Afbraak van veen

Om uiteindelijk een dik pak veen te krijgen bovenop het folie moet de opbouw van veen groter zijn dan de afbraak. Hoe snel die afbraak plaatsvindt er waar dat allemaal vanaf hangt wordt onderzocht door de Universiteit van Amsterdam.

Veenvorming
In het onderzoeksgebied in de Volgermeer zijn verschillende soorten bodems aangebracht. Eén van deze bodemtypes, zand, is relatief voedselarm, waardoor planten er minder snel op zullen groeien. Ook zijn er verschillende waterkwaliteiten ingesteld, variërend van voedselarm regenwater tot voedselrijk polderwater. Wanneer planten tijdens hun groei genoeg voedingsstoffen krijgen, zullen ze sneller groeien. Aan het eind van het seizoen sterven veel planten af en komt er dood plantenmateriaal op de bodem te liggen. Doordat er onder water vaak minder zuurstof beschikbaar is, vertraagt de afbraak. Veen wordt gevormd wanneer er meer dood plantenmateriaal bijkomt dan er afgebroken wordt door waterdieren, bacteriën en schimmels. Deze levensvormen breken voedselrijk plantenmateriaal wel sneller af dan voedselarm materiaal. Om veenvorming zo veel mogelijk te stimuleren moet er dus een balans gevonden worden in de hoeveelheid voedingsstoffen die beschikbaar is voor de planten om de groei zo snel mogelijk te maken, terwijl de afbraak zoveel mogelijk geremd wordt.

M
icrobiële gemeenschap en macrofauna
Om de afbraak van dood plantenmateriaal te kunnen remmen is het van belang een goed inzicht te krijgen in de rol die verschillende organismen hierin spelen. Kleine waterdieren, ook wel macrofauna genoemd, zorgen er bijvoorbeeld voor dat het grove materiaal kleiner gemaakt wordt, terwijl microorganismen, zoals bacteriën en schimmels, zorgen voor de afbraak van het fijnere materiaal. Ieder organisme heeft zo zijn eigen rol in dit complexe proces. Door te onderzoeken welke groepen aanwezig zijn en hoe actief ze zijn onder variërende condities willen we een beter inzicht krijgen in hoe we veenvorming kunnen stimuleren. 

Zuurstof in de bodemZoals alle organismen op aarde hebben ook bacteriën, schimmels en macrofauna energie nodig om te kunnen leven. Deze energie kunnen ze bijvoorbeeld verkrijgen door dood plantenmateriaal af te breken. Wanneer ze dit doen in de aanwezigheid van zuurstof komt er meer energie vrij dan wanneer er geen zuurstof aanwezig is. Dit proces van energieoverdracht wordt ook wel oxidatie en reductie genoemd, kortweg redox. In de Volgermeer wordt op verschillende plaatsen de redoxpotentiaal gemeten op meerdere dieptes in de bodem, deze sensoren zijn te herkennen aan de witte kastjes die op palen in het water staan. Met behulp van deze metingen krijgen de onderzoekers inzicht in de processen die op kunnen treden in de bodem, zo kunnen ze bijvoorbeeld zien of er zuurstof aanwezig is. Aangezien zuurstof geproduceerd wordt door planten in het licht verwachten we dat er dieper in de bodem minder zuurstof aanwezig zal zijn, waardoor de afbraak van dood plantenmateriaal langzamer zal gaan. Ter vergelijking worden dezelfde metingen ook uitgevoerd in een goed ontwikkeld veengebied in de Weerribben.

Met behulp van al deze verschillende metingen proberen de onderzoekers meer inzicht te krijgen in de processen die van belang zijn voor veenvorming, om zo de Volgermeer weer te veranderen in een waardevol natuurgebied mét veenvorming.


Dit onderdeel van het PeatCap onderzoek wordt uitgevoerd door de vakgroep Aquatische Ecologie en Ecotoxicologie van de Universiteit van Amsterdam. De onderzoekers zijn Wim Admiraal, Harm van der Geest en Ciska Overbeek.