Hijme Stoffels en de Evolutie


laatste bewerkingsdag 6 mei 2012


Hijme Stoffels (1877 Enkhuizen-1958 Den Haag) groeide op in de

gereformeerd-kruisgezinde Van den Oevergemeente van dominee Murk Ozinga

te Amsterdam. Deze 'Oud Gereformeerde Gemeente' was bevindelijk van aard.

Toen Hijme op zijn negentiende in Utrecht kwam wonen, raakte hij zeer onder

de indruk van de predikanten aldaar die behoorden tot de'gewone'

Gereformeerde Kerken van Nederland. Ook Abraham Kuyper was een van zijn

helden. Al bleef Hijme zijn leven lang gereformeerd, met soms een bevindelijk

trekje - hij bleef bevindelijke schrijvers lezen - toch ontwikkelde hij door

belezenheid en originaliteit een eigen kijk op het christelijk geloof.

Hierbij behoorde ook dat hij - in tegenstelling tot het gemiddelde Gereformeerde

kerklid - de evolutietheorie aanvaardde, en deze wist te combineren met zijn

kijk op Bijbel en geloof. Dit - naast andere 'dwarse' opvattingen, maakte hem

soms tot een buitenbeentje in zijn eigen Kerk.


Hieronder Hijmes kijk op evolutie en christelijk geloof.

Brief van Hijme aan Ds H. Timmer naar aanleiding van diens

vijftal artikelen over Creatie of Evolutie in het kerkblad van de Gereformeerde

Kerken in den Haag.

Geschreven omstreeks 1948-1952.


Geachte Dominee,

'k Heb gewacht tot Uw laatste artikel over “Creatie of Evolutie”

verschenen was, en nu dit geval is wil ik U gaarne mijn mening over een

en ander zeggen.

Om te beginnen Dominee, deugt de titel niet. Toen ik die las dacht ik

direct aan de dilemmastelling van de N. S. B. in de jaren vó6r en

in de laatste wereldoorlog, nl. “Mussert of Moskow" We hebben toen als

goede Nederlanders gezegd: geen van beiden, noch de een noch de ander,

maar onze eigen regering.

Hier, in dit geval: "Creatie of Evolutie" zeggen we ook dit dilemma

deugt niet, en wel omdat Creatie en Evolutie geen tegenstellingen zijn.

U ziet dat wel zo, maar in die beschouwing schuilt juist de fout. U hebt

er blijkbaar niet aan gedacht dat men "evolutionist" kan zijn en tevens

daarbij a priori God als Schepper en Onderhouder nodig te weten. Ik heb

Uw wijze van voorstelling over deze materie ook bij andere theologen en

gelovigen aangetroffen. De oorzaak van deze beschouwing ligt hierin dat

men in gelovige kringen door de bevooroordeelde en voorbarige conclusies

der ongelovige natuurfilosofen van de vorige eeuw kopschuw geworden is

voor het woord 'evolutie'. Over creatie op zich zelf kan men tegenwoordig

wel gerust zeggen, bestaat er geen verschil. Algemeen rekent men met de

noodzaak van een eerste oorzaak. Over deze "eerste oorzaak" als"Hogere

Macht” wordt natuurlijk verschillend gedacht, fraai dat is een andere kwestie,

waarover het hier nu niet gaat. Ook kan men gerust zeggen dat de tijd van

het boute "doven van de lichten des hemels" nu wel voorbij is. Prof. Dr.

G. L. Smit Siebenga die zich in zijn boek "Geschiedenis van het leven op

aarde" heus niet als een schriftgelovige aandient, zegt ingenoemd boek:

. . slechts wie meent geen wereldraadsel te zien, wien alles zonder wonderen,

"vanzelf" ontstaan is, is een dwaas.

Ook behoeft "creatie en evolutie" niet perse een tegenstelling te zijn.

Scheppen in volstrekte zin is die daad waardoor God de materie en haar

latente krachten, die er eerst niet waren, tot aanzijn riep. Alle andere

volgende natuurverschijnselen, hoe goddelijk wonderlijk ook, zijn scheppingen

in overdrachtelijke zin. De materie met haar onmisbare krachten was nu

voorhanden en door de ononderbroken zorg en bemoeienis Gods heeft dit begin

zich ontwikkeld tot wat we nu zien en horen en hoe ook waarnemen. Nu leren

én de H. Schrift én de wetenschap dat de wereld zoals wij

haar nu kennen, niet op eenmaal alzo geschapen is, maar langs een lange

weg van ontwikkeling geworden is. Bij toveren, waarop kinderen zo verzot

zijn, sluiten naieve mensen oorzaken uit. God heeft zich bij zijn Schepping

van een "methode" willen bedienen. Van deze methode laat de auteur van

het scheppingsverhaal ons, zonder enige wetenschappelijke intensie, een

kort samengevat beeld zien. Dit summiere beeld van de door God gevolgde

methode stemt als verheerlijking van Gods Almacht en Wijsheid, wonderwel

overeen met de wetenschappelijke visie op de ontwikkelingsgang vanal het

geschapene.

Na wat we tot nu toe zeiden, kunnen we het zo zeggen:

De Bijbel leert ons dat God schiep en de wetenschap hoe God schiep,

en al is het dat we bij de laatste wel altijd met enig voorbehoud rekening

moeten houden, daarom is het toch niet zo dat dit "voorbehoud" het werk

en de resultaten der wetenschap zou moeten decimeren, want dit weten we

allen: hetgeen de wetenschap thans van de micro- en macrocosmos afweet,

gewoon aan het wonderbaarlijke grenst. De woorden “atoomsplitsing” en "astronomie"

zeggen, dunkt ons, hier over genoeg. We gaan verder.

U hebt ook de kwestie van de "zes dagen" ter sprake gebracht. Doch

voor we hierop ingaan is het nodig iets te zeggen over de verschillende

taken die God op de schouders der Bijbelschrijvers en latere theologen

en op die der wetenschap gelegd heeft. Voor de kennis en het dienen van

God geldt: dat de H. Geest in alle waarheid, d. w. z. geestelijke waarheid,

leidt. Maar ook de wetenschap vermag, of zij het erkent of niet erkent,

niets, tenzij het haar van "Boven" gegeven wordt. Voor beiden echter geldt:

zoekt en gij zult vinden. Beider taak leert ons in verschillend opzicht

de grootheid Gods kennen. De ene zaak is voor het hart, de andere voor

het verstand, om het zo eens te zeggen.

Hun terreinen liggen zo ver uit elkaar, dat wederkerig de een niet

zou kunnen vinden wat de ander wel vindt. Bijv. die Franse geleerde had

het hele firmament doorzocht en nergens God gevonden, en", van andere kant

zouden we, tenspijt van 20 eeuwen getrouw Bijbellezen, nu nog niet beter

weten dan dat de aarde een platte schijf is en al het gesternte om ons

heen draait.

Om deze reden hebben alle theologiën, zowel christelijke als heidense,

van de wetenschap moeten leren dat hun inzicht betreffende de natuurlijke

gang der schepping en zo ook speciaal in bedoelde "zes dagen" foutief is

geweest. Nog pas hebben vijf eminente Christelijke mannen der wetenschap

in hun boek "de Ouderdom der Aarde" dit bevestigd. De wetenschap heeft

zich uiteraard niet uitgesproken over de Bijbelse beschrijving der schepping.

In dit opzicht houdt zij zich strikter aan haar taak dan de theologie als

deze zich over de natuurlijke schepping uitlaat, al is het dat zij daarin

ter goede trouw is. Origenes en Augustinus mogen met hun inzicht in de

'zes dagen"-kwestie hun tijd ver vooruit geweest zijn, bij mijn beperkte

kennis heeft niemand beter dan de vrome Engelse staatsman en theoloog,

Gladston, zijn gedachten hierover uitgesproken. Hij heeft dit aldus geformuleerd:

Het doet in ons gevoel aan de autoriteit van de H. Schrift niet tekort,

dat zij aan de Almachtige ogen, oren, handen en weten toekent, ja zelfs

onze menselijke aandoeningen. Indien dit zo is, "dan zie ik niet in waarom

het gezag der gewijde Boeken er door zou worden geschokt, omdat zij in

het beschrijven van de orde en opvolgende tijdperken van het Goddelijke

werk, dit alles verdeelt in dagen. Want wat werd er vereist om dit groot

tafereel van daden begrijpelijk en indrukwekkend te tekenen? Ongetwijfeld

dit, "dat men de verschillende stukken afzonderlijk groepeerde in de een

of andere tijdsindeling, die het karakter in zich draagt van iets dat in

zichzelf afgesloten is, of een punt van uitgang en terugkeer. Nu zijn er

slechts drie zulke indelingen onder de mensen algemeen bekend. Daarom was

de "dag" wel het allermeest geschikt voor de menselijke bevatting. En waarschijnlijk

op grond "hiervan is het figuurlijke gebruik van het woord overgegaan in

"de profetische litteratuur, gelijk het inderdaad in ruime mate "doorgedrongen

is in de oude en nieuwe spreekwijze. Indien dit het . . geval was, wat

nauwelijks in twijfel getrokken kan worden, blijkt "het dan niet, dat het

woord"dag', ' dat scherper dan het woord "maand"of "jaar"scheidt van wat

vooraf gaat en wat volgt, juist gekozen is, met het doel om 'n denkbeeld

van trapsgewijze ontwikkeling aan te geven in het proces dat het Boek tekent?'

Wij allen als gelovigen mogen er ons in verheugen dat ook 'n man als

Prof. N. H. Ridderbos dit inzicht deelt. Want waarom zouden we ons vasthouden

aan een verkeerde opvatting en daardoor voor "de man in de poort" onnodig

met een mond vol tanden staan? Het bespaart ons'n blunder als die van de

clerus tegenover de eenling Galileï. De zaak van Galileï en die van de "zes dagen"leren,

dat inzake natuurvraagstukken, de wetenschap de theologie in die dingen

van dienst kan zijn. De Bijbel, zo blijkt hier wel duidelijk, spreekt over

deze zaken, nu eenmaal een andere taal dan de wetenschap. Als we gezien

het voorafgaande, in zake de "zes dagen', 'wat minder afwijzend tegenover

de wetenschap zijn geworden, waarom zouden we ten opzichte van de evolutie

in de schepping, toch bij uitstek een zuiver natuurlijke kwestie, ook niet

naar haar luisteren? De natuur als zijnde ook Gods werk, kan toch niet

in tegenspraak zijn met Gods Woord. Dat wij voor tegenspraak hielden was

niet anders dan ons misverstand. We moeten het overdrachtelijke in de H.

Schrift niet letterlijk willen opvatten.

Vandaar al die moeilijkheden waaraan geen uitkomen meer mogelijk was.

Evolutie is nu eenmaal de door God gewilde gang, in het natuurlijke zowel

als in het geestelijke. In beiden bezit de waarheid een onstervelijke inhaerente

kracht tot openbaring. In de H. Schrift vinden we haar strijd uitgebeeld

vanaf het Paradijs tot op de grote Paasmorgen. In die strijd is de geschiedenis

van Gods Kerk en de menselijke afkomst van Jezus Christus vervat. Alles

klein begonnen en tot groot uitgegroeid. Gen. 1 weet ook van evolutie,

is er althans niet mee in strijd. Vanzelfsprekend suggereert dat scheppingsverhaal

geen wetenschappelijke verhandeling te zijn, daaraan hadden we in de eerste

plaats de pas uit het afgodische Egypte uitgeleide Israelieten zeker geen

behoefte, en behoorde daarom ook niet tot zijn bestek. Duisternis ging

het licht vooraf, zoals het licht aan het leven, goddelijk werk waarin

oorzaak en gevolg tot in eeuwigheid elkaar zullen opvolgen en in overeenstemming

met een evolutie van God gewild en gehandhaafd. In het plantenrijk van

mos tot bomen van edele houtsoort, in'het dierenrijk van vissen, amphibien,

kruipend gedierte, vogels tot viervoetig gedierte en-tenslotte de mens,

geestelijk van Gods geslacht, stoffelijk aards. Zijn waardij ligt in zijn

geestelijke bestaan, als bestemd voor eeuwige-hemelse heerlijkheid;wat

zijn stoffelijk bestaan aan waarde vertegenwoordigt toont ons een heropend

graf. Stof zijt gij en tot stof zijt gij wederkeren. Het winnen van de

gehele wereld weegt niet op tegen de schade aan de ziel. Als we zijn geestelijke

existentie even buiten beschouwing laten, dan is het lichaam geen groter

wonder dan der dieren. Zelfs de Triboliet van 500 mln. jaren terug had

oogjes met 15000 facetten. Vlees en bloed beerven het Koninkrijk Gods niet

' wel het geestelijk surplus, de ziel. Niet onze aardse afkomst, maar onze

hemelse komt in aanmerking voor onze eeuwige hemelse toekomst. Als variant:"Hemels

zijt gij, en (uit kracht van Christus 'werk) tot den hemel zult gij wederkeren'.

En wat doet het er verder aan toe welke weg God beliefde te volgen bij

de schepping aller dingen, de mens incluis? Hoe verders de evolutie heeft

zich toegedragen is een zaak voor de wetenschap weggelegd. God is met waarheid

gediend.

Hijme Stoffels, Copernicusstraat 180, Den Haag.