Poëzie




Huiselijk geluk


Een vaas ruggengraten

Broodkruimels verraden broodmessen

Het loeit om het huis van taststormen

en gestolen vingers tellen de tijd

Stofmijten bouwen nesten in de verwarming

Een tafel waar ik nooit eet

Een bank vol voedselvlekken


Draag me naar de dag

en offer me op treden

Waar het hoofd kan wegrollen

Want ik ben moe

Heel even wil ik hier mijn

Heel even

Geef de beul een pepermuntje

Voordat laatste adem

Dan leg ik hier

Heel even

Want ik ben moe

Vertel nog eens van guillotines

en vierendelen

Voor het slapen gaan


En als er morgen een nieuw hoofd aan groeit

Laat ons dan weer verder gaan

In dit huiselijk geluk

tergende stiltes opdienen

In dieper ogende borden

met zilveren lepels








Rariteitenkabinet


Hoe hij ledematen en huiden

liever op bindt

of afstroopt

Dan te strelen

Zieltjes op sterk water zet

Er parfum van denkt

Ruggengraten in het gelid legt

veren plakt aan vreemde vogels

met glazen ogen

Of een meisje dood zwijgt


Het sadisme van de ultieme observator

Alles stil zetten

alsof het te vangen is

als men schubben en veren telt

vacht vult met klei

vlinders vast pint aan maagwanden

Of een meisje dood zwijgt


Een observator is pervers

Hij laat de dingen liever rotten dan te proeven

Legt liever verklaringen

In lege magen

die als maden en bloedzuigers groeien

Hij is chirurg en chirurgijn

Aderlaat de wijzers

en poriën

Plukt dons uit dekbedden

om de zachtheid te bevragen

Maar slaapt nimmer


Op een ochtend betrap ik hem

met één oor aan een nautilus schelp

Alsof er nog iets weeks in hem rest

met die dove blik

Als motten tegen een lantaarn

bevraagt hij haar licht


Zwijgt hij een meisje dood



vloek


mijn moeder
draagt vandaag weer eens een vloek
naar de eettafel 

stomend nog weet ik
warm zegt ze zelf

ik ben zes

en twijfel tussen gordeldier

of pijlstaartrog

met bestek en bord in de aanslag 

als verweer
speel ik met snijden
ik groei al krom

om zere benen onder tafel te mijden
leg ik mijn wortels af

mijn moeder draagt weer eens een vloek
naar de eettafel

bloemkool en kaas

zegt ze 
stomend
terwijl ik de smaak van gif
voorzichtig wegmoffel

met appelmoes


en 's avonds voor het slapen gaan

voert ze me pluche
als boetedoening 



Stel dat

laten we zout op slakken leggen
kijken hoe ze verschrompelen 
tot lege huizen
daar gaan samenwonen
laten we elkaars nagels knippen
benen scheren
als voodoo rituelen
elkaar betoveren
tot stel
dat

dan
vergroeien als zwammen op bomen
vergeten hoe je moest vrijen
en zwijgen in restaurants

maar op het eind
elkaar weer vinden
op een perron
vragen waar je heen gaat
en ontdekken dat je met me mee gaat
met me mee ging 
al die tijd



Nachtmerrie


soms 
lekt er opeens


als uit een hoge hoed


een bange haas


ik geef steeds meer toe
 dat ik dat ben


mijn oren groeien met de dag


(zouden ze doorgroeien na de dood?)

kende ik maar een Alice met horloges


zodat we samen uit voegen konden barsten


en ze mij het getik van wijzers kon leren negeren


of desnoods een Dorothy


met net zulke bange vrienden

en een gele weg


die alles simpel maakte als een Ikea pad


 

bij vlagen en dagen


wilde ik dat de hoed geen publiek
 vroeg


hoe veilig de koplampen
 op het podium



maar ze smelten mijn wassen neus


ik zeg het je nog zo 
ik smelt tot

Pinokkio zich slap lacht


en vanaf het podium


zie ik legers hippe azen met baarden


schoppen vrouwen met knotten


groepjes lachende jokers


en krimpt mijn papieren trommelvel


krimpen mijn klavers tot drie


breken mijn ruiten in twee


geef ik mijn papier nog steeds gewonnen


aan elk kaartspel


geen tovenaar van Oz


geen climax en luchtballon


gewoon het podium af moeten
 

omdat je tijd op is


terwijl het donker vol tanden wacht


met rode schoentjes van lood


ik heb ze zelf in mijn hoofd gelaten


onder mijn hoed





Echo’s rouwzang 

(opdrachtgedicht voor herdenking C.O.Jellema)


Het was een kaalslag, ik overzag het niet

ik was de echo van  kirrende opgedirkte

ijdele Narcissus, telkens als ik hem herhaalde

wenste ik verse woorden in jouw mond, op tong,

kroop er een krimp van mijn brein naar mijn

labia; het was mijn woord dat jouw spiegel werd,

een blinde spiegel, want wie verliefd

is echoot van eigenwaan of zelfkastijding

schamper eigenheid die zich aan hem onttrekt.

Maar wat een nimf, ik had het moeten weten,

zegt is slechts opgelegde schim van taal.


Dat jouw verdriet toen als een narcis oprees

hoog boven mijn kleinzieligheden uit,

een bleke bloei, tijds uitroepteken, was

-men zegt het en het zij zo- troostgeschenk

van rouw aan allen die, zo trouw als ik

aan de belofte van herhaling hechten;

zo is een nimf, schermend met wedergeboorte.


Maar sinds ik oploste in zachte klank als boemerang,

mijn roep nog in jouw oor, stilte als respons

die mij, voor kort nog lijkt het, eigenzinnig leek,

hoeveel nabijer ben je nu dan toen

alsof ik je pluk, los van spiegeling

voorzichtig doop ik je in glazen visioen

en hoeveel meer eigenlijk, nu je stervend

nu je verwelkt, je steel spillebeen wordt

snap je mijn ruis, jij metamorfose

van verlies, bedorven, word je zoet.


Jacht

 

indiaantje spelen

we bouwden wigwam

onze botten braken we als talisman

we vermaalden onze tanden tot poedertjes

en liefdeselixers

voor cowboy boyfriends

 

hijgend hert

viel voor blozende bizon

zonder botten boog het beter

tandeloos beten we zachter

een splinter in het oog

liet ons koket knipogen

alsof we guitig waren

 

onze vijanden scalperen

leek logisch

bloot leggen waar het denkt

leek ons goed voor het hart

 

tot we bij gewonde knie uitstierven

we vervolgens cupido

en cherubijnen moesten bedenken

met roze zachter vlees

als vliegende varkentjes

 

maar gevaarlijk grillig

met dezelfde pijlen

in de aanslag

 









Het Offer

(geschreven voor het Prins Claus conservatorium, bij Sacre du Printemps en het ballet van Nijinsky)


offer offer offer

schaap

geboren uit een kudde cirkels

en een zwerm vrouwen

scheer met je stiletto schrik

de wangen van bebaarde mannen en berenvellen

laat klompen groeien uit verse lenteknoppen

zodat ze iets hebben om mee te stampen

op de dampende glazen toendra vloer


offer offer offer

schaap

leer de lente van sterven

alsof je herfst bent

leg je hoofd en je rug waterpas

en vergeet het zwanenmeer

leg de verwaande veren af

wordt schapenvacht

leg groeischeuten

in je laatste stuiptrekkingen

alsof je vervelt of ontpopt

en nieuws brengt


offer offer offer

schaap

niet langer loop je op tenen

tollend om je eigen as

terwijl alles om je heen ontkiemt

en door het oude te krap geworden hout breekt

keer jij de voeten naar binnen

je neus naar de grond

alsof je daar je eigen dood vond

en zie je bloed sijpelen

door het smeltwater van publiek

lok de zwaarte in de dans

open de poorten van het licht

bedwelm de oud geworden mannen met je cirkels oer

zodat ze blind blijven tasten en dansen

als je bent gegaan


offer offer offer

schraap

de laatste druppels uit je aderen

en voedt de hongerige mond van dans

sterf alsof het een eer is

stil te mogen vallen.

je bent uitverkoren


het orakelend orkest tilt je op

en laat je vergaan in een kolkende massa dissonanten

het metrum neemt je hartslag over

tellen heeft geen zin

je zal je laatste adem niet horen

als de lente komt







Travestie

 

ik takel mijn borsten niet langer tot ooghoogte

mijn billen bleken zonder bewondering

en een symfonie van stoppels

bouwt alvast een vacht voor in het koude bed

 

hysterie

rent op kromme tenen

en kalknagels

door je laatste huidschilfers en haren op de vloer

de stofzuiger leeft in een vacuüm

 

ik stift pruillippen als een achtjarig kind

de nageltjes spijt moeten roze

en een tiara voor de paria

die losgeslagen aan de nachten lurkt

de troostende tepels stuk bijt

wankelmoedig de dagen weigert

en van de gescalpeerde liefdes

nieuwe pruiken naait

 

geef me hakken en ik zal herrijzen

graaf de groeven uit mijn koppig

poeder de poriën tot elke aanraking is toegedekt

en hijs me in mijn mooiste zelfmedelijden

zet dan de ramen open

opdat ik verlost ben van de kou




Argus

ik gooide al vroeg met argusogen

waar anderen nog vingen

daar mijn vader mij zwaartekracht leerde

met zijn handen

die altijd zwaarder landden dan de papieren vliegtuigjes

en de vogels

en de appels 

waarvoor ik grafzerkjes maakte

want alles dat valt is dood

zelfs appels naar mijn idee

ik begroef de rot met ze mee

in onze tuin

waar vlierbessen bloedden

in vers geschreven woorden stond :

"hier ligt appel

ze viel

niet ver genoeg van de boom"

vervolgens klemden wortels haar tussen vileine vingertjes,

vroegerden

als bewijs van boven

 

en nu, twintig jaar ouder

lijken mijn vaders handen lichter geworden

noemen ze mijn kerkhof  boomgaard

ik pak zijn oud geworden rimpels

til ze tot ze zichzelf zaaien

over twintig jaar zal ik hem zoeken

bij deze stoppels van tijd

 

 

 
                                                                                                                             




Muziek

 

met tien vingers toetsen

het lijf jazzwartet

tenentango tintelend

en tussen benen bas

schaamhaar snaren

borsten resonerend

monden neuriën geheime woorden

walhalla walsen in je vacht

en tromgeroffel als je lacht

fado fluisteren in je oren

het bed draait langspeelplaten

adem als naald in groeven

en misschien bij het ontwaken

zachtjes wat koren

iets heiligs als stilte

vraagt om liedjes

ik proef de melodie

op je lippen

                - iets van vergeetmenietjes

 







Spel

 

laat ons poppenhoekje spelen

met kleine kleertjes

tere plekken bedekken

met plastic poppenkoppen denken

en blokken stapelen

tot torenhoge schuld

die om mag donderen

 

vadertje en moedertje spelen

maar met plastic borden

gooit het zachter

en we mogen niet vloeken van de juf

 

dan spelen we doktertje

en ging je niet dood

 

je ging niet dood

ik gaf je gras

en voerde je wat zand

zodat je genas

 

 

en toen speelden we

dat we oud werden

heel oud

 

zo oud dat onze knieën

wel plastic leken

en we omdonderden

als blokkentorens

 

en je ging niet dood

 



 





 

 

Dame uit de straat 




achter geraniums zag zij zon

en leefde van binnen wat mee 

met alles wat jong leek

zij leek zo vrij van tijd

zwaaiend met haar houten huid

brillenglazen glanzend geduld

staarden nooit verder dan de ruit


zij was de wereld al bijna verleerd

met haar stoel vergroeid

door licht verweerd

muizen motten medelijden

een jurk die altijd bloeide

foto’s aan de muur

klokken herinnerden 

haar uur aan uur

een orgel

een bijbel

een op goed geluk geloof


zij leek zo vol 

van alles wat er niet toe deed

dat zij waarschijnlijk op een dag

in haar verbazing overleed







Dag

 

hoe vaak hebben wij

begeerte lek geslagen

elkaar ermee gewassen

alsof het ochtend was

een maan getekend op ons vergeelde behang

en gezworen dat het nacht was

 

terwijl er geen dag voorbij ging

 

hoe vaak sponnen

we hetzelfde spinrag

in de klokken

aten we oud stof met volle monden

kleedden we elkaar met seizoenen

tot kasten uit puilden

van regen en zon

 

terwijl er geen dag voorbij ging

 

hoe vaak waanden

we ons zijderupsen

verzonnen coconnen om te blijven

met tere lijfjes vulden we bedden

witte lakens zijden vergiffenis

bij het zoveelste gemis

 

wijn aangelengd met water

honger at vlees noch vis

ruggengraten verlaten

de liefde als oud vernis

 

terwijl er een dag voorbij ging








 

 

            Sterven

nu je de dag leegt

lege ogen in een bed

ik poets je tanden troost

je bent al weg

ik zie het in je lijnen

je handen vouwen als ziekenhuisbedden

verpleegsters zijn vakkenvullers hier

een bed erbij een bed eraf

het enige dat je nog rest

is ademhalen

als een stil orkest

je ruikt naar plas en zweet

het is zoals het is

geen mooie woorden om je in te leggen

geen geduld meer om je aan te kleden

deze pyjama is je avondjurk

voor het dansen met de dood






Toen


toen wij nog vol met armen

in onze omhelzing

geen katers en kabouters in onze dromen

we de degens nog niet kruisten

enkel paden

er nog geen honger in mijn bodem huisde


toen onze huiden nog aan elkaar gestikt

een tentdoek vormde

waar de zomer woonde

het nog smeulde in mijn kut 

dat jaar eeuw

we een suikerklontjeskasteel bouwden



tijd ons tenslotte 

leerde dat zoet

de tong laat krullen tot ze niet meer strekt

enkel stilte opgerold in haar mand

krabbend aan vlooien vertrouwen

tot het vlees week wordt

en muilen gaan morsen

liefde een zieke oude hond















Vermoeid


De tijd tikt

als een blindengeleidestok door de straten

Zoals we elkaar wegen

met verroeste handen

Als we weermannen spelen

tegen elke wolk

Meet ik de groei van grassprieten elke dag

Ze overtuigen mij meer van tijd

dan kalenders

Zo weet ik dat het blad nu nog sneller valt dan in de herfst

Suïcide van sappen gaat rapper

Nu

wil ik dat er goochelaars zijn

die konijnen uit mijn ogen toveren

die slablaadjes eten

Honger zo de slakken uit

tot ze zich met magere naakte lijfjes

vrijwillig in mijn zout storten

En zeeschuim worden

Dan vouw ik de late zomerschaduwen

tot een schip

Pluk muggen om te ziften

tot ik licht en leeg ben gezogen

Mijn bloed voor mij uit fladdert

en kruipt waar het niet gaan kan

De leegte trekt mijn schaduwschip

terug naar jou

Over de kierende kleikorrels

en ijsschotsen

Terug naar jou




Delfzijl

 

handdoekje leggen

niemand zeggen

moddervoeten

zieltjes wroeten

weer dichtbij

liefde is hier vogelvrij

ik weet dat je nooit meer mijn lief zal zijn

alles aan je ebt

en toch blijf ik maar naar de kustlijn rennen

ik kan maar niet aan die droogte wennen

ik stamp in de laatste plassen liefde

zoek schelpen herinneringen

ik laat ze je zorgvuldig zien

kijk roep ik

en voel roep ik

zo was het

 

de zon zoent onze lijven zilt

naast je op de handdoek

lach en huil ik verstild

zandlopers wachten heb ik versleten

nu mag het zand op het strand

en tussen de tenen

deze liefde laat ik vrij

ik beloof je

ik zal niet langer wenen

 

 

      

Afrikaans feminisme

als zwarte oermoeders

deinden ze vlezig

door het stof

heupen als hoepels

ruggen paars geslagen

en strak getrokken als bogen

ze graasden in kuddes

als ferme feeksen

 

ze leerden denken en bijten

toen er vreemde vrouwen kwamen

die hen tongen als zwepen schonken

de tanden scherpten met troost

en zusterschap

 

als ze huilden

klonk het als een donderklap

en eindelijk

leerden dochters dansen

naar eigen pijpen

 

ze leerden het sterkste woord dat ze kenden

ze leerden nee

in het stof werd niet meer gebeten

niet langer gezien als vee



 








Jacht

 

indiaantje spelen

we bouwden wigwam

onze botten braken we als talisman

we vermaalden onze tanden tot poedertjes

en liefdeselixers

voor cowboy boyfriends

 

hijgend hert

viel voor blozende bizon

zonder botten boog het beter

tandeloos beten we zachter

een splinter in het oog

liet ons koket knipogen

alsof we guitig waren

 

onze vijanden scalperen

leek logisch

bloot leggen waar het denkt

leek ons goed voor het hart

 

tot we bij gewonde knie uitstierven

we vervolgens cupido

en cherubijnen moesten bedenken

met roze zachter vlees

als vliegende varkentjes

 

maar gevaarlijk grillig

met dezelfde pijlen

in de aanslag

 

 


Door glas

 

met zwarte plafonds


en uit het lood geslagen deuren


gingen dames voor u


sommigen met gespleten voeten


anderen met geslepen tongen



er was altijd iets dat namen kerfde

in onze houdbaarheidsdatum



de zoveelste aan elkaar genaaide navelstrengen

als 
tunnelvisies tussen ons


met roltrappen 


grillig geworden schuifdeuren

te zware koffers

en haast



 

waar oedipus complexen 
streelden 


bleven ouderdomsvlekken achter



mijn hart was een koekoeksjong

tussen nachtegalen


ik bleef kolonistje spelen

in bezette nesten 


het verkeerde voer eten

tot ik kromp



en probeerde bij baarmoeders naar binnen te graven


daar ik week geworden


mij een foetus waande



en niet langer weerbaar bleek


toen 
het badwater werd weggegooid

 

in de goot groeien nu koekoeksklokjes


ze tikken als horloges


met lege maagjes



als klokken luiden 


graaien ze instinctief naar geamputeerde klepeltjes

leegte maakt de tanden van de tijd
 

vleeseters


aaseters



 

dus hoedt u


vraatzucht vreet zelfs gaten 
in het zelf



als u me plukt



er gingen dames voor u



de vazen staan nog op het aanrecht



hoedt u



ik kan inmiddels

wortelschieten 
door glas

 





    



Ogenblik

wolken waggelen

het gras grijnst gulzig

alle orde wordt onrustig

chaos gaapt

tenen tintelen zich krom

negen magen vol vlinders

herkauwers zijn wij

ik hoor de herfst op hoge hakken

je kijkt me even aan

je ogen ochtend in oktober

ik weet dat je weer zal gaan





Klokvrees

 

terwijl bladeren twijfelen of te vallen

en hoe te vallen

tijd in de kuiten wordt gebeten

en de wolven dit jaar al vroeg schaapskleren dragen

trekken de weilanden zich terug uit de steden

ik zet berenklemmen om mijn huis

maar ze hebben de wegen al gevonden

het pluche stulpt uit mijn raam

ik zou benen willen breken van mensen die willen gaan

of mij vertellen van verandering

de stelten op vazen zetten

tot ze roesten

de klokken klappertandend

in vergeten diepvriezen 

ik snap de drang tot binden

in duistere kelders

van perverse geesten

ik als bruid van dit venijn

wil ik niet langer van mijn liefde weten

nu je gaat

of dreigt te gaan

wil ik gevangen wezen

waar ik de treiterende winter niet voel spitten

in mijn bleke gevilde kippenvel


    

                  





Angsthaas en de zeven mijnen


Bega geen geëffende wegen

Waar de schapen gingen

lijkt het platgewalste gras

veilig

Maar wachten uitwerpselen

van verstomde kuddes

Ga buiten het pad zegt men

Daar langs je benen het ongemaaide

gras voelen

Lijkt heerlijk

Een paar  krekels springen op. Getuigen

van de versheid van je stappen

Maar een angsthaas

waant mijnen in de klei

waant zelfs mijnen in mij

Dus stap je tussen de lijnen

Offer je vogelvrij

Voeten in de opgeklopte leegte

van voorgangers

Niets stinkt zo erg als

vergane of herkauwde dromen

De vliegen en maden

gniffelend om je loopgraafvoeten

Maar alles liever

dan vuurwerk van een denkbeeldig

eind

Slepend met de voeten

Lispelend van liefde

en de offers die het vroeg





Filosofie

wieg de vondeling
voordat ze zinkt
in armen van zink
lepel je tepels
en bijt in koortslippen
van fantasten
die tot aan het plafond 
zijn opgestapeld
in wonderkamers
gouden bergen
zijn vulkanen
en maskers van vel
leggen vlees bloot

als katten sardonisch grijnzen
voel je plots
dat deze werkelijkheid niet past
wanneer konijnen horloges
onder je neus duwen
om je er op te wijzen
dat je groeit
besef je ergens
tussen deze stapel ledematen
en kussenslopen vol schaamhaar
dat je uit een wereld bent geknapt
en geen woord meer past
de associaties als knopen
uit knoopsgaten schieten

Tot, 
rust

je je een kleermaker waant
de ontknoping is gedicht
met rode draden
en ophitsende ritsen

je jezelf weer een waarheid waant

 






Comments