Gustav Fechner: 'Over het bewustzijn na de dood'

Gustav Theodor Fechner

1801-1887


Vertaling van: Das Büchlein vom Leben nach dem Tode.
Fechner: Leven na de dood

Het boekje over leven na de dood,
ingeleid door William James

Uitgeverij Abraxas Amsterdam
Reeks: Wondere feiten



In de herfst van 1867 schreef William James een brief aan zijn jeugdvriend Thomas Ward. Hij had een idee. De onzekerheid over zijn beroepskeuze maakte langzamerhand plaats voor meer vastbeslotenheid.

James wilde bestuderen of hij van de psychologie een wetenschap kon maken die losstond van de fysiologie en de wijsbegeerte.

‘Het lijkt me’, schreef James, ‘dat voor de psychologie de tijd misschien gekomen is om op eigen benen te staan als wetenschap. Er zijn al metingen gedaan op het vlak van veranderingen in het zenuwstelsel en bewustzijnsveranderingen (in de zin van waarnemingsgegevens). Wellicht dat hier binnenkort meer over bekend raakt. Ik zet mij intussen aan de bestudering van wat men al weet, en misschien dat ik op dat gebied zelf ook nog wat kan doen. Helmholtz en iemand die ze Wundt noemen, zijn in Heidelberg werkzaam op dit ge-bied. Als ik deze winter overleef, voeg ik me volgend jaar bij ze.’

Hermann Helmholtz ontwikkelde in die tijd de reactie-tijdmeting als methode om de snelheid van psychische processen te meten. Wilhelm Wundt deed met een metrisch apparaat onderzoek naar tijdsbeleving. De jonge William James was op de hoogte van hun bevindingen. De man die vooral zijn aandacht trok, als degene die de in de brief vermelde experimenten daadwerkelijk had uitgevoerd, was de Duitse natuurkundige Gustav Fechner (1801-1887). Fechner zou een invloed op James’ denken hebben die bijna niet te overschatten is.

Per toeval, als cadeau van een vriend, had James in 1861, aan het begin van zijn studietijd, Elemente der Psychophysik (1860) van Gustav Fechner in handen gekregen. In dit boek beschreef Fechner hoe we zintuiglijk in staat zijn verschillen waar te nemen tussen objecten die ons ‘groter’ of ‘kleiner’ lijken, of tussen geluiden die ‘harder’ of ‘zachter’ klinken, of waarom we geluiden en beelden ‘net wel’ of ‘net niet’ gewaarworden. Fechner wist een relatie te leggen tussen bewustzijn en de intensiteit van waarnemingsprikkels. In dat geval, redeneerde hij, moest het experimenteel mogelijk zijn om vast te stellen welke stimulusgrootte voldoende was om een respons te veroorzaken, en door dat te doen zou het mogelijk zijn om aan te geven waaruit de minima-le waarnemingsprikkel voor de verschillende zintuigen bestond. De resultaten van het experiment waren wiskundig te formuleren.

De gretige James las en herlas Fechners werk, ook tussen de regels door, getuige zijn kapotgelezen en zwaar geannoteerde exemplaar van de Elemente dat in de Houghton-bibliotheek bewaard is gebleven. Hij distilleerde uit Fechners woorden een dubbel Leitmotiv dat aan zijn denken richting zou geven. Allereerst openden Fechners bevindingen de deur voor de mogelijkheid van een wetenschappelijk kwantitatieve psychologie. Ten tweede, zo realiseerde James zich, zat er een dubbele bodem in Fechners werk. De Elemente ging niet alleen maar over experimentele psychologie. Bij nadere bestudering bleek dat Fechner in dit boek ook een lans brak voor een even revolutionaire als visionaire metafysica. Als de relatie tussen de spirituele wereld en de wereld van natuurkundige verschijnselen in wiskundige termen te beschrijven valt, betoogde Fechner, dan betekent dit dat er tussen die twee werelden een rechtstreeks verband bestaat, waarbij het primaat aan de zijde van de spirituele wereld ligt. Dit was iets om over na te denken. 

Hier was een man aan het woord – nota bene een alom gerespecteerde wis- en natuurkundige – die bepleitte dat, ondanks het enorme verklarende vermogen van de natuurwetenschappen, aan iedere verklaring bewust-zijnsverschijnselen ten grondslag liggen die zelf nooit verklaard te kunnen worden.

Het belangrijkste idee dat James aan Fechner zou ontlenen, de toekomstige spil van zijn denken, was dat er in feite maar twee dingen echt bestaan: de natuur (opgevat als ‘alles wat meetbaar is’) en de ethiek (opgevat als ‘alles wat niet meetbaar is’) – een idee dat briljant van eenvoud is, maar ongemeen moeilijk te bewijzen, want hoe verhouden natuur en ethiek zich ten opzichte van elkaar? Misschien, zo redeneerde James, zou de psychofysica, de nieuwe wetenschap die een brug sloeg tussen het rijk der natuur en het rijk van de geest, wel eens het antwoord op zijn gebeden kunnen zijn. In ieder geval kon men op deze psychofysische leest een nieuwe wetenschap funderen, een ‘nieuwe psychologie’, zoals James het noemde, die meetbare verschijnselen als studievoorwerp had. Bovendien zouden wetenschappers, meer in het bijzonder psychologen, recht kunnen doen aan de ethiek en de realiteit van de individuele belevingswereld, ook al viel die laatste categorie buiten het bereik van het meetbare. Speculatie en reflectie, observatie en experiment zouden broederlijk verenigd de methodes kunnen zijn waarmee wetenschappers bewustzijnsverschijnselen konden benaderen en bestuderen.

Gustav Fechner was de auteur van natuurkundige werken en van boeken als Zend-Avesta; oder, Über die Dinge des Himmels und des Jenseits vom Standpunkt der Naturbetrachtung en Das Büchlein vom Leben nach dem Tode. – James zou één van de weinige Engelstalige auteurs zijn die regelmatig over Fechner publiceerden.      

Uit:

Rein Gerritsen, James, Lemniscaat (reeks Kopstukken filosofie), Rotterdam 2004, pp. 32-35 (iets verkort).





Ċ
Uitgeverij Abraxas,
29 jan. 2013 13:22
Ċ
Uitgeverij Abraxas,
13 jan. 2013 12:54
Comments