvrouw zou aannemen, haalde meteen een chirurgijn in huis, of omgekeerd. Dit was ongetwijfeld een voordeel bij sollicitaties.

     Wijnand en Barta waren zich hiervan bewust: in sollicitatiebrieven liet het echtpaar steeds, quasi-terloops, even het beroep van de wederhelft vallen.

de brief van 16 mei 1793

'...zoo is t dat ik myn vrouw rekomandere...'

              Aan  de weledele
                Agtbaare Magistraat
                    Der Stadt
franco
deventer                 Lochem


de brief van 16 mei
Weledele Agtbaare Heeren der Magistraat
         van Lochem

Terwyl wy in de haarlemmer Courant van den 7 Mayus
hebben gezien dat dat de vroedvrouwe Plaats in gemelde
Stadt is komen te Faceeren en dat uwed:agbare een
bekwaam mensch verlangen om de zelve te vervullen
zoo is t dat ik uwed: - myn vrouw Rekomandere
met verzeekering van de vereijschte bekwaamheden te
bezitten die een waare vroed vrouw nodig heeft zal zij
nuttig zyn voor het mens dom; waar van wij
ten vollen bewys kunnen geven zoo zulks begeerd wort
zoo van de Examinateurs van utrecht die myn vrouw
geëxamineert hebben, als van de doctor en vroedmeester
te Amersfoort daar wij maar een uur af woonen, en
omtrent het gedrag kunnen wij in de plaats daar wij wonen
als van de hoog welgeboren vrouwe van hoevelaken en de
Predikant al hier waar wy woonachtig zyn genoeg
bewysen ik als chirurgijn en myn vrouw als vroed-
vrouw zynde byde ledematen van de hervormde kerk
myn vrouw is 26 Jaar 3 Maand oud geboortig van hall op veluwen
En is nu reeds over de twee Jaren vroedvrouw geweest
en in die tyd het kunstig handwerk gelykkig bediend
dog eer wy de nodige bewysen op leverde of zelfs overrijsden
Terwyl de rys ver is dagt ik myn eerst bij Missive te
vervoegen aan uwed: Agtbr. Heeren met verzoek om het
tractament En verdere emolumenten te weten terwyl ik
de plaats niet ken verzoeke dus vriendelyk myn hoe eer hoe
liever dit bekend te maaken zullende als dan direckt het
nodige bewys ter hand stellen

       Blyvende Met Achting En Eerbied
         UwEd: Agtbaare ondaanige
            dienaar en dienarresse
        Wynand van Leeuwen
                en
        Engelbartta klaasen

    PS    myn adres is Monsr
    W V Leeuwen Mr Chirurgijn
    Der heerlykhyd hoevelaaken

Actum hoevelaaken
den 16 Mayus 1793


Verval van een monument

Volkskrant 23 maart 2002

door Eric de Frel

Het Haarlems Dagblad heeft een rijke geschiedenis. Maar de toekomst stemt somber. De krant moet verregaand bezuinigen, wat volgens de hoofdredactie ten koste gaat van de kwaliteit. Samengevoegd worden met Telegraaf-zuster het Noord-Hollands Dagbald - dat is ernstig.

Niet voor niets voert het Haarlems Dagblad al sinds de Tweede Wereldoorlog de ondertitel Oprechte Haerlemse Courant 1656. De krant is gek op haar geschiedenis; trouwens, ook op haar status en uitstraling. Het Haarlems Dagblad is niet alleen de krant van Bomans, Busken Huet en W.L. Brugsma, of de krant die voortrekker was in het onthullen van grote affaires als de King Kong-affaire uit de Tweede Wereldoorlog. Het is ook de oudste, nog verschijnende krant in de wereld. 'We staan in het Guinness Book of Worldrecords', zegt hoofdredacteur Geert Jan Majoor ten bewijze.
    En uitgerekend deze krant

maar op hun brief volgt geen reaktie. is hij wel aangekomen? wijnand neemt het zekere voor het onzekere en grijpt nogmaals naar de pen. op maandag 17 juni...


de brief van 17 juni

Aan De Weledele
Achtbaare Magistraat
             tot
                Lochem


... in denkbeeld zynde dat die Brief niet te regt is gekoomen...

Weledele Achtbaare Heeren

ik hebbe den 17 Maijus aan uw Ed: geschreven
over het vroedvrouwen tractament van de stad Lochem
terwijl ik myn vrouw: aande magistraat gerecom-
mandeert hadde om de Stads vroedvrouwe plaats te
vervullen, met verzekering van de nodige
bekwaamheden te bezitten, en daar toe het nodige
bewys wel te kunnen op leveren, maar ik hadde
UwEd verzogt om myn berigt te zenden de
hoeveelhijd van tractament En verdere emolumenten
maar in denkbeeld zynde dat die Brief niet
te regt is gekoomen Terwyl ik geen antwoord
krijg, zoo is t dat wij ons nog maals aan
maagistraat recommanderen met hetzelfde
verzoek, uwEd: Agtbaare kunnen nu Enig berigt
van ons krygen bij de heer Bruynier geschreeven
------------------------------------------------------------------------------------------
geschreeven door de heer abbink predikant
te hoevelaaken daar wy woonagtig zyn myn
vrouw als vroedvrouw en ik als Chirurgyn.
verzoeke op t aller vriendelykts dat uwEd agtbare
myn Enig berigt gelieft te zenden
zullende als dan direckt zelfs koomen en
het nodige bewys ter hand stellen

     myn adres is Monsr
     Monsr Wynand Van Leeuwen
             Chirurgyn der heerlykhyd
                             Hoevelaaken

Actum hoevelaaken
Den 17 Junij 1792 [er lijkt 1792 te staan, doch dit dient 1793 te zijn - FST]
Aan de WEdl: Agtbaare
Heeren Regeerders der
Stadt Lochem -

                 verblyve Eerbiedig
                     UWEd: onderdanige
                           Dienaar W:V:Leeuwen
          

noot: predikant Abbink heette eigenlijk Tielemannus. Abbing. Als proponent werd hij in 1780 predikant te Hoevelaken. Hij bleef hier tot 1806 en ging toen met emeritaat. Abbing was gehuwd met Johanna Christiana van Deventer..

Middeleeuwse magie


Demonen en 'quaatwyfs'

Magie rond het middeleeuwse kraambed

door Coby van der Wurf-Bodt

uit Spiegel Historiael | jrg 31 | januari 1996

Sinds mensenheugenis kende men al magie. Door middel van toverij en waarzeggerij probeerde men de bovennatuurlijke krachten te beïnvloeden. Magie was een houvast dat een verklaring gaf aan een voortdurend onzeker


De vroedvrouw
De vroedvrouw in de late middeleeuwen en de nieuwe tijd

door Coby van der Wurf-Bodt

uit Spiegel Historiael | mei 1994

Van de vroedvrouw in de middeleeuwen in de Nederlanden is heel weinig bekend. De verloskunde bleef heel lang een strikte vrouwenaangelegenheid. De opkomst van de medische wetenschap bracht daar aanvankelijk geen verandering in. Kinderen krijgen was een zaak van vrouwen onderling en in de ogen van de mannelijke medici kon dat geen wetenschap zijn. Wat was de maatschappelijke positie van de vroedvrouw en wat waren de ontwikkelingen in het beroep van verloskundige in de loop van de tijd?

In de steden groeide in de middeleeuwen de verantwoordelijkheid van de overheden voor hun onderdanen op diverse gebieden, en niet in de laatste plaats op het terrein van de medische zorg. Geleidelijk kwam er een organisatie van gezondheidszorg op gang.
Gezondheidszorg is een modern begrip en destijds was er geen sprake van de betekenis die wij er nu aan toekennen. Als we deze anachronistische term toch willen toepassen, dan betreft het de aandacht en de maatregelen van de stadsbesturen voor de gezondheid van de burger.
In de loop van de 13de en 14de eeuw steeg de vraag naar medische voorzieningen, vooral in de steden. Hier kunnen tal van redenen voor worden aangevoerd, zoals bevolkingsgroei (tot in de 14de eeuw), een voortdurende migratie naar de steden, verdichting in bewoning, minder mogelijkheden tot familiale zorg voor behoeftigen in steden, het stedelijk leefpatroon en de verpaupering (in de 15de eeuw).
Evenals andere uitingen van maatschappelijke zorg was de medische bijstand een zaak van caritas, met name waar het de hulp aan minvermogende zieken betrof. De verpleging was toevertrouwd aan - voornamelijk vrouwelijke - religieuzen of daaraan nauw verwante categorieën als tertiarissen en begijnen. Deze voor de betrokkenen gratis zorg werd mede mogelijk gemaakt door leken en stedelijke overheden. Wanneer meer

'ons amsterdam', juli/aug 1987

Amsterdamse vroedvrouwen


in de zeventiende en achttiende eeuw


De praktijk van de Amsterdamse vroedvrouwen in de 17de en 18de eeuw

door R.E. Kistemaker

'Elk heeft het oog op het lieve Bekje; deeze, als zag het alrede, zegt: Wat kykt het my lief aan? Eene andere, als konde het al hooren, praat er mede; ... O! zeggen ze, wat lykt dat lachebekje naar Vader! Zie, 't heeft oogjes als gittjes; wat ziet het snugger!' Zo beschrijft de Hollandse arts J. le Francq van Berkhey in 1773 een scène in een kraamkamer. De conversatie verschilt niet erg van wat zich ook nu nog

Bevoegd en bekwaam


EXPOSITIE


De Solex van de vroedvrouw


door Wouter Klijn

Volkskrant | 21 oktober 2000


Het heeft meer weg van een wapenarsenaal dan van een verzameling verloskundige instrumenten. De grote transparante pilaar met tientallen verlostangen maakt in de kleine ruimte een gevaarlijke indruk. De bezoeker zal dan ook blij zijn zich te kunnen troosten met het idee dat de tang niet langer in gebruik is.
  De verlostangen maken deel uit van de expositie Van Lust tot Leven in Museum Boerhaave te Leiden, een tentoonstelling over seksualiteit, zwangerschap en geboorte. De positie van de vrouw staat hierin, nog meer dan het onderwerp doet vermoeden, centraal.
  Langs rode gordijnen


Vroedvrouwen: 100 jaar landelijk georganiseerd


Tentoonstelling 'Bevoegd en Bekwaam' in stadhuis Almere

'De Almare'
25 november 1998

.
        Van onze redactie
            ALMERE, woensdag
"Bevoegd en Bekwaam" is de titel van de tentoonstelling die tot en met dinsdag 22 december te zien is in de hal van het staddhuis [sic] in Almere. Aan de hand van 34 panelen en 7 vitrines schetst de tentoonstelling een beeld van het beroep vroedvrouw in de periode 1898-1998.

    Precies  100 jaar geleden namen de toenmalige 880 actieve vroedvrouwen het besluit om zich te organiseren. De oprichting van de Bond van vrouwelijke Verloskundigen in Nederland werd een feit op 13 september 1898.
    De huidige Nederlandse Organisatie van Verloskundigen

Gluren tussen de lakens

uit ‘trouw’ van 19 september 1984



Gluren

tussen de

lakens

Congres in Gent

over seksualiteit

in de 18de eeuw

Hoe komt het dat intelligente mensen soms zulke domme kinderen krijgen? Ze hebben tijdens de coïtus teveel aan hun boeken gedacht, zei men in de achttiende eeuw.
Deze week vond aan de universiteit van Gent een symposium plaats rond het thema 'De seksualiteit in de achttiende eeuw'. Meer dan honderd wetenschapsmensen hielden zich drie dagen bezig met dit op het eerste gezicht wat merkwaardige onderwerp. "Laat zwakke mensen zich niet voortplanten. Hun kinderen zullen immers nooit het vaderland kunnen verdedigen".


door Jannetje Koelewijn

In 1643 gebeurde in Amsterdam een akelig ongeluk. Een man kreeg het contragewicht van de Reguliersbrug op zijn hoofd. De klap kwam zo hard aan dat zijn 'harssens ten bekkeneel uitspatten'. Beroerd voor de man, maar nog beroerder voor de zwangere vrouw die het allemaal zag. Enkele maanden later beviel ze van een kind met een misvormd hoofd.
Wat de vrouw overkwam verbaasde niemand. Tot diep in de achttiende eeuw - maar ook daarna nog wel - waren de meeste mensen ervan overtuigd dat een vrouw met haar gedachten het uiterlijk van haar ongeboren kind kon beïnvloeden. Een risico om rekening mee te houden, al leverde het soms heel aardige resultaten op.
Zo waren er eens twee oerlelijke mensen die desondanks een prachtig kind kregen. De vrouw werd onmiddellijk van overspel beschuldigd. Gelukkig voor haar kwam iemand op het idee de slaapkamer van het echtpaar eens te inspecteren. En ja hoor, daar stond een fraai kinderbeeldje. Het leek sprekend op de pasgeboren baby.
Deze week vond in Gent