Boog van Constantijn

 

Boog van Constantijn

Geschiedenis
Flavius Valerius Aurelius Constantinus (geboren: 27 februari ± 272 na Chr. te Naissus, gestorven: 22 mei 337 tijdens veldtocht tegen de Perzen), oftewel Constantijn I of Constantijn de Grote, volgde in 306 zijn vader Constantius I na diens dood op als Keizer van het West-Romeinse Rijk. Galerius, keizer van het Oost-Romeinse Rijk, was niet zo blij met die benoeming van Constantijn en zag hem als een soort onderkeizer, een Caesar. Hij had namelijk Severus al tot keizer van dat gebied gemaakt. Constantijn had aanvankelijk dan ook alleen de verantwoording over de gebieden Gallia en Britannia. Zijn machtsuitbreiding begon toen hij Hispania veroverde op Maxentius, zoon van Maximianus en broer van Contantijns vrouw Fausta, in 310. Toen diezelfde Maxentius zich zonder enige reden keizer had verklaard in Rome, moest Severus deze oproerkraaier het zwijgen opleggen van Galerius, maar zijn leger werd omgekocht door Maxentius en daar kon dus niet meer op worden gerekend. Constantijn was degene die zou proberen de nieuwe heerser in Italië te verslaan. Na eerst het noorden van Italië in handen te hebben genomen, marcheerden zijn legioenen over de Via Flaminia richting Rome, waar Maxentius met een numerieke meerderheid van drie keer zoveel man zich had verschanst. Beide legers troffen elkaar echter op open grond bij de Pons Milvius, de Milvische Brug, waar Constantijn uiteindelijk zou zegevieren (28 oktober 312). Lactantius, de tutor (opvoeder) van Crispus (Constantijns eerste zoon), heeft een stuk overgeleverd waarin hij beweert dat Constantijn de nacht voor de slag bij de Pons Milvius een droom kreeg, waarin hem het bevel werd gegeven het goddelijke teken op de schilden van zijn soldaten te schilderen. Dit goddelijke teken omschrijft Lactantius als het chi-rho symbool (naar de eerste drie letters van Christus’ naam),wat we tegenwoordig als het Constantijnse monogram herkennen, dit ondanks dat het een symbool is dat al voor het ontstaan van het christendom bekend was. Als je echter weet dat Constantijn een redelijk groot leger tot zijn beschikking had, van zo’n 40.000 man, lijkt het nogal onwaarschijnlijk al de schilden van deze soldaten te voorzien van het genoemde teken. Er gaat echter nog een gerucht de ronde, dat waarschijnlijker lijkt dan het eerste, over een beroemder visioen dat Constantijn zou hebben gehad. Dit is opgetekend door Eusebius 25 jaar na Lactantius’ optekening en beschrijft een gigantisch kruis aan de hemel met daarbij de woorden “in hoc signo vinces” (Latijn)/“en touto nika”, “in dit teken zult gij overwinnen” met daarbij een verschijning van Christus zelf. Volgens Eusebius meende Constantijn dat zijn overwinning te danken was aan God zelf en dat dit ertoe leidde dat hij zich bekeerde tot het christendom. Deze overwinning bij de Pons Milvius zou Constantijn grote macht geven, alhoewel hij pas in 324 alleenheerser zou worden nadat Licinius was verslagen. Na deze overwinning besloot de senaat tot de oprichting van een triomfboog, de Boog van Constantijn, en het is zeer waarschijnlijk dat de senaat dit enkel deed om te nieuwe heerser gunstig te stemmen. De nieuwe triomfboog zou moeten worden gebouwd over de Via Triumphalis: de weg waarlangs de keizers altijd hun triomftocht hielden dwars door de stad op weg naar de Capitolijn, waarbij in een stoet van soldaten de oorlogsbuit en krijgsgevangenen werden getoond. Aan het eind van de tocht zou de keizer links afslaan naar het keizerlijk paleis en de soldaten rechtsaf om de gevangenen op te sluiten in de Mamertijnse gevangenis. De precieze plaats van de boog zou zijn vlak voor het Metakruispunt, waar de Via Triumphalis linksaf slaat de Veliaheuvel op. Daar zal hij overgaan in de Via Sacra bij de Boog van Titus, een toegang tot het Forum Romanum. Er waren echter nog twee andere redenen voor de oprichting van deze triomfboog: de oprichting vond ook plaats, zodat de boog als pronkstuk kon dienen gedurende de decennalia, de viering van het tienjarig regeringsjubileum van Constantijn, en alhoewel al gelijk na de beslissende overwinning in 312 werd begonnen aan de bouw, moest alles drie jaar later nog voor de viering klaar zijn (de boog zou uiteindelijk op 25 juli 315 worden ingewijd); de boog symboliseert tevens de triomf van het christendom over de traditionele Romeinse godsdienst. Constantijn was namelijk de eerste christelijke keizer van het Rijk, alhoewel hij aan heidense rituelen vasthield en pas op zijn sterfbed werd gedoopt in Nicomedia. Ondanks dat was hij aanhanger van het christendom, wat op verschillende manieren door Constantijn werd getoond. Zo vaardigde hij in 313 het Edict van Milaan uit samen met keizer Licinius, opvolger van Galerius in het Oosten, waarin godsdienstvrijheid werd vastgesteld voor de christenen (het christendom werd na jaren van onderdrukking een religio licita, oftewel een geoorloofde godsdienst). Onder zijn leiding werden bovendien veel kerken en andere christelijke ontmoetingsplaatsen gebouwd. Daarnaast werd de geestelijkheid die aanhanger was van het christendom een bevoorrechte stand (naast de ambtenaren en het leger) doordat Constantijn haar verscheidene privileges gaf. Hij was dus duidelijk de keizer die het omslagpunt vormde qua religie in het Rijk en de basis legde voor een christelijke staat. Constantijn werd zelfs in de 5e eeuw na Christus heilig verklaard, hoewel het westen dit nooit officieel heeft geaccepteerd. In de Middeleeuwen kreeg de boog, zoals veel andere gebouwen een totaal andere functie, alhoewel hem daardoor ook het lot werd bespaard geplunderd te worden om de kostbare bouwmaterialen die erin zijn gebruikt. Hij werd namelijk opgenomen in een fort en daardoor werd hij uit de vergetelheid gered. In de 18e eeuw vond de eerste restauratie plaats, waarmee het voortbestaan van de Boog van Constantijn was gegarandeerd. In de jaren ‘90 vonden de laatste opgravingen plaats (naar fundamenten uit Domitianus tijd).

Historische bronnen
De meeste archeologische vondsten worden niet “toevallig” gedaan. Meestal wordt er op een andere plek, bijvoorbeeld d.m.v. geschriften, gerept over een voorwerp dat ergens zou liggen. Zo is het ook met de Boog van Constantijn. Uit de Klassieke Oudheid zelf bestaan er echter geen geschriften waarin deze boog wordt genoemd, ongetwijfeld hebben die bestaan, maar waarschijnlijk zijn ze in de loop ter tijd vergaan of vernietigd. Voor de eerste historische bronnen waaruit we kennis kunnen nemen van de boog moeten we een grote stap voorwaarts op de tijdlijn, namelijk richting Renaissance. Ongetwijfeld zal de hernieuwde interesse in de Oudheid die tijdens de “wedergeboorte” van diezelfde Oudheid ontstond er de reden van zijn dat pas in de 16e eeuw over de Boog van Constantijn wordt geschreven. In de Middeleeuwen is er immers weinig aandacht aan de Romeinse en Oud-Griekse kunst besteed. In de 16e eeuw spreekt een gravure van meneer Du Prac over de Boog van Constantijn en later zullen er meer volgen, o.a. gravures van Piranesi, Rossing en Lauro. Preciezere beschrijvingen van de Boog van Constantijn zijn er echter ook, voornamelijk in de moderne literatuur. Rodolfo Lanciani beschreef in 1892 de plaats waar de boog heeft gestaan, vlakbij het Colosseum, en in de jaren ’20 van de 20e eeuw gaf Platner in zijn “Topographical Dictionary of Ancient Rome” een zeer precieze beschrijving van deze boog. Uit dit werk weten we o.a. de datum van voltooiing, Platner is dit te weten gekomen door de inscripties op de zijkant van de boog die de decennalia vermelden. Toch is ook dit getal niet zeker, daar zijn twee mogelijke redenen voor: de boog kan uit een andere tijd komen dan de inscriptie die het jaartal aangeeft, en dus kan de inscriptie in het negatieve geval uit een totaal andere tijd komen dan de Boog van Constantijn; de inscriptie noemt feitelijk geen jaartal, enkel de tekst “votis X”, wat simpelweg inhoudt dat de boog voor de viering van de decennalia is gebouwd. Er is echter nog een inscriptie die een indicatie kan vormen voor het bouwjaar van de boog, op een andere plaats is namelijk de combinatie “votis XX” te vinden. Deze duidt op de vicennalia, het twintigjarig regeringsjubileum van de keizer. Het blijkt echter dat het niet zo is dat deze inscriptie tien jaar na de decennalia is gemaakt, echter gelijk tijdens de bouw van de boog. Van geldmuntjes hebben we kunnen afleiden dat men hiermee in de Oudheid de toekomst wou weergeven en wou laten zien dat de keizer nog lang zou heersen. Over de boog zelf zijn vele bronnen beschikbaar, maar er is zeer grote discussie geweest over de origine ervan. Lange tijd dachten geleerden dat hij uit Domitianus’ of Hadrianus’ tijd kwam, dit idee werd geïntroduceerd in 1912 door Arthur Frothingham. In de jaren ’30 van de 20e eeuw raakte dit idee verdrongen door andere. Alessandra Melucco Vaccaro was het die in de jaren ’90 toch weer tot dat denkbeeld terugkeerde. Enkele jaren geleden is de discussie definitief gesloten, op wetenschappelijke wijze is namelijk aangetoond dat de hele boog zelf uit de vierde eeuw, dus Constantijns tijd, stamt, met uitzondering van de fundering.


De boog zelf
De Boog is geplaatst op het tegenwoordige Piazza del Colosseo, vlakbij het Colosseum zelf (ten zuid-westen ervan). Ook ligt het enkele honderden meters ten oosten van het Forum Romanum en ten zuiden van de tempel van Roma en Venus. In tegenstelling tot veel andere Klassieke bouwwerken uit de omgeving is de Boog van Constantijn wel redelijk intact gebleven. Veel andere bouwsels hebben de tand des tijds dus niet overleefd, zoals de Meta Sudans (gebouwd door Titus, gerenoveerd door Constantijn). Dit was een kegelvormige fontein van 20 meter hoog die voor de boog was gepositioneerd en in 80-90 na Christus was gebouwd. Bovenop zat een bronzen bol waar het water uit kwam. Omdat men vond dat de fontein op een metà, daar moesten in de circussen de wagenmenners keren, leek gaf men hem de naam Meta Sudans. Waarschijnlijk is het tweede woord in de naam afkomstig van het Latijnse “sudare”, wat zweten betekent en dus zou de naam “plek waar het zweten wordt gekeerd/tegengegaan” betekenen. Gladiatoren die een wedstrijd in het Colosseum hadden overleefd, konden zich hier wassen en hun wonden reinigen. Helaas liet Mussolini de Meta Sudans in 1936 afbreken omdat hij zijn parades zou hinderen. Gelukkig bleef de Boog van Constantijn dit lot bespaard. De exacte maten van de boog zijn 21 m (hoogte); 25,7 m (breedte) en 7,4 m (diepte). Van de drie bogen is de centrale 11,5 m hoog en 6,5 m breed en de kleine zijn elk 7,4 m bij 3,4 m. Deze getallen lijken op het eerste gezicht nietszeggend, maar men heeft na onderzoek een patroon in deze maten kunnen vinden: zij zijn namelijk allemaal terug te leiden tot twee basismaten. Het is echter twijfelachtig of deze proporties de intentie waren van de makers, of dat het slechts puur toeval is. Mark Wilson Jones heeft deze verhoudingen echter nauwkeurig onderzocht en heeft er heel veel gevonden, waarbij er slechts een afwijking van 1 % optreedt, iets te klein om deze proporties op toeval te laten berusten. De twee basisgetallen zijn C, de hoogte van één Corinthische zuil én de hoogte tot de boog van de centrale doorgang, en E, de hoogte van een zuil plus zijn basis. Het is goed te zien dat de boog grotendeels is samengesteld uit delen (versieringen) afkomstig van andere monumenten en gebouwen. Als we het over versieringen gestolen van andere werken hebben, spreken we over spolia. Er zijn verschillende mogelijke redenen te noemen voor dit verschijnsel: men had te weinig tijd om al de versieringen te maken, de boog moest immers in slechts drie jaar helemaal worden gebouwd;er was op dat moment in de 4e eeuw na Chr. sprake van een beeldhouwcrisis en daardoor waren de beeldhouwers niet in staat kunstwerken te maken die vooral zo groot moesten zijn, dat de boog ermee kon worden versierd. De laatste tijd wordt er echter sterk aan getwijfeld of het zo is dat die beeldhouwers inderdaad minder bekwaam waren, want alhoewel de weinige aanwezige versieringen uit die vierde eeuw inderdaad een minder realistische weergave zijn in vergelijking met de spolia (die dus uit eerdere perioden komen), zou men deze zogenaamde “onbekwaamheid” van de kunst ook toe kunnen schrijven aan een cultuuromslag die in die tijd plaatsvond in die Romeinse kunst: kunsthistorici zijn het er namelijk over eens geworden dat de Constantijnse versieringen al vooruitwijzen richting de middeleeuwse beeldenstijl en het voornaamste doel van kunst in die tijd. Meer informatie hierover staat in H4; men wou de glorietijd van het Romeinse Rijk doen herleven, in een tijd waarin de stad Rome sterk in verval raakte (zo erg zelfs dat Constantijn in 330 Constantinopel de nieuwe hoofdstad van het rijk maakte); Constantijn zou uit eigenbelang gehandeld kunnen hebben, de triomfboog op zich is al een propagandamiddel voor de keizer, maar door het gebruik van reliëfs uit de tijd van Trajanus, Hadrianus en Marcus Aurelius probeerde Constantijn zichzelf mogelijk in het rijtje van deze drie keizers te plaatsen, omdat zij werden gezien als brengers van vrede en voorspoed. Constantijn zou daarmee hebben willen goedpraten dat door zijn verlangen naar het keizerschap er ooit een burgeroorlog was uitgebroken en hij bepaalde regels uit de grondwet had geschonden ten tijde van deze oorlog. Met de spolia wou hij dus eventueel suggereren dat zijn machtsovername noodzakelijk was geweest, omdat enkel hij het rijk weer van de chaos kon bevrijden. De Boog van Constantijn lijkt qua ontwerp en grootte zeer veel op die van Septimius Severus en het is dan ook waarschijnlijk dat deze de basis vormde voor het ontwerp van de Boog van Constantijn. Toch zijn ze, als je naar het gebruikte bouwmateriaal kijkt, goed van elkaar te onderscheiden. De Boog van Constantijn wordt gekenmerkt door de verschillende bouwmaterialen die zijn gebruikt: de basis, bogen en pilasters bestaan uit grijs-wit Proconnesisch marmer, in opus quadratum. Dit is een Romeinse constructietechniek, waarbij men vierkante even grote blokken marmer op elkaar stapelde, zonder ze te verbinden met mortel. Ook Severus’ boog bestaat overigens hieruit. Er wordt bovendien gesuggereerd dat de basis ooit is weggenomen van een monument uit Hadrianus’ tijd; de bovenkant bestaat uit opus latericium, oftewel gewone bakstenen bedekt met grijs-witte marmerplaten. Overigens duidt deze mix van gebruikte materialen erop dat ook deze zijn gestolen van andere kunstwerken. Een ander verschil is het grote gebruik van kleur, een typisch kenmerk van de 4e eeuw. Andere verschillen in bouwmaterialen zijn geanalyseerd en onderzoekers hebben zo overal in het monument Carrara-marmerblokken gevonden.

Bovendien is in de versiering op het entablement (het dekstuk boven de zuilen) een ongelijkheid gevonden. Wat echter helaas tegenwoordig ontbreekt aan de boog zijn de vier bronzen paardenbeelden, die ooit de bovenkant sierden. Oorspronkelijk stonden ze op een triomfboog van Nero, en nadat ze geroofd waren verdween elk spoor. Uiteindelijk namen de Venetianen ze in 1204 mee uit Constantinopel (Byzantische Rijk) en men denkt dan ook dat de paardenbeelden in de San Marco in het huidige Venetië eens op de Boog van Constantijn stonden. Het bijzondere van de boog is, naast dat hij eerder een samenstelling van gestolen kunstwerken is dan een eigengebouwd werk, dat hij vrij uniek is in zijn soort, omdat er in het hedendaagse Rome slechts drie triomfbogen van dit type staan. Bovendien is de Boog van Constantijn groter dan de andere twee, van Septimius Severus en Titus, die ook vlakbij het Forum Romanum staan. Zeer opvallend zijn de acht pilaren, Corintisch en gemaakt van Numidisch marmer, die de lange zijden van de boog sieren, vier per kant. Ze zijn waarschijnlijk afkomstig van een Flavisch gebouw en hebben enkel een decoratief doel, ze ondersteunen de boog dus niet. De binnenkant van de boog is overigens ook te bereiken via een trap waarvan de ingang in het uiteinde richting de Palatijn zit. Het blijkt dus wel dat de boog vooral is opgebouwd uit reeds bestaande reliëfs en bouwmaterialen en hierdoor zou men een zeer verkeerd beeld kunnen krijgen van de kunst in die tijd. Het is namelijk niet zo dat men lukraak versieringen heeft gesloopt uit andere gebouwen, men ging juist met zorg te werk om ervoor te zorgen dat alles bij elkaar paste en vooral ook bij het doel van de boog: propaganda maken voor Constantijn. Als men dat namelijk niet zou hebben gedaan zou er nooit zo’n mooi kunstwerk als de boog nu is zijn ontstaan.

Versieringen

A. Algemeen
Het belangrijkste onderdeel van de Boog van Constantijn vormen de versieringen in de vorm van reliëfs, friezen en beelden, omdat zij de symbolische waarde van Constantijns regeringsschap tonen. Feitelijk zijn ze in te delen in vier groepen, in de tijd waar ze vandaan komen. Uit de volgende regeringsperiodes van keizers komen de volgende versieringen, kijk hierbij ook op de afbeelding: Trajanus: de beelden bovenop de zuilen, de twee panelen binnenin de grote boog en de twee panelen bovenin elke zijkant; Hadrianus: de acht medaillons aan elke lange zijde, geplaatst net boven de kleine bogen; Marcus Aurelius: de acht panelen aan elke lange zijde, geplaatst in paren boven Hadrianus’ medaillons; Constantijn en Licinius of Constantius: de twee panelen aan beide lange zijden boven de grote boog, de versieringen boven de grote en kleine boog en onder de Corinthische zuilen, de twee medaillons aan de zijkanten en het reliëflint lopend over alle zijden. Zoals ik al zei in het vorige hoofdstuk zijn de verschillende spolia uitgezocht op basis van het gemeenschappelijk doel dat ze dienden: de keizer propageren. Hun stijlen zijn echter heel verschillend, er was amper sprake van eenheid van vorm en dat is kenmerkend voor de Romeinse kunst. Zo werden 2e-eeuwse kunstwerken, die weliswaar onderling ook verschilden maar hun naturalistische uitbeelding gemeen hadden (lichamen e.d. worden zo natuurgetrouw mogelijk weergegeven), gebruikt tussen de Constantijnse kunst, die vooral door haar symbolische aard wordt gekenmerkt. Dit is een voorbode van de Middeleeuwse kunst, die puur symbolisch is en geen enkele naturalistische weergave meer geeft. Twee voorbeelden die goed het verschil aantonen zijn de medaillons van Hadrianus (vroeg 2e eeuw en naturalistisch) en één van de friezen van Contantijn (vroeg 4e eeuw en symbolistisch). Van de het Constantijnse fries valt op: de figuren zijn zó dicht op elkaar geplaatst, waardoor het lijkt alsof het hele vlak uitpuilt; de plooien van de toga’s doen onnatuurlijk aan, ze zijn ondiep en te statisch; de lichamen van alle figuren zijn verhoudingsgewijs veel te klein en hun hoofden hebben vreemde vormen; de figuren zijn volgens een strak plan geordend, Constantijn zit namelijk in het midden en steekt boven iedereen uit, ook al heeft hij op het fries zijn kop verloren. Verhoudingsgewijs zou hij twee keer zo groot zijn als de andere mensen. Vergelijk je dit met een medaillon van Hadrianus, dan vallen de volgende kenmerken op, tegengesteld aan die van net: er is veel ruimte tussen de verschillende figuren, wat een rustgevend beeld geeft; er is duidelijk veel aandacht besteed aan details, zoals de kleding, die zeer natuurgetrouw weergegeven is;de lichaamsverhoudingen kloppen precies, aan de lichaamsopbouw is veel werk verricht; er is geen ordening van de figuren, die een diepere betekenis heeft. De afbeelding heeft enkel tot doel zo natuurgetrouw iets af te beelden. In de symbolistische kunst uit Constantijns tijd bestaan ook onderlinge verschillen, omdat sommige versieringen nog duidelijk een klassieke inslag hebben en andere minder. Flaminio Vacca was een van de eersten die over de bijzondere eigenschappen van de Boog van Constantijn heeft geschreven. Hij was gedurende het Maniërisme een onbekend beeldhouwer, werkzaam te Rome. Hij toonde duidelijk een interesse voor de Klassieke Oudheid, want in 1594 schreef hij zijn “Memorie di varia antichità”, “Aantekeningen over oudheden”, waarin interessante dingen staan over de boog en dit werk is bij de eerste publicatie in 1704 dan ook duidelijk van waarde geweest. Zo werden hem de verschillen tussen de reliëfs op de boog duidelijk, zo schrijft hij: “…deze gevangenen lijken op de gevangenen die op de Boog van Constantijn staan en zijn op dezelfde wijze vervaardigd. Ik heb ze zorgvuldig bekeken en ben er zeker van dat ze door dezelfde hand en dezelfde meester zijn vervaardigd die ook voor de zuil (van Trajanus) verantwoordelijk was. Het staat voor mij vast dat ze naar de Boog van Constantijn zijn overgebracht, want op het voetstuk zag ik het onhandig beeldhouwwerk uit Constantijns tijd, toen de ware ambachtskunst teloor was gegaan.” Het moge duidelijk zijn dat deze man ons veel informatie heeft gegeven over de Boog van Constantijn. Overigens zijn de kunstwerken uit verschillende tijden niet geheel onbewerkt gelaten door Constantijns beeldhouwers, de koppen van Hadrianus, Trajanus en Marcus Aurelius werden bewerkt tot het hoofd van Constantijn en zijn medekeizer (tot 324) Licinius.

B. Kunst van Trajanus
Dit zijn de oudste delen, gemaakt in de tijd dat keizer Trajanus regeerde (98-117 na Chr.). Bovenop elke Corinthische zuil is een beeld van een Dacische krijgsgevangene geplaatst, acht in totaal dus. Waarschijnlijk stonden ze vroeger op het Forum van Trajanus, men heeft namelijk soortgelijke standbeelden op dat forum gevonden. De eerste die een duidelijk onderscheid maakte tussen de Trajaanse en Constantijnse kunst op de boog was Vacca (zie hierboven), hij spreekt zich in bovenstaand fragment namelijk sterk uit tegen de kunst van Constantijn en vóór die van Trajanus. Het is echter bekend dat hij een groot voorstander van de klassieke kunst was en dit vertekend beeld van de Constantijnse kunst als een barbaarse, niet-Romeinse kunst wordt tegenwoordig niet meer ondersteund door kunstkenners. Dit laat niet onverlet dat Vacca door goed te observeren de mening heeft opgevat, dat de beeldhouwer die de Zuil van Trajanus heeft gemaakt ook de beelden op de Boog van Constantijn heeft vervaardigd en deze mening ondervindt veel steun tegenwoordig. Het doel van de beelden is te tonen hoe barbaars de Daciërs wel niet waren, want het is bekend dat de Romeinen veel volken als cultureel minder ontwikkeld zagen. Zo namen ze na een overwinning ook altijd “barbaarse” krijgsgevangenen mee in hun triomftocht door Rome. Interessant zijn de vier panelen; deze vormden namelijk samen één groot fries, maar omdat dat niet paste heeft men het in vieren gezaagd en elke zijkant één gegeven, de andere twee kwamen binnenin de grote boog. Waarschijnlijk bestond dit fries uit een enorme serie van 3 m hoog en 20 m lang, die deel uitmaakte van de Basilica Ulpia op het Forum van Trajanus. Ze beelden de strijd van Trajanus en/of Domitianus tegen de Daciërs uit, als het ware als een stripverhaal. De volgorde is als volgt:

  1. oostkant van de boog (nummer B): de veldslag tegen de Daciërs;
  2. oostkant van het monument (nummer 20): eveneens de veldslag;
  3. westkant van de boog (nummer C): Trajanus treedt Rome binnen;
  4. westkant van het monument (nummer 3): het gevecht tegen de Daciërs en de kroning door Victoria (overwinningsgodin).


C. Kunst van Hadrianus
Elk van de acht medaillons, die zijn toegeschreven aan de regeringsperiode van Hadrianus, heeft een diameter van 2 m. Zowel aan de stijl als aan de afbeeldingen van Hadrianus en zijn vriend Antinoüs valt te zien dat ze uit deze tijd komen. Alle medaillons tonen jachtscènes en offertaferelen, maar het is waarschijnlijk dat deze een diepere betekenis hebben, ze dienen namelijk als verheerlijking van de militaire en religieuze rol van de keizer. Ze tonen het volgende:

·noordkant (van links naar rechts):

  1. Hadrianus jaagt op everzwijnen (nummer 25);
  2. Hadrianus offert aan Hercules, de Romeinse mythologische held. Misschien wou Hadrianus zich daarmee identificeren (nummer 26);
  3. Hadrianus opnieuw op jacht, op een leeuw (nummer 28)
  4. Hadrianus offert (nummer 29);
    zuidkant (van links naar rechts):
  5. Hadrianus vertrekt om te gaan jagen (nummer 8);
  6. Hadrianus offert aan Silvanus, de god van de bossen (nummer 9);
  7. Hadrianus jaagt op een beer (nummer 11);
  8. Hadrianus offert aan Diana, de godin van de jacht (nummer 12).

Zoals reeds bekend is, had Constantijn bevolen de koppen van andere keizers te vervangen door de zijne, waardoor soms rare situaties konden ontstaan. Zo staat Constantijn op enkele medaillons samen met Antoninus Pius, geadopteerd erfgenaam van Hadrianus, en met Antinoüs, de jongere goede vriend van Hadrianus. Eén medaillon is verder veranderd, dat is nummer 28: Hadrianus jaagt op een leeuw. Het valt op dat op alle medaillons een grondvlak, waar de figuren op staan, slechts als een rechte lijn is getekend. Bij deze is echter een gedode leeuw gebruikt als een soort grondvlak en er is ontdekt dat deze leeuw er pas later bij toegevoegd is. In tegenstelling tot veel andere spolia op de Boog van Constantijn is de context van deze medaillons weinig veranderd, ook al is de kop van Hadrianus weggehaald. Origineel waren de medaillons omlijst met een rand van porfier (een mengsel van grove mineralen), maar dat is tegenwoordig alleen nog te zien bij de rechtermedaillons aan de noordzijde.

D. Kunst van Marcus Aurelius
We mogen aannemen dat de in totaal acht panelen die in paren boven de kleine bogen hangen zijn gemaakt in de tijd van Marcus Aurelius of zijn zoon Commodus. Waarschijnlijk komen ze van één van de twee triomfbogen die Commodus voor zijn vergoddelijkte vader had laten oprichten. De panelen zijn tijdgenoten van de zogenaamde Zuil van Marcus Aurelius en ze hebben ook het thema gemeenschappelijk: de oorlog tegen binnenvallende Germaanse stammen, die bekend stonden als de Marcomanni en de Quadi. Wat de panelen tonen staat in de tabel.
E. Kunst van Constantijn: de inscriptie

Aan beide lange zijden van de boog zit boven de grote boog in het midden een identieke inscriptie, die oorspronkelijk uit bronzen letters bestond. Deze tekst luidt:




imp(eratori) Caes(ari) Fl(avio) Constantino Maximo
P(io) F(elici) Augusto S(enatus) P(opulus)q(ue) R(omanus)
quod instinctu divinitatis, mentis
magnitudine, cum exercitu suo
tam de tyranno quam de omni eius
factione uno tempore iustis
rempublicam ultus est armis,
arcum triumphis insignem dicavit


De vertaling is als volgt:

aan keizer Caesar Flavius Constantijn, de grootste
vroom en gelukkig. De Senaat en het Volk van Rome,
door goddelijke inspiratie en zijn grote geest,
met zijn rechtvaardige strijd
tegen de tiran en zijn factie,
in één rechtvaardige slag
wraakte hij de republiek,
wijdden deze boog als monument voor zijn militaire overwinning


De inscriptie is duidelijk een stukje propaganda: met de tiran wordt Maxentius bedoelt en de factie is zijn aanhang. Bovendien zijn er enkele positieve woorden die op Constantijn slaan:
“de grootste vroom en gelukkig;”
“zijn grote geest;”
“rechtvaardige strijd/slag.”
Hiermee rechtvaardigt Constantijn zijn oorlog, door te suggereren dat Maxentius de tiran was en hij de bevrijder. Een zinsdeel waar veel over wordt gediscussieerd is “instinctu divinitatis”, “door goddelijke inspiratie”, want hiermee zou men het visioen kunnen hebben bedoeld dat Constantijn had net voor de slag.


F. Kunst van Constantijn: het reliëflint
Het kunststukje en belangrijkste kunstwerk van de Boog van Constantijn is het lint van reliëfs, dat boven de kleine bogen en langs de zijkanten loopt. Elk fries is ± 1 m hoog en 5,5 tot 6,5 m lang. Het verhaal staat in de volgende tabel.

Situering van het reliëf (in volgorde van vertelling)

Beschrijving

westkant (richting Palatijn) (nummer 1)

Constantijn en zijn leger verlaten Milaan (Mediolanum), de keizer komt hierop niet voor. De soldaten marcheren naar rechts met hun uitrusting op karren en paarden geladen. Om de hoek gaat het verhaal verder.

zuidkant links (nummer 6)

Het beleg van Verona: links in het reliëf vallen ze de stadsmuur aan, nadat ze van hun paard zijn gesprongen, begeleid door de godin Victoria. De verdedigende soldaten gooien stenen naar de muur en één is geraakt en valt er vanaf. De keizer is niet afgebeeld.

zuidkant rechts (nummer 7)

De Slag bij de Milvische Brug: de tijdelijke brug gemaakt van boten is van de zijkant te zien. De troepen van Constantijn staan op de brug, die van Maxentius proberen te overleven in het water eronder. Op de rechteroever geven trompetters het bevel tot terugtrekking aan Maxentius’ soldaten. Op de linkeroever heeft een figuur gestaan die Constantijn zou kunnen zijn geweest, terwijl hij over het slagveld uitkijkt.

oostkant (richting Colosseum) (nummer 18)

De triomfantelijke intocht van Constantijn en zijn legioenen in Rome na de winst bij de Milvische Brug. Dit toont goed hoe een standaardtriomftocht eruitzag: links rijdt Constantijn in een quadriga, een strijdwagen met vier paarden, en zijn soldaten lopen voor hem met een groep gevangenen.

noordkant links (nummer 23)

Constantijn spreekt het volk in een overwinningsspeech toe op de rostra, het spreekpodium op het Forum Romanum. Hij staat in het midden op een verhoogd plateau (zijn hoofd is verdwenen) en zijn generaal staan om hem heen. Allerlei monumenten van het forum zijn op de achtergrond te zien: rechts achter het luisterende volk staat de Boog van Septimius Severus afgebeeld en links de Boog van Tiberius en de Basilica Julia. Op de rostra staan verscheidene erezuilen en twee zittende standbeelden van vroegere keizers; men denkt Hadrianus en Marcus Aurelius.

noordkant rechts (nummer 24)

Het congiarum: Constantijn geeft geld aan het volk, dit was een vaste ceremonie, die gehouden werd op het forum van Caesar op 1 januari 313. Constantijn zit op de troon in het midden boven iedereen uitstekend en omgeven door hoogwaardigheidsbekleders. Rechts en links ontvangt de bevolking het geld van ambtenaren die in de kamertjes erboven zitten. Waarschijnlijk zijn dat de zogenaamde tabernae van het forum (marktkamertjes).


G. Kunst van Constantijn: hoekvulling van de bogen, zuilbases en medaillons
De onderkanten van de Corinthische zuilen zijn aan drie kanten bewerkt: op elke voorkant staat Victoria, te herkennen aan haar triomfvleugels en de overwinningstekens die ze maakt. Enkele gevangenen zitten aan haar voeten. De zijkanten zijn steevast versierd met krijgsgevangenen en triomfantelijke soldaten. In de muren binnen de kleine bogen zitten paren borstbeelden, in totaal acht dus, maar deze zijn helaas zo verminkt dat ze niet meer te bekijken laat staan te begrijpen zijn. Victoria komt ook terug in de hoekvullingen van de grote boog waarbij ze overwinningstekens geeft (nummer 10/27); dit is een veelvoorkomend verschijnsel bij triomfbogen. De hoekvulling van de kleine bogen beeldt telkens een riviergod uit (nummer 5/22). Naast de acht Hadrianische medaillons zijn er ook nog twee Constantijnse, op elke zijkant één. Op de oostelijke kant toont het medaillon de Zonnegod op zijn quadriga (nummer 19), terwijl het westelijke medaillon Luna, de maan, toont op een biga (strijdwagen met twee paarden) (nummer 2).


Bronvermelding

A. Informatie

Internet:

nl.wikipedia.org/wiki/Boog_van_Constantijn

www.rome.nl/main.php?id=1:260

www.teggelaar.com/index.htm?http://teggelaar.com/rome/

users.pandora.be/a118862/boog_constantijn.htm

www.wiebekoo.nl/kt/italie/rome/bocons.htm

sights.seindal.dk/sight/299_Arch_of_Constantine.html

en.wikipedia.org/wiki/Triumphal_Arch_of_Constantine

www.bstorage.com/Rome/ArchConstantine/
Literatuur:
Rome (019288003-9)
Rome (90-410-3345-9)
SPQR Anekdotische reisgids voor Rome (90-253-5875-6)
Rome, kunst & architectuur (3-8290-5202-2)
Het klassieke Italië


B. Afbeeldingen

Afbeelding:RomeConstantine%27sArch03.jpg

Afbeelding:Plan_Rome-_Boog_van_Constantijn.png

Afbeelding:Constantine_Musei_Capitolini.jpg

Imago:Piranesi-Ponte-Milvio.jpg

Afbeelding:SanGiuseppe.JPG

chirho.gif

DuPerac.htm

Rossini.htm

Google Earth

Afbeelding

SFaceSpolia.htm

EEndSpolia.htm

3.11.htm

3.11.htm

3.11.htm

8187,s299.html

8152,s299.html

8153,s299.html

Marble_SFace.jpg

MoldingDiscont.jpg

8175,s299f.html

8150,s299.html

Eigen fotografie

Tekst: Cyril de Beun