Geschiedenis

Oudste vermeldingen

De oudste vermeldingen van Sint-Lievens-Esse:
  • 657 (Livinus; al legt de aangedikte legende natuurlijk een twijfel over de historische correctheid van die situering)
  • 1040 ("Esca", in een zegelbrief van giften aan de Gentse Sint-Pietersabdij)
  • 1218 (Escha)
  • Latijse oorkonden: Esca
  • Vlaamse oorkonden: Essche

Etymologie: oorsprong benaming "Sint-Lievens-Esse"

We kunnen geen zekerheid hebben over de oorsprong, maar er zijn een paar al dan niet voor de hand liggende mogelijkheden voor de oorsprong van "Esse". Telkens gecombineerd met de prefix "Sint-Lievens-", die wellicht werd aangevuld rond de tijd dat de Livinuslegende werd uitgebouwd:
  • het Middelnederlandse "Esch", wat betekende gemeenschappelijke grond aan het water (bron: pastoor Borgenon uit Essenbeek, geciteerd in Gedenkschriften Nr. 2 ,jaar 1925, op blz. 9 en 10  door M.-J. Vanden Weghe) 
  • het Latijse "Esca" (wat in het Nederlands vertaald kan worden als voeding, spijs, etenswaren, vlees, aas).
  • het Latijnse "Esse" (wat vertaald kan worden als: het bestaan, het zijn)
  • verbasteringen van As, Asch, Yssche, Is, wat vertaald zou kunnen worden als waterloop (bron: W.H Claeys, over de riviernamen in oud Taxandria, 1933, nr.3 p 127)
  • de boomsoort es 
Nogal wat andere plaatsen delen al dan niet een deel van die oorsprong.
  • "Sint-Lievens-" is ook de prefix voor Sint-Lievens-Houtem (met een voor de hand liggende link naar dezelfde Livinuslegende).
  • "Esse" (of verbasteringen daarvan) schijnt ook aan de oorsprong van de naam van plaatsen als Essenbeek, Esch (Nederland), Esch-sur-Sure, Esch (Duitsland) of Esch-sur-Alzette (Luxemburg) te liggen

Evolutie bevolking

Het aantal inwoners van Sint-Lievens-Esse evolueerde parallel met de bevolkingsaangroei elders in Vlaanderen:

 periodeinwoners
 1570 1100
 1646-1655 1165
 1736-1745 1385
 1800 1817
 18942527
 2007 2067

De bevolkingsdichtheid van Sint-Lievens-Esse is dus beduidend gedaald gedurende de laatste honderd jaar. Wat helaas niet betekent dat er meer open ruimte is gekomen: in het verleden had het gemiddeld gezin meer kinderen, en vaak inwonende ouders.

In een heel ver verleden

In een ver verleden was Vlaanderen bevolkt door Kelten. Zij werden door de Germanen verdreven (zowel naar het westen als naar het zuiden). In de eerste eeuw voor Christus woonden in Vlaanderen vooral Eburonen (met Ambiorix), Menapiërs, Morinen en Atrebaten. Zij zijn de stammen die weerstand boden aan de Romeinen, en van wie Caesar aangaf dat ze zeer woest en barbaars waren, en nooit de strijd wouden staken (ref. Bello Gallico). Later werd die uitspraak opgesmukt tot "de dappersten der Galliërs".
Het waren de Romeinen die hier de eerste wegen aanlegden. In Sint-Lievens-Esse ligt de N42 vandaag wellicht nog op het trace van de heerweg "van Geerdtsberghe naar Ghent". Pas in 1773 ontving de schepenbank van Steenhuize het bevelschrift van de Raad-fiscaal en de Grote Raad van Mechelen om de heirbaan van Geraardsbergen naar Gent op het grondgebied van Steenhuize te kasseien. 
Van de zesde tot de negende eeuw behoorde vlaanderen tot het Frankenrijk van de Merovingische en Karolingische vorsten. Het werd gekerstend door de prediking van o.a. de Heilige Amandus (594-679), Eligius (590-660), Livinus (580-657; zie ook verder) en Willivrordus (658-739).
Met die evangelisatie werden er parochies opgericht. In die tijd waren geestelijke en wereldlijke macht nauwelijks gescheiden: de heer benoemde de bedienaars en beinvloedde het geestelijke beheer. Daardoor ontstonden vele wantoestanden. Zo had de heer recht op het beste stuk van de nalatenschap van al die in de heerlijkheid overleed, en had de heer ook recht op de "eerste nacht" (het bed delen met de vrouw van iedereen die op zijn domein trouwde).    

In 1479-1480 waren de gronden in Sint-Lievens-Esse belast met hoge Heerlijke Lasten. Het heerlijk vermogen werd in leen gehouden door de heer van Boelare. Als de heer ten strijde trok, moesten er vanuit Sint-Lievens-Esse een ruiter met twee voetknechten en drie paarden afgevaardigd worden.
Buiten de dorpsheerlijkheid waren er drie andere heerlijke bezittingen: ter Erpen, Schoonenberge en ter Varent.

De voornaamste teelten in die tijd waren rogge, masteluin, koolzaad en gerst. De landbouwers verkochten hun vruchten op de omliggende markten (Zottegem, Herzele, Aalst en Geraardsbergen). Het koolzaad werd ter plaatse verkocht aan de eigenaars van de oliemolen en de zeepziederij. Een gedeelte van het koolzaad en de granen werd verkocht aan kooplieden, die het deden leveren aan de boord van de Dender om van daaruit te verschepen. Er waren in die periode ook 60 weefgetouwen in Sint-Lievens-Esse.

In 1830 waren er in Sint-Lievens-Esse nog:
  • een brouwerij
  • een stokerij
  • een houtzagerij
  • een olieslagerij
  • een grote smidse
  • drie windmolens  

Veldslag op 19 april 1452

Op die dag rukten de bevelhebbers van Schoonbrouck en van Strimeersch, aan het hoofd van Gentse wapenlieden, op in het land van Aalst. Zij ontmoetten op het grondgebied van Sint-Lievens-Esse Henegouwse en Picardische benden, in dienst van hertog Philips De Goede. Geschiedschrijver De Meyer noemde de veldslag hardnekkig en bloedig. De troepen van Filips De Goede werden teruggeslagen, maar rukten het jaar nadien alsnog op, en lieten een spoor van vernielingen achter.

Oorlogsbelastingen

In de 17e eeuw vorderden ook in Sint-Lievens-Esse rondtrekkende en in de nabijheid gelegerde wapenbenden veel materiële en financiële steun. Ter illustratie: geschiedschrijvers legden vast dat de oorlogsbelastingen in 1694 voor Sint-Lievens-Esse opliepen tot een bedrag van 5 563 gulden. Een fortuin voor die tijd. De schade aan huizen, stallingen en vruchten - door de Fransen aangebracht - werd zelfs geschat op 171 439 gulden. 

De Burcht van Sint-Lievens-Esse

Het heerlijk kasteel van Sint-Lievens-Esse werd gedurende de oorlogen verwoest.
EH F.F. Van Herzeele, pastoor van 1882 tot 1901, noteerde "op blz. 6 van de geschiedenis van Essche spreken de schrijvers van het Kasteel van Essche. Dit kasteel stond nevens den voetweg naar Schoonderhaegen, halfweg dezen weg en de kerk. Ter plaatse genaamd: Grootvijvervold of Kasteelmeerschen, sec. A Nr 328 etc.".
(bron: De Sint-Lievenskapel Sint-Lievens-Esse 1680-1906-1996 door René De Vos).
Op historische kaarten kunnen we overigens zien dat de huidige Bronstraat vroeger Kleine Burchtstraat noemde.

Tijdlijn

Om een en ander in perspectief te zien: een tijdlijn met een paar ijkpunten in de geschiedenis.

Heerlijkheden onder het feodale regime

Schonenberg

Schoonenberge was in het feodale regime een afzonderlijke heerlijkheid. Die heerlijkheid hing af van het leenhof van Boelare, en behoorde lange tijd aan de heren van Essche.

Ter Varent

Ook Ter Varent was een afzonderlijke heerlijkheid. Ook Ter Varent had zijn eigen baljuw, die er het grondrecht uitoefende.

Hof ter Erpen

Het Hof Ter Erpen was van 927 tot 1797 onder de staf van de abt van de Sint-Pietersabdij te Gent. Het had een eigen vierschaar met een eigen baljuw en een cijnshof, zich uitstrekkende op enkele dorpen in de omgeving (onder andere op Herzele).   

Ferraris-kaart van Sint-Lievens-Esse

Op de historische Ferraris-kaarten (opgemaakt 1771-1778) blijken vrijwel alle straten van vandaag al opgetekend. In vele gevallen met dezelfde naam. Ook de bebouwing werd voor rurale gebieden als Sint-Lievens-Esse heel gedetailleerd weergegeven. Die bebouwing was in die tijd (Ancien Regime) beduidend minder dan vandaag:

Wapenschild

Sint-Lievens-Esse heeft ook een eigen wapenschild. Dit werd aangevraagd door de toenmalige gemeenteraad op 4 augustus 1818 en bevestigd op 2 augustus 1843:
Bron: heraldy of the world

Pastoor van Volxem

Frans-Jozef Van Volxem werd geboren in Brussel in 1744. In 1778 werd hij aangesteld als pastoor in Sint-Lievens-Esse. Hij weigerde de republikeinse eed te zweren en werd bij decreet van 2 februari 1798 naar Guyana verbannen. Hij werd door de gendarmen in hechtenis genomen, en het volk wilde hem uit de handen der rechtsdienare verlossen. Maar jij sprak zijn parochianen toe en kalmeerde de gemoederen. Hij werd via Gent (tot 5 april 1798), Rijssel (8 april 1798) en Rochefort vervoerd. Nadien werd hij verscheept naar Cayenne, waar hij op 18 november door ontbering overleed. 
Onder het ancien regime werd de katholieke basischool (in de Kauwstraat) - zoals alle kerkelijke bezittingen - verbeurd verklaard en verkocht. Vrijwel alle inwoners van Sint-Lievens-Esse weigerden mee te werken aan dit initiatief, maar uiteindelijk kwamen de gebouwen vanaf toen voor een symbolisch bedrag in prive-bezit.

Wijnhuize

Wijnhuize is heden ten dage een wijk van Sint-Lievens-Esse. Maar in een ver verleden was Wijnhuize een onafhankelijke meierij (dorp van het Land van Zottegem), veel groter dan die huidige wijk. Het grondgebied van de oude meyerije Wijnhuize omvatte grote delen van het huidige Sint-Lievens-Esse, Steenhuize (-Wijnhuize; wellicht ook al daardoor) en Erwetegem.

In 1405 behoorde het goed te Leene (13 bunder en 88 roeden groot), gelegen te Wijnhuze, toe aan Hendrik van Danckaertseeke. Hij verhuurde het goed aan Gillis van Tortelboom.
In een schepen-keure van de XIVe eeuw in het archief van Gent wordt de schepenbank van Wijnhuize vernoemd. Ook in dat archief: de rekeningen van het Kerkbestuur en Armenbestuur van Wijnhuize van 1586 tot 1795. Met vermelding van de namen van Kerkmeesters, Armmeesters, Pastoors, Schepenen, Baliuws en Burgemeesters.
Uit die rekeningen blijkt dat het oude Wijnhuize ook in 1795 nog welvarender dan de omliggende gemeenten was. Rond die tijd stonden Sint-Lievens-Esse, Steenhuize en Erwetegem onder de abdij van Ninove (onder het gezag van de dekenij van Oordegem, op zich deel uitmakend van het bisdom Mechelen). De kerken van Sint-Lievens-Esse, Steenhuize en Erwetegem werden alle rond deze tijd gemoderniseerd. Met medewerking van de toenmalige rijkste boeren van WIjnhuize. Dit wordt geillustreerd door:
  • de zerksteen van Lieven De Vriese, die in de gevel van de kerk van Sint-Lievens-Esse werd ingemetseld
  • de zerksteen van F. De Smet, die aan de eerste pilaar van de kerk van Steenhuize hangt
In het Ancien Régime werd kerkelijk Wijnhuize nog verder opgedeeld in twee delen. Groot Wijnhuize hoorde kerkelijk bij de parochie Sint-Lievens-Esse en Klein Wijnhuize hoorde kerkelijk bij de parochie Steenhuize. 
De wereldlijke teloorgang van de oude mejerij werd ingeluid door de inval van de Franse sans-culotten. Omstreeks 1796 werd Wijnhuize (dat eerder tot het Land van Zottegem behoorde) bij Steenhuize gevoegd. De inwoners van Klein Wijnhuize behoorden vanaf dan zowel burgerlijk als rechterlijk bij Steenhuize. De inwoners van Groot Wijnhuize behoorden burgerlijk tot Steenhuize, maar bleven geestelijk afhangen van de parochie Sint-Lievens-Esse.
De Fransen sloegen kerkelijke eigendommen aan en verdeelden - wellicht omdat Wijnhuize meer verzet bood dan de omiggende gemeenten - grote delen van het grondgebied van Wijnhuize aan Steenhuize, Sint-Lievens-Esse en Erwetegem. De kerkelijke goederen werden te koop aangeboden, maar de kerkelijke overheden verboden het verwerven van dit "zwart goed". De kerkelijke goederen werden dan - met goedkeuring van de Franse bezetters - overgenomen door het Armenbestuur. Op die manier kon Herzele alle vroegere kerkelijke goederen van Sint-Lievens-Esse, Steenhuize en Wijnhuize verwerven. Na het verdrijven van de Fransen werden de goederen van Sint-Lievens-Esse en Steenhuize teruggeschonken. Maar omdat Wijnhuize geen gemeentestatuut had bleef de oude mejerij berooid achter.
Op 31 december 1823 werd "Groot WIjnhuize" (ca. 95 ha met 207 inwoners in 1818) afgesplitst van Steenhuize en ingelijfd bij Sint-Lievens-Esse (in ruil voor "een stuk land met 6 gebouwen"). De gemeentenaam Steenhuize-Wijnhuize werd voor het eerst gebruikt in 1828. Wellicht veranderde op dat moment wel de wereldlijke hierarchie (naar Sint-Lievens-Esse), maar bleef de kerkelijke afhankelijkheid (van Steenhuize-Wijnhuize) bewaard.
Deze geschiedenis verklaart wellicht de rivaliteit tussen de wijk Wijnhuize (met nog steeds een eigen school en kerk) en Sint-Lievens-Esse, die ook vandaag nog enisgzins bestaat.Ook de gevleugelde woorden "Sint-Lievens-Esse, waar de kapel groter is dan de kerk" vindt wellicht hier zijn oorsprong.

In 1930 werd zowel een vrije lagere basisschool als een klooster in gebruik genomen. De school is inmiddels geintegreerd in de vrije basisschool Hillegem-Borsbeke-WIjnhuize. Het klooster werd bevolkt door zusters van de orde Vincentius a Paulo (met hoofdklooster in Beveren-Waas). De zusters waren ook actief in de basisischool. Het klooster (in de Erwetegemstraat, vlak naast de kerk) werd gesloten in 1980 (TBC). Op een gegeven moment was er zelfs een eigen pastorie in aanbouw (langs de andere kant van de weg, vlakbij de kerk), maar dat project werd afgeblazen toen de ruwbouw afgewerkt was.  

Op het kruispunt van de Armstraat en de Pijpketel stond indertijd een houten kerkje (op "Kapellenveld"). Na de tweede wereldoorlog werd een voorlopige kerk in gebruik genomen, naast de lagere school van Wijnhuize op de plaats waar nu het wijkzaaltje van Wijnhuize staat. De basis voor die voorlopige kerk waren barakken die werden gerucupereerd uit de afgeboude concentratiekampen. Het torentje op het wijkzaaltje getuigt nog van dat verleden. Vlak daarnaast, op de hoek van Armstraat en Erwetegemstraat, werd later de huidige Onze-lieve-Vrouw van Fatimakerk opgetrokken. De ruwbouw werd afgerond op 20 december 1953, drie maand na de eerste steenlegging.

Kerkelijk Wijnhuize is heden ten dage een kapelanij, die afhangt van Steenhuize-Wijnhuize (ook al ligt het huidige Wijnhuize wereldlijk op het grondgebied van Sint-Lievens-Esse.Op 10 mei 1938 werd bij koninklijk besluit de kapelanij Wijnhuize opgericht. Een kapelanij kan zich - in tegenstelling tot een kerkfabriek - niet beroepen op het gemeentebestuur om de werkingskosten te dragen). De kapelanij wordt bestuurd door VZW De Wakkere Vrienden.

Nog een anekdote: het kruisbeeld boven het altaar in de Onze-Lieve-Vrouw van Fatimakerk werd gerecupereerd uit het puin van de woning van de familie De Koker in de Schipstraat, dat aan het eind van de tweede wereldoorlog vrijwel geheel vernietigd werd tijdens de slag bij het Schipken (zie hieronder). Enkel het kruisbeeld bleef ongeschonden.

De slag bij het Schipken

Het had voor Sint-Lievens-Esse de dag van de bevrijding moeten worden. Op 3 september 1944, tegen het eind van de tweede wereldoorlog, vond er een heuse veldslag plaats in de omgeving van het kruispunt Gentweg-Schipstraat. Een colonne van de oprukkende Engelsen kwam vanuit Oudenaarde via Zottegem langs Gentweg en Schipstraat, en had halt gehouden voor hun afternoon tea. De terugtrekkende Duitsers waren vanuit Zottegem, na een ware voldslag aan kruispunt de Luchtbal, via Erwetegem, de Assestraat en de Gentweg op weg naar Gent.
De bewoners maakten aanvankelijk geen onderscheid tussen beide kampen, en zo werden ook de eerste voertuigen van de Duitse colonne met bloemen overladen. Op die manier kon de kop van die colonne vrij diep doordringen eer er alarm geslagen werd.  
Bij de slag die daarop volgde vielen doden en gewonden, ook bij de burgerbevolking (Alfons Hendrickx liet het leven.
Een Duitse vrachtwagen - beladen met munitie - ramde het een huis van de familie De Koker in de Schipstraat. Het huis werd totaal verdield, met uitzondering van een groot kruisbeeld, dat later voor de kerk van Wijnhuize werd gerecupereerd. Ook het huis van de family Tuypens brandde volledig af.

Buffalo

Toen rond 1907 het Amerikaanse circus ‘'Buffalo Bill'' zijn tenten op het dorpsplein had opgeslagen vroegen de brouwersgasten aan toenmalige brouwer Arthur Van Den Bossche of zij tijdens het koken van het bier naar de middagvertoning mochten gaan van het circus.
De brouwersknechten betaalden een jongen om tijdens de voorstelling op het vuur onder de brouwketel te letten. Die had goed gestookt doch weinig geroerd zodat het bier licht verbrand was en er een ander bier was ontstaan. Eigenlijk de schuld van het circus. Men liet het bier gisten en na afloop had men een bier dat zwaarder was en een niet onaangename licht verbrande smaak had. Het bier werd verkocht onder de naam ‘'Buffalo'' en wordt heden ten dage no steeds gebrouwen door brouwerij Van Den Bossche, met speciale mouten om dezelfde smaak te bekomen.

Livinus, leven en legende

Livinus was een Ierse missionaris die werkte in onze gebieden. Hij was bisschop van Gent, en stierf de marteldood. Hij zou op 12 november 657 eerst de tong uitgerukt en vervolgens onthoofd zijn in Sint-Lievens-Esse. Volgens de legende plantte hij toen zijn wandelstok in de grond, waardoor de Livinusbron zou zijn ontstaan. Nog steeds volgens de Livinuslegende wandelde Livinus daarop met het hoofd onder de arm naar Sint-Lievens-Houtem, waar hij overleed.
Deze legende - wellicht aangemoedigd door de abdijen die inkomsten verwierven uit de verering - lag aan de basis van een bedevaart van Gent naar Houtem, die na 1040 ontstond. Die bedevaart duurde twee dagen en was berucht vanwege baldadigheden en vandalisme. In 1540 werd de processie door Keizer Karel V voor altijd verboden.
 
In nagedachtenis van Livinus worden in Sint-Lievens-Esse (en Sint-Lievens-Houtem) de Livinusfeesten georganiseerd. De eerste editie vond plaats in 1857 (bij de herdenking van de 1200ste verjaardag van zijn overlijden). Sindsdien worden de Livinusfeesten om de 50 jaar georganiseerd. De traditie wil dat Sint-Lievens-Esse en Sint-Lievens-Houtem gezamelijk organiseren, en dan in de loop van de organisatie min of meer in onmin geraken.

De Livinuskapel op het Zonneveld werd gebouwd ter gelegenheid van de herdenking in 1907. De kiosk op het Sint-Lievensplein werd gebouwd ter gelegenheid van de herdenking in 1957.
De meest recente editie van die feesten was in 2007, en had als centraal thema "de eeuwige marteling". Bij die gelegenheid werd de Livinusbron mooi gerestaureerd, en werd de speelplaats van de vroegere vrije basisschool heraangelegd als meditatietuin.


Comments