LENTEWANDELING OP DE MEINWEG.

Hoera! Eindelijk lente! Het is immers 21 maart? Of…..vergissen we ons met z’n allen? Iedereen is warm gekleed met dikke jassen, sjaals, mutsen en handschoenen. Temperatuur ca 5 graden. Omdat de zon schijnt en het windstil is beklaagt zich niemand over het weer, het kon immers slechter zijn zoals we dit voorjaar moeten ervaren.
Leo en Freek, vrijwilligers van Staatsbosbeheer, zijn onze gidsen. Ze kennen het uitgestrekte 1800 ha grote gebied als hun broekzak.
De Meinweg heeft de status Nationaal Park en is van alle Nationale Parken het meest markante, niet alleen vanwege de drie geologische breuklijnen, maar ook door zijn grensoverschrijdend karakter.
Eeuwenlang gebruikten zowel Nederlandse als Duitse inwoners van de 16 dorpen rondom het ruige land als leverancier van kreupelhout en dennenappels om hun kachels te stoken en als weideplaats voor hun kuddes paarden en schapen. Het gebied was van niemand en tevens van iedereen; het werd beschouwd als een gemeinsam of gemeenschappelijk gebruiksgebied. Zo ontstond de naam Meinweg. Pas veel later werd een officiële grens tussen beide landen vastgesteld, die echter met het statische begrip ‘grens’ een loopje neemt; de meanderende Boschbeek.
Leo en Freek nemen elk een deel van de Raspa’s onder hun hoede en beide groepen vertrekken in een andere richting. Leo test allereerst het sportieve gehalte van zijn groep door het over een modderig paardenpaadje te voeren. Hij draaft er met het grootste gemak overheen, wij moeten goed opletten waar we de voeten plaatsen om niet in de modder te blijven steken.
Het paadje volgt kilometers lang de omstreden IJzeren Rijn, de spoorbaan die het Ruhrgebied met de haven in Antwerpen moet verbinden. De Belgen zijn hier de grootste dwarsliggers want met een overeenkomst uit begin 19de eeuw in handen willen ze de verbinding alsnog gebruiksklaar maken. Dat stuit op veel weerstand en de toekomst zal uitwijzen naar welke zijde de weegschaal uitslaat. Naar de milieu- en natuurbescherming, naar een leefbare omgeving, of naar alles aan de laars lappende economische belangen. De naam IJzeren Rijn ontstond daardat men destijds deze verbinding beschouwde als variant op een waterweg als transportmiddel.
Leo neemt een smal zijpaadje en al spoedig valt op dat we links en rechts door dennenbos zijn omgeven. Alle bomen staan strak in de rij en alle stammen zijn even recht. Leo vertelt dat de Grove den ten behoeve van de mijnen massaal zijn aangeplant. Het hout heeft de eigenschap eerst flink te kraken bij te zware belasting alvorens te breken. Met een beetje geluk wisten de mijnwerkers tijdig te ontkomen aan de instorting van de gang. Eikenhout, bij voorbeeld, geeft geen enkele waarschuwing vooraf en krakt gewoon doormidden. Door sluiting van de mijnen stopte de vraag naar dennenhout en zitten Nederland, België en Duitsland opgescheept met veel eenheidsbos. De houtsoort is voor andere doeleinden niet interessant en valt bij kenners in de categorie waaibomenhout.
Staatsbosbeheer en andere natuurbeheerders hebben een meerjarenplan opgesteld om delen van de bossen te rooien en inheemse boomsoorten aan te planten, onder meer Beuken, zoals we op enkele plaatsen kunnen waarnemen.
Op een dode tak ontdekt Leo een Gele trilzwam, op de stronk van een berk meerdere Berkenzwammen en een Tonderzwam. De eerste diende in vroeger tijden als vloeiblad voor documenten die met ganzenveer en inkt (uit inktzwammen) geschreven waren, de tweede als lopend vuurtje.
Vuur maken was moeizaam en men experimenteerde met vanalles om een smeulend blokje mee te kunnen nemen naar het volgende kampement. Uiteindelijk wisten ze hoe ze te werk moesten gaan.
Ze dompelden een Tonderzwam lange tijd in merrie-urine en lieten die vervolgens goed drogen. De zacht geworden Tonderzwam werd in stukken gebroken en in het vuur gelegd waar het niet volledig verkoolde maar smeulde. De smeulende stukken werden in een speciale verpakking vervoerd, de tonder- of tondeldoos.
Leo wijst ons op de Amerikaanse vogelkers, ofwel bospest. Ooit ingevoerd om de kwaliteit van de bosbodem te verbeteren, bleek al snel een invasieve soort te zijn. Vogels zijn dol op de bessen waarin de onverteerbare zaadjes zitten en poepen die her en der uit waardoor weer nieuwe opslag ontstaat.
Over vogels kan Leo veel vertellen door zijn jarenlange ervaring als vogelaar. Natuurlijk vallen hem als eerste de vogelgeluiden op en hij attendeert ons op een Boomklever, of was het een Boomkruiper?
De eerste beklimt een boomstam van beneden naar boven en andersom, de Boomkruiper kruipt naar boven waarbij hij z’n staart als stutje gebruikt, vliegt naar beneden en begint weer van boven af aan.
Ze zijn dol op de insecten die tussen de schors leven.
Her en der verspreid liggen omgevallen bomen en afgebroken takken, waarop zich een geheel eigen habitat kan ontwikkelen. Daar waar weinig zon komt zijn ze dik begroeid met verschillende soorten mos. Het molmse hout trekt kevers en torren aan die in het zachte materiaal hun nest maken en deze op hun beurt lokken insecteneters aan.
We lopen ongeveer een uur door het nogal gesloten bos om daarna door een open heideveld de tocht voort te zetten. Al van verre zien we een brede zwarte rand langs het wandelpad en we vragen ons af of er een heidebrand heeft gewoed. Dichterbij gekomen zien we dat hier Wilde zwijnen hun eigen ideeën over terreinbeheer hebben uitgevoerd. Over een lengte en breedte van tientallen meters is de grond duchtig omgeploegd door hun lange snuit als schoffel te gebruiken, op zoek naar insecten, larven, dennenappels en eikels. Wilde zwijnen zijn omnivoren, alleseters, en lusten alles wat hen voor de snuit komt. Over luxueus baden hebben ze ook al zo hun eigen ideeën. Ze draaien, rollen, spetteren in ondiepe modderpoelen – zoelplaatsen genoemd – zodat hun vacht helemaal bedekt is met een dikke laag modder. Na opdrogen schuren ze flink tegen een ruwe boomstam waardoor de plakken modder met daarin lastige teken en parasieten eraf vallen. Niet alleen Wilde zwijnen schuren langs boomstammen, ook hertenbokken hebben die gewoonte maar om een geheel andere reden. Tijdens de groeiperiode van hun nieuwe gewei is dat bekleed met een viltige zachte laag. Zodra het gewei groter wordt laat die laag los en krijgt de hertenbok hinder van die los hangende stukken bekleding. Hij schuurt zijn gewei zó krachtig langs een jong boompje dat niet alleen de bekleding maar ook de boomschors loslaat waardoor het boompje afsterft.
Even later grijpt Leo naar zijn verrekijker. Hij heeft een Veldleeuwerik gespot die hoog in de lucht zich zingend afvraagt waar toch de vrouwtjes blijven. We genieten van zijn zang hoewel dat geen enkele vogel interesseert; de mannetjes zetten in het voorjaar uitsluitend een grote keel op om de vrouwtjes te lokken. Daarbij zingt iedere vogel zoals hij gebekt is en mogen wij, mensen, op menige zonnige voorjaarsdag genieten van concerten voor ruisend gebladerte en vogelkoorzang.
Bij de blokhut van de jagersvereniging poseert de Raspagroep gewillig voor jack, hobbyfotograaf en beheerder van de Raspa-website. Alle bijzonderheden uit het woelige regionale ambtenarenverleden van grenskantoren en belastinggebouwen staan erop vermeld, evenals de hedendaagse nieuwtjes, veelal bestaande uit verslagen van de gezellige Raspa-dagtrips en veel fotomateriaal.
Weer aangekomen op open terrein constateren we dat de Grove den tot een prachtige kan uitgroeien op voorwaarde dat hij de ruimte heeft door solitair te staan. De stammen worden door hun behoefte aan licht niet gedwongen om zo snel mogelijk zonwaarts te groeien maar krijgen de kans breed uit te waaieren, zijstammen te vormen en een zo breed mogelijke kruin te vormen.
In het Meinweglogo van Staatsbosbeheer neemt de afbeelding van een Adder een dominante plaats in. Dat is niet zomaar. De Adder is in onze contreien een bijzonderheid en op de Meinweg komt een vrij grote populatie voor. In tegenstelling tot de Gladde slang die hier eveneens voorkomt, is de beet van een Adder gevaarlijk. De dieren liggen graag verborgen onder kluiten Pijpenstrootje, vandaar dat het niet raadzaam is om de paden te verlaten. Medewerkers van de reptielenwerkgroep onder bezielende van reptielendeskundige Ton Lenders monitoren het bestand regelmatig en hebben diverse reptielenplaten geplaatst, waar onder behalve Adders ook Gladde slang, Zandhagedissen, Levendbarende hagedis en Hazelwormen graag verblijven.  
Iedere Adder heeft zijn eigen koppatroon waardoor ze als individu herkenbaar zijn. Ton Lenders heeft inmiddels alle patronen in kaart gebracht.
Gids Leo – niet te verwarren met onze RaspaLeo -  wijst op het viaduct De Boog. Daar onderdoor loopt de Hooibaan die aan de Duitse kant van de weg Leichenweg – Lijkenweg – heet. Die eigenaardige naam vraagt om een verklaring en daartoe moeten we in gedachten terug gaan naar een ver verleden. Oorspronkelijk was ook hier de Hooibaan/Leichenweg een naamloze hele oude verbindingsroute door bos en veld. In de Middeleeuwen met z’n vele epidemieën mochten de doden wegens besmettingsgevaar niet meer in de dorps- of stadskern begraven worden maar werden daartoe ver afgelegen stukken land aangewezen. De doden werden te voet in optocht vervoerd naar die begraafplaatsen en de route volgde altijd over dezelfde reeds lang bestaande bos- of veldwegen.
Het volk noemde de route al snel Leichenweg.
Of die naam associaties oproept met een koffietafel? Feit is dat iedereen plots zin krijgt in koffie met vlaai. Leo zegt dat het nog zeker een uur duurt eer we bij de startplaats terug zijn maar dat blijkt een grapje te zijn. We verwonderen ons eerst nog over de vele dennenappels onder een eik. Het blijkt een spechtensmidse te zijn. Spechten zijn slimme vogels. Ze nemen een dennenappel in de snavel, vliegen ermee naar een eik met z’n ruwe stam, klemmen de vondst in een groef en peuteren de lekkere zaadjes eruit. De lege dennenappels gooien ze op de grond eer ze aan de volgende beginnen.
Rond half vijf zijn we allemaal terug bij de auto’s. We rijden naar het helaas definitief gesloten Bezoekers Centrum Meinweg – zelfs Staatsbosbeheer wordt gedwongen om dramatisch te bezuinigen. Gelukkig is de naastgelegen Brasserie IJgenweis geopend en ingesteld op de grote groep Raspa’s en hun twee natuurgidsen. Iedereen geniet van koffie en vlaai en het smaakt uitstekend, mede omdat onze Leo de totaalrekening voorgelegd krijgt. Waarvoor namens alle aanwezigen dank!
Onze dank geldt echter op de eerste plaats voor de gidsen van Staatsbosbeheer Leo en Freek, die ons door hun grote deskundigheid en op een gezellige manier weer wat wijzer gemaakt hebben.
Niemand is ooit te oud om te leren, toch?

Marianne Vos-Jaspers 


Naar de foto's