Hengeveld & Zo(nen)

laatste bewerkingsdag: 9 okt 2012

Hengeveld & zo(nen)

Hendrik Hengeveld (1861-1927) als wegbereider in de kunst

door Frits Stoffels

Hendrik Hengeveld (links) en zijn veelkleurig atelier in Amersfoort; in het midden vooraan (met baardje en witte bloes) zijn oudste zoon Gerrit Jan Hengeveld; bijna geheel rechts (met wit pijpje) kunst- en plateelschilder, later vooral evangelist, Jan Fijnvandraat. De foto stamt vermoedelijk uit 1906, fotograaf vermoedelijk Eduard Stoffels; met dank aan Wijnand H. Hengeveld

De Elburger familie Hengeveld trok kriskras een eigenzinnig spoor door de familie Stoffels. Over en weer werd enkele malen getrouwd. Een interessante persoon was Hendrik Hengeveld, geboren in op 2 april 1861 op Bloemstraat 11 te Elburg, en overleden op 6 december 1927 te Utrecht. Hij was de enige zoon van het echtpaar Gerrit Hengeveld en Wijnanda Stoffels.

Elburg, Bloemstraat 11, het geboortehuis van Hendrik Hengeveld. In dit huis hebben ook mijn betovergrootouders Evert Stoffels en Metta Everharda van Leeuwen gewoond. Foto: 1989, Frits Stoffels

Uit haar huwelijk met Gerrit Hengeveld, had Wijntje Stoffels drie kinderen gekregen, alle gedoopt in de Hervormde Kerk. Het oudste was de man die dit hoofdstuk vult: de porselein- en kunstschilder Hendrik Hengeveld. Hij was de eerste generatie van een nieuw verschijnsel in de familie Stoffels: de kunst.

 Wijnanda Stoffels (1831 Elburg-1918 Meppel) geportretteerd door zoon Hendrik Hengeveld

Geen wonder dat Hendrik, die toch al bijzonder gesteld moet zijn geweest op de Familie Stoffels en tot in al haar uithoeken kontakten onderhield, stevige banden had met bijvoorbeeld mijn oudoom Eduard Stoffels, die ook kunstschilder werd. “Hendrik was”, zo vertelt E. Jan Stoffels, de zoon van Eduard, “een bijzonder goede vriend, zo niet de boezemvriend van mijn vader”.

Meppel, Kleine Oever, omtrent 1900

Over Hendriks jonge jaren is alleen bekend dat hij op vijftienjarige leeftijd een eerste werkkring had in Kampen. Hiertoe ging hij in de kost bij een oom van vaderskant: "Gisteren morgen kreeg Wijntje een brief van Hendrik uit Kampen" schrijft Geurt Stoffels in 1877 in een brief, "dat is tot hiertoe boven onze verwachting goed uitgevallen, de baas had hem Zaturdag avond uitbetaald tegen 7 cent in het uur dat is met de korte dagen nog f 3.36 per week, en daar zal hij nu f 2.50 per week van geven voor kostgeld aan zijn oom Vinke daar zal hij in kost wezen. Het is toch een groote zegen niet waar, voor een jongen van nog geen 16 jaren, wij zijn er allen zeer blij mede, zooals Ge wel kunt denken". 
Vervolgens had Hendrik intermezzo's in Meppel en Rotterdam. Op 29 maart 1882 vestigt hij zich in Amsterdam, op Nieuwendijk 229. In dit huis, op een steenworp afstand van de Dam, zijn meer artistieke figuren woonachtig, namelijk een aantal fotografen. Ook van Hendrik is bekend dat hij fotografeerde.
Achttien jaar brengt Hendrik in Amsterdam door. Hij lijkt er zich als een vis in het water te hebben gevoeld. Niet verwonderlijk: ook toen al speelde het Nederlandse kunstleven zich vooral in de hoofdstad af.
 
Egbert Estié en Eduard Stoffels
Al in juni van dat jaar trekt Hendrik, samen met de bekende Art-Nouveau-keramist Egbert Estié (1865-1910), in bij een neef van zijn moeder, Heimen Stoffels (1841-1918; niet te verwarren met mijn grootvader Heimen/Hijme Stoffels, broer van Eduard). De twee wonen dan op Zeedijk 100. Hengeveld en Estié moeten dus hecht bevriend zijn geweest. Later heeft Hendrik er voor gezorgd dat zijn neef Eduard Stoffels (1874-1951) werk kreeg op het atelier van Estié & De Vries, waar Hendrik trouwens toen zelf ook werkte. Boeiend blijft de vraag waar Hengeveld en Estié elkaar leerden kennen: in Meppel, in Dedemsvaart, waar Estié vandaan kwam, wellicht in Rotterdam, of pas in 1882 in Amsterdam. "Hij begon z'n loopbaan als huisschilder in Dedemsvaart", weet Dr Mr Paul Estié, die ik leerde kennen aan de Theologische Faculteit van de VU, van zijn grootvader. "Het huis- en kunstschilderen was vroeger een en hetzelfde. Of eigenlijk was hij wagenschilder, in ieder geval kon hij dat heel goed. Het verhaal gaat dat hij met één streek heel mooi een hele bies op een wiel kon schilderen".
De band van Hendrik Hengeveld met het gezin waaruit mijn oudoom Eduard voortkwam, was zeer hecht. In juli 1883 gaat Hendrik namelijk bij mijn overgrootouders inwonen op Smaksteeg 12. Hier moedigt hij de zonen Eduard, Heimen/Hijme en Cornelis aan in het ontwikkelen van hun kunstzinnige vaardigheden. Op speelse wijze krijgt hij hen aan het tekenen, en hij toont aan dat ze talent hebben.
Daar Hendrik suksesvol was, en in de loop der jaren in steeds luxere huizen woonde, moet dit mijn overgrootouders hebben gesterkt in de overtuiging dat het een goede zaak was als hun zonen een loopbaan in de kunst opbouwden: ze mochten een kunstopleiding volgen. “In de Smaksteeg was een neef van Vaders zijde bij ons in [de] kost, een schilder van beroep, met wien ik graag mijn avonden mocht doorbrengen met teekenen en kladden”, schrijft Eduard Stoffels in zijn in 1994 teruggevonden dagboek over zijn neef Hendrik Hengeveld.

 Tentoonstelling van Estié's latere werk in Gouda

Omstreeks 1890 maakt Hendrik zijn oude band met Egbert Estié weer te gelde - misschien ook was deze band nooit weggeweest - en laat hij zijn neef Eduard Stoffels, die net op de arbeidsmarkt komt kijken, hiervan meeprofiteren. Onder invloed van de eind negentiende-eeuwse opleving van ambachtelijke technieken, verlegt ook Hengeveld zijn accenten: van schilderkunst naar ambachtelijkheid, die omstreeks 1900 in de Art Nouveau uitmondt. “Daar mijn neef, Hengeveld (…) het porseleinschilderen had aanvaard, bij de Heeren Estié & de Vries in de Nieuwe-Weteringstraat, verzocht ik dezen [nl. Hengeveld - FS] een goed woordje voor mijn te doen”, schrijft Eduard, “hetwelk gelukte en ik alzo den 11en Januari 1891, mijn nieuwen werkkring aanvaardde”.
Eduard verdient er twaalf cent per uur. Er worden vooral bloemen op porselein geschilderd. Het kunstbedrijfje liep aanvankelijk goed, en Estié en De Vries breiden uit: “Daar het mijn patroons in de Weteringstraat te klein werd, lieten zij een fabriek bouwen in de Willemparkstraat, achter het Vondelspark”, aldus Eduard Stoffels. Overigens leze men voor ‘porselein’: aardewerk, of steengoed. Volgens Rutger Stoffels, Art-Nouveaudeskundige en plateelspecialist, werd er omtrent 1890 in Nederland nog geen porselein vervaardigd (maar misschien wél beschilderd?).
Eduard, en Hendrik ongetwijfeld ook, beleven hier dolle tijden. Want Estié is bepaald geen saaie man: voortdurend is hij in voor een frats of een stunt. Lezenswaard zijn Eduards beschrijvingen hiervan. Hij memoreert dat “die Estiè [sic], een man was, die met alle winden mede woei en daar er veel geld verdiend werd ook veel verteerde. Het was verschrikkelijk, zooals dien man met zijn geld omsprong: zoals [je] voor een gulden of 50 cts over een sloot te laten springen, die achter het fabriek was of je hoed te laten doorschieten met hagel waarvoor je dan een nieuwe kreeg op dien voorwaarde, dat ge met deze stukke hoed naar huis zou loopen. Ook ben ik met dien Estiè veel op jacht geweest, op welke d[a?]g hij dan aardig wat geld stukgooide”.
Het verhaal dat Estié’s atelier het Centraal Station beschilderde, stamt van Estié's kleinzoon Paul Estié. Van 1884 tot 1889 bouwde architect Cuypers aan het station. Paul Estié: “Het atelier van mijn grootvader ontwierp hiervan de beschildering en voerde deze ook uit”. De in 1999 onder een kalklaag teruggevonden, en vervolgens herstelde, beschilderingen doen vermoeden dat Paul Estié’s verhaal op goede gronden rust. 

van Hoeker tot Amstelhoek

   Een jaar na broer Eduard trad ook mijn grootvader, Heimen/Hijme Stoffels (1877–1958), in zijn allereerste baantje, toe tot de zwierige gelederen van Estié; in 1892, waarschijnlijk in maart. Dit eerste baantje viel letterlijk en figuurlijk in het water. Omstreeks 1947 schreef mijn grootvader een schrift vol met levensbeschrijvinkjes van zijn familie, zichzelf inbegrepen (‘Geslachtsregister van de Familie Stoffels’). Zijn eigen leven beschreef hij, enigszins merkwaardig, in de derde persoon enkelvoud. Op ongeveer tienjarige leeftijd kwam mijn grootvader door een overplaatsing op de Openbare School No 49 aan de Plantage Doklaan: “Op 25 Febr. 1892 verliet hij [mijn grootvader zelf dus – FST] deze school met ‘loffelijk ontslag’. Van school ging hij naar het schildersatelier van denhr Estié, alwaar zijn oudere broer Eduard reeds werkzaam was. Door een ongeluk met ’n koffer met schilderfoto's, die in’t water terecht kwam, werd hij ontslagen (...)”.
Met een gunstig gevolg trouwens, want door bemiddeling van A.G. Steelink, telg uit een bekende schildersfamilie, en tekenleraar van zijn broer Cornelis, kan hij komen werken op het experimentele atelier van Willem Hoeker, toen nog op Heerengracht hoek Koningsplein, doch later, als de niet alleen in kunstzinnig opzicht vermaarde kunstkolonie Amstelhoek (1894–1910), bij de Omval, waar ook Cornelis Stoffels furore maakt. In januari 1897 komt mijn grootvader dan als ontwerper, tekenaar en vervaardiger te werken op het atelier voor kerkelijke kunst van Jan Hendrik Brom in Utrecht. Dankzij zijn onderdompeling in de experimentele Art Nouveau van Hoeker en Amstelhoek, kan Stoffels bij Brom de allermodernste stijlen introduceren in een totdantoe behoudend bedrijf. Deze ommezwaai staat in de literatuur vermeld als ‘de bekering van Brom’.

 'het fabriek'
In hetzelfde ‘Geslachtsregister’ beschrijft mijn grootvader ‘het fabriek’ (Eduard Stoffels) van Estié als een “atelier tot vervaardiging van hoofdzakelijk copieen van schilderijen van bekende Ned. schilders ten behoeve van den middenstand en arbeiders” (bladzijde 10), hetgeen weer een wat ander licht werpt op Estié’s activiteiten dan door Eduard Stoffels wordt aangegeven. Eduard spreekt niet van kopiëren, evenmin van schilderijen: hij stelt Hendrik en zichzelf voor als porseleinschilder.
Maar een verhaal van Paul Estié stemt wonderwel overeen met dat van mijn grootvader: “Mijn grootvader zette in Amsterdam een artistiek schildersbedrijf op”, vertelde hij mij. En vervolgde: “Hij had ook een winkel, misschien een kunsthandel waar hij z’n produkten sleet, zoiets zal het wel geweest zijn. Die zaak zat op het Spui, bij het Rokin. Later zat er een lampenzaak in, van Dake, geloof ik, vlakbij de plek waar je bij de Academische Boekhandel het Spui opgaat”. Terzijde: in de landelijke telefoongids van januari 1915 (herdruk) vond ik: ‘L. Dake & Zoon, In huishoudelijke artikelen en metaalwaren, Damrak 28–30’. Mijn achterneef, kunstenaar Peter de Rijcke: “Het was een tijd dat fotografische reproduktie nog geen vlucht had genomen en de verspreiding van kunstzinnige voorstellingen gebeurde via gravures, litho’s en etsen op papier en geschilderde kopieën op keramische ondergrond die duurzaamheid verkregen door het bakproces in een oven (moffel)”.
Na enkele jaren werkt Estié zijn compagnon De Vries de zaak uit. Onderwijl was De Vries misschien toch wel nodig geweest als man met zakelijk inzicht. Het bedrijf verkommert. Op 1 januari 1893 verkoopt Estié zijn atelier aan een van zijn beste klanten, de heer Jager. Deze verplaatst de zaak naar “den Binnen Amstel, op een Atelier, 96 treden hoog”. Eduards uurloon wordt verhoogd naar achttien, naar twintig, naar tweeëntwintig cent: kennelijk leeft de zaak weer op onder het management van Jager. Hendrik en Eduard krijgen ook opdrachten mee naar huis. Wie hier goed in was, kon flink extra geld verdienen. Estié vertrok voor een korte periode naar Amerika, kwam terug in Amsterdam, en vertrok in 1895 naar Purmerend.

huwelijk met Grietje de Bruin
Omstreeks juli 1894 verlaat ook Hendrik Hengeveld het atelier van Jager: “In dien tijd was mijn neef Hengeveld bij Jager van daan gegaan en was voor zichzelf begonnen”, meldt Eduard Stoffels. Ook Eduard maakt zich gaandeweg los van het atelier, om met Hengeveld in compagnonschap een eigen atelier op te zetten. Doordat Eduard in 1895 in militaire dienst moet, kent deze samenwerking een trage start, maar in de loop der jaren gaan ze een hecht team vormen. Ze nemen steeds meer medewerkers aan, moeten naar steeds grotere panden verhuizen.
In 1900 trekken Eduard en Hendrik samen naar Amersfoort, om hier de samenwerking voort te zetten. Hendrik bekeert zich hier tot de geloofswijze van de zogeheten ‘vergadering van gelovigen’ (zie 
www.jaapfijnvandraat.nl). Vermoedelijk is dit het feit dat voor de nuchtere gereformeerde Eduard de aanleiding vormt de samenwerking op een laag pitje te zetten, en zelf een fabriekscomplex in Amersfoort te laten bouwen.

Op 1 mei 1884 trouwt Hendrik van de Smaksteeg uit met de Hervormde dienstbode Grietje de Bruin. Grietje, een dochter van Jannetje Wentzel en Willem de Bruin, werd geboren in het bij Elburg gelegen Oldebroek, op 6 februari 1860. Hendrik vraagt zijn oom, mijn overgrootvader Evert Jan Stoffels, als zeer nabije oom, als huwelijksgetuige. Na de bruiloft gaan Hendrik en Grietje in de 'schilderswijk' van Amsterdam wonen, op Gerard Doustraat 63, zo ongeveer op de hoek van de Ferdinand Bolstraat, en evenwijdig aan de 'Albert Cuyp'. Hier worden de twee kinderen geboren: Gerrit Jan (1885) en Jannetta Hengeveld (1887). In mei 1888 verkast het gezin naar de gemeente Nieuwer-Amstel. In die tijd sterft Grietje, op 24 juni 1889.

 Amsterdam, Rozengracht 55; foto: 1983, Frits Stoffels

kunst op de Rozengracht
Op 16 augustus 1889 keert Hendrik, nu weduwnaar, terug in Amsterdam, middenin de stad, op Rozengracht 55. Op deze gracht, die om en nabij 1890 werd gedempt, bevindt Hendrik zich alleszins in een omgeving van kunstzinnige allure. Op nummer 184, links van de Westerkerk, aan de overzijde van 55, stond in vroeger tijden het huis waar Rembrandt in 1669 stierf. Eveneens aan de overkant, op nummer 66, bevond zich het atelier van bekende kunstenaars. Hier werkten achtereenvolgens Jozef Israëls, van 1850 tot 1863, Jan Voerman, van 1886 tot 1888, en, in Hendriks tijd, Ferdinand Hart Nibbrig, van 1880 tot 1894. Later zetelde hier nog de tekenares Atie Siegenbeek van Heukelom.
In ditzelfde pand was van 1753 tot 1962 de zilversmederij van de gebroeders Helweg gevestigd, in de landelijke telefoongids van januari 1915 vermeld als: "Fa. Wed. H. Helweg & Zn., Fabr. van gesmeed tafelzilver".

ypers01 (169x171, 17Kb)

bij journalist Hoogenbirk in huis
Bij Hendrik in huis, op Rozengracht 55, woont ook de bekende, in 1848 geboren journalist A.J. Hoogenbirk. Die is mederedacteur van het christelijke familieblad Timotheüs. Dat is een tijdschrift waarop de 'vergadering van gelovigen' grote invloed heeft. In wat later tijd, vanaf 1908, ontwerpt Hendriks neef, mijn oudoom (J.C.) Cornelis Stoffels (1878-1952) de omslagen voor het weekblad, in fraaie Art-Nouveau-stijl. Het is dus niet ondenkbaar dat Hendrik deze Hoogenbirk op zijn talentvolle neef gewezen heeft, en deze zo de opdracht heeft bezorgd. Het is wel zo dat Hendrik in 1908 niet meer in Amsterdam woonde. Het contact tussen Hendrik en Hoogenbirk zou dan over deze plaats en tijd heen getild moeten zijn. Niet ondenkbaar, want Hendrik bleek in zijn leven een man die gemakkelijk en intensief met jan en alleman contacten onderhield.
Omstreeks 1880 is Hoogenbirk "Chef de bureau aan de Standaard" en tevens buitenlandredakteur van dit protestants-christelijke dagblad. Hoogenbirk - een foto van hem prijkt in De Standaard van 1 april 1922 - is dus een van de oudste medewerkers van deze door Abraham Kuyper opgerichte krant. Hendrik en zijn gezin zijn later zelf aktief bij de 'vergadering van gelovigen', en onder Hendriks invloed maken dan ook vele leden van de Familie Stoffels de overstap.

Op 29 mei 1890 hertrouwt Hendrik in Amsterdam. Wederom is zijn oom Evert Jan Stoffels van de partij als officiële getuige. Bruid is de Evangelisch-Lutherse Alida Geertruida Gramberg (Daatje). Daatje werd op 30 november 1859 in Amsterdam geboren, als dochter van metselaar Jan Hendrik Gramberg en Maria Breukers.
(in bewerking - wordt vervolgd; laatst bewerkt op 11 juni 2009)


 
Free Web Counter