psychofilosofie en humor
Commentaar graag naar Eric Fienieg

 Die haat in de djihád

 

Zou een devote djihadist wel over de nodige humor beschikken

als hij na zijn zelfmoord-aanslag in het Paradijs met de 72 maagden is beland?

  Klik dan hier: Achmed in het Paradijs op YouTube.

 

 

"Humor is hèt ultieme geneeskruid voor de geest"

 

Fanatisme en haat kennen geen humor en zijn als een geestesziekte te bestempelen, zo werd dat uiteengezet door Amos Oz[1] in zijn boekje van 60 pagina’s Hoe genees je een fanaticus? ‘Amos Oz is de stem der weldenkendheid die opklinkt uit de verwarring, de leugens, en het hysterische geklets die wereldwijd de ronde doen over de hedendaagse conflicten’, zo luidde een commentaar op de achterflap van zijn boekje.

 

“Gevoel voor humor, je in de ander kunnen inleven, het vermogen om het schiereilandaspect van ieder van ons te erkennen; deze dingen bieden wellicht althans gedeeltelijk bescherming tegen het fanatisme-gen[2] dat we allemaal bezitten.”, zo besluit hij zijn tweede lezing.

 

De humorthermometer

 

Een ‘gezonde temp’ op de thermometer van humor ontbreekt niet alleen bij fanatisme en haat. Die categorie is immers duidelijk anti-menselijk te noemen. Ook bij andere psychische aandoeningen (pro- of anti-menselijk) , zoals bij neuroticisme, monomanie, obsessionaliteit, rigiditeit, dogmatisme, bigotterie, dwangmatigheid, fobische klachten, hypochondrie, depressie, agressie, jalousie, achterdocht, paranoia, rouw, trauma, slachtofferschap of slachtofferpositie, zelfdefensiviteit, vijanddenken, fundamentalisme, querulantie, borderline, dodingsdrift, terrorisme, moralisme, radicalisme, extremisme, homocidale suicidaliteit, etc, staat de humortemperatuur op een laag tot zeer laag pitje, en is de ‘temp’ vaak onder nul. Dus ook gewoon bij toestanden als burn-out, frustratie, conflict, strijd, etc. hebben we vaak te maken met ‘bevroren’ mentaliteiten. Maar er moet in het bovengenoemd rijtje natuurlijk goed onderscheid gemaakt worden tussen pro-menselijke mentaliteiten en anti-menselijke mentaliteiten. Burn-out cliënten zijn uitgebrand, juist vanwege hun pro-menselijke instelling, en dat geld natuurlijk evenzeer voor rouwverwerking en bepaalde depressies.

 

Toch citeer ik nog even over die eerder genoemde categorie van religieus (of ideologisch) ‘devote’ strijders uit het boekje van Amos Oz: “Gevoel voor humor is een geweldig geneesmiddel. Ik heb nog nooit in mijn leven een fanaticus gezien met gevoel voor humor, en evenmin heb ik meegemaakt dat iemand met gevoel voor humor een fanaticus werd, behalve wanneer hij of zij dat gevoel voor humor was kwijtgeraakt. Fanatici zijn vaak sarcastisch. Sommigen van hen kunnen heel sarcastisch zijn, maar ze hebben geen gevoel voor humor. Je moet om jezelf kunnen lachen. Humor is relativisme, humor is het vermogen om jezelf te zien zoals anderen je misschien zien, humor is het vermogen om te beseffen dat los van je gelijk en los van het grote onrecht dat je is aangedaan, het leven een bepaalde kant heeft die altijd een beetje grappig is.”

Ja, ook ironie kan een gezonde vorm van humor zijn, niet afbrekend, en niet sarcastisch of kwetsend van aard. Humor is een wezenlijke factor in de zorg voor een goede balans in dit leven en in ons begrijpen van de werkelijkheid. Echte, fijnzinnige, geestige en spirituele humor (en daar hoort ook de tragische en ironische humor bij), op een basis van zelfrelativeringsvermogen, realiteitszin, kritisch onderzoek en aanvaardende liefde, die humor is een teken van spirituele en intellectuele gezondheid.

 

Humor en idolatrie

 

 

 

 

De volgende tekst vond ik vorig jaar (2006) in een handboekje over interreligieus werken: “Humor komt in de Heilige Boeken weinig voor. Waarom is dit eigenlijk zo? Is humor niet toegestaan, of verkeerd? Of heeft het te maken met eerbied voor de beschreven heilige personen?” En ik vroeg me af “Staat humor dan inderdaad op gespannen voet met religieus georganiseerde heiligheid? Is humor dan ‘uit den Boze’ ? Maar ‘religieus georganiseerde heiligheid’ is, los van officieel gevestigde godsdiensten, eigenlijk een basale neiging in het gewone sociale verkeer. En aan die basale verheerlijking wordt maar weinig aandacht besteed. Het gewone sociale verkeer vertoont verschijnselen van adoratie, van de collectieve aanbidding van idolen en iconen, beroemde persoonlijkheden of geliefde medeburgers. ‘Kom níet aan die-en-die’, want dan zakt de humortemperatuur op slag onder nul. Publieke figuren dienen vaak als een soort ‘toevoeging’ aan de eigen identiteit. Net zoals in je kindertijd: ‘Kom níet aan mijn vader of moeder’, want die zijn heilig.

 

Ernstige kwesties

 

Het genoemde interreligieuze boekje besteedde ook aandacht aan de verschijnselen zoals de religieus georganiseerde ‘schijnheiligheid’, ‘bekeringsijver’ en ‘geweld’. En zonder er te diep op in te gaan begrijpt iedere lezer wel dat deze zulke verschijnselen bepaald humorloos zijn, maar dat deze tendenties (heel basaal en horizontaal) ook buiten een religieus verband, dus tussen mensen onderling voorkomen. En dan besef je pas hoe mysterieus dat kernvermogen van gezonde humor is, vooral zodra het om zuivere, oorspronkelijke en dieptespirituele humor gaat, gepaard aan intellectuele ontwikkeling. Humor is veelal bedoeld als taboedoorbrekend, speels aan het licht brengend, lichtvoetig aan de kaak stellend, gesprek openend, communicatie vergemakkelijkend. Humor biedt iemand de mogelijkheid om iets te berde te brengen zonder daar meteen op afgeschoten te worden. Humor is dan niet als een meningvormende actie bedoeld, maar als een uitnodiging om 'de ernstige kwestie’ nou eens in een ander licht te bekijken. Bijvoorbeeld in een therapeutische setting. Humor is inderdaad een geneeskruid van de geest, en tevens een goede thermometer voor geestelijke gezondheid. Daalt de humortemperatuur tot onder nul, dan moeten we weer te rade gaan bij de oorspronkelijke Warmtebron binnen in ons. Die laat onze humortemperatuur altijd weer op een gezonde warmte terugkomen. Ware liefde en warme, speelse humor kunnen elkaars hemelse partners worden. Het onschatbare vermogen tot humor kan alleen ontwikkeld worden bij een voldoende geoefend relativeringsvermogen, een vermogen tot overzicht en een open-minded georiënteerd zijn, maar vooral bij voldoende zelfkritisch vermogen. En dan hoeft die humor nog niet eens expliciet tot uitdrukking gebracht te worden, wij kunnen ook over de oorspronkelijke, 'stille humor' beschikken, de humor die in de grond van ons eigen hart rustig blijft doorkabbelen.

 

Sprekende humor

 

Naar buiten gebrachte humor, in een opmerking, een cartoon, een stripverhaal of een persoonlijk levensverhaal kan mensen tot nadenken brengen. Het mysterie ‘mens’ leeft ‘narratief’, op basis van verhaal, met symbolen, met tekens en teksten, geschreven, gesproken, gezongen, aangeheven of op andere wijze gedramatiseerd. Fascinerend, hoe wij bezielde tekstverwerkers zijn, spirituele spijsverteerders, betoverende verhaalmakers. Wij zijn zelf geweven van verhaaldraden en we maken ons verhalend aan elkaar kenbaar, opdat de ander ons kan leren kennen en liefhebben, opdat de ander in onze tekens en teksten kan gaan geloven, en vertrouwen in ons kan stellen. Daarbij is de mens in staat tot een waarlijk fascinerende retoriek. Geen enkele andere diersoort genereert en verwerkt zoveel tekst als de menselijke soort. Geen enkele andere diersoort scant zo’n enorme overvloed aan tekstmateriaal af als de mens, marketingteksten, wegwijzers, uithangborden, propagandateksten, boekteksten, pamfletten, kranten, ondertitelingen, ideologische, religieuze, heilige teksten; de mens is waarlijk een ‘tekstgestuurd wezen’ op weg naar steeds meer werkelijkheid.

 

Het merendeel van ons emotionele en motivationele leven wordt door teksten bepaald. Geen enkele andere diersoort gebruikt teksten als virtuele gebeurtenissen en als inspirerende bronnen voor zingeving, levensoriëntatie, vereniging, samenwerking en beschavingsopbouw.

Het mysterie ‘mens’ onderscheid zich van het dier als ‘homo narraticus’, de verhalende soort die met woorden creëert, als ‘geschapen medeschepper’. En dan komt het echt neer op ‘vertrouwen’, op waar we in ‘geloven’, en vooral: wat volgens ons ‘goed werkt’. Hoe ‘rationeel’ of ‘wetenschappelijk’ we onze eigen geest ook noemen, zij blijft gebaseerd op een zeer brede geloofsbasis, op een heel fundament van vertrouwensartikelen, op een systeem dat bestaat uit een grote verscheidenheid aan (vaak onbewuste!) uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, geloofsovertuigingen, vooroordelen, dogma’s, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies, paradigmata van waaruit we persoonlijk gemotiveerd worden tot percepties, interpretaties, houdingen, gedragingen en handelingen in de concrete omgang met onze realiteit.

 

De enige uitweg is de weg naar binnen

 

En met die gelovige geest proberen wij dan onze eigen geest te bekijken en te bestuderen, vanuit allerlei standpunten. Het lijkt vaak op de gymnastische oogbewegingen waarmee we proberen ons eigen netvlies te zien. Hoe scheel we onze ogen ook trekken om te proberen ‘inwaarts’ te kijken, we krijgen het niet voor elkaar om zintuiglijk en rationeel onze blikrichting om te draaien. Hetzelfde geldt voor de geest of de ‘ziel’: wàt we ook doen, we kunnen ‘de waarnemer zelf’ binnen in ons niet zómaar waarnemen, we kunnen ons niet zómaar bewust zijn van hoe we ons bewust zijn. Nee, want voor die weg naar binnen zullen we ons zelfreflectief vermogen moeten inschakelen. En over dát kostbare en unieke vermogen beschikt alleen de menselijke soort. Je zou zelfs kunnen zeggen dat ons zelfkritische vermogen, ons vermogen tot zelf-observatie en zelfkennis nog het meest kostbare bezit is van homo sapiens sapiens!

Alle andere diersoorten noemen we vaak ‘louter instinctief’, dus compleet zelf-onbewust, niet-zelfreflectief, niet-cognitief, niet-abstraherend, niet-intellectueel, niet-wetenschappelijk, niet-visionair, niet-evangeliserend, niet-ideologisch, niet-religieus! Alleen de mens ontwikkelt allerlei visionaire en religieuze denkbeelden en complexe bouwwerken over ‘de werkelijkheid’, allerlei geloofsartikelen van waaruit de mens vervolgens zijn leven leeft. Daarbij is alleen de mens een tekstontwikkelend, tekstverwerkend en vooral een ‘tekst-gestuurd’ wezen. En alle teksten waar de mens zich door laat besturen variëren qua invloed naar de mate van de belovende, ‘overtuigende’ en ‘vertrouwenwekkende’ inhoud ervan, dus naar de mate van ‘religieuze spin’, de mate van de symbolische of utopische overtuigingskracht en charisma.

 

De functies van humor voor de gezondheid

 

Hieronder noem ik een klein aantal van de functies van humor en gein in ons dagelijkse leven, namelijk die van relativering, regulering, ontspanning, angstreductie, genezing, lustgewin, zinherstel, overgave, en integratie:

 

- Relativering.

 

We zijn nogal eens geneigd om de ernst van bepaalde zaken te verabsoluteren door onze geëmotioneerdheid, waardoor de zaak niet meer hanteerbaar is. Het wordt allemaal weer wat hanteerbaarder door via humor de zaak eens van een andere kant te bezien, in een ander licht te plaatsen, in een ander kader te zetten.

 

- Regulering.

 

Vastgelopen emoties en denkpatronen, in jezelf en/of tussen personen, worden door humor weer losgewoeld, in beweging gebracht en gereguleerd. Vandaar de term ‘bevrijdende humor’.

 

- Ontspanning.

 

Geinige humor heeft een merkwaardige uitwerking op vrijwel alle vormen van spanning, frustratie, belediging en kwetsuren. Humor bevordert het loslaten en de pijn wordt dan verzacht door het opgeven van de verkrampende reactie op de pijnplek, door de pijn dus meer ruimte te geven om af te vloeien.

 

- Angstreductie.

 

Het is aangetoond dat in een sociale omgeving waar regelmatig gebruik gemaakt wordt van humor, het vermogen van de persoonlijke en morele moed beter ontwikkeld wordt.

 

- Genezing.

 

Je kunt humor hèt geneeskruid van de geest noemen. Psychosomatisch treedt na gebruik van dat kruid sneller herstel in, mensen worden er letterlijk gezonder van, evenwichtiger en weerbaarder. Medisch is vastgesteld dat mensen die van humor gebruik maken een grotere weerstand (immuniteit) bezitten.

 

- Lustgewin, zinherstel.

 

Door allerlei oorzaken, meestal van psychische aard kan aan de mens de levens- lust ontnomen worden. Er treedt dan ‘anhedonie’ op, de onmacht om te kunnen genieten. Humor herstelt zowel het lustleven als de levenslust. Vreugde, genieting en levenslust hangen samen. Je hebt er weer zin in. Je gaat er weer voor

 

- Overgave.

 

Het leven vraagt aan de mens een gezonde mate van overgave. Door zorgen, kwellingen, pijnen, etc. kan dat vermogen tot overgave geheel verdrongen worden door een toestand van zorgelijke verstriktheid en beklemming. De humor, met zijn bevrijdende lach, kan het vermogen tot overgave weer herstellen. Overigens is het interessant om vast te stellen dat goed uithuilen ook het vermogen tot overgave herstelt! Dat uithuilen kan overgaan in relativerend lachen.

 

- Integratie.

 

Humor heeft de opmerkelijke eigenschap om ons bewustzijn kennis te laten maken met ons onbewuste. Het brengt ons onbewuste op een legale en aangename wijze aan het licht zodat er psychische ruimte voor integratie ontstaat. Zoals voor het gebruik van humor enige zelfkennis een minimumvereiste is, zo helpt ook andersom de humor ons om onszelf beter te leren kennen. En van het droomleven weten we dat die onze psychische integratie bevordert; men zegt wel dat spiritueel levende, humoristische mensen ook een humoristische droomverwerking tijdens de nachtrust hebben en daardoor meer uitgeslapen en vitaler door het leven gaan.

 

Voertuigen voor de dagelijkse humor en gein

Buiten de categorie van de ware, innerlijke, stille, liefdevol appreciërende en aanvaardende humor, zijn er aardig wat categorieën humor die een weg naar buiten vinden. Humor en gein verspreiden zich dan in uiteenlopende voertuigen: de droge humor, de relativerende humor, de bevrijdende humor, de milde humor, de bureauhumor, de galgenhumor, de wrange humor, de agressieve humor, de volkshumor, de vluchtige humor, de speelse humor , de goedkope humor, de bizarre humor, de erotische humor, de karikatuur, de stereotypie, de slapstick, de ridiculisering, de tragikomedie, het melodrama, het blijspel, de klucht, de luim, de snier, de spot, de ironie, het cynisme, de hilariteit, de pret (zowel de voorpret als de napret), de moria (een vorm van onbenullige vrolijkheid), de Witzelsucht (een vorm van ondeugende grappenmakerij bij geestelijke achteruitgang), de zelfspot, de anecdote, de wiets, de gekkigheid, de cruel joke, de practical joke, de lachfilm, de strip, de satire, de flauwiteit, de woordspeling, het cabaret, de komedie, de grap, de boert, de platte lol, de kwinkslag, de grol, de kul, de kolder, de mop, de cartoon …… ;-})
 
Verspreiders van humor en gein zijn wij eigenlijk allemaal, gewild of ongewild, bewust of onbewust. Maar sommigen worden in een bepaalde categorie geplaatst. Want veel humor is danig ‘voorgebakken’, of soms alleen maar ‘warm gebakken’, soms ‘bruin gebakken’.
Als categorie heb je bijvoorbeeld de aartshumorist, de moppentapper, de pretboer, de komiek, de nar, het "portret", de zot, de clown, de grapjurk, de grapjas, vroeger de officiële hofnar, de troubadour soms, de komediant, de cabaretier, de paljas, de potsenmaker, de feestneus, de pias, de harlekijn, de pierrot, de conférencier, de gangmaker, de ijsbreker, de gekscheerder, de "leukste thuis ", de geinschopper, de lolbroek, de lachebek, de joker, de dwaas, de hansworst , tegenwoordig is er de lachtherapeut met z'n goedlopende praktijk. De grootste categorie erkende humorverspreiders laat zich echter niet vangen onder een bekende categorie.
 
En laten we ons wat meer bewustworden van onze lachvormen, met of zonder geluid. Dus naast de innerlijke en stille humor heb je bijvoorbeeld de lachstuip, of het stuiplachen, de slappe lach, de kostelijke lach, de geëxciteerde lach, de geëxalteerde lach, het gegiechel, de inwendige lach, de onderdrukte lach, de hartelijke lach, de uitbundige lach, maar ook de zachte glimlach, de mysterieuze glimlach, de scheve lach, de grijnslach, de "lach van de boer die kiespijn heeft", het toelachen, het uitlachen, de spotlach, je een aap lachen, je een ongeluk lachen, je de tranen lachen, stikken van het lachen, je doodlachen, je een bult lachen, je een breuk lachen, je krom lachen, de diabolische lach, de cynische lach, de paradoxale lach (lachen waar men huilen had verwacht), de gemaakte lach of de onechte lach, de gemaniëreerde lach, de holle lach, de vette lach, het schuddebuiken, de homerische lach, de lach met de traan, de "laatste lach" (die de beste is), het "lachen in je vuistje", zich verkneukelen, de risus sardonicus (een grimmige grijnslach), het dwanglachen (bijvoorbeeld veroorzaakt door het neurologische ziektebeeld van de pseudobulbair paralyse), de gelastische epilepsie (neurologisch), de hysterische lach, de paaslach ("risus paschalis", heel vroeger een merkwaardige gewoonte waarbij de gelovigen tijdens de paasmis door de priester aan het lachen werden gebracht)
 
Hoe meer moralistisch, hoe minder humor, zo wordt over het algemeen vastgesteld. En dat, terwijl in de psychologie werd vastgesteld dat humor een teken is van spirituele gezondheid. Ware humor vereist echter zelfrelativeringsvermogen, door overzicht, zelfobservatie, zelfkennis en vooral een liefdevolle aanvaarding van de realiteit in het leven.
 
Ware, volwassen humor is veelal taboedoorbrekend, speels aan het licht brengend, lichtvoetig aan de kaak stellend, gesprek openend, communicatie vergemakkelijkend. Humor biedt iemand de mogelijkheid om iets te berde te brengen zonder daar meteen op afgeschoten te worden. Humor is dan niet meningvormend of manipulerend, maar een uitnodiging om ‘de ernstige kwestie’ nou eens in een ander licht te bekijken.
 
Maar het geseculariseerde Westen is zich helaas nogal te buiten gegaan aan excessieve vormen van schaamteloze gein, arrogant, respectloos, vaak een boosaardig vermaak, bewust krenkend, de spot drijvend met domme gelovigen, vernederend, nihilistisch en arrogant. Een zaak die extremistisch en door deze “humoristen” verdedigd wordt is de zaak van de ‘vrijheid’ om te doen waar je maar zin in hebt, gebaseerd op de ideologie van de grenzeloze ‘vrijheid’ van meningsuiting. In feite is dat dus geen ‘humor’ meer, maar een radicaal actionisme van de religie van het platte en egocentrische hedonisme.


[1] Amos Oz: Hoe genees je een fanaticus, 2007, ISBN 9789023418905 (twee van zijn vele lezingen)

[2] Een parodie op Richard Dawkins 'zelfzuchtige genen' en het besmettelijke virus, het ‘godsdienst-mem