De geur van mijn aartsvader

uit 1984; laatste bewerkingsdag pagina: 2 jun 2013


door Frits Stoffels

  
Frits Stoffels in de langwerpige tuin van de Haagse Copernicusstraat, 1956

Hoe moet ik dát nou zien?

Hele reeksen dingen vat je zomaar samen in een enkel woord: huis, zeg je tegen het geheel van honderden bakstenen, dakpannen en meubelstukken, en met één machtige greep vang je zo alles in één adem: huis, alsof het daarmee nog iets méér is dan een optelsom van allemaal afzonderlijke bouwstenen, vertrekken en gangen, alsof het een extra waarde verkrijgt.
Maar bestáát dat extra ook echt? Of word je betoverd door de macht van je brein?

Altijd van die gekke, spannende vragen 's nachts in bed.
Buiten waait de nacht naar twaalf uur.
Neem nou dit slaapkamertje in de caravan waarin ik lig. Is die kamer nou alles wat er ín staat, dus met de spiegel aan de muur, het bed bed met mij en Marieke erin een een afgesloofde stofzuiger eronder? Zou het nog deze kamer zijn als hij helemaal leeg was? Stel dat ik al die spulletjes buiten op het gras zou uitstallen en netjes op een rij leggen. Dan is hun compositie aan flarden geknipt. Ze zouden niet meer deze kamer zijn. Het verbindend geheel, de sfeer is weg.
De leeggehaalde kamer zelf zou ik nog heel goed als deze kamer kunnen blijven zien. Mijn verbeeldingskracht zou de spullen er weer in denken en zo het gemis goedmaken.
Aha. Dat extra bestaat dus niet echt, alleen in mijn hersens. Het is de sfeer die je ervaart, de verbeeldingskracht die je gebruikt.

Of neem nou die schildersezel van Opa. Opa Stoffels. Die schildersezel van hem hoort voor mijn gevoel bij mijn oude kamer op de Weverslaan, waar ópa nooit geweest is, en bij mijn flat in Amstelveen, die nog niet eens bestond toen hij stierf. Zou hij in die omgeving z'n schildersezel nog kunnen plaatsen? Voor hém is die ezel een plekje in de serre waar hij z'n ateliertje hield, in de Haagse Copernicusstraat.

In het donkere bos om de caravan zwelt de wind. Opa Stoffels... hoe kwam ik nou op hem? Als in een film, begeleid door indringende muziek, glijdt hij mijn gedachten binnen.
Tjonge, dat ik nog gesproken heb met iemand die in 1877, meer dan een lange eeuw ver weg, werd geboren. Ik kan niemand bedenken die ik gesproken heb en die nog verder terug ligt in de geschiedenis. En wie van mijn leeftijdgenoten kan daar nog meer op bogen? Hun opa's zijn allemaal van de twintigste eeuw. Maar de mijne...

Ineens zie ik het weer, die éne herinnering.
Maar ik heb er drie aan hem.
Ik was vier jaar toen hij stierf.

Mijn eerste herinnering is ook de vaagste.
Hij zit altijd in die lange lage leunstoel bij het raam naar de Copernicusstraat, in grijze en witte tinten, z'n rode ruitjespantoffels niet meegerekend. Naast hem, tussen de ramen, hangt het kastje met het geheimzinnige schriftje erin, volgeschreven door hemzelf, dat mijn leven voorgoed zal bepalen, het schriftje met zijn levensbeschrijving, de opsomming van vergeten en onbekende tantes, ooms, oudooms, oudtantes, voorouders, soms met kleine beschrijvinkjes: 'Oom Jacob was een stille, eenzelvige man', 'Mijn grootvader verloor zijn geheugen, rond 1900, staande op een perron van het Centraal Station te Utrecht, zodat hij zijn familieleden niet meer herkende'. Zinnen die in mijn hoofd gebeiteld zijn met zijn ciseleurshamertje, en die ik vermoedelijk op mijn sterfbed nog zal naijlen. Een hallucinerende geur dringt zich bladzij na bladzij op en stijgt op in mijn hoofd. Een geur van aartsvaders.

Maar dat van dat kastje weet ik dan nog niet. De andere geheimen van zijn huis ken ik inmiddels wél. Van de muur, boven het harmonium, staren mij allerlei mensen aan, vreemd en wanordelijk samengepropt in een grote kiekjeslijst. Die mensen al even wonderlijk: vrouwen, geheel in het zwart gestoken, met wonderlijke, hoge zwarte tooisels op hun hoofd doorpriemen mij met een peinzende en toch scherpe blik; mannen in onhandig te grote pakken gestoken, zitten in onwaarschijnlijke landschappen met prieeltjes en vogeltjes.

Maar soms gaan mijn speurtochten door dit wonderlijk donkere huis verder. Een klein jongetje dwaalt door de gangen. Soms verdwijn ik achter een gordijn, met daarachter een pikzwarte ruimte. Ben ik verdwaald? Kilometers verder, zwevend, eindigt die tocht tegen een kolenkit. Wam! Waar is de weg terug, waar is het gordijn? Zal ik gaan schreeuwen?

Nog verder kun je in dit huis.
Bij de keuken lijkt het huis op te houden. Je kijkt door het raam op een binnenplaats. Maar schijn bedriegt. Achterin de keuken ontdek ik in de zijmuur een schuifdeur. Daarachter openen zich, al schuivend, nieuwe verten: nóg een heel stuk huis, ingericht maar onbewoond, zo lijkt het.
Eerst kom je in een heel lange gang.
Door de ruiten zie ik de tuin. Als ik mijn neus tegen het raam druk, kan ik in de verte de gewone wereld weer zien waaruit ik ontglipt ben: de warme voorkamer, de dampende kopjes, de omtrekken van papa en mama, oma, lachende ooms en tantes.

Ik loop verder. Een paar slaapkamertjes, meer hokjes eigenlijk, schamel ingericht met ondefinieerbare rommeltjes. Het heerlijkst is om een kastje te openen: een zoetige, muffe geur van hout stijgt op in mijn hoofd. Soms ligt er een potlood in, of een blaadje van een langvervlogen kalender.
Er is zelfs nog een trap.
Boven alweer zo'n niemandsland. Met mijn broer klim ik in een hoog donker hok, boven een kast, beklommen via allerlei dingen die niet mogen. Hier zou je jarenlang kunnen wonen.

In de bovenachterkamer alwéér een keuken, maar heel anders dan bij ons thuis. De kastjes zijn leeg, de kraan doet het niet. Maar bovenop de kastjes staat een lange rij strenge gipsen gereformeerde mannen in reliëf. Die heeft opa gemaakt, weet ik later. Tegen die tijd kan ik, bovenop de kastjes hurkend, ook hun al even strenge namen lezen: Colijn, Kuyper, Bavinck, De Savornin Lohman... "Wat doe je daar? Kom daar'es af! O wee als je ergens aan zit!" Een bekende stem. Mama. Betrapt. Hoe kon ze mij zó ver volgen?

Mijn tweede herinnering aan Opa ontluistert hem.
Wat doen ze raar met hem!
Hij ligt altijd in bed, daar in die duistere achterkamer. Maar wat ik nu zie!
Opa hangt als een jonas in vier armen en wordt zo, languit, door de gang vervoerd. Mijn moeder heeft hem beet bij z'n arm linksvoor, mijn vader bij z'n been rechtsachter, een oom en tante trekken hem aan de andere ledematen voort. Opa steunt zachtjes, maar laat zich gedwee slepen. Loodzwaar hangt hij tussen hemel en aarde. In de bocht en bij de wc-deur klinken aanwijzingen. Met enig gestommel en geschuif komt het merkwaardige transport in min of meer goede stand op de closetpot terecht.
Even later verdwijnt het vreemde vervoer weer in de donkere achterkamer.

F. Scott Hess: The sleep of trees; 2000

Maar waar ik eigenlijk van wakker schrik, hier in de caravan, is mijn derde en laatste herinnering aan Opa: zoals ik hem van mens tot mens gesproken heb.
Een stille ontroering zo, hier in bed.
Het moet nu bijna middernacht zijn. Marieke lijkt naast mij al te slapen. De bomen ruisen, hun geluid glijdt donker door het bos.
Ik zit als vierjarige in die donkere achterkamer, aan de rand van het bed van mijn aartsvader. Ik zie hem maar amper, alleen zijn hoofd steekt boven het dik met dekens ingepakte lichaam uit. Dat heeft hij naar mij toegewend om een gesprek met mij te voeren.
Ik versta hem niet, of toch? Hij praat zachtjes, en ik ook. De tijd verglijdt, een heel gesprek. Zo zitten we daar, met ons tweeën.
Jarenlang heb ik niet geweten wat hij mij toen zei. Ik zag in mijn herinnering zijn mond bewegen, maar de woorden wist ik niet meer. Alleen mijn warme, prettige gevoel was dichtbij gebleven. En ineens, hier in bed, hoor ik ons gesprek opnieuw. Hij vertelt mij alles over het leven, zijn leven, mijn leven, wat ik moet doen. Hij weet dat ik in een heel andere wereld zal opgroeien. Zijn wereld is ook zo oud en ruikt zo vreemd. Maar hij vertelt mij dat ik een goed mens ben, en als ik de dingen in andere lijnen zal doen dan hij, dat vindt hij juist goed. Dat heeft hij zelf ook gedaan: heeft hij niet de oud-gereformeerde kerk van zijn ouders verruild voor de gereformeerde en is hij zelfs die niet in vele opzichten voorbijgestreefd?
Hij geloofde in de evolutieleer, en in de utopisch-socialistische heilstaat van de Bellamy-beweging, was, voordat mijn oma haar dood kwam vergoeden, getrouwd met een vrouw uit een amper nog kerkelijk nest, maakte altaarhekken, kruiswegstaties en preekstoelversieringen voor de paapse kerk.
Nee, vertelt hij mij, hoe afwijkend jouw weg ook zal zijn, ik veroordeel je niet, ik moedig je aan, ook als je lijnen doortrekt die ik nog niet heb kunnen trekken.

Zo praten we daar in de stilte, als twee vrienden, ons eerste en laatste privégesprek, in het halfduister.
Zijn woorden klinken alsof hij mij zegent, en zegt: het is goed zoals jij bent, ik heb je aanvaard, ga maar en leef. Ik, die aan het doodgaan ben, heb het je allemaal gezegd, aan jou die nog helemaal aan het begin staat van zo'n zelfde lange weg. Maar opa wordt moe, ga nu maar terug naar moeder en Oma.
Ik weet nog dat ik als een ander mens de kamer verliet. Jaren gingen voorbij en ik vergat al zijn woorden. En nu... ik ben diep ontroerd.
Marieke slaapt. Of niet?
Ik vertel haar het hele verhaal en nog meer. Ik kan niet meer stoppen met praten. Een spraakwaterval stuwt alles naar buiten.

Korte tijd later was Opa er niet meer.
Er moet een begrafenis plaatsgevonden hebben.
'Daar was jij niet bij', zegt mijn moeder. En toch zie ik het altijd voor me. Een heel oude herinnering: ik sta in de Alexanderstraat, dichtbij Plein-1813, en zie het oude stadhuis in de Javastraat.
Een koele bries steekt op. Er is iets gaande, ik kan het niet benoemen, iets wat steeds ijler grijs en wit wordt. Komt er een stoet aan, met een lijkkist?

In het oude huis woont sindsdien nog Oma, met Oom Eep, die niet voor zichzelf kan zorgen.
Oma heeft alles gelaten zoals het was.
Weloverwogen, hoor ik later.
En zo dwaal ik als iets groter jongetje door de donkere achterkamer naar de serre. Hoe ouder ik word, hoe meer ik in het halfdonker kan onderscheiden: zonder ordening zijn daar Opa's schilderijen aan de muur gehangen, telkens wanneer er een af was zonder systeem aan de muur gespijkerd. Er staan mallotige exotische vazen en kommen en allerhande nutteloze maar bekoorlijke voorwerpen.

Opa Stoffels in de serre voor zijn schildersezel,  in 1958, het jaar waarin hij stierf  | op de ezel staat zijn laatste schilderij

Maar het doel van mijn reis ligt dit keer een stukje verder.
Voorbij die donkere achterkamer ligt een wonderlijk lichtbeschenen vertrek tegen de tuin gevlijd: de serre.
Hier hield Opa atelier. Hij is er niet meer en toch nog wel. Op de werktafel ligt alles zoals het was bij zijn laatste schilderij: geopende tekendozen en bakjes, vol met pennetjes, gummetjes, penselen, half-leeggeknepen tubes verf. In de laatjes hetzelfde beeld. En overal staan schilderijen op de grond, afzonderlijk of in rijtjes tegen elkaar: landschappen, gereformeerde voormannen, ooms en tantes, bijbelse taferelen, helden uit de Gouden Eeuw.
Boven de werktafel kijkt zijn eigen hoofd mij aan: het hoofd een tikje scheef en misprijzend, alsof hij wel ziet dat ik in zijn laatjes heb gesnuffeld, op zoek naar... ja, naar wat eigenlijk? Naar de bevreemdende stilte van iemand die hier woont, Opa waarschijnlijk, maar die ik al die jaren niet meer ben tegengekomen. Elk ogenblik kan hij ineens uit de tuin komen aanwandelen, zich aan de tafel zetten en, in z'n handen wrijvend, zeggen: 'Komaan, zal ik verder gaan met David en Goliath, of met de Vliet bij Voorschoten?'

Zelfportret van Hijme Stoffels uit 1935
In de herinnering van kleindochter Fie van der Laan-De Jong hing dit in de serre


In de hoek staat de ezel.
Er zit een schilderij in geklemd. Het is niet af, want het was zijn laatste werk. De kleuren en figuren zitten woordelijk in mijn hoofd geprent, besef ik nu: een vreemd groot bed met gordijnen en hierin een van de aartsvaders, Abraham of Jacob, die op z'n sterfbed zijn zoon zegent.
Plots besef ik hoe vaak mijn Opa iets uit het leven van die aartsvaders schilderde en ook steeds weer Jozef: Jozef verkocht naar Egypte, Jozef verleid door Potifars vrouw, Jozef herkend door zijn broers. Herkende hij zich in die door het lot gedreven vaderen?
Zijn eigen vader was zo iemand geweest: als varensgezel gezworven in Engelse havens; gesignaleerd op de Oostzee, in de havens van Koningsbergen en Petersburg; als beurtschipper Zuiderzeestormen trotserend tussen Urk en Enkhuizen; als binnenschipper, met zijn gezin in de roef, varend door heel Nederland. En Opa zelf dan: al heel jong uit huis, op kamers, een roepstem die hem in Amerika bracht, maar een mooie vrouw die hem weer terugriep, Hengelo, Brussel, steeds op zoek naar het beloofde land, Utrecht, Eindhoven, Den Bosch, Den Haag... steeds maar weer dat hopen op beter, dat verlangen naar verten. Boeken las hij het liefst in vreemde talen, en dan altijd beschrijvingen van verre landen en volkeren.

Marieke is naast mij weer in slaap gevallen.
Ontroerd zie ik alle beelden nog een keer passeren. Ik voel me heel dicht bij mijn Opa, dichter dan ooit, ik ruik de geur van de Copernicusstraat, ik zie hem, hij zegent mij op zijn sterfbed, ik kan alles bijna pakken, hem, Opa, zijn moeder, zijn vader, nog verder terug, hun ouders en grootouders. Ik voel hun levens, hun wonderlijke vroomheid, hun brieven over hun godservaring, puur en echt, geschreven in een weemoedige tale Kanaäns waarvan je adem stokt, geschreven in een eeuw dat God nog zo bestond. Echt, zo echt, en toch ver weg, maar heel dichtbij. Ik zit aan de rand van het bed. Opa praat zachtjes door.

Het moet nu over twaalven zijn.
Welke dag is het dan nu geworden? Even rekenen: 31 augustus.
Hoe kwam ik nou toch op dit hele verhaal en al die beelden rondom Opa? Ik pijnig mijn hersens, maar weet het niet meer.
Wanneer is Opa ook weer gestorven? In 1958. In december geloof ik, nee, vier maanden eerder. Z'n verjáárdag was in december. O ja. En ineens weet ik het weer. Hij stierf, 't was 12 uur 's middags, op, nee dat kan niet waar zijn, op 31 augustus.

Na een half uur stilte begint Marieke in haar slaap te praten. Ze is met haar gedachten nog bij alles wat ik haar verteld heb. "Hoeveel kamers telde dat huis in de Copernicusstraat eigenlijk?" hoor ik haar mompelen.
En bij mezelf denk ik: 'Vele, vele. In het huis mijns vaders zijn vele kamers'.

31 augustus 1984
voor vader