Sneek‎ > ‎

Rodenburg

Type:                          Stins

Locatie:                     Marktstraat

Oudste melding:      1398

Laatste melding:    1400

 

Beschrijving:                      

De Nauwe en Wijde Burgstraat ontlenen de namen aan het feit dat op de zuidoosthoek van deze straten ooit de stins van Rienck Bockema "Rodenburg"  heeft gestaan. De Stins was opgetrokken uit rode kloostermoppen maar over het uiterlijk zelf weten we niets met
zekerheid. Maar als we nu eens kijken naar de Gruytermastins in Sneek en de Ilostins in IJlst die tijdgenoten waren van Rodenburg, waarvan we het uiterlijk kennen door de kaarten van Geelkerken en Blaeu. Het uiterlijk van deze twee stinsen kommen sterk met elkaar overeen, we kunnen er dan ook wel vanuit gaan dat Rodenburg een vergelijkbare gebouwen moet zijn geweest. Over de bouwdatum van Rodenburg is niets bekend, wel weten we dat Rienck Bockema rond 1350 werd geboren († 18-5-1432) en dat hij in 1377 op Rodenburg verbleef. De stins moet dus voor 1377 gebouwd zijn maar of Rienck zelf ook de bouwmeester is geweest dat is niet bekend. We weten in ieder geval dat Rienck Bockema in de volgende perioden op zijn stins Rodenburg verbleef; 1377-1385, 1387-1390 en 1391-1399.  Rienck Bockema bezat veel grond ten noorden van de stad, we kunnen wel aannemen dat grote delen van het aangrenzende Sneker grondgebied ook in zijn bezit was. Het is dan ook niet vreemd dat Rienck of een van zijn voorvaders zijn heerlijke rechten op deze grond wilde bevestigen, met de bouw van een weerbaar steenhuis.  Rodenburg vinden we dan ook op een zeer belangrijk knooppunt van de jonge stad in ontwikkeling. Hier vanuit controleerde de stins de overslaghaven aan en de Potterzijlen en de belangrijkste scheepvaartroutes via de Singel en het Grootzand, maar ook de belangrijkste landweg die op de Hemdijk liep.  Rienck Bockema was altijd en belangrijke bondgenoot van de graaf van Holland Albrecht van Beieren, die door de meeste Friezen als de vijand van de Friese vrijheid werd beschouwd. Uit de grafelijke administratie blijkt dat Rienck meer was dan een tijdelijk bondgenoot voor de Hollandse graven, en dat deze relatie al op de vorige generaties terug gaat. Tijdens dit bondgenootschap bereikte Rienck zijn hoogtepunt van macht, toen hij in 1396 door Albrecht werd benoemd tot baljuw van Olde Wagenbrugghe de huidige Zuidwesthoek. De oudste aanwijzing voor een grafelijk steunpunt in Sneek kunnen we afleiden van een melding uit 1328 waarin Reynalda van Oppenhuizen wordt benoemd tot Schout buiten de poort van Sneek, hieruit blijkt dat Sneek zelf een apart grafelijk steunpunt vormde.  Uit de grafelijke administratie weten we ook dat zowel Rodenburg als de Gruytermastins dienst deden als grafelijk steunpunt. Dit is ook gelijk de oudste melding van Rodenburg, het gaat hier om een document uit 1398 waarin Simon van der Schuur de grafelijke ossenkoper tijdens zijn inkooptocht in Friesland onderdak vond in de Rodenburg te Sneek. De benoeming tot baljuw zou tenslotte leiden tot Rienck zijn ondergang en het einde van Rodenburg. Nadat Rienck en de andere Hollands gezinde edelen van Sneek in 1399 de stad moesten ontvluchten werd in 1400 Rodenburg door de burgers van Sneek met de grond gelijk gemaakt. Dit gebeurde vermoedelijk om te voorkomen dat bij terugkomst van de Bockema’s zij niet zonder meer hun heerlijkheidrecht weer konden opeisen, en Rodenburg hierbij als belangrijk (militair) uitgangspunt te gebruiken.