NIEUW: Nat & Droog (Evert Stoffels 1809-1901)

laatste bewerkingsdag: 21 okt 2013

De wereld op A4–formaat

Nat en droog

een 'onwijze' betovergrootvader

d o o r   F r i t s   S t o f f e l s


EVERT STOF­FELS (1809-1901)

en Metta Everharda van Leeuwen (1802-1876),
die een afzonderlijke bladzijde krijgt toebedeeld



Evert Stoffels en Metta Everharda
van Leeuwen op een foto uit
1867


Nat en Droog gaat over Evert Stoffels (1809 Elburg-1901 Elburg), mijn betovergrootvader.

"Hij lust zijn nat en droog nog graag, maar is overigens niets wijzer als onze kleine jongen"
(Bart Stoffels, 1870-1910)



handtekening van Evert Stoffels uit 1830


Baren

Evert Stoffels, mijn betovergrootvader, werd op 30 augustus 1809 in Elburg geboren als tweede zoon van Fennigjen Eijberts Oostendorp en Heijmen Stoffels.

Volgens een familielegende aanschouwde hij het levenslicht op het Feithenhof, het plaatselijk bejaardenhof, waar de Elburgers heen gevlucht waren bij een overstroming, iets wat nogal eens voorkwam. Fennigjen, ook meegevlucht, en hoogzwanger, zou juist tijdens zo’n hoog water haar tweede kind hebben gebaard.

Doch dit, zij het ook fraaie, verhaal kunnen we met een gerust hart naar de bodem van de voormalige Zuiderzee verwijzen. De heer Schouten, in leven Elburgs stadshistoricus, die ik eens opzocht in zijn huisje op het Feithenhof, had nooit van een dergelijke baring gehoord, en hij heeft het nagezocht.

Toch is die familielegende zo onvoorstelbaar nog niet, getuige deze bevalling in hetzelfde jaar, in Giessen–Nieuwkerk:

IN DE KERK GEBOREN

Ged. 19.3.1809 Gijsbert, zn. van Reyer Batenburg en Ariaantje Verhoef (get. Lijsje Verhoef).

“Geboren den 11 Februarie in de kerk onder den Predikstoel; ter gelegenheid van den Watersnood, door den inbraak van den Lingendijk even beneden Kedichem, des avonds van den 30 Januarie, met een verschrikkelijken storm uit den Zuidwesten, en waardoor het water tot 10 voeten op de lagen landen liep, blijvende nogtans de Kerk ter nauwer nood vrij van water”.

(Arch. Ned. Herv. Gem. Giessen–Nieuw­kerk, Doopboek v.d. Gem.)

[uit Gens Nostra]

in 1830 afgegeven doopbewijs van Evert Stoffels

schoenmakers hadden het nog goed


schoenmakerij eind negentiende eeuw
deze plaat werd gebruikt in het onderwijs

Gedoopt werd Evert wel, op 21 september 1809 in de Nederduits–Gereformeerde ofwel Hervormde kerk van Elburg. Zijn jeugd bracht hij door in het ouderlijk huis op Vischpoortstraat 14 (toen: Noorderkwartier huis 68).

Evert verloor zijn vader Heijmen toen hij ruim tweeëneenhalf jaar oud was. Kort voor zijn twaalfde verjaardag hertrouwde moeder Fennigjen met de schoenmakersbaas Arend van Leeuwen. Van hem heeft Evert het schoenmakersvak geleerd, dat hij zijn hele leven lang bleef uitoefenen.

Het was toen nog een goede tijd voor schoenmakers in Elburg, en dit dankzij het Instituut Van Kinsbergen, een kostschool die om en nabij 1800 werd geopend.

 Later in de eeuw, toen het met het Instituut niet meer zo goed ging, brak een slechtere tijd aan voor de schoenmakers, ook doordat het vervaardigen van schoenen steeds meer een zaak van fabrieken werd. Everts kleinzoon Bart Stoffels, bijvoorbeeld, kreeg hier volop mee te maken.



Van Romeinse sandaal tot nieuwste punkschoen

Trouw, 22 september 1984

door Arno Beuken

“Een cultureel monument waar de bezoekers op verschillende manieren worden geconfronteerd met het verleden.”

Zo karakteriseerde staatssecretaris Van Zeil (economische zaken) het geheel vernieuwde Leder–en Schoenenmuseum dat gisteren in Waalwijk werd geopend. Het museum wordt gerekend tot één van de beste ter wereld op dat gebied. Het geeft een beeld van de Langstraat, de bakermat van de Nederlandse schoenfabricage, maar ook van de ‘voetcultuur’ over de hele wereld.

Het nieuwe Leder– en Schoenenmuseum is, hoe kan het anders, gevestigd in een oude schoenfabriek. Tot voor kort moest de collectie, die bestaat uit zo’n vierduizend stuks, het doen met een oude patriciërswoning. Maar dit vroeger zo ruim lijkende pand, dat in 1961 werd aangekocht, had intussen meer weg van een overvolle schoenendoos dan van een museum. Het pand barstte aan alle kanten uit zijn voegen en delen van de collectie dreigden aan verwaarlozing en schimmel ten onder te gaan.

Er moest dus iets gebeuren. Een commissie ging aan het werk om te kijken hoe het schoenen­museum gered kon worden. Toen de commissie ‘promoveerde’ tot bestuur, werd besloten dat verhuizing de oplossing moest worden. Daarbij werd de gemeente Waalwijk ingeschakeld. Die kocht een oude fabriek om die vervolgens te verhuren aan het museum. Verder zal het museum kunnen beschikken over een jaarlijkse subsidie.

Industrieel ontwerper Gijs Bakker kreeg de op­dracht om van het fabriekspand een geschikte museumruimte te maken. Zijn enige beperking was dat hij maximaal gebruik moest maken van het aanwezige inrichtings–materiaal. Bakker stelde honderd vitrines zodanig op, dat het museum verdeeld is in trechtervormige straatjes. Deze ko­men allemaal uit op het centrale punt: een complete leerlooierij en de inventaris van een machinale schoenfabriek uit 1930. Dit alles moet een exact beeld opleveren van hoe de schoenfabricatie vroeger in zijn werk ging. Ook is in het museum een reconstructie te zien van een schoenmakers–kamer zoals die er rond de eeuwwisseling uitzag, compleet met werkende schoenmaker.

Jongste directeur

Daniëlle Lokin is directeur van het nieuwe schoenenmuseum. Zij studeerde kunstgeschiedenis in Leiden en geeft les aan de Academie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven. Met haar 26 jaren is zij de jongste directeur van een museum in Nederland. Misschien is dat de reden dat ze meteen flink aan de slag ging met de collectie. “Het was een fraaie, maar amateuristisch samengestelde verzameling, die ik hier bij mijn aankomst aantrof.” Zo omschrijft zij de collectie van het oude schoenenmuseum in het nu verlaten pand. “Er was geen brede, historische basis en geen behoorlijke tijdsvolgorde. Ik ben begonnen met de collectie uit elkaar te halen. Er is nu onderscheid tussen Europese en niet–Europese schoenen. We hebben een chronologisch verhaal opgesteld van de Romeinse sandaal tot en met de nieuwste ‘punkschoen’. Er is een afdeling gekomen met speciale soorten schoeisel, zoals schaatsen en klompen. En er is een voorzichtig begin gemaakt met het opzetten van een bibliotheek– en documentatiecentrum.”

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––
 Een nieuwtje, dat bij de opening van het Leder– en Schoenenmuseum werd geïntroduceerd, is de museumvlag. Het is de bedoeling dat deze vlag wordt ingevoerd als herkenningsteken van alle Nederlandse musea.
–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Commercie

Ergens in een hoek van het museum staan zes­tien aparte vitrines. De kleine etalages vragen aandacht voor het nieuwste, het beste en het modernste op schoenengebied. Het zijn namelijk gehuurde vitrines van bedrijven en instellingen uit de schoenenindustrie. Reclame in een museum? Daniëlle Lokin: “We zijn een industrieel museum. Daar treft men een historisch overzicht. Een o­verzicht van wat er nu te koop is, kan daar heel goed deel van uitmaken. De reclame vormt een cultuur op zichzelf. En ze levert ons een niet onaanzienlijke bron van inkomsten voor de exploitatie.” De vitrines moeten aan strenge eisen voldoen op het gebied van vormgeving. En omwille van de actualiteit moet de inhoud minstens twee maal per jaar worden gewisseld. “De cultuur–his­torische benadering blijft hier de enige meetlat”, aldus Lokin.

Het Leder– en Schoenenmuseum is gevestigd aan de Elzenweg 25 in Waalwijk. De openingstijden zijn van dinsdag t/m vrijdag van 10 tot 17 uur, en in het weekend van 12 tot 16 uur. De toegangsprijs voor volwassenen is 3,50 gulden en voor kinderen t/m 12 jaar en 65+/CJP 2 gulden.


‘...eene menigte lijken en doodsbeenderen...’

De stormwind klimt, – de golven woeden,

Zij bruisen op, – de orkaan is daar!

Wie zal de veege kielen hoeden,

Geslingerd nu van baar op baar?

De wolken dalen zwarter neêr,

De wind verheft zich meer en meer.


In februari 1825 werd het kustgebied van België, Nederland, Noord–Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden getroffen door een hevige storm die drie dagen aanhield en een zeldzaam grote ravage aanrichtte. Een harde zuidwestenwind was gevolgd door een storm uit het noordwesten die de Waddenzee en de Zuiderzee vol water perste. Deze opdrijving viel samen met springtij, waardoor de hoogwaterstand catastrofaal werd. Het rampgebied lag dan ook voornamelijk rond de Zuiderzee – vanaf het IJ tot de Noordzeeduinen, Alkmaar en Hoorn; in het zuiden en oosten werd de kust tussen de lijn Amersfoort – Zwolle – Meppel overstroomd. Vanaf Meppel naar het noorden verbreedde de inundatie zich over de gehele breedte van Friesland tot ongeveer de lijn Harlingen – Leeuwarden, tweederde deel van het grondgebied van deze provincie stond 20 tot 360 cm onder water. Harlingen, Workum, Hindeloopen en Staveren, de ‘zeesteden’ van Friesland, lagen in de frontlinie, leden grote schade en ontkwamen ternauwernood aan de totale vernietiging

De materiële schade was overal zeer groot aan dijken, gebouwen, schepen en aan landbouwgronden. De vruchtbaarheid van het land werd door het zoute water vooreerst sterk verminderd. Een jaar na de ramp waren er in Friesland nog veel streken ‘nog van alle groeikracht beroofd, en (...) vertoonde zich het land als een dood en onbegroeid veld’; een boer in Groningen vertelde later dat zijn land zich pas na tien jaar weer hersteld had. In Noord–Holland ontstond bij een breuk in de Wormerringdijk een wiel, een gat met een oppervlakte van een hectare en een diepte van zes meter, waaruit het over de dijk kolkende water duizenden kubieke meters zand had opgewoeld en over de landerijen uitgespreid. Om een volledig beeld te krijgen moet er nog het verlies aan wintervoorraden, aan vee (725 paarden, 16700 stuks rundvee, 7000 schapen) en aan mensenlevens (380) bij geteld worden. Verzekeringen die de schade dekten, waren er niet. ‘Vele welvarende huisgezinnen, die men welgezetenen konde noemen, zijn door (...) in de grootste armoede gedompeld’.

(uit Het lege land van Auke van der Woud; 1987, Amsterdam)


Meermalen in zijn bestaan aan de Zuiderzee werd het oude stadje Elburg met zijn omgeving het slachtoffer van storm en watervloed. Dat gebeurde driemaal in de Middeleeuwen (in 1170, 1367 en 1570), driemaal in de achttiende eeuw (in 1717, 1775 en 1776), en in de negentiende eeuw was het maar liefst zesmaal raak (in 1825, 1863, 1877, 1881, 1883 en in 1895). De laatste keer dat Elburg door woeste storm geteisterd werd, was in 1916.

In 1932 kwam de Afsluitdijk gereed. Sindsdien behoorde het verschijnsel watersnood wat Elburgs contreien betreft tot het verleden.

De grootste orkaanramp greep plaats in 1825. Maar in ‘t kort laten we nog enkele voorafgaande rampen de revue passeren.

Elburg, watersnood van 1776, op papier gebracht door C. Bogerts

de rampen van Oosterwolde (1775 en 1776)

In november 1775 was het goed raak. Vooral in Oosterwolde hield een hoge watervloed flink huis. Elburg moest enkele vluchtelingen herbergen, toen op 14 en 15 november “huizen en goederen nevens andere waren weggespoelt, waarbij in den omtrek alhier en elders ook veel menschen en vee verdronken zijn”, zo schrijft de dominee of de koster van Elburg in het doopboek. Daar enkelen hun huis hadden zien wegspoelen, waren er in februari 1776 nog steeds vluchtelingen in Elburg die niet konden terugkeren.

Enkele bladzijden verder in het doopboek schrijft de zelfde hand over een nieuwe ramp, vrijwel precies een jaar later, in 1776: “Tusschen 20 en 21 November is weder een zwaare vloed geweest, waarbij aan den Zomerdijk 7 menschen ver­dronken zijn, veel huizen verdreven en vee verongelukt is, zoo daar als verder in Oosterwolde”. Het waren voor een deel precies dezelfde mensen als in 1775 die in Elburg een heenkomen zochten.

Voor een lezenswaardig verslag van de precieze gebeurtenissen zie men het Aardrijkskundig Woor­denboek van A.J. van der Aa, uit 1843.


de onrustige winter van 1824–1825

Elburg zelf was steeds betrekkelijk veilig.

De kistingen bij de poorten en de sluizen der beek waren de veilige middelen, waardoor men het gevaar kon keeren”, schrijft Dr. H.J. Olthuis in zijn gedenkboek ‘Elburg 1233–1933’, “maar wanneer men de afbeelding van den storm van 1776 en het gedenksteentje van 1825 bij de haven ziet, begrijpt een ieder hoe hoog en hoe ver het machtige water – de zee is sterk! – zich in zulke tijden verheft”.

Een wel zeer verwoestende natuurramp trof Ne­derland in februari 1825. Vooral het Zuiderzeegebied moest het ontgelden: Harderwijk, Doornspijk, Elburg, Kampen en Zwartsluis hadden alle

hevig te lijden van stormen met orkaankracht, die enkele dagen aanhielden.

De hele winter was het al onrustig geweest. “Het was geen koude winter”, noteerde de Kamper pastoor Doorenweerd toenterijd in zijn dagboek, “maar een zeer stormachtig na– en voorjaar”. Ook toen, in 1824, had het op 14 en 15 november, net als in 1775, “verschrikkelijk gestormd. Een dijk achter deze stad was doorgebroken en had al de landerijen onder water gezet”.


Zwartsluis op sterk water

De ramp van 1825 begon op 2 februari. “In den avond van Woensdag den 2den Februarij 1825 ver­hief zich de wind uit het Z.W., waardoor het water reeds begon te rijzen”, aldus A.J. van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek uit 1843.

De volgende dag, 3 februari, beloofde bepaald geen verbetering, zoals bij Zwartsluis goed te merken viel: “Den 3den Februarij liep de wind naar het Westen en de aanwas van water werd sterker, zoodat het te middernacht, tusschen 3 en 4 Februarij, 2,30 ell boven gewoon water geklommen was. Omstreeks te 2 ure in den nacht werd de wind noordwestelijk, waardoor het water zoo geweldig rees, dat het spoedig hier en daar over den dijk begon te loopen, weshalve men met alle krachten begon te werken, om den dijk te behouden”, zo meldt Van der Aa.

Alles vergeefs. Het water rees zo sterk dat alle noodbeschuttingen wegsloegen “en men genoodzaakt was den dijk te verlaten en alleen op behoud van zijn leven en bezittingen bedacht te zijn”.


het geweld barst los

Wat dichter bij Elburg, in Kampen, ging het op 3 februari al verwoestend toe. In de nacht van 3 op 4 februari “werd de Yssel door eenen hevigen wind uit het Noordwesten, buiten hare oevers gedreven”, beschrijft Van der Aa, “en tot eene buitengewone hoogte opgestuwd”.

Even later sloegen de golven al over de stadsmuren, “van welke geheele vakken, waaronder een van zestig schreden lang, instortten en waardoor eene groote hoeveelheid water, allerlei gebroken huisraad, deuren, ramen, doode runderen en varkens over de wallen naar binnen stroomde”, aldus Van der Aa.

De volgende dag, op 4 februari, barst het geweld in volle omvang los. Olthuis: “Den 4en Februari, ‘s morgens om 7 uur, woedde de orkaan al­lerhevigst uit het Noord Westen. In Oosterwolde en in de richting van Kamperveen steeg het water tot een hoogte, zooals men nog nooit gekend had. Het Noordeinde scheen reddeloos verloren en er woonden menschen aan den dijk, die dreigde te bezwijken”.


angstige uren in Elburg

Ook Elburg maakt angstige uren door, maar komt uiteindelijk nog redelijk goed weg, vertelt Van der Aa:

De zware storm en voorbeeldelozen vloed, in Februarij 1825, dreigde ELBURG, even als hare omstreken, met eene geheele vernieling, en, hoewel de stad zelve, door kistingen aan de poorten, van overstrooming verschoond bleef, zoo waren reeds des middernachts, tusschen 3 en 4 Februarij, de buitenwaarden der stad van alle zijde o­ver­stroomd. De dijken onder de stad en verder aan weerszijde, leden buitengemeen veel. Bijna al het vee in deze gemeente verdronk; doch de menschen, die op hoogten en daken gevlugt waren, werden, door krachtdadige hulp, allen gered”.

Het water had hoog gestaan, zo’n 3.25 meter boven N.A.P. En bij de kistdammen aan de stadspoorten mat men 1.50 meter.


het lot van Doornspijks godshuis

Maar het ergst treft de ramp het nabijgelegen Doornspijk. Het aanzwellende en –stormende water verzwelgt pardoes de consistoriekamer van de Hervormde kerk. Een luguber beeld maakt zich meester van de omringende begraafplaats. Verbij­sterd zien de Doornspijkers hoe, aldus Van der Aa, “uit het kerkhof eene doodskist en eene menigte lijken en doodsbeenderen, tot op eenen aanmerkelijken afstand, weggevoerd” werd.

Het kerkgebouw was er toch al niet zo best aan toe, door een natuurramp van zo’n tien jaar eerder. “De kerk”, aldus nog immer Van der Aa, “wel­ke eene hooge spits had, werd in Augustus 1814 door den bliksem getroffen, waardoor een gedeelte van het verwulfsel, benevens het uurwijzerbord vernield werd, zonder, dat er verdere schade werd aangebragt”.

Het leek wel of duistere krachten het op het Doornspijker godshuis hadden gemunt. Met de watersnood van februari 1825 nog vers in het geheugen, zagen de Doornspijkers hoe enige maanden later het gebouw de doodssteek kreeg. Van der Aa: “Op den 28 November 1825 trof bij eenen enkelen donderslag de bliksem de spits van den toren, waardoor toren, kerk, kosterij, ambtskamer, eene schuur en eene boerenwoning in asch gelegd zijn”.

Doornspijks Hervormde Kerk, omstreeks 1912

De helden van 1825

Niets en niemand ontziend hield de noordwes­terorkaan in Doornspijk huis. Volgen we het verslag van Van der Aa op de voet:

De gem. Doornspijk werd, op den 4 Februarij 1825, op eene allerverschrikkelijkste wijze getroffen; daar het water uit de Zuiderzee, met eenen vreeselijken storm uit het noordwesten, in den morgenstond, zoo hoog opgejaagd werd, dat het, in weinige ogenblikken, de hoogte van de kruin des Kamperdijks bereikte, en bijna overal met het grootste geweld daar over sloeg; waarvan het gevolg was, dat de dijk, op onderscheidene plaatsen, deerlijk geteisterd werd, en alle de woningen onder Oosterwolde, welke niet op de allerhoogste plaatsen gelegen waren, even als die in de lagere buurschappen onder DOORNSPIJK, van 1 tot 3 ellen onder water gezet werden. Acht huizen, met schuren, hooibergen, have en vee, sloegen van den Kamperdijk af, en werden, zonder eenige mogelijk­heid van redding, eene prooi der golven; ook werden onder DOORNSPIJK eenige huizen weggerukt, en, tot een uur ver landinwaarts in, bijna al­le woningen in bouwvallen herschapen, blijvende van sommige niets dan een stroodak, op palen rustende, overig; schier al het vee, ten bedrage van ee­nige honderd stuks, alsmede de verdere roerende goederen, werden in twee dagen genoegzaam ver­nield, terwijl, bij deze ramp 26 personen, of in den vloed, of door honger en koude, omkwamen”.


de Elburgse helden van 1825

Ook op 5 en 6 februari bleef het nog vervaarlijk stormen. Maar al op 4 februari moest de schout van Doornspijk, Mr H. Boonzaier van Jeveren, in Elburg om helpende vrijwilligers vragen.

Die kwamen, en dit zijn hun namen, ontleend aan het Jaarverslag van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen van 9 augustus 1825:

Aart Foppe [lees: Aart Foppen] uit Harderwijk, alle volgenden uit Elburg: Jan Hulst, Reindert van Ommen, Jan van Someren, Lammert van der Kamp, Hendrik Broekhuizen, Lubbert van den Berg, Menzo Bokhorst, Gerrit Hijmens Zwart, Dit­temer Hijmens Zwart, Gerrit Ponstein, Lammert de Vries, Albert Dodevisch, Evert Windhouder, Jan Vinke Bz, Gorris Heijmens [Visscher – FST], Gerrit Boerendans, Hendrik van Laar, Brand Hijmens Visser, Dirk Hijmens Visser, Jochem Zwart, Gerbreg Boerendans, Cornelis Militie, Andries Berends, Hendrik van Doesburg, Teunis van Welsem, Harmen Vierhouten, Dirk Balk, Jan Reijersen Zwart, Beert Pon­stein, Koenraad Westerink, Jacob Westerink, Hendrik Deenekamp en Jan Pruis.

boekje over de watersnood van 1825, uit 1826

familie deed mee

Daar zaten enkele familieleden bij.

Jan Hulst zou een broer kunnen zijn van Willem Hulst, de tweede echtgenoot van Fennigjen Eijberts Oostendorp. Maar er waren toentertijd twéé Jannen Hulst in Elburg, en ’t valt zo niet uit te maken wie van de twee bedoeld is.

Gerrit Hijmens Zwart is een volle neef van Fen­nigjen Eijberts Oostendorp. Fennigjens moeder, Hendrikje Jochems, had een zuster, Aartje Jochems, die getrouwd was met Heijmen Gerritsen (Zwart). Neef Gerrit werd door deze oom en tante op 20 januari 1785 in Elburg ten doop gehouden. In 1825 was Gerrit getrouwd en vader van vijf kinderen.

Dittemer Hijmens Zwart was weliswaar een halfbroer van Gerrit, maar geen familie meer van Fennigjen. Dittemer, gedoopt te Elburg op 16 februari 1797, stamde uit het tweede huwelijk van Heijmen Gerritsen (Zwart), met Hendrikje of Hein­tje van Putten.

Jochem Zwart, gedoopt op 25 februari 1787 te Elburg, was wél een volle broer van Gerrit Hijmens Zwart, en dus ook een volle neef van mijn oudmoeder Fennigjen.

Maar wat deden ze nu precies?


angstig door familie nagestaard

Gedurende de even onvergetelijke, als noodlottige en jammervolle dagen van den 4den, 5den en 6den Februarij dezes Jaars, hebben bovenvermelde Personen zich, in de omstreken van Elburg, alleszins verdienstelijk en lofwaardig gedragen”.

Zo opent het heldenverslag van de Maatschappij tot Nut van’t Algemeen, die de wakkere en dappere Elburgers op een landelijke bijeenkomst in Amsterdam met eretekenen versierde.

En het verslag vervolgt:

Reeds in den morgen van den eersten dezer dagen, begeven zich de zes eerstgenoemden [zie boven – FST], geheel ongevergd, in eene kleine boot, van laatstgemelde stad; terwijl hunne stadgenoo­ten, en onder deze vele bloedverwanten, met angst en verbazing hen op dezen gevaarlijken togt nastaren”.


bevrijdende engelen op onstuimige baren

Zelf zijn ze geenszins bevreesd:

Met moed echter, en de uiterste inspanning, worstelen zij door de onstuimige baren, die al hoo­ger en hooger gaan, bereiken eenige door uitgestokene noodseinen kenbare landmanswoningen, en zijn dadelijk onvermoeid ter redding vaardig. Man­nen en vrouwen, stokouden en zuigelingen zien hen als bevrijdende engelen verschijnen, en zijn aan hunne gevaarvolle pogingen derzelver levensbehoud verschuldigd”.

Na terugkeer in Elburg varen ze er al snel nog­maals op uit:

Met dit loffelijk bedrijf onledig, en op nieuws eenen togt wagende, ontmoeten zij de zeilschuit van VAN DEN BERG, met welke deze en eenige der volgende genoemden reeds in het doen van onderscheidene reddingen bezig waren. In deze schuit, als tot hun edel oogmerk beter dienende, stappen zij over, ten einde, met gemelden VAN DEN BERG (die zich bereids vrijwillig had aangeboden, om, zoodra zijne schuit zoude kunnen vlotten, ter hulpe te snellen), nogmaals te redden, wat hun moge­lijk zoude zijn, en waarin zij ook, ten aanzien van een zeer groot aantal ongelukkigen, mogen slagen”.


nog meer ‘gevaarvolle togten’

De geredden krijgen in Elburg onderdak, en dan gaan de helden er ten derden male op uit:

Deze, niet zonder veel moeite en gevaar, uit derzelver wankele woningen, in veiligheid gebragt hebbende, beproeven zij, zonder bijna iets tot verkwikking te nemen en zonder aan vermoeijenis te denken, na slechts eenen korten tijd te besteden tot herstel van hun vaartuig, anderwerf verschillende even gevaarvollen togten ter redding of verpleging van hulpbehoevenden, of van hen, die zij bij vorrige togten hadden moeten achterlaten; welke edelmoedige pogingen zij alle met den besten uitslag hebben bekroond gezien”.


‘natuurgenoten’ allerloffelijkst gered

Achter die eerste ploegjes komen al snel andere aan:

Ook de allerloffelijkste bedrijven van GORRIS HEIJMENS [Visscher –FST], benevens sommige der volgende genoemden, verdienen eene eervolle vermelding. Slechts weinig tijds na hunne reeds genoemde medestanders, steken zij mede in eene schuit ter redding af, en het gelukt hun, met eigen levensgevaar, veel beleid en aanhoudende zelfopoffering, insgelijks onderscheidene ongelukkigen, bij vele verschillende togten, uit derzelver wrakke verblijven te verlossen, van het noodige te voorzien, en hen alzoo aan eenen anders vrij zekeren dood te ontrukken”.

Een nieuwe groep redders verlaat Elburg:

Evenzeer mogen niet verzwegen worden de e­dele pogingen van HENDRIK VAN DOESBURG, en de vijf volgende vermelden, die zich, op den eersten dezer rampvolle dagen, mede allerloffelijkst hebben gekweten. In een klein schuitje trotseren zij storm en vloeden, om eenige hunner natuurgenoten van hen zoo dreigend levensgevaar te redden, en behouden in veiligheid te brengen”.


de laatste twee reddingsploegjes

Nog tweemaal vormt zich een groepje redders. Eerst beginnen twee vissers aan een gevaarlijke zwerftocht:

Nog moet vermeld worden het zoo prijzenswaardige gedrag van de moedige Visschers KOEN­RAAD en JACOB WESTERINK, die, met hun zeer klein vaartuig, na eerst vergeefsche pogingen, ge­lukkig geslaagd zijn in het, met zelfopoffering, redden en van levensmiddelen voorzien van een groot getal landbewoners, die in hunne wankele hutten niet anders dan den dood te gemoet zagen”.

Tot slot maken zich Hendrik Deenekamp en Jan Pruis uit de menigte los:

Eindelijk behoort met onderscheiding gewag gemaakt te worden van de twee laatstgemelde Per­sonen, die, op den 5den Februarij, in eene kleine boot daar, waar geen grooter vaartuig kon naderen, met moeite en gevaar, velen der ongelukkigen redding en levensbehoeften hebben aangebragt”.


de prijsuitreiking in Amsterdam

Getroffen door zoo veel goeds en edels” maakt de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen er gewag van dat “aan de vereenigde pogingen der genoemde onverschrokkene Menschenvrienden een aantal van niet minder dan twee honderd en vijftig noodlijdenden hun leven te danken hadden”.

Alle helden kwamen op 9 en 10 augustus 1825 naar de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam. Daar, op de Jaarlijkse Algemene Vergadering, kregen zij beloningen uitgereikt.

Wie kreeg wat?

Foppe, Hulst, Van Ommen, Van Someren, Van der Kamp, Broekhuizen en Van den Berg kregen “eene eeregift van vijf en twintig Guldens”. Vinke en Berends kregen een zilveren medaille, Deenekamp en Pruis een gouden dukaat. Van Doesburg, Van Welsem, Vierhouten, Balk, Jan Zwart, Beert Ponstein en de beide Westerinken mochten een gouden halve rijder in ontvangst nemen. Alle anderen, onder wie dus onze drie familieleden, ontvingen een gouden tientje.


De Lutherse kerk op het Spui in Amsterdam
foto: 14 april 1988 - Frits Stoffels

geopende graven in Kampen

Een aantal Doornspijker boerderijen was zo gehavend dat het moest worden gesloopt. Nog omstreeks 1930 stonden doelloos de heggen van die hoeven midden in het weiland.

Ook elders, zoals in Zwartsluis, waren jammerlijke taferelen waar te nemen geweest. En waar Elburg er met wat schade goed vanaf was ge­komen, brak in Kampen de sluis bij de Cellebroerspoort door, zodat het water met volle kracht op de stad afstevende en door de straten dreef. Ook hier apokalyptische beelden. Van der Aa:

Het water, het welk de kerk indrong, ondermijnde de grafzerken, welke gedeeltelijk wegzonken en de geopende graven vertoonden. De geheele omvang van het ruim der kerk werd een tooneel van verwoesting en verwarring, zoo als de gansche stad weldra vertoonde, daar zij bijna geheel overstroomd werd, en wel tot een hoogte van ruim 6 palmen boven het peil van den hoogsten aldaar be­kenden watervloed van het jaar 1776, sedert welken tijd dezen stad niet weder was overstroomd geworden”.


bittere jammerklachten

Ook in Kampen kwam een groot aantal mensen om het leven. Pastoor Doorenweerd schreef in zijn dagboek: “Alom stegen de bitterste jammerklachten ten Hemel”.

En in Zwartsluis, zo meldt Van der Aa, hoorde men ’s nachts “niets dan een angstig noodgeschrei van bejaarde lieden en kinderen, die om redding riepen, velen namen afscheid van hunne huisgenooten en buren, voor zoo verre zij die bereiken konden, dewijl zij niets dan eenen zekeren dood voor oogen zagen”.

Uiteindelijk verloren daar elf mensen het leven, benevens honderden stuks vee, vijfenveertig huizen werden geheel weggespoeld of stortten in, en honderden huizen waren grotendeels of in min­dere mate beschadigd. Enkele honderden mensen waren dakloos geworden.

En zo eindigde een ramp waarvan de mensen in de oude Zuiderzeestadjes elkaar nog jaren later spannende, maar ook droevige verhalen konden vertellen.


Zeventiende-eeuwse huisjes van het Klein Lageland uit
Zwartsluis in het Zuiderzee-Buitenmuseum te Enkhuizen.
Op straat doen kinderen oude spelletjes als hoepelen en
steltlopen.
Foto: 19 aug 1988 | Frits Stoffels

brief aan de redaktie van ‘Arent thoe Boecop’

brief van

Frits Stoffels

Fien de la Marstraat 2

1068 SE Amsterdam

020–104316


aan de redaktie van

het tijdschrift ‘Arent thoe Boecop’

p/a Smedestraat 10

8081 EH Elburg


                                                                                            Amsterdam, 2 juni 1987

Geachte redaktie,

ik heb een artikel geschreven waarvan ik hoop dat U het de moeite waard vindt om het in ‘Arent thoe Boecop’ te plaatsen.

Ik ben zelf lid van de vereniging en houd me al tientallen jaren bezig met de geschiedenis van mijn familie, die uit Elburg komt. Daardoor heb ik ook het nodige materiaal over de geschiedenis van Elburg zelf.

Het onderhavige artikel beschrijft enkele as­pekten van de stormramp van 1825, met name het heldhaftige optreden van een handjevol Elburgers die 250 mensen het leven redden.

Ik had in het verleden al wat gegevens van de­ze ramp, maar was zo gelukkig om in de biblio­theekmagazijnen van de Vrije Universiteit de jaarboe­ken aan te treffen van de Maatschappij tot Nut van’t Algemeen. In het jaarboek van 1825/ 1826 trof ik een verslag aan van de heldendaden van het genoemde groepje Elburgers. Daardoor kreeg ik voldoende materiaal in handen om het artikel te kunnen schrijven.

Overigens heb ik nog meer verhalen op schrift gesteld die zonder veel moeite in ‘Arent thoe Boe­cop’ geplaatst zouden kunnen worden, o.a. een soortgelijk verhaal als het bijgaande, over een door Elburgers ondernomen reddingsaktie van een op de Zuiderzee in nood geraakt schip in 1814.

Ik hoop U met een en ander een genoegen ge­daan te hebben.


Met vriendelijke groeten,


[geen enkele reactie ontvangen, 15/2/90]


Bouwende jaren

In 1828 werd Evert Stoffels vrijgeloot van de militaire dienst. Bij die gelegenheid werd een sig­nalement van hem opgemaakt.

Hoe moeten we ons Evert voorstellen?

Welnu, hij was 1.78 meter – “1 El 776 Strepen”; de oude benamingen werden in de negentiende eeuw nog een tijdlang voor het nieuwe metrieke stelsel gebruikt. Evert had een rond gezicht en voorhoofd, grijze ogen, een heel gewone neus (“or­dinair”), een klein mondje, een ronde kin en brui­ne haren en wenkbrauwen.

Als opvallend kenteken werd slechtziendheid genoteerd, ofwel een “zwak gezigt”. Hoe speelde hij dat klaar in zijn schoenmakersvak?

Samen met zijn jongere zus Hijmientje legde E­vert belijdenis des geloofs af in de Hervormde Nicolaaskerk van Elburg, op woensdag 29 april 1829.

signalement van Evert Stoffels voor de Nationale Militie, 1828

Elburg omstreeks 1840

huwelijk met ‘stieftante’

Een jaar later, op zaterdag 27 februari 1830, trad Evert in Elburg in het huwelijk. Hij zocht het niet te ver en trouwde zijn ruim negen jaar oudere ‘stieftante’ Metta Everharda van Leeuwen, zuster van zijn stiefvader Arend van Leeuwen.

Matje, want zo werd ze volgens mijn oudoom E­duard Stoffels – en die kon het weten – genoemd, was een dochter van de Elburger stadsvroedvrouw Engelbarta Claessen en heelmeester Wynand van Leeuwen. Ze werd op 5 februari 1802 in Elburg geboren.

Matje bracht, uit een eerder huwelijk met Jan Veldhoen, drie kinderen mee: Naatje, Barta en Jan Veldhoen junior. Zie hierover de kroniek Vrouw met pit.


In dit oude Elburger stadhuis trouwden in 1830 Evert Stoffels en Matje van Leeuwen (... en nog zovele andere familieleden...)

1830: Evert en Matje trouwen

 


De tekst van de huwelijksakte luidt aldus:.

HUWELYKS–ACTEN

           V A N
    Evert Stoffels Jonkman
          en
     Metta Everarda van Leeuwen, weduwe

No.4

Op heden den Zeven en twintigsten febr. des jaars achttien

honderd dertig, des voor middags ten Elf ure, compareerde

voor Ons Johannes Wolter van Coeverden, wet

houder der Stad Elburg, Provincie Gelderland, Ambtenaar van den Burgerlijken

Staat Evert Stoffels, Jonkman

– – – – oud Twintig jaren

van beroep schoenmaker geboren te Elburg

en wonende te Elburg – – – min derjarige Zoon van

Heymen Stoffels, in leven geweest schipper te Elburg en

Fennigje Eyberts oostendorp

Zonder beroep in leven en haare

toestemming gevende tot het Huwelyk

van haar zoon tegenswoordig, ter Eenre* (*het completerende ‘ter andere (zijde)’ is bij Metta Everharda van Leeuwen weggelaten – FST)

en wonende te Elburg

Metta Everarda van Leeuwen, weduwe

van Jan veldhoen, oud Achtentwin

tig Jaren van beroep Klein Tapster

geboren en wonende te Elburg, meer

derjarige dochter van Wynand van Leeuwen

Heelmeester, en Engelbarta Claassen, stads

vroedvrouw, beide present en hunne toe

stemming gevende tot het Huwelyk en wonende

te Elburg

welke comparanten Ons, in tegenwoordigheid van de vier hiernagenoemde getui [gen,

hebben verzocht, om overtegaan tot de voltrekking van het door hen voorgenomen

Huwelijk. En hebben Wij voornoemde Ambtenaar, aan dit verzoek voldoende, [voor–

af voorgelezen de navolgende stukken:

1*. Doop Extract van de Bruidegom

2* Certificaat van voldaan te hebben aan de NatMilitie

3 Dood acte van het overlyden van deszelfs vader

4 Doop acte van de Bruid

5 Dood acte van het overlyden van haar man

-------------

*. De Akten der Huwelijks afkondigingen, gedaan te Elburg op de Zon–

dagen van den veertienden en den Eenentwintigsten

February Achttien honderd en Dertig


*. En het zesde Hoofdstuk van den titel van het Burgerlijk Wetboek, ten opschrift

hebbende van het Huwelijk.

En alzoo geene verhindering tegen dit Huwelijk ter Onzer kennisse gekomen is,

hebben Wij aan ieder der aanstaande Echtgenooten afgevraagd, of zij elkander [weder–

keerig tot Man en Vrouw willen nemen? Waarop door elk hunner afzonderlijk een

toestemmend antwoord gegeven zijnde, hebben Wij in naam der Wet verklaard, dat

     Evert Stoffels

            Metta Everarda van Leeuwen

                door het Huwelijk zijn verbonden.


Waarvan Wij deze Acte hebben opgemaakt in tegenwoordigheid van Jacob

de Hen, oud Zeventig Jaren, Stads Secretaris

Gerhardus van Driesten, oud negen en Zestig

Jaren, Barend Höfeld oud twee en Zestig Jaren

beide Stads boden, en Roelof weyenberg oud

vyftig Jaren, van beroep policie dienaar allen

wonende te Elburg, en geene aanverwanten van de

Bruidegom of bruid


uitdrukkelijk verzochte getuigen, welke, na voorlezing, hebben geteekend met [Ons

Wethouder voornoemd.


E Stoffels M E van Leeuwen F E oostendorp

W: van Leeuwen Eklasen J.W. Van Coeverden

B: Höfeld JdeHen RWeyenberg

Gvan Driesten


Hetzelfde stadhuis van een andere kant
foto: 28 mrt 1982 | Frits Stoffels

Matje houdt herberg nog tijdje aan

Bij haar huwelijk was Matje “Klein Tapster”, ook wel “herbergierster” van beroep. Zo om en bij 1828 moet ze begonnen zijn met haar eigen kroeg­je, opgezet om na de dood van Jan Veldhoen het daaglijks brood te verdienen.

Dat knijpje gaf ze niet op na haar huwelijk met Evert Stoffels. Nog in 1831 en 1832 wordt E­vert in Elburgs patentregisters, naast schoenmaker ook “Kroeghouder” genoemd. Een en ander zal wel beduiden dat hij zich aan het schoenmaken wijdde, en zij haar klanten voltapte.

In 1833 vinden we alleen nog het schoenmaken van Evert Stoffels vermeld in het patentregister. Het tapperijtje bestond kennelijk niet meer. Men kon deze geldbron laten schieten, denk ik, omdat de schoenmakerij zich gestaag uitbreidde, evenals het aantal kinderen.

tapkast 1700-1900

Elburg, Ellestraat om en bij 1910
 
waar woonden Evert en Matje?

Na de bruiloft betrokken Evert en Matje een woning in het Elburger Westerkwartier, namelijk huis 348. Merkwaardigerwijs is dit pand niet terug te vinden in de uitgave Westerkwartier (1986) van de Oudheidkundige Vereniging Arent thoe Boe­cop uit Elburg, waarin de oude huisnummers voor de hedendaagse mens worden ‘verklaard’. Misschien is het huis later gesloopt. Gezien de nummering moet het bij de Krommesteeg, de Smedestraat of de Smeesteeg hebben gestaan.

Lang kunnen ze er niet gewoond hebben, want eerstgeboren zoon Heimen werd ruim vier maanden na de huwelijkssluiting, nog in 1830, op 15 juli, elders in het Westerkwartier ter wereld gebracht, op Ellestraat 31, oftewel in huis 324. Dit huis zijn we al eens tegengekomen. In 1840 baarde Aaltje Hagens, de vrouw van Everts varende broer Eijbert, hier haar eersteling, Roelofje Stoffels – zie de kroniek Heel Nederland zijn huis.

Evert en Matje wonen daar dan al niet meer. Tot omstreeks 1832 bleven ze in het huis aan de Ellestraat wonen. De patentregisters noemen dat als Everts onderkomen in 1831 en 1832.


Joseph H. Davis, Man en vrouw, om en bij 1834

vijftien jaar aan de Noorderkerkstraat

Evert bouwt in deze beginjaren duidelijk zijn schoenmakerij op. In 1831 is hij nog “Schoenmaker alleen”, dat wil zeggen: zonder knechts in dienst te hebben. In 1832 heeft onze “schoemaker” al een knecht in dienst.

In 1832 of 1833 volgde dan een nieuwe verhuizing, naar Noorderkerkstraat 14 (vroeger: 12; NK 97). Het kroegje van Matje verdwijnt uit het patentregister. Maar de schoenmakerij breidt zich nogmaals uit. Evert heeft nu twee knechts aan het werk.

Een jaar of vijftien lang blijven Evert en Matje aan de Noorderkerkstraat wonen. Het op een na jongste kind, Maria Geertruida (Mietje), wordt er nog geboren, op 4 april 1845, maar mijn overgrootvader, Evert Jan, in november 1848, niet meer.

In 1848 en 1849 blijken mijn betovergrootouders in huis 278a te wonen, weer in het Westerkwartier. Ook dit pand is in de map Westerkwartier niet terug te vinden.


tekening: 1990, Frits Stoffels

Verdubbeld

Over een reeks van jaren die nu volgt, valt bij gebrek aan gegevens wat minder te vertellen. In elk geval werden negen kinderen geboren (zie voor een uitgebreide opgave achterin): Heimen op 15 juli 1830, Wijnanda (Wijn, Wijntje) op 24 mei 1832, Fennetjen (Fenna) op 5 januari 1834, het jonggestorven knaapje Geurt op 6 april 1836 (o­verleden, één jaar oud, op 9 juli 1837), nog een Geurt, op 21 juli 1837, Eibert, geboren op 5 december 1839 te Elburg en gestorven in 1859, Jacob Christiaan (Jacob) op 15 september 1843, Maria Geertruida (Mietje) op 4 april 1845, en lest best mijn overgrootvader Evert Jan (tevens roepnaam) op zondag 12 november 1848.

Volgens Tante Jo Stoffels–Stoffels was er ook nog een Dieuwertje, naar wie haar Tante Dina Stoffels vernoemd zou zijn, doch deze mededeling is beslist onjuist. De naam Dieuwertje hoort thuis in de familie Buis, verwanten van Opa Stof­fels’ móeders– en niet vaderskant.


Een oude schoenmakersleest uit Elburg,
zeer waarschijnlijk die van Evert Stoffels

wat zeggen die dubbele namen?

Het valt op dat de laatste drie kinderen van E­vert en Matje dubbele namen kregen: Jacob Chris­tiaan, Maria Geertruida en Evert Jan. Het gebruikelijke vernoemen naar een familielid, althans naar één tegelijk, blijft bij deze namen wat onduidelijk.

Een naam als Christiaan kwam zelfs helemaal niet in de familie voor. Het moet een fantasienaam zijn: in die tijd wel zeer ongebruikelijk!

Het zijn echt ‘Van Leeuwen’–achtige namen: Mat­je en haar broers en zusters droegen ook van dit soort dubbele voornamen. Gaat het hier om tekenen van toegenomen welvaart, onder het mot­to: hoe meer rijkdom, hoe meer namen? Of om meer inbreng van Everts vrouw Matje in de naamgeving van de kinderen?

Evert Stoffels ging in de loop der jaren ook heel wat keren naar het stadhuis wanneer élders in de familie weer iets aan te geven viel: een geboorte of een sterfgeval.

Maar ook buiten de familie trad hij wel als ge­tuige op. Zoals bij de geboorte van het jodinnetje Betje Beem, op 30 januari 1841 in Elburg, dochtertje van Ezechiel Beem en Hanna Frank.


Met de in mijn jeugd algemeen heerschende traditie, die wilde dat de kinderen genoemd werden naar het een of ander familielid, hadden mijn ouders, al dadelijk bij de geboorte van hun eerste­ling, gebroken. Moeder vond dat het recht om een naam te kiezen, háár toekwam. En omdat zij, als iedere moeder, groote verwachtingen koesterde ten opzichte van hare spruiten en vurig hoopte, dat zij een positie van beteekenis in de maatschappij zouden bekleeden, achtte zij het van groot belang hen niet voor hun geheele leven, met een leelijken, onwelluidenden naam op te schepen. ‘Ik kon jullie immers evengoed een mooien naam geven’, placht zij later te zeggen. En dan vertelde zij, dat ze mooie, in romans voorkomende namen altijd opschreef om daaruit later, als weer een jeugdige Jacobs in de registers van den burgerlijken stand geboekt moest worden, een keuze te kunnen doen. Slechts één uitzondering werd op dien regel gemaakt. Toen in 1850 een zoon het levenslicht aanschouwde, noemde vader hem Johan Rudolf, naar den door hem hoogelijk vereerden Staatsman Thorbecke

Aletta Jacobs (1854–1929) in haar ‘Herinnerin–

gen’ (1924)


een kijkje in 1839

Op 7 december 1839 krijgen Evert en Matje een ambtenaar van het Bevolkingsregister op bezoek. Ze moeten alle gegevens van de bewonders des huizes verstrekken. Daardoor krijgen we thans een aardig beeld van het gezin zoals dat er in 1839 uitzag.

Evert en Matje woonden in het Noorderkwartier van Elburg, in huis 97. Dit is het huidige Noorderkerkstraat 14.

In 1839 was Evert dertig jaar en schoenmaker van beroep. Matje wordt vermeld als zevenendertig, en haar beroep is baker.

Dan volgen de drie kinderen uit Matjes eerste huwelijk: de vijftienjarige ‘Petronella’ Veldhoen, haar dertienjarig zusje ‘Engelbertha’, en de jongste Veldhoen: Jan, elf jaren oud.

Aansluitend volgen de Stoffelskinderen: Heimen, negen jaar, Wijnanda, 7 jaar, Fennetje, vijf jaar, Geurt, twee jaar, en de totdantoe jongste, Eibert, die juist twee dagen oud is.

Op hetzelfde adres huist nog een medebewoner: de vijfenveertigjarige, in Haarlem geboren politiedienaar Johannes Swaanswijk.


schoenmakershuisje in het schoenenmuseum
te Waalwijk
foto: 23 aug 1985 | Frits Stoffels


Elburg in 1840


de mensen bewegen langzaam

lucht verplaatst zich traag

de huizen staan stiller

en roepen niet

men spreekt maar zonder geluid

het kabbelt en babbelt

maar roert zich toch niet


de sjouwer sjouwt zweetloos

zijn veren zakken

zijn ijl en doorzichtig

de wolkammer wandelt

geheel eigenrichtig

een klepperman kleppert

een klikkende klepel


de burgemeester wacht op

een nieuw directief uit den haag

zijn slobkousen koning een wijzige vaan

de wind waait lijzig en ijlend

maar zonder geluid

slaat de kerkklok een slag


het is één uur

maar niet in den haag


achter halfweg rijdt een trein

in rijen van ronkende rook

zijn gerucht reikt wel niet

over veluwse heide

doch wordt wel vermoed

als een raas bij de einder


men is wel op straat

maar doorzichtig


slapend des daags

in het licht van de mheenpoort

bij manden met vis in het wit

de monden bewegen

maar zonder geluid

doch rondom de vischpoort

des nachts stom gerommel

van spokend en onweer


het is één uur


het klapt en het klept

maar niet in den haag


Frits Stoffels

24 juni 2005


allemaal naar school

Zo’n zelfde kijkje krijgen we nogmaals omstreeks 1850–1853. Ook dan maakt het bevolkingsregister weer een momentopname van het gezin, onder volgnummer 424 van het bevolkingsregister 1850–1862. Kennelijk is het ná 1853 nog wat aangevuld.

Evert is nog immer schoenmaker, zoals Matje nog altijd baker is. Oudste zoon ‘Heymen’ is nog thuis, maar werkt al wel als schoenmaker. Dochter Wijntje wordt niet genoemd, kennelijk omdat ze om en bij 1852, ‘53 een tijdje in Amsterdam woonde en werkte. Fennetje wel, zij staat geboekt als dienstmeid.

Zoon Geurt zit nog op school. Er bestond nog geen leerplicht en velen maakten geen gebruik van het recht op onderwijs. Indien ouders hun kroost al richting school stuurden, dan vaak alleen de jongens, niet de meisjes. We zullen aanstonds zien dat de familie Stoffels op dit punt dúbbel voorlijk was.


overgrootvader nog te jong voor school

Na Geurt kwam ‘Eybert’, die niet oud werd. Van hem wordt na de geboortedatum meteen het sterfjaar genoemd: 1859.

Zoon Jacob zit ook nog op school.

Dit geldt tevens van dochter Mietje. Ook zij is ‘schoolleerling’. We mogen er dus vanuit gaan dat Matje en Evert ál hun kinderen ter schole lieten gaan en de meisjes daarvan niet uitzonderden.

Jongste zoon Evert Jan, mijn overgrootvader, wordt ook vermeld. Zónder de aanduiding ‘school­leerling’: Hij zal nog te jong zijn geweest.

In 1859 wonen Evert en Matje nog steeds in het Westerkwartier. Dat zal dan wel het al eerder genoemde huis 278a zijn, dat niet nader te bepalen is.


Matjes dood en de tijd daarna

We maken nu een sprong naar het jaar 1875. Omstreeks die tijd woonden Evert en Matje op Bloemstraat 11, een prachtig pand in het Zuiderkwartier (huis 240).

Evert en Matje volgden in dit huis hun eigen dochter Wijntje als bewoners op. Wijntje had tot zeker 1866 met haar man Gerrit Hengeveld het huis aan de Bloemstraat bewoond. Na 1866 vertrok Wijntje, weduwe geworden, naar het aangren­zende huis op Bloemstraat 7 (Zuiderkwartier 241).

Op 23 juni 1876 stierf Everts vrouw Matje, in Elburg. Ze bereikte een leeftijd van vierenzeventig jaren. Maar Evert was nog lang niet aan zijn levenseinde toe. Op luttele weken na werd hij maar liefst tweeënnegentig jaar oud.

Na Matjes dood trok Evert voor kortere of langere tijd in bij zijn oudste zoon Heimen, in diens huis op Vischpoortstraat 32 (huidige nummering). Op een oude familiefoto zien we naast Heimen een oudere man staan die heel goed mijn betovergrootvader Evert zou kunnen zijn.

Die foto gaan we nu, in het komende hoofdstuk, bekijken.


ELBURG, Bloemstraat 11        25 apr 1989 | Frits Stoffels


Een oude familiefoto


Hier ziet u de familie Stoffels voor haar huis, Vischpoortstraat 32 in Elburg.

De vrouw in het midden is zonder enige twijfel Dirkje Bullink (1830–1905) en de man rechts van haar haar echtgenoot Heimen Stoffels (1830–1913), die schoenmaker was.

De lange man naast hem, de handen in de zakken, kan heel goed mijn betovergrootvader Evert Stoffels zijn. Het is bekend dat hij na de dood van zijn vrouw Matje, in 1876, bij zijn oudste zoon is ingetrokken, alvorens hij een plaatsje kreeg op het Feithenhof.

Volgens Jo Pijlman, van wie ik deze foto in maart 1982 kreeg, moet ook Heimens zoon Eibert (1860–1944) op de foto staan. Het kan dan niet missen of hij is de jongeman uiterst links. Op een foto uit 1880 lijkt Eibert iets ouder. Hij trouwde in 1883. De tweede van links zou zoon Evert (geboren in 1855) kunnen zijn. Wikkend en wegend dateer ik de foto dan tussen 1876 en 1880.

Een foto was toen nog een hele gebeurtenis: een veldwachter moet rechts de opdringende menigte stoppen.

Een paar vragen: door wie en waarom is deze foto gemaakt? Hoewel de foto er niet duidelijk als een echt feestkiekje uitziet, is het denkbaar dat de foto omstreeks 6 augustus 1878 is gemaakt: Heimen en Dirkje waren toen vijfentwintig jaar getrouwd. Opvallend is echter dat de poserende familie wat wegzinkt in het geheel: het lijkt de fotograaf niet in de laatste plaats om de gehele woning te doen te zijn. Let ook op de man die rechtsboven uit het raampje hangt. Het huis heeft twee voordeuren: is hij een buurman?

... en hetzelfde huis honderd jaar later !

De familie Stoffels is verdwenen, het huis was in 1982 nog amper veranderd
foto: 2 jul 1982 Frits Stoffels

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Tante Jo Stoffels–Stoffels vertelde eens een oud, haar overgeleverd verhaal over rondtrekkende fotografen die ook Elburg aandeden. Eens kwam in Elburg zo’n fotograaf en een vrouw riep hem toe: ‘Joe kan miensen maak’n, hè?’ (U kunt mensen maken, hè?). ‘Jazeker’, was het antwoord, ‘kruipt u maar in de bed­stee!’


Elburg in de schemering van een stillen zomeravond


Een heel oude foto, gekregen van Tante Jo Stoffels-Stoffels:
"Het was zó stil in Elburg, zó stil, daarvan kun je je nu geen
voorstelling meer maken als je al die toeristen ziet". Links
het klooster aan de Jufferenstraat, rechts de synagoge,
achterin de Vischpoort.

In de Toeristenkampioen verscheen op 13 maart 1937 een sfeervolle beschrijving van Elburg, geschreven door J.W. Kesler:

Elburg neemt in de rij van onze kleine steden een bijzondere plaats in. Wie in de schemering van een stillen zomeravond langs het kleine grachtje met zijn geschoren linden wandelt, kan zich verbeelden te dwalen in Brugge langs de Groenlei of langs een van die andere rustige wateren, waar geen stadsgewoel is. Het spaarzaam avondlicht wordt er gezeefd door de kruinen der boomen en schept een sfeer, waarin die oude vrouwtjes in stemmige kleedij wonderwel passen. In groepjes staan de geburen op de schoongeschrobde straat­jes en bespreken de nieuwtjes van den dag vóór het poorteklokje tot de nachtrust maant. Rust, rust past deze omgeving, waar thans nog claxons en koplampen de harmonie verbreken.

Maar ook overdag, wanneer de zon felle slagschaduwen over de klinkers werpt, is de markt met het grachtje vol bekoring. Op Dinsdag is daar de roezige drukte van de wekelijksche markt, en aan het eind van de week sleepen de propere huis­moeders haar loopers en karpetten naar de zware hekken langs den waterkant en zij zwaaien den matteklopper, dat het een lieve lust is. In nauwe straatjes sjouwen stevige deerns met wateremmers af en aan om schrobwater te halen aan de gemeen­schappelijke pomp. En ze doen het graag, want een emmer kost alleen maar een praatje!

Het valt moeilijk te gelooven, dat de bewoners eens, ja, al zeshonderd jaar geleden, zich op verre zeeën waagden en handel dreven in de Scandinavische landen. Zelfs maakte het stadje deel uit van het verbond der Hanze en van den koning van Sweden en Gothen wist het in 1368 een factorij op Schonen te verkrijgen met belangrijke privileges. Dat de Elburgsche schippers in die dagen een vooraanstaande plaats innamen, blijkt wel mede hieruit, dat Elburg de tweede stad in ons land was, waar een ‘schipluiden–gilde’ werd opgericht, n.l. in 1339, terwijl het oudste gilde, dat van Deventer, van 1323 dateert.

Die tijd is lang voorbij. De schepen, die thans het haventje verlaten, keeren slechts terug met paling, haring of Zuiderzeebotjes.

Geen van de opvarenden heeft de illusie daardoor nog ooit rijk te zullen zijn. Sinds menschenheugenis blijft het leven hier zooals het is. Hoogstens wordt het een tikje zorgelijker. De stad blijft zichzelf gelijk. De huizen zijn oud en solide, en nieuwe behoeft men niet te bouwen: er wonen thans 400 menschen minder dan honderd jaar geleden! Neen, illusies zijn hier ten eenenmale ondenkbaar... Maar herinneringen, die kunt ge hier zoeken. Herinneringen aan een schoon en rijk verleden. En daarvoor behoeft ge niet eens de trappen van het stadhuis te beklimmen, om dan hijgend in de museumkamer aan te komen. Elburg, zoo klein als het mag zijn met 1800 inwoners, is toch wel duidelijk een stad, zij het een miniatuur–stad. Merkwaardig vooral in stedebouwkundig opzicht. De oorspronkelijke, rechthoekige vorm van de vesting is geheel bewaard gebleven, daar de stad na een landwaartsche verplaatsing in 1393 nimmer uitgebreid werd. Als staaltje van primitieve vestingbouw is dit stadsplan voor ons land eenig in zijn soort. Ook een zoo zuiver geometrische indeeling van den plattegrond zal men elders vergeefs zoeken. Slechts de Kromme Steeg verbreekt de symmetrie van straten en steegjes. Wie de moeite wil nemen al deze straatjes door te wandelen zal verrast worden door het groot aantal belangwekkende gebouwen, dat in dit kleine bestek bijeen is. Niet alle zijn even zorgvuldig bewaard gebleven, smakelooze voorgevels verbergen soms een nog interessante achterzijde, maar talrijk zijn de plekjes, die een bezoek overwaard zijn. Verschillende huizen hebben stoepen met zorgvuldig samengestelde mozaïek, uitgevoerd in wit en zwart kiezel. De wallen verder volgend vindt men bij de Vischpoort zelfs onderaardsche vestinggangen. Deze poort, de eenige, welke Elburg nog bezit, was wel­licht oorspronkelijk een vestingtoren; het metselwerk van den doorgang is althans van later datum dan dat van het overige bouwwerk. De poort draagt een lantaarn en wijst zoo’s avonds den schippers den weg naar het haventje. Daar aan de haven, daar kun je ze altijd vinden, een ‘köppeltje’ oude visschers, die daar staan te keuvelen rondom één, die zijn hengel in de haven heeft uitgelegd. Ze kunnen elkaar niets nieuws meer vertellen, want ze kennen elkaar door en door. En ze weten ook, dat het met de visscherij mis loopt: dood water! En medelijdend spreken ze over de jonge kerels, die met hun schuit uitvaren, niet om als zij eens, haring te gaan visschen, maar om ze domweg te gaan koopen aan den afslag in Harlingen, nadat anderen ze in den ‘kuil’ hebben ingevangen. Van visschers zijn ze beurtschippers en vischventers geworden. De tijden zijn wel veranderd. Lang staren de ouwetjes de wegvarende schuit na, dan gaan ze hoofdschuddend door de poort naar huis.

In de onmiddellijke nabijheid van de Vischpoort staat het oude stadhuis; de voorgevel toont een paar merkwaardige uitgekraagde hoektorentjes en in den zijgevel kan men een geestig gemetselde te­rugtanding vinden. Het gebouw is thans eigendom van de vereeniging ‘Hendrick de Keyser’ en zoodra de middelen een restauratie toelaten, wil men het gemeentelijk museum in dit pand huisvesten. Thans kan men dit vinden in een der bovenvertrek­ken van het Stadhuis. Diverse bezienswaardigheden uit vroeger tijd heeft men daar verzameld: oude wapens, folterwerktuigen, munten, vaandels, gildebekers en enkele niet te rubriceeren rariteiten, zooals er in elk plaatselijk museum verzeild raken”.


op de kruushoek

[uit de Elburger Courant, 1971]

In Elleburg is vandage de kommesarus van de Koneginne op bezeuk e wes. As zo’n hoge meneer zien antree in de stad maakt geet daor heel wat an veurof. Daor is al eers veule geskrief oov’r e wes en in de krante hef’t dan ook al ies in e staon.

Ai dee meneer zoll’n will’n spreek’n kon dat netuurluk ook mar dan mossie wel zo ‘t een en aand’r in joe agt’rheufd hemm’n, want veur’n flauekullegien kriej h’m neet te spreek’n.

De kommesarus hef netuurluk met de burgemeest’r en de wethold’rs e spreuk’n en laot’r in de raodzaal ook met de raodsleed’n mar daor wur ie neet veule van gewaor. Mar daor hemm’n wie met mekaar dan ook geen bal mee te maak’n, dat zal veerd’r wel goed weezijn. Meugeluk hemm’n ze’t ook oov’r de herindelege van Doorspiek en Elleburg e had.

Veurdat dat kommesarus’n bezeuk kump bren­g’n geet’tr al heel wat an veurof. Dat hef Jannus disse weeke al e zien. Bie’t stadhuus waar’n de stadsjantj’s an’t skrobb’n en knooj’n met waot’r. Dat mag ook wel ies want nao al dee sneeprut en al dat zaand was’t wel neudug um d’r ies met de beezijn langus te gaon. De antree van’t mooje stadhuus ziet’tr noe weer goed uut.

Ai dit stukkien leezijn dan is de kommesarus d’r al e west. Hij kwam um halftiene met zien gevolg bie’t stadhuus en is daor deur de burgemees­t’r – dee’t amskett’n umme had – offesjeel ontvan­g’n. De koffie zal wel klaor e west hemm’n en toe mar gezellug praot’n, zo oov’r Elleburg en de toekoms daorvan. ‘t Hoge gezelskap zol ook naor de Flevohof, dat grote gedoe oov’r de brugge, in de pold’r, en ies eev’n deur de stad riej’n heurt’tr ook bie.

En noe mar ofwagt’n tut dinsdedag, dan steet ‘tr wel wat van in de Elleburg’r krante, want dee krantekeerls sjouw’n oov’ral agt’tr an.

Tut de volg’nde weeke

Jannus.


Godsdiensttwist op het Feithenhof
(1893)

Volgens Tante Jo Stoffels–Stoffels is Evert na de dood van zijn vrouw Matje nog hertrouwd geweest, en wel met een vrouw uit de Achterhoek.

Welnu, deze mededeling vindt geen enkele steun in de archieven. Wellicht is Tante Jo in de war met de moeder van Matje, Engelbarta Claessen, die uit Oost–Gelderland kwam.

Een en ander is waarschijnlijker daar Tante Jo me vertelt dat die tweede vrouw vroedvrouw was. Dat stemt overeen met het doopceel van Engelbar­ta Claessen.


schoenmakerswerkplaats bij Vischpoort

Tot op hoge leeftijd moet Evert zijn vak, het schoenmaken, zijn blijven beoefenen. Tante Jo Stoffels–Stoffels: “Op het laatst van zijn leven had Evert nog een schoenmakerij in het huis met­een rechts van de Vischpoort [als je vanuit de Vischpoortstraat op de Vischpoort toeloopt – FST]. Daarna vertrok hij naar het Feithenhof. Everts oudste zoon Heimen nam de zaak over, samen met diens zoon Bart. De laatste heeft zelf in het huisje gewoond”.

Vroeg of laat is Evert wel met het schoenmaken gestopt. Een akte van 2 januari 1891 vermeldt hem als “zonder beroep”.

 
Tweemaal de schoenmakerswerkplaats van Evert Stoffels naast de Vischpoort in Elburg. Links met mijn vader Kees Stoffels (1924-1999), rechts Frits met zoon Heimen Stoffels in 2000.

1893: echtpaar mag niet meer naar Gereformeerde kerk

GODSDIENSTTWIST OP HET FEITHENHOF

Aan Evert Stoffels kunnen de talloze godsdiensttwisten van de negentiende eeuw moeilijk voorbijgegaan zijn.

Zelf bleef hij zijn leven lang Hervormd – en daar hij ook nog geboren en getogen Elburger was, kwam hij in aanmerking voor een plaatsje op het Feithenhof, een achttiende–eeuws bejaardenhofje met kleine woningen rondom een binnenplaats gegroepeerd.

In welk jaar Evert hier kwam, weet ik niet. En dus ook niet of hij met zijn neus bovenop het nu volgend verhaal heeft gezeten.


De ingang van het Feithenhof te Elburg
foto: zomer 1971 | Frits Stoffels

oogluikend

Op 9 september 1893 duikt in het landelijk verschijnende, Gereformeerde blad De Heraut een ingezonden bericht op over een konflikt op het El­burger Feithenhof.

Tot voor enige maanden stond de leiding van het hofje oogluikend toe dat sommige bejaarden naar een andere dan de Hervormde kerk gingen, bijvoorbeeld naar de Gereformeerde, die een jaar tevoor, na een halve eeuw van geschillen in de Hervormde Kerk, tot stand gekomen was.


straf: geen eten en drinken

In 1893 maakt de leiding onverwachts bekend dat de bejaarden voortaan alleen nog de Her­vormde Kerk mogen bezoeken.
Vier bejaarden, onder wie het echtpaar Dok­ter, zetten zich schrap tegen dit besluit en be­zoeken toch de Gereformeerde Kerk. Hiervoor worden ze fiks gestraft: een week geen zakgeld, en eten in afzondering
De vier houden echter vol en gaan de week daarop wederom naar de Gereformeerde Kerk. Nu wordt de straf nog verzwaard: zeven dagen geen eten en drinken. Twee bejaarden geven toe.
Maar het echtpaar Dokter blijft standvastig. Volgens de schrijver in De Heraut zou de laatst­genoemde straf nu al vijf weken achtereen op het echtpaar toegepast worden. Daar bovenop krijgt het tweetal al sinds veertien dagen geen schoon linnengoed meer.


Opening van een krantestukje uit 1895 over de kwestie

behoorlijk betutteld

Helaas komt De Heraut, voorzover ik kon na­gaan, niet meer op deze slepende zaak terug, dus de afloop kan ik niet melden.
Duidelijk is evenwel uit deze geschiedenis dat de ouden van dagen flink betutteld werden, in godsdienstige zaken, maar waarschijnlijk net zo goed op andere gebieden.


Het Feithenhof omstreeks 1968


Ontheugd

In de laatste jaren van zijn leven kreeg Evert last van geheugenverlies. Mijn opa, Everts kleinzoon, merkte dat toen Evert hem kennelijk een bezoek had gebracht in Utrecht. Mijn opa woonde hier toen sinds kort op kamers. In zijn Geslachtsregister van de Familie Stoffels schrijft Opa daarover: (Hij)

(...) verloor op ongeveer 90 jarige leeftijd zijnde op ‘t perron van het Station van het Centraal Station te Utrecht, plotseling zijn geheugen, zodat hij zijn kinderen als zodanig niet meer herkende”.


Centraal Station te Utrecht om en bij 1898 (kaart verzonden in 1903)

een persoonlijke angst van Opa

Mijn grootvader schrijft deze gebeurtenis niet voor niets op. Ze had een diepe persoonlijke in­druk op hem achtergelaten, en wel hierom. Zijn eigen vader had, omstreeks 1920, in zijn ouder­dom enkele misdraginkjes begaan, die in de visie van mijn opa aan geheugenverlies waren toe te schrijven.
Grootvader vreesde nu dat hem als derde in de reeks iets dergelijks zou overkomen. Mijn broer vertelde me eens dat Opa op zijn oude dag wel eens in treurige tranen verviel wanneer hij over deze persoonlijke angst sprak of wanneer hij iets vergeten was.
Voor het overige denk ik dat Evert niet speciaal bij deze gelegenheid zijn geheugen verloor, al lijkt Opa er veel nadruk op te leggen. Het was vermoedelijk een al veel langer slepende 'kwestie' dan Opa suggereert. Ten hoogste is het hém pas bij deze gelegenheid opgevallen, en bewerkte het een schokeffect bij hem.


nogal verstrooid

Er is nog een verhaal bekend van Everts geheugenverlies, mij verteld door Tante Jo Stoffels–Stoffels:

Evert was in de laatste jaren van zijn leven nogal verstrooid. Hij woonde toen al op het Feithenhof. Marinus Zwart, die met een kleindochter van hem getrouwd was, was schipper van beroep. Wanneer Evert wist dat Marinus in de haven zou aankomen, zei hij:

’Kom, ikke zal ies even kiekn of Marinus al binn’n is’

Nou, dat was dan niet zo. En Evert besloot dan maar ergens een borreltje te gaan drinken”.


Marinus Willem Zwart (1862-1943) was gehuwd met
Metta Everarda Hengeveld (1862-1949),
dochter van Everts dochter Wijnanda Stoffels

‘ies eevn kiekn’

Zo keerde hij na een tijdje weer terug op het Feithenhof. Maar omdat hij door zijn verstrooidheid de voorgaande gebeurtenissen weer was vergeten, zei hij even later opnieuw:

‘Kom, ikke zal ies eevn kiekn of Marinus Zwart al binn’n is’

En alweer tuurde hij vergeefs in de haven, om daarna in een kroegje weer een borreltje te gaan halen. Daarna belandde hij weer op het Feithenhof, maar was, daar aangekomen, weer alles vergeten. Dus wéér ging hij naar de haven, wéér naar de kroeg, wéér een borrel. Dat kon eindeloos zo doorgaan tot Evert zo zat was als een lap!


De Vischpoort vanaf de havenkant
1 sep 1983 | Frits Stoffels

niets wijzer dan onze kleine

Was Evert werkelijk verstrooid of gebruikte hij een en ander als mooi excuus om te kunnen drinken? We zullen maar aannemen dat hij echt verstrooid was of aan geheugenverlies leed.

Maar ik besluit dit hoofdstuk met een zinsnede uit een brief van zijn kleinzoon Bart Stoffels, die in 1898 aan mijn opa Heimen Stoffels schrijft:

Grootvader blijft nog zoo de zelfde. Hij lust zijn nat en droog nog graag maar is overigens niets wijzer als onze kleine jongen”.


Havengezicht te Elburg
kaart op 21 aug 1931 verstuurd door Heimen Stoffels (1891-1969)
aan mijn opa Hijme Stoffels, Kepplerstraat, Den Haag

gevoel voor humor tot einde toe

Ondanks zijn kennelijk wat kinderlijke gedragingen, waarover ons helaas door Bart geen nadere mededelingen worden gedaan, en ondanks een wat uit de hand gelopen drankzucht en voor hemzelf hinderlijke geheugenstoornis, bleef overgrootvader Evert tot op hoge leeftijd zijn vitaliteit en gevoel voor humor behouden.

Tante Jo Stoffels–Stoffels:

Toen Evert heel oud was, was hij nog heel vief. Wanneer hij van de kade terugliep met andere oude mannetjes, zei hij:

‘Ik loop maar vast vooruit, want die ouwe kerels sloffen zo’”.

Volgens Tante Jo bracht Evert zijn laatste levensjaren door op het Feithenhof, waar volgens de legende zijn leven ook begonnen was. Hij stierf op 14 augustus 1901, uiteraard in Elburg. Op twee weken na werd hij tweeënnegentig jaar, nog lang de hoogste leeftijd die ooit in de familie Stoffels was bereikt.


tekst van de overlijdensakte


Nommer 37.

Op heden den vijftienden Augustus.

negentien honderd een, verschenen voor ons Amb­tenaar van den Burgerlijken Stand der Gemeente E L B U R G

Berend Hendrik van den Berg, oud vier en zeventig jaren, zonder beroep en Gerard Vos, oud een en zestig jaren, zonder beroep, beiden wonende te Elburg

die ons hebben aangegeven, dat Evert Stoffel, oud een en negentig jaren, zonder beroep, geboren en wonende te Elburg, weduwnaar van Metta Everarda van Leeuwen, zoon van Heijmen Stoffel en Fennigje Eijberts Oostendorp, beiden overleden

op den veertienden dezer maand des namiddags te drie ure, binnen deze gemeente is overleden

Van welke aangave wij deze akte hebben opgemaakt, die, na voorlezing, is geteekend door ons en de aangevers.

[volgen handtekeningen]


De foutieve optekening van Evert Stoffels als 'Evert Stoffel' wreekt zich ook in het kranteberichtje dat erop volgde


Van Naatje tot Evert Jan

alle kinderen van metta everharda van leeuwen en evert stoffels

kinderen van Metta Everharda van Leeuwen en Jan Veldhoen:

Pieternella Geertruida Veldhoen

(Naatje)

geboren op 11 juli 1824 te Elburg

Engelbarta Veldhoen

(Barta, Bartje?)

geboren op 18 oktober 1826 te Elburg

Jan Veldhoen

(Jan)

geboren op 14 augustus 1828 te Elburg

kinderen van Metta Everharda van Leeuwen en Evert Stoffels:

Heimen Stoffels

(Heimen)
geboren op 15 juli 1830 te Elburg, Westenkwartier huis 324

Wijnanda Stoffels

(Wijn, Wijntje)

geboren op 24 mei 1832 te Elburg

Fennetjen Stoffels

(Fenna)

geboren op 5 januari 1834 te Elburg

Geurt Stoffels

(Geurt)

geboren op 6 april 1836 te Elburg,

aldaar overleden op 9 juli 1837

Geurt Stoffels

(Geurt)

geboren op 21 juli 1837 te Elburg

Eibert Stoffels

geboren op 5 december 1839 te Elburg

Jacob Christiaan Stoffels

(Jacob)

geboren op 15 september 1843 te Elburg

Maria Geertruida Stoffels

(Mietje)

geboren op 4 april 1845 te Elburg

mijn overgrootvader:

Evert Jan Stoffels

(Evert Jan)
geboren op zondag 12 november 1848 om 15.00 uur te Elburg in het Westenkwartier, waarschijnlijk in huis 278a

Evert Jans geboorte werd, behalve door de vader, aangegeven door Wichert ten Have Gerritszoon, 39 jaar, timmerman, en door de zwager van vader Evert Stoffels, Jacob Nagelhout, 34 jaar, winkelier.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

...en nadat marieke dit verhaal gelezen had, rolde het volgende uit de bus...

marieke


amstelveen,

4 april

1985

akte

van

waardering


VOOR FRITS STOFFELS


Voor de ware kunstwerken die hij* heeft weten te maken van zijn voorgeslacht, te weten:


op zijn Elburgs:

* ‘ie heb doar verstaand

van’


* Van Leeuwen

* Oostendorp

* (lest best) Stoffels


Mijn grote komplimenten

... en .....

 ! GA ZO DOOR !