Filmsector heeft stabiel beleid nodig
Interview met Bouke Beumer in CALL-SHEET, vakblad voor film- en televisiemakers, 2002

Na jaren in parlementaire kringen trad hij ruim twee jaar geleden aan als voorzitter van een nieuwe organisatie, die voor de belangen van de Nederlandse filmsector opkomt, de Federatie Filmbelangen. Hij zette zich in voor het behoud van de cv-regeling en meer drama op de buis. Nu neemt Bouke Beumer afscheid van de sector waaraan hij “erg gehecht raakte”.

 

Hij stond vooraan in de strijd voor het behoud van de film-cv’s. Toen de glorieus uitziende toekomst van de Nederlandse film op het spel stond door het wegvallen van de regeling, fungeerde hij als een soort tolk tussen de filmsector en de politiek. “Aan de ene kant praten ze in one-liners, aan de andere kant in politieke beleidstermen.” Dankzij de inspanningen van ondermeer Bouke Beumer en de Federatie Filmbelangen kreeg de cv-regeling tot 2004, weliswaar in een andere vorm, een verlenging toegezegd zodat de broodnodige groei van de filmsector verder kon.

Bijna tweeënhalf jaar na de oprichting bewees de Federatie dan ook haar centrale rol voor de sector. Beumer stelt dat het filmbureau daarmee haar belangrijkste doel heeft bereikt. “Ik heb de indruk dat de filmsector dankzij de Federatie Filmbelangen als zodanig een belangrijkere rol is gaan spelen op de ministeries, er zijn meer contacten. Ook vanuit de ministeries nemen ze meer contact met ons op. We hebben onze eigen plaats verworven. De overheid wil het liefst een centrale gesprekspartner. Het beroerdst vinden ze daar om via verschillende kanalen te moeten onderhandelen. Je redt het als sector dan ook uiteindelijk niet met incidentele acties.”

 

Gemiddelde filmliefhebber

Het ex-CDA-kamerlid en -europarlementariër kwam dus in een totaal nieuwe wereld terecht. Voordat hij het wist, moest hij als voorzitter van de Federatie Filmbelangen namens de hele filmsector een standpunt innemen en als centraal aanspreekpunt adviezen geven en voor de belangen opkomen van onder meer producenten, cameramensen, scenarioschrijvers en geluidstechnici.

 “Ik was zelf eigenlijk niet meer dan een gemiddelde filmliefhebber, die af en toe een recensie leest en de filmwereld wel interessant vond. Ik ben niet aangenomen op mijn kennis van de Nederlandse film”, glimlacht hij. “Ik zou een zekere zakelijke benadering brengen binnen de federatie.” Hij had wel eerder als europarlementariër de nodige ontmoetingen met de filmwereld gehad. “Als voorzitter van de Europese commissie Onderwijs en Cultuur  kreeg ik veel te maken met VERA, de Europese organisatie van regisseurs.” Daar ontmoette hij onder meer ook Wim Verstappen, degene die hem tien jaar later zou uitnodigen om voorzitter van de net opgerichte Federatie Filmbelangen te worden.

“Ik heb echt geluk gehad dat ik hier bij de Federatie met mensen heb mogen werken, die echt de Nederlandse film een warm hart toedragen en zich druk maken om de filmsector, mensen die hun werk niet gewoon als baan zien. Dat is heel inspirerend. Het gaat er hier dan ook soms heftig aan toe bij discussies tussen producenten. Maar ja, voor die mensen gaat het dan ook ergens om. Werken op een filmbureau heeft natuurlijk sowieso iets aparts en leuks. Dat was wel even wat anders dan de parlementaire kringen waarin ik daarvoor verkeerde.”

 

Stabiel beleid

Als buitenstaander raakte Beumer behoorlijk onder de indruk van wat er allemaal komt kijken bij de productie van een film. “Wat er allemaal moet gebeuren alleen al voordat je financiering kan gaan aanvragen. Al die loketten die je langs moet. Dat is gigantisch. Elke film is dan ook een avontuur, een uniek product, dat zich nooit herhaalt. Bij dit avontuur blijft toch de financiering de achillespees. Daarom blijft het belangrijk om particuliere investeerders erbij te betrekken. Waar je als producent wel op moet blijven letten is de balans: dat je niet te veel concessies doet aan de investeerders.”

De filmsector is nog lang niet uit de zorgen en er valt nog een hoop te doen, benadrukt Beumer. “De paradox is dat de belangstelling voor de Nederlandse film enorm groeit, maar dat de economische basis te smal blijft. Dat komt natuurlijk ondermeer door het kleine taalgebied, waardoor je een kleine markt hebt. Je blijft zodoende afhankelijk van de overheid en de door de overheid gesubsidieerde omroepen. De sector heeft een stabiel beleid nodig.”

Toen in 2000 en 2002 dan ook de film cv-regeling dreigde weg te vallen, stonden Beumer en zijn federatie samen met andere partijen, als het Filmfonds en de producenten, vooraan om voor het behoud te pleiten. Met de overheid werd overeengekomen dat de regeling tijdelijk zou worden verlengd tot 2004, zodat de filmwereld weer rustig kon ademen. “Maar ook na 2004 moet een stabiel beleid blijven bestaan. Dat is hard nodig. We hebben nu twee of drie keer de regeling veranderd gezien en je zag heel duidelijk hoe scherp de sector daarop reageert. Financierders verliezen hun vertrouwen, en dat heeft weer de nodige nare gevolgen. Continuïteit is echt essentieel.”

Beumer heeft het gevoel dat dankzij de groei die de grote commerciële film dankzij de particuliere investeringen van de cv-regeling meemaakt, de kleinere artistieke film steeds meer wordt weggedrukt. “Deze moet meer aandacht krijgen, vind ik. De Nederlandse film neigt steeds meer naar het lichte genre toe, waarbij het publieksbereik voorop staat. Ik ben dan ook voorstander van de tweesporen benadering, waarbij je een stelsel hebt met aan de ene kant directe subsidie van OC&W, zodat films minder afhankelijk zijn van publieksbereik, en aan de andere kant een indirecte subsidie via de film-cv’s, waarbij je particuliere investeerder kunt betrekken. Zo krijg je in mijn visie de meest ideale situatie, waarbij de grote commerciële film de infrastructuur en sector versterkt, zodat de kleinere film daar dan van kan meeprofiteren. Kijk maar hoe sterk de technische kwaliteit in ons land dankzij de cv-regeling is toegenomen. Dat leidt tot meer waardering en grotere belangstelling, wat weer positief is voor de hele sector. Daarbij moet je dus wel blijven letten op die concessiebalans.”

 

Adviezen

Ondanks het plezier in het werk en zijn liefde voor de Nederlandse film, zet Beumer er wegens persoonlijk omstandigheden bij de Federatie Filmbelangen nu een punt achter. Hij heeft nog wel wat adviezen voor zijn opvolger en de filmsector. “Ik wil mijn opvolger graag meegeven dat je altijd eerlijk moet zijn in je werk. Het werk als voorzitter van de Federatie Filmbelangen is niet een eenvoudige zaak. Wat je doet heeft resultaten voor de hele sector en de financiële mogelijkheden zijn beperkt.” Beumer werkte als voorzitter toch veel mee aan het opzetten van een goede organisatie rond de federatie, iets dat zijn opvolger dankzij personele uitbreiding, niet hoeft  te doen. “Een goede voorzitter bewaart juist een redelijke afstand. Ik kan het werk in ieder geval echt aanraden. Ik heb het met heel veel plezier gedaan. Het gaat namelijk ergens over.”

Volgens de scheidend voorzitter heeft de politiek nog steeds weinig idee van wat het inhoudt om een film te maken. Om daar meer duidelijkheid over te krijgen en voor meer daadkracht bij de onderhandelingen, pleit Beumer voor een beter overzicht van de filmsector in al zijn facetten, zoals trends en productievolumes. “Ik heb steeds een samenhangend overzicht gemist. Je moet daarbij denken aan een analyse van de gemaakte films. Wat hebben ze bereikt, welke problemen zijn ze onderweg tegengekomen? Dat soort dingen. Dat is erg belangrijk, zeker bij onderhandelingen met de overheid. Je moet de sector namelijk goed kunnen afbakenen. Als je geen visie hebt, heb je ook geen beleid. We hebben daarvoor dan ook een verzoek ingediend. Met een dergelijk overzicht kun je een veel betere pleitbezorger zijn voor de sector.”

Beumer hoopt ad hoc nog wat werk te kunnen blijven doen in het belang van de Nederlandse film. De liefde voor het genre is bij hem in ieder geval niet meer weg te krijgen. “Ik ga zeker meer films kijken en nog meer recensies lezen. Natuurlijk blijf ik de ontwikkelingen in de sector met interesse volgen.”