Biogeochemie

Vanuit de Radboud Universiteit Nijmegen wordt in de Volgermeerpolder onderzoek uitgevoerd naar de optimale omstandigheden voor veenvorming. Dit wordt gedaan op basis van de biogeochemie. Zoals het woord al doet vermoeden is dit een vakgebied op de grenzen van biologie, geologie en chemie, waarbij de focus ligt op kringlopen van belangrijke elementen door aarde, water, planten en dieren. Een voorbeeld van zo’n element dat een essentiële rol speelt in het leven is koolstof. Aangezien het vastleggen van koolstof de basis is van veenvorming, vormt dit ook een belangrijk pijler van het Peatcap onderzoek.

Koolstof

Koolstof wordt als CO2 opgenomen uit de lucht door planten, die dit gebruiken om te groeien. Als planten doodgaan, komt dit materiaal op de bodem te liggen waar het grotendeels wordt afgebroken. Het gedeelte dat niet wordt afgebroken, wordt veen. Dit gebeurt vooral onder natte omstandigheden omdat zuurstof de afbraak versnelt. Sommige planten zijn betere veenvormers dan anderen. Welke planten het beste veenvormen en welke juist heel snel worden afgebroken is een vraag die door de onderzoekers wordt bestudeerd. 

Drijvende planten…
Naast de vorming van dood plantenmateriaal, is het verlanden van open water een belangrijk proces bij veenvorming. Verlanding kan plaatsvinden door het opdrijven of afbreken van stukken drijvende bodem of door het vormen van een vegetatiemat van drijvende planten. Beiden vormen van verlanding worden in aparte experimenten onderzocht.
Een plantensoort die veel voorkomt in het Nederlandse veenlandschap en daar dichte vegetatiematten vormt is krabbescheer. Deze rozet-vormende plant kan heel snel groeien en kan een structuur bieden aan andere soorten, om zo een dichte mat te vormen over het water. Krabbescheer drijft normaal gesproken in de zomer en overwintert op de bodem. We zien echter in verschillende delen van Nederland dat de planten in de zomer niet meer op komen drijven. Om erachter te komen waar dit aan kan liggen zijn verschillende experimenten gedaan. Uit het eerste deel, dat al is afgerond, is gebleken dat de planten soms veel kalk op de bladeren krijgen, waardoor ze zwaarder worden en zinken. Dit is het gevolg van de opname van bicarbonaat, een alternatieve koolstofbron die de plant gebruikt bij tekort aan CO2. Ook op de Volgermeer zou een tekort aan CO2 kunnen ontstaan. We volgen daarom ook planten die we in het veld hebben ingezet onder verschillende omstandigheden, zodat we kunnen zien in hoeverre deze planten op de Volgermeer kunnen bijdragen aan het verlandingsproces.

en drijvende bodems
Het inbrengen van drijvende bodems in de Volgermeer zou dit gebied geschikt kunnen maken voor meer typische veenvormende plantensoorten. Op dit moment is de pH in het gebied erg hoog, wat niet overeenkomt met de normale, (licht) zure omstandigheden van een veengebied. Door planten zoals veenmossen op een drijftil te laten groeien, komen ze niet in direct contact met het ongeschikte water, en kunnen ze een eigen habitat creëren. Uit laboratoriumproeven is gebleken dat sommige soorten veenmos geschikt zijn om op de Volgermeer te overleven, mits ze niet direct in contact staan met de waterlaag. Vandaar dat begin 2014 kunstmatige drijvers ingebracht worden waarop de veenmossen kunnen groeien. We beginnen hiermee op kleine schaal, om te testen of onze resultaten verkregen uit het lab ook in de praktijk zullen werken.

Dit onderdeel van het PeatCap onderzoek wordt uitgevoerd door Leon Lamers, Fons Smolders, Jan Roelofs en 
Sarah Faye Harpenslager van de groep Aquatische Ecologie van de Radboud Universiteit Nijmegen.