De Petrus van Rotterdam

laatste bewerkingsdag: 6 jan 2012

1030-B02 Nieuw Nederland

Jacob Christiaan Stoffels
(1843-1920)


het levensverhaal van Jacob Christiaan Stoffels (1843 - 1920)
oom van mijn grootvader Hijme Stoffels

...een stille, eenzelvige Petrusfiguur, vastgelegd in glas-in-lood...

door Frits Stoffels

----------------------

In de jaren zestig van de negentiende eeuw verlaat de jonge Jacob Stoffels het stille stadje Elburg aan de ‘dode’ Zuiderzee. Hij trekt naar de grote stad. Nu eens niet naar Amsterdam, zoals vele van z’n familieleden, maar naar het ‘jonge’ Rotterdam.
Hij komt er terecht in een bruisende wereld, een wereldhavenstad in opbouw. Er wordt hard ge­werkt, met het nieuw elan van een nieuwe generatie, aan een nieuw Nederland.
Jacob was een broer van mijn overgrootvader Evert Jan Stoffels. Hij kocht effecten, onder meer Russische, maar deze werden waardeloos na de Oktoberrevolutie van 1917. Met tegenzin poseerde Jacob voor een glas-in-loodraam in de Grote Kerk. Het raam kwam er, maar ging, net als eerder Jacobs aandelen, ten onder in het bombardement van 1940.




Jacob Christiaan Stoffels
(Jacob)
zoon van Evert Stoffels en Metta Everharda van Leeuwen
geboren op 15 september 1843 te Elburg
overleden op 5 mei 1920 te Rotterdam

I gehuwd op 12 mei 1869 te Rotterdam met
Magdalena Diederika Schenk (Driek)
dochter van Dirks Schenk en Magdalena/Helena de Vrij
geboren op 18 november 1841 te Nijmegen
overleden op 2 december 1891 te Rotterdam

II gehuwd op 4 mei 1892 te Rotterdam met
Dilia Hermina Davina Cramer (Dilia)
dochter van Johannes Christoffel Cramer en Geertrui van Puffelen
geboren op 27 augustus 1851 te Middelburg
overleden op 8 augustus 1932 te Rotterdam

In de papieren van haar vader Jacob Christiaan Stoffels trof zijn dochter Metta Stoffels (1882-1954) het volgende, al dan niet door hem zelf vervaardigde gedicht aan:

1 Als je liefhebt, - doet het harte wondren,
Kan je lijden, dikwijls zonder traan.-
Kan je smart en bitterheid verdragen,
Als je liefde maar blijft voortbestaan.

2 Als je liefhebt - zie je slechts het mooie,
Want je sluit je oogen voor het kwaad,-
En één ramp maar kan je hart bedreigen!
Dat je liefde ooit verloren gaat.

3 Als je liefhebt, wil je alles geven .....
Daarin ligt juist haar beteekenis!
Géven - zonder iets terug te eischen -
Omdat liefde enkel "geven" is

het gedicht zoals overgeschreven door Jacobs dochter Metta
"Hij was een stille, eenzelvige man", schreef mijn grootvader Hijme Stoffels over zijn Oom Jacob. We stellen ons in gedachten een echte Stoffels voor ogen: een wat kunstzinnig, sterk persoonlijk denkende individualist, die in dit individualisme toch sterk bezig is met zijn medemensen en zich om dezen bekommert.
    Jacob Christiaan Stoffels, op 15 september 1843 op Noorderkerkstraat 14 (NK 97) te Elburg geboren in het gezin van Evert Stoffels en Metta Everharda van Leeuwen, behoorde tot de eersten in de Stoffelsgelederen die niet langer traditionele familienamen, maar aan de verbeelding ontsproten voornamen kregen toebedeeld. Dat was niet alleen in de familie uniek, doch ook in het Nederland van toen nog vrij ongewoon. Het kan op een zekere welstand van Jacobs ouders duiden. Staan de namen symbool voor onderscheidenlijk het Oude en het Nieuwe Testament?
    Overigens kan de naam Jacob nog afkomstig zijn van Evert Stoffels' zwager Jacob Nagelhout.


Rotterdam | Koningshaven | verstuurd in 1920
naar de grote stad
    Volgens Tante Jo Stoffels-Stoffels was Jacob - in zijn jeugd of later - bevriend met de Harderwijker schipper Willem Karssen, die, door met Jacobs zuster Fenna Stoffels te huwen, zijn zwager werd - zie de kroniek Grafgeheimen.
    Voor het overige blijven Jacobs jeugdjaren in Elburg grotendeels in de nevelen der historie gehuld, zij het dat we uit het Elburger bevolkingsregister van 1849 nog weten dat Jacob ter schole ging, en wel in een tijd dat nog geen leerplicht bestond. Jacobs ouders zagen blijkbaar het nut van onderwijs en algemene vorming in.
    Al vóór zijn huwelijk in 1869 zien we de vermoedelijk nog maar jong volwassen Jacob het Noordveluwse Elburg verruilen voor een grote stad in opkomst in het westen des lands: Rotterdam. Ik heb niet kunnen achterhalen wat Jacob naar Rotterdam dreef - vele familieleden trokken juist naar Amsterdam, en, iets later, naar Amerika. Wellicht maakte Jacob een ronde door Nederland om zijn vak bij verscheidene ambachtslieden goed onder de knie te krijgen - en bleef hij zo hangen in de Maasstad.
    Jacob woont daar op Slaakkade 142. Hij is in Rotterdam werkzaam als huisschilder. Ook Jacobs kleinzoon Chris Stoffels, uit 1905, die in 1928 naar Canada vertrok, kent zijn grootvaders beroep. In een brief aan mijn neef Dirk Stoffels schrijft hij op 25 juli 1989: "My grootvaders name was Jacob en woonde in Rotterdam en was a huis schilder ['schilder' verbeterd uit 'painter' -FST]".

blad uit de trouwbijbel van Jacob Stoffels en Driek Schenk

zijn hart bepaald
    Op 12 mei 1869 trouwt Jacob - hij is dan vijfentwintig jaar - in Rotterdam met een vrouw die zijn leven lang zijn hart bepaalde, zo blijkt uit de verhalen. Driek Schenk, zo heette ze, was en bleef Jacobs grote liefde, ook toen ze al gestorven was en Jacob hertrouwd.
    Reizen nam te dien dage nog veel moeite en vele uren in beslag. Dus niet heel de familie ging, bijvoorbeeld vanuit Elburg, op weg naar Rotterdam om de bruiloft bij te wonen.
    Zo komt Jacobs vader, Evert Stoffels, wél over naar de Maasstad. Maar Metta Everharda van Leeuwen, zijn moeder, blijft in Elburg. Gevolg is wel dat Evert ten stadhuize uitdrukkelijk verklaren moet dat de vereiste ouderlijke instemming met 's zoons huwelijk ook door zijn vrouw is betoond.

Driek Schenk


Rotterdamse heksendans

Rotterdam | Vischmarkt | omstreeks 1910-1915?
In dezelfde jaren dat Jacob Stoffels zich vestigde te Rotterdam, maakte de Italiaan Edmondo de Amicis een rondreis door Nederland, in 1873 en 1874. De eerste stad die hij daadwerkelijk aandeed, was Rotterdam, waarvan hij opmerkelijke en treffende beschrijvingen gaf in zijn nog in 1874 verschenen en weldra wereldroem ontlokkend boek Olanda. We kunnen De Amicis verhaal ook een beetje lezen met de ogen van Jacob, die de stad op een zelfde manier kan hebben ervaren.
    De Amicis komt bij avond met de boot in Rotterdam aan. Hij ziet alles en niets tegelijk:
    "Toen we in het gezicht van Rotterdam kwamen, werd het duister en viel er een motregen; ik zag dus slechts als door een dichte sluier een geduchte verwarring van schepen, huizen, windmolens, torens en bomen, mensen die zich over de bruggen en dijken voortbewogen, en lichten van alle kanten. Kortom, ik bevond mij in een grote stad van een voorkomen zoals ik nog nooit gezien had; doch nevel en duisternis omhulden haar weldra geheel voor mijn oog".

nog nooit gezien
    Vervolgens rijdt De Amicis in een huurkoets de stad in, en ondergaat allerlei wonderlijks:
    "Pas waren we afgereden, of de wagen ging o-ver een brug, die hol klonk, en toen ik dacht reeds midden in de stad te zijn, en er ook werkelijk midden in was, zag ik met verbazing rechts en links twee rijen schepen, die zich in de duisternis verloren. Toen we de brug over gereden waren, kwamen we in een verlichte straat vol mensen, en aan het eind van die straat weer op een brug, e-veneens tussen twee rijen schepen door. En zo ging het achter elkaar voort, van een brug in een straat en van een straat op een brug en, om de verwarring te vermeerderen, een verlichting zoals ik nog nooit gezien had, van gaslantaarns aan de hoeken der huizen, lantaarns op de schepen, sein-lichten op de bruggen, lichten aan de vensters, lichtjes beneden aan de huizen, en de weerkaatsing van al die lichten in het water".


Rotterdam | Konings Haven | verstuurd in 1924
wat een straten, wat een stad!
    Maar dan:
    "Plotseling bleef de wagen staan en pakte de menigte zich opeen; toen ik mijn hoofd uit het portier stak, zag ik een brug in de lucht. Ik vroeg wat dit was, en een onbekende antwoordde mij, dat er een schip door de brug ging. Een minuut later gingen we weer verder, ik zag terloops een doolhof van grachten en bruggen, die een groot plein schenen te vormen, omringd door scheepsmasten en vol lichtende punten; eindelijk sloegen we een straat in en kwamen aan mijn hotel".
    Op de volgende dag trekt De Amicis de stad in. Al snel komt hij tot verbaasde uitroepen:
    "Wat een straten, wat een huizen, wat een stad, wat een verwarring van nieuwe dingen voor een vreemdeling! Wat een vreemd schouwspel, zo geheel verschillend van al wat men in alle andere landen van Europa ziet!"

de feestgetimmerten van Rotterdam
     Wat is er dan zo opmerkelijk aan Rotterdam? Op de eerste plaats de huizen:
     "De huizen zijn niet gepleisterd, en hebben de kleur van de baksteen in alle schakeringen, van donkerrood bij zwart af tot aan het levendigst lichtrood. De meeste zijn niet meer dan twee vensters breed en niet hoger dan drie verdiepingen; de gevelmuur is hoog opgetrokken, zodat het dak verborgen is, en loopt uit in een stompe driehoek met een kroonlijst. Sommige van die gevels lopen van beide kanten met een bocht op, ongeveer als een lange hals zonder hoofd; andere lopen met trapjes op, zoals de houten huisjes waarmee kinderen spelen; sommige hebben de aanblik van een kegelvormige tent; andere van een dorpskerkje; weer andere van een kermistent (...) Het was me of ze weer afgebroken gingen worden na afloop van de ene of andere gelegenheid waarvoor ze gebouwd waren, net als sommige feestgetimmerten nadat het vuurwerk of de illuminatie is afgelopen".

Rotterdam | Groote Markt | omtrent 1920

een architectonische heksendans
     Dan is er nog iets wat De Amicis "een beweging van verbazing" afperst: de meeste huizen staan scheef en hellen over:
     "Op sommige punten is er een zekere regelmatigheid in dat overhellen, zodat men het bijna niet bespeurt; op andere daarentegen, vooral op kruiswegen en in kleinere steegjes, staan de huizen in een onbeschrijfelijke verwarring te tollen; daar is het letterlijk een architectonische heksendans, een kermispret van huizen, alsof er leven in zit. Hier zijn huizen die voorover knikken als stonden ze te dutten; ginds andere die zich naar elkaar overbuigen als om elkaar een geheim in te fluisteren; op een andere plaats staan ze achterover tegen elkaar als dronken lieden; men ziet er soms een achterover hellen tussen twee andere die voorover hangen, als een misdadiger die door twee dienders wordt voortgesleurd; hele rijen huizen schijnen een buiging te maken tegen een toren; andere groepen steken de hoofden bij elkaar, alsof ze een samenzwering smeden tegen het ene of andere paleis".

Rotterdam | Steiger | verzonden in 1907
stad in het water
     Zo ziet De Amicis telkens weer wat nieuws:
     "Terwijl ik door sommige smalle en rechte straten ging, zag ik op eenmaal dat ze aan het einde afgesloten waren als door een groot gordijn, dat het uitzicht beneemt maar ogenblikkelijk ook weer verdwijnt. Dat is het zeil van een voorbijgaand schip. In andere straten kijkt men tegen een net van touwwerk aan, dat tussen de beide laatste huizen gespannen schijnt te zijn om de doortocht te beletten; dit is niets anders dan het want van stilliggende schepen in een dwarsgracht. Aan het eind van andere straten kijkt men soms opeens tegen de klep van een wipbrug aan, die met zijn twee lange zijbalken van de wip een zonderlinge figuur maakt, en doet denken aan een reusachtige schommel, om de vrolijke lui die in deze vreemde huizen wonen, te vermaken. In andere straten heeft men het uitzicht op een windmolen, zo hoog als een toren die zijn wieken ronddraait,  als een enorme zon van een vuurwerk boven de nokken der daken. Omlaag ziet men overal, tussen de huizen, tussen de bomen, van nabij en in de verte, de masten der schepen, wimpels, zeilen, allerlei dingen die eraan herinneren dat men alom tussen het water zit, en die de indruk geven alsof de stad zomaar midden in een haven is gebouwd".

vreemde mensen in een vreemd land

     Dan zijn er nog de mensen; ook die zijn in De Amicis' ogen een slag apart:
     "Er was een grote volte, maar van mensen die het allen druk hebben zonder echt haast te maken. Hierin onderscheidt zich de drukte der straten te Rotterdam van die te Londen, waarin menig reiziger niet veel ongewoons zal vinden, vooral wat de kleur der huizen en het bedaarde voorkomen der mensen betreft. Hier droeg de menigte die ik (in de ochtend) voor me zag, een eigenaardig karakter. Die witte, bleke of gele aangezichten; die blonde, gele, rosachtige of vlaskleurige haren; die brede koppen met grote ringbaard; die blauwe ogen, zo licht dat men de oogappel amper onderscheiden kon; die dikke, vette, blozende, fijnhuidige en bedaarde vrouwtjes, met witte mutsjes en oorijzers als kurketrekkers, deden mij dadelijk beseffen dat ik in een vreemd land was".

wassen en plassen
     De havenactiviteiten van Rotterdam zorgen voor een bijzonder levendige bedrijvigheid in de stad:
     "Toen ik hier kwam, was het het drukste uur van de dag, en ik posteerde me op de hoogste brug, waar twee hoofdkanalen elkaar kruisen. Hier zag men vier kanalen, vier bossen van masten en acht rijen bomen erlangs; de straten waren vol goederen en mensen; troepen vee werden over de bruggen gedreven; de ophaalbruggen gingen de hoogte in en de draaibruggen openden zich om schepen door te laten, en pas waren ze weer neergelaten of dichtgedraaid, of een stroom van mensen, wagens en karren stormde er overheen; schepen voeren af en aan, blinkend van netheid als de modellen van een museum, met de vrouwen en kinderen der schippers op het dek; schuitjes schieten van het ene schip naar het andere; de winkels wemelen van kopers, die in- en uitgaan; dienstmeisjes wassen en plassen met hun emmers tegen muren en vensters. En al die beweeglijkheid wordt nog verlevendigd door het groen der bomen, door het rood der huizen, door het malen der hoge molens, wier zwarte kappen en blanke zeilen in de verte tegen de blauwe hemel afsteken; terwijl een zeker eigenaardig waas van eenvoud en vrede, zoals men anders in geen noordelijke stad aantreft, over alles ligt uitgespreid".

blinkende armenwijken
    De Amicis waagt zich ook in het koninkrijk der minbedeelden, de armenwijk van Rotterdam. Ook hier is alles weer even verwonderlijk.
    "Ik ging de eerste de beste straat in en zwierf enige tijd door dat gedeelte rond, daar ik van nabij wilde zien, hoe de toestand der mindere klasse in de Hollandse steden is. De straten zijn er zeer nauw en de huizen kleiner en nóg schever dan in de andere wijken; hier en daar kan men de daken met de handen bereiken; de vensters zijn weinig meer dan een palm [een palm is een lengtemaat -FST] boven de grond; de deuren zijn zo laag, dat men zich bukken moet om binnen te treden. In weerwil van dit alles, heeft die buurt volstrekt geen armoedig voorkomen".

alles ademt reinheid en welvaart
    Er zit ook weer van alles op en aan de huizen:
    "Ook hier hebben de ramen hun spiegeltjes -spionnen noemt men ze in het Hollands -, hun bloempotten op de vensterbanken achter de groene hekjes, hun witte gordijnen. De deuren zijn groen of blauw geschilderd, en alles staat open, zodat men de slaapkamers, de keukens, alle hoeken van het huis zien kan. De kamertjes schijnen niet veel groter dan dozen, en alles staat er netjes opeengepakt als in een winkel; maar huisraad, meubels, koper, alles is er even netjes en blinkend als in de grootste herenhuizen".
    De armenhoek van de Maasstad, zo meent de schrijver, steekt gunstig af bij soortgenoten in buitenlandse grote steden:
    "In de straten die ik doorliep, vond ik nergens een schijn van onzindelijkheid, bemerkte ik nergens een onaangename reuk, zag ik nergens een bedelaar, die om een aalmoes vroeg: alles ademt er reinheid en welvaart, en ik dacht met schaamte aan de armoedige wijken waar de mindere klasse in onze zuidelijke steden woont, Parijs niet uitgezonderd, dat toch zijn Rue Mouffetard heeft".

Rotterdam | Bierhaven, voor de demping van 1897
een stad in de groei
     In Rotterdam gaat een bruisend economisch wonder gebeuren, voorvoelt De Amicis:
     "Wanneer men bij avond de straten van Rotterdam doorwandelt, ziet men dat het een stad is vol levenskracht, die zich uitbreidt, een jonge stad, zo te zeggen in haar jaren van groei; haar huizen en straten worden haar van jaar tot jaar te eng, evenals een opschietende knaap zijn kleren. Haar honderdveertienduizend inwoners zullen in een niet ver verwijderde toekomst misschien wel tot tweehonderdduizend klimmen. Haar nevenstraten zijn mierennesten van kinderen; het is er een leven en een gejoel, die het hart en de ogen goed doen. Over de straten van Rotterdam ligt een zeker waas van feestelijkheid. Die blanke, frisse kopjes der dienstmeisjes, wier witte mutsjes men van alle kanten zweven ziet; die kalme aangezichten der kooplieden, langzaam hun grote glazen bier leegslorpend; die boerinnetjes met hun gouden oorijzers; die zindelijkheid allerwegen; die werkzame en kalme drukte, geven aan Rotterdam een voorkomen van welvaart en tevredenheid, wat ons, zo al geen geestdrift, toch een glimlach van sympathie afperst".

Liefdesjaren

Nijmegen | Groote Markt | omstreeks 1895
Wie was Driek Schenk?
    Officieel heette ze Magdalena Diederika Schenk; ze werd geboren op 18 november 1841 in Nijmegen en was al met al bijna twee jaren ouder dan Jacob. Al vroeg groeide ze als halve wees op, en ten tijde van haar huwelijk lagen béide ouders in het graf.
    Haar vader, Dirk Schenk, kwam uit Hillegersberg. Hier werd hij op 22 maart 1809 geboren. Van beroep was hij Sleeper, en hiermee zal zijn treurige dood wel in verband staan. Op 10 januari 1844 werd te IJsselmonde zijn lijk uit een sloot gedregd.
    Volgens Jacobs kleinzoon Eduard Willem Stoffels, die een stamboom van de familie Schenk vervaardigde, was Dirk echter al op 1 januari 1844 verdronken. Tenzij het hier een schrijffout betreft, betekent het dat Dirk pas na negen dagen werd gevonden.   

moeder ging langer mee
    Kende Driek Schenk haar vader dus amper, haar moeder, Magdalena (ook wel: Helena) de Vrij, ging iets langer mee. Deze vrouw werd op 16 april 1811 in Rotterdam geboren en trouwde hier op 27 april 1846 met Dirk Schenk. Drieks moeder stierf in Nijmegen op 11 maart 1868, een jaar voor haar dochters huwelijk.
    Driek zelf was bij haar bruiloft werkzaam als dienstbode in Rotterdam. Hier woonde ze op Boompjes 52.

Rotterdam | Boompjes | verzonden in 1902

Boompjes: voer voor verbeelding
    
De Boompjes, een dijk langs de Maas en de haven, vormden in het Rotterdam van de negentiende eeuw een belangrijke handelskade, die zich immer vernieuwde, gelijke tred houdend met de opmars van Rotterdam.
     Nogmaals laten we Edmondo de Amicis aan het woord. Ditmaal wandelt hij naar De Boompjes:
     "Van gracht op gracht, van brug op brug, kwam ik aan de dijk de Boompjes genaamd, langs de Maas, waar de hartader klopt van het handelsleven van heel de stad. Links strekt zich een lange rij bontgeverfde stoombootjes uit, die op alle uren van de dag naar Dordrecht, Arnhem, Gouda, Schiedam, Brielle, Zeeland enz. vertrekken en voortdurend de lucht vervullen met het vrolijke geluid van hun seinklokken en de bange zuchten van hun stoomwolken. Rechts liggen de grotere schepen, die de verscheidene havens van Europa aandoen, vermengd met de prachtige driemasters, die op Oost-Indië varen, waarop in gouden letters de namen Java, Sumatra, Borneo, Semarang enz. prijken, welke die vreemde landen en volken voor de verbeelding van de toeschouwers oproepen".

naar hoger sferen en terug naar de stad

     Het schouwspel doet De Amicis welhaast aan aardse sferen ontstijgen:
     "Verderop stroomt de Maas, wemelend van allerlei schuitjes en schepen, en in het verschiet ligt de overzijde, waarop zich naast het beukenbos een bos van fabrieksschoorstenen en windmolens verheft. En boven dit woelige schouwspel breidt zich de onstuimige hemel uit, met zijn scherpe afwisselingen van licht en donker, die jaagt en verandert, als om het bedrijvige leven beneden na te volgen".
     Na een bezoek aan de haven voltooit onze Italiaan z'n wandeling over De Boompjes:
     "Toen ik de haven gezien had, liep ik de Boompjes ten einde, waarlangs zich een onafgebroken rij grote nieuwe huizen uitstrekt, in de trant van de huizen zoals te Parijs en Londen gebouwd, huizen die, zoals het wel meer gaat, door de vreemdelingen niet of kwalijk aangezien worden. Hierop keerde ik in de stad terug, en van gracht tot gracht, van brug tot brug, kwam ik eindelijk uit aan de hoek die de Hoogstraat vormt met een der lange grachten die de stad aan de oostkant begrenzen".

Rotterdam | Plan C | kaart verstuurd in 1899

het spoor door Rotterdam (1)
    Al snel komen er kinderen bij Jacob Stoffels en Driek Schenk, zeven bijelkaar. Doch drie ervan overlijden al heel jong. De vier levenskrachtigen zijn Dirk, Chris, Metta en Leentje.
    Vele jaren achtereen wonen Jacob en Driek in Rotterdam en omstreken. In 1873 huizen ze op Warmoezierstraat 38a. In 1875 huist het gezin op Meermansstraat 15. Om en nabij 1876 volgt een korte periode in de dan nog zelfstandige gemeente Hillegersberg. Het adres aldaar: Heul 11.
    Omstreeks 1879, en zeker in 1880, woont het echtpaar weer in Rotterdam, op de Derde Schielaan 28. In deze jaren komt Jacobs broer Evert Jan, mijn overgrootvader, die dan met zijn tjalk door Nederland vaart, wel eens aanmeren wanneer hij in de Maasstad moet zijn. De broers trekken dan veel met elkaar op.

Hillegersberg | Dorpsstraat | omtrent 1905

het spoor door Rotterdam (2)
    Tot aan het eind van de jaren tachtig huizen Driek en Jacob op de Derde Schielaan, en op Almondestraat 45, in Oud-Noord.
    Vanaf 1888 of 1889 verhuist het paar naar de dichtbij de Almondestraat gelegen Burgemeester (de) Roosstraat 39. Dit huis staat naast (en niet tegenover, zoals Opa Stoffels schrijft, die in deze jaren wel eens bij zijn Oom en Tante logeert) de gevangenis op de Noordsingel. In 1906 heet Jacobs adres Burgemeester De Roosstraat 23. Is dit een ander huis, of heeft een hernummering plaatsgevonden? In 1911 vind ik als adres: Almondestraat 48b, en in 1913 Almondestraat 45b.
    De gevangenis aan de Noordsingel werd op 10 mei 1940 getroffen door een bom, toen de stad bij het Duitse bombardement vergruizeld werd. De gevangenen werden daarop onmiddellijk vrijgelaten. Ondanks de bom was het gebouw niet onherstelbaar beschadigd: in 2001 bestond het nog.

Rotterdam | Noordsingel met Gerechtsgebouw | kaart verstuurd in 1910

de kinderen van Jacob en Driek
    Jacob Christiaan Stoffels en Magdalena Diederika Schenk kregen zeven kinderen. Dit zijn ze:

Magdalena Diederika Stoffels (vermoedelijk Lena, Leentje; 1870-1870)
geboren op zondag 13 februari 1870 te Rotterdam, en alhier overleden op zondag 20 februari 1870

Evert Stoffels (Evert; 1871-1875)
geboren op dinsdag 9 mei 1871 te Rotterdam, en overleden op donderdag 14 januari 1875 te Rotterdam

Dirk Stoffels (Dirk; 1873-1913)
geboren op vrijdag 26 september 1873 te Rotterdam - zie elders

bladzijde uit de trouwbijbel van Jacob en Driek, met vermelding van de geboren kinderen

de kinderen van Jacob en Driek (vervolg)

    Hierna volgde nog dit drietal:

Evert Stoffels (Evert; 1876-1876)
    geboren op 24 maart 1876 te Hillegersberg
    overleden op 28 maart 1876 te Hillegersberg

Christiaan Stoffels (Chris; 1879-1966)
    geboren op 9 januari 1879 te Rotterdam
    zie elders

Metta Stoffels (Met, Metta; 1882-1954)
    geboren op 12 december 1882 te Rotterdam
    zie elders

bladzijde uit de trouwbijbel van Jacob en Driek, met vermelding van de geboren kinderen (vervolg)

de kinderen van Jacob en Driek (slot)
    Ten slotte kwam:
Magdalena Stoffels (Lena, Leentje; 1885-1911)
geboren op 11 september 1885 te Rotterdam, en   
overleden op 28 september 1911, eveneens te Rotterdam

Magdalena Stoffels op een foto van omstreeks 1910
met dank aan Wigger van der Horst voor retouchering

    Leentje was (nog) niet gehuwd. Ze stierf toen ze net zesentwintig lentes telde. Op de kiek die van haar bewaard is gebleven, zien we een kenmerkende Stoffelskop: mooi zonder werkelijk knap te zijn, maar mooi door het boeiende en raadselachtige.
    Waarschijnlijk verzorgde haar oudere broer Dirk de grafsteen. Diens oudste zoon Jacob Stoffels (1899-1924) schrijft in een bewaard gebleven van 2 november 1911 over zijn Tante Leentje: "Pa is een Zondag naar het graaf geweest, en het steentje staat er op".
    Dit kunnen we bevestigen, want uit de nalatenschap van Jacobs broer Mary M. Stoffels (1909 -1989) kwam bijgaande foto van het graf ten voorschijn. Ik ontving haar op 5 januari 2002 uit handen van een neef.
    Op de steen staat geschreven:

"HIER RUST
MAGDALENA STOFFELS
GEB. 11 SEPT. 1885
OVERL. 28 SEPT. 1911"

Het graf van Magdalena Stoffels op een foto uit 1911

Jacobs beroep
    Een kleine uitweiding nog over Jacobs beroep. Het wordt op verschillende wijzen beschreven, doch de kern ervan zal duidelijk zijn.
    De huwelijksakte van 1869 noemt Jacob Huisschilder. Een akte uit 1873 noemt hem verwer, maar een andere uit dat jaar spreekt plots van timmerman. Dit moet welhaast een vergissing zijn, tenzij Jacob in deze tijd kort z'n geluk in een ander vak beproefde. In 1876, de periode in Hillegersberg, heet hij schildersknecht, en in 1879, weergekeerd in Rotterdam, schilder. In de jaren tot zijn dood wordt hij afwisselend schilder, schildersknecht, verver en verversknecht genoemd.
    Opa Hijme Stoffels beschreef zijn oom met huisschildersgezel, Eduard Willem Stoffels zijn grootvader als Schilder, en kleindochter Mary Stoffels tekent het weidst en misschien ook meest precies: "Mijn opa was bedrijfsleider bij een heel bekend Rotterdams schildersbedrijf", vertelde ze mij toen ik haar in januari 1975 in Rotterdam bezocht.

Jacob Christiaan Stoffels, geschilderd door zijn zoon Chris(tiaan) Stoffels

Jacobs grote liefde gestorven
    "Driek Schenk was zijn grote liefde. Maar helaas stierf ze op nog vrij jonge leeftijd", hoor ik Mary Stoffels omtrent haar grootouders vertellen. Op woensdag 2 december 1891 kwam Driek te overlijden, op Burgemeester De Roosstraat 39 in Rotterdam, na ruim tweeëntwintig jaren huwelijk. Driek was vijftig jaar oud.
    Half reconstruerend, half gissend vermoed ik dat het aldus gegaan is na het sterven van Driek. Jacob was, met heel zijn grote liefde voor Driek, denkelijk zo in rouw gedompeld en door verdriet overmand, dat hij al wat gedaan moest worden uit handen gaf, móest geven, en alle plichtplegingen overdroeg aan begrafenisondernemer Bartoo.
    Dat zal een flinke zak met geld gekost hebben, en Jacob moet hierover dan de beschikking hebben gehad. Dit zegt dan meteen iets van zijn (betrekkelijke) welstand. Bartoo verzorgt de aangifte ten stadhuize, en ook de rouwkaart.
    Een en ander verklaart dan de opmerkelijke tekst op deze - op het Centraal Bureau voor Genealogie teruggevonden - kaart. Zo ontbreekt elke verwijzing naar het christelijk geloof, en is de kaart, nogal onpersoonlijk, "uit naam van den Heer J.C. STOFFELS" verspreid. Driek wordt om diezelfde reden dan met het afstandelijke Mejuff. ingeleid.

nichtje Marie komt redderen
    Mejuffrouw duidt in deze jaren overigens een gehuwde vrouw uit de middenklasse aan.
    Een kleine grammatikale fout zal de taalgevoelige Jacob - zie verderop - nog in de rouwkaart hebben gestoord: in "het overlijden zijner geliefde Echtgenoote en hunne Moeder" had achter hunne geen r mogen ontbreken.
    Jo Pijlman, een kleindochter van Jacobs jongste broer Evert Jan Stoffels, bewaart via haar moeder, Marie Stoffels, nog een herinnering aan deze tijd:
    "Oom Jacob was een oom van mijn moeder. Mijn moeder was zestien jaar en toen was zijn vrouw overleden. Oom Jacob vroeg toen of mijn moeder bij hen in huis mocht komen om een tijdje te helpen redderen. Daardoor bleef het kontakt altijd intensief, ook in veel later jaren. Hun kinderen en kleinkinderen kwamen nogal eens logeren bij ons, de Pijlmannen".
    Marie Stoffels werd hierbij verliefd op haar Rotterdamse neef Chris, vertelt mij Grietje Zijlema-Stoffels. "Maar Chris moest haar niet".


KENNISGEVING

uit naam van den Heer J.C. STOFFELS, Kinderen en verdere
Familie, van het overlijden zijner geliefde Echtgenoote
en hunne Moeder,

Mej.  MAGDALENA DIEDERIKA STOFFELS-Schenk,

in den ouderdom van 50 jaren.

Rotterdam, 2 December 1891.

Burgemeester de Roosstraat 39.

-----------------------------------------------------
Rotterdamsche Begrafenis-Vereeniging, J.J. Bartoo Jr., Goudscheweg 39.


Souvenir de Rotterdam (1855)

Eenzelvig vervlochten

Ruim een jaar na Drieks droeve dood treedt Jacob Stoffels ten tweeden male in het huwelijk, op 4 mei 1892 in Rotterdam, met de op 27 augustus 1851 te Middelburg geboren Dilia Hermina Davina Cramer (Dilia).
     Helaas kon zij Jacob Driek niet doen vergeten. Kleindochter Mary Stoffels:
     "Weliswaar zorgde hij goed voor z'n tweede vrouw, maar de liefde kwam vooral van haar kant. Dilia was dól op hem. Zo zette ze bijvoorbeeld alleen verse koffie als Jácob thuiskwam, uit z'n werk, om vijf uur 's middags. De rest van het gezin kreeg 's morgens opgewarmde koffie".

vlecht van Driek Schenk

Drieks vlecht in een doosje

    Tekenend voor Jacobs liefde voor Driek, ook nadat hij met Dilia Cramer was getrouwd, is het volgende verhaal van Mary Stoffels:
    "In gedachten bleef Opa bij Driek. Driek had tijdens haar leven lange, donkere vlechten gedragen. Toen ze gestorven was, knipte Opa een van haar vlechten af en bewaarde deze in een doosje. Dat doosje zette hij achter in het kabinet dat de huiskamer sierde".
    Hieruit groeide een dagelijks ritueel:
    "Elke dag, tot aan z'n dood toe, maakte Opa een gang naar het kabinet, haalde het doosje tevoorschijn en bleef enige tijd in gepeinzen naar de vlecht kijken. Dan borg hij ze weer op, tot de volgende dag".
    Wat Mary mij er op dat ogenblik niet bij vertelde, was dat zij zelf inmiddels over het doosje met de vlecht beschikte. Toen ze in 1989 stierf, regelde een neef haar begrafenis. Belangwekkende familiestukken bewaarde hij in een doos, die ik later kon bekijken.
    Geheel onderin de doos - "Dit moet je echt even zien", aldus mijn neef - kwam een langwerpige doos ten voorschijn, die bij opening Driek Schenks donkere vlecht, met een licht tintje ros, bleek te bevatten. Ik moest even naar adem happen.

niet helemaal eerlijk
     Voor Dilia was dit misschien niet allemaal zo leuk. Wellicht dat kleindochter Mary Stoffels om deze reden een vrij ongunstig oordeel over haar moet vellen:
     "Ze was een hard mens, en een beetje typisch. Ze was niet altijd helemaal eerlijk en draaide wel eens om de waarheid heen. Mijn moeder, Pietertje Proost, was daarentegen nogal recht door zee. Ze kon het daarom soms niet zo goed met haar schoonmoeder vinden. Eigenlijk mocht zij Dilia niet zo graag".

Jacobs Petruskop tijdelijk vereeuwigd
    Wat voor karakter had Jacob?
    We haalden mijn Opa Stoffels al aan. Die logeerde wel eens bij z'n Oom toen hij in zijn jonge jaren in Utrecht op kamers woonde. Ook nadien trok hij veel op met Jacobs zoon Chris, Opa's neef. Volgens Opa was Jacob "een stille, eenzelvige man, trouw Nederlands Hervormd". Kleindochter Mary Stoffels beaamt dat: "Inderdaad was hij een stille man. Hij was heel rustig van aard en stond niet graag in het middelpunt". Overigens denk ik dat mijn grootvader met eenzelvig niet een egoïstische man (zie het gedicht over liefde boven), maar een inzichzelfgekeerde man bedoelde.
    Toch overkwam hem die ongezochte belangstelling eens op een heel bijzondere manier, hoorde ik van Tante Jo Stoffels-Stoffels. Zijn apostelachtige verschijning bleef in Rotterdam niet onopgemerkt en wekte de belangstelling van enkele kunstenaars. Die vroegen hem of hij wilde poseren voor een te vervaardigen glas -in-loodraam voor de Rotterdamse Grote of Sint-Laurenskerk. Daarop moest de apostel Petrus worden afgebeeld.
    Aanvankelijk weigerde Jacob. Maar de heren gaven niet op en staken na drie bezoeken vermoeid doch voldaan zijn toestemming in hun zak. Hun argument: "Zulke Petruskoppen zie je nog maar weinig vandaag de dag. Daarom móet u het doen!".
    Het raam kwam er, achterin de kerk, maar ging in het Duitse bombardement van mei 1940, mét de rest van de kerk, ten onder. Volgens mijn tante Jo Stoffels-Stoffels kan het overigens ook een Mozesportret zijn geweest.

een kunstzinnige aanleg
    Een andere trek van Jacob werd gevormd door een zekere artistieke aanleg, aldus Mary Stoffels:
    "Opa had veel gevoel voor taal en taalregels. Dat heeft hij op ons, kleinkinderne, sterk weten over te brengen. En hij verstond 'de kunst van het brievenschrijven', zó brieven schrijven dat ze indruk maakten. Hij had ook aanleg voor tekenen".
    Tevens kon Jacob mooi voorlezen:
    "Och, dat kon hij zo mooi. Dan trok hij mij op de knie en las voor. Ik heb het ook van hém zo geleerd", weet Mary, die inderdaad met een zekere dictie haar verhalen vertelt.
     Mede door dit soort dingen was hij zeer geliefd bij zijn kleinkinderen. Nog beter gezegd: ze hielden heel veel van hem, meent Mary te mogen vaststellen.

deze potkachel had Jacob Stoffels in zijn huis staan

Jacob boos over liefste kleindochter Mariek
     Jacob had een duidelijke voorliefde voor zijn kleindochter Mariek, omdat die naar zijn geliefde Driek was vernoemd.
     Eens werd hij echter heel boos op haar. Mary Stoffels over haar zuster: "Mariek was de stad in gegaan en bestelde in het geheim een fraaie jas van achttien gulden, terwijl we het thuis niet breed hadden: het weekpensioen van m'n moeder bedroeg slechts twaalf gulden. Mariek liet de jas thuisbezorgen, maar zorgde ervoor verdwenen te zijn toen de jas, mét de rekening aan de deur werd afgeleverd. Moeder nam hem aan en betaalde:
          'Mensen die aan de deur komen, kan en mag ik niet wegsturen'.
     Toen Mariek thuiskwam, sprak moeder met opgeheven vinger:
          'Opa Jacob is zo gék op jou? Nou, maar ik zal hem nu'es vertellen hoe jij wérkelijk bent!'
     En ze vertelde het aan Opa. Opa was diep verontwaardigd:
          'Wat! Daarvoor moet ze naar de gevangenis!',
aldus onze zegsvrouw Mary Stoffels.

tweemaal per maand naar Opa en Oma
    Ook kleinzoon Chris Stoffels, geboren in 1905 als zoon van Jacobs 'oudste' zoon Dirk, bewaarde nog een herinnering aan zijn grootvader Jacob en 'tweede' grootmoeder Dilia.
    Chris emigreerde in 1928 naar Canada, en is als gevolg hiervan, in een brief van 20 februari 1988 aan zijn zuster Mary, zijn meer verfijnde kennis van het Nederlands kwijt. Hij schrijft:
    "Onze grootvader en grootmoeder woonde in noord Rotterdam en wy bezoekte daar wel mishien twee maal per maand op Zondags".
    Uit Mary's nalatenschap kwam nog een notitieblokje ten voorschijn dat blijkens een aantekening aan Jacob Stoffels heeft behoord.

notitieblokje uit het bezit van Jacob Stoffels

'niet doodgaan! niet doodgaan!'
    Vanaf ongeveer 1911 tot 1914 nemen Jacob en Dilia een familielid in huis: Heimen Stoffels, de zoon van Eibert Stoffels en Trijntje Visscher - zie de kroniek Liefde en Verstoting. Heimen wil het schoenmakersvak goed onder de knie krijgen en heeft in Rotterdam een goede leermeester gevonden. Hij krijgt bij Jacob en Dilia een eigen kamer.
    Maar dan, in 1911, wordt dochter Leentje ziek. Ze ligt op sterven en heeft een eigen kamer nodig. Heimen, die er nog niet lang geweest kan zijn, moet daarom weg. Tante Jo Stoffels-Stoffels, Heimens latere echtgenote:
    "Leentje werd heel erg ziek. Dat was een heel nare toestand. Ze wist dat ze moest sterven en schreeuwde almaar:
        'Niet doodgaan, niet doodgaan!.'"
    Ik denk dat Heimen na Leentjes dood in september 1911 weer bij Jacob en Dilia terugkeerde. Doch opnieuw wordt de toestand moeilijk. In 1914 breekt de Wereldoorlog uit. Nogmaals Tante Jo:
    "Heimen kon toen niet meer meeëten bij Oom en Tante. Toen moest hij z'n maaltijden bij een gaarkeuken halen. Uiteindelijk is m'n man naar Den Haag verhuisd".

aandelen waardeloos na Russische revolutie
     "Laat ik hem noemen markante jacob stierf volgens de verhalen na de val van de tsaar in rusland, nadat zijn aandelen geen waarde meer hadden" schreef nakomelinge Marjo Donker aan mij, in een e-mail 15 december 2004.
     Daar nog weinig tot geen oudedagsvoorzieningen bestonden, bleef Jacob Stoffels werken tot zijn zeventigste jaar, dus tot in of omstreeks 1913.
     Om toch niet in zijn ouderdom met lege handen te staan, had Jacob in de loop der jaren een reeks aandelen gekocht, waaronder een aantal Russische.
     Doch dit kwam hem duur te staan, vertelt mij Mary Stoffels. Door de Russische Revolutie, van oktober-november 1917, maar ook de Eerste Wereldoorlog en z'n gevolgen, kelderden de Russische effecten op de wereldmarkt en werden zo goed als waardeloos.
     "Hij had echter nog een aantal andere aandelen", weet Mary, "en daarmee rekende hij uit hoe lang hij in z'n levensonderhoud kon blijven voorzien: hij had nog genoeg om enkele jaren onbezorgd te kunnen leven. Maar hij heeft er niet zó lang pleizier van gehad".


Russisch roebelbiljet uit de nalatenschap van Jacob Stoffels

het hart verlamd
    Twee jaar na de afloop van de Eerste Wereldoorlog moet de zesenzeventigjarige Jacob afscheid nemen van het leven.
    Het is woensdag 5 mei 1920 in Rotterdam. Jacob sterft aan een hartverlamming. Mary Stoffels:
    "Het was een rustig tafereeltje in de huiskamer. Ineens werd Opa onwel. Oma Dilia snelde naar de keuken om iets voor 'm te halen. Maar terwijl ze nog in de keuken staat, hoort ze vanuit de huiskamer een kreet. Dilia rent terug, maar Opa Jacob is dood".
    In oktober 1921 sterft ook Pietertje Proost, de weduwe van Jacobs zoon Dirk. De jongste twee kinderen blijven verweesd achter. Dilia is zo lief een van die beiden in huis te nemen: Chris, de knaap die in 1905 geboren werd. Hij bleef er twee jaren. In 1928 trok hij naar Canada. In een brief van 20 februari 1988 schrijft hij, de Nederlandse taal vrijwel verleerd, aan zijn zuster Mary:
    "(...) en na moeder gestorfde, woonde ik met grootmoeder voor twee jaren, nadat woonde ik met Riek (...)".
    Met andere woorden: na de tijd bij zijn oma, trok Chris in bij zijn oudste zuster, Riek.
    Dilia Cramer zelf stierf ruim twaalf jaren na Jacob, in Rotterdam, op 8 augustus 1932.