TJEN PAUWELS

 

ETIENNE, ALOYS, JULIA PAUWELS - SINT-NIKLAAS - 7.1.1942

 

HOOGKAMEREN

 

Op dertien mei 1945 nam mijn moeder me mee naar buiten en wees mij op een man die langs de velobaan naar ons toe stapte. ‘Allee’, zei ze ‘ga ne keer bij uwe pa.’ Ik bleef tussen mijn moeders rokken schuilen en verder herinner ik me niets meer van de thuiskomst van mijn vader uit Duitsland. Ik was op 7 januari 1942 op de wereld gezet. ‘Ne wree strenge winter, er lag wel ne meter sneeuw, zodanig veel dat ons Yvonne het niet overtuurde om te voet hare kerkgang te doen’. Cies Van Espen werd dan maar ingehuurd om ons met zijn vigilante ter kerke te rijden. Of er een doopfeest was weet ik niet. Het was oorlog, het eten was schaars. We woonden niet echt in de stad maar mijn peter Wies Pauwels werkte als dagloner bij de boeren, zodat er altijd wel aan wat melk te komen was. Mijn andere grootvader Mien Roggeman woonde nog verder op den buiten en hield een paar schapen, daar was ook wel melk te krijgen. Maar schapenmelk stinkt en koeienmelk riekt naar rochting in de winter.

 

Ik werd van horen zeggen, grootgebracht met schmoel- en bierpap en getroost met een suikerdodde. Een in een doekje gewikkelde substantie van suiker en water als fopspeen. Eind van 't jaar '42 vertrok mijn vader naar Duitsland, opgeëist om er te gaan werken.

Mijn moeder trok met mij bij haar moeder in op Hoogkameren nr. 17 naast het kapelleken van de H. Amelberga. Tante Mariëtte en Nonkel Hypoliet, mijn moeders zuster en broer woonden er ook.

 

Naar hun zeggen was ik een bleiter, een onrustig kind. Kwam het door de immer aanwezige oorlogsdreiging of door gebrek aan goed voedsel, wie zal het zeggen. Maar dat het oorlog was dat wist ik. Het was de tijd van de vliegende bommen. Petere Mien liep ’s avonds in de donkerde de hemel af te spieden naar brandende staarten van V1 raketten die over kwamen. Bleven ze hoog in de lucht dan kropen we op zijn teken met z’n allen onder de tafel. Zelf bleef hij buiten. Droeg over zijn hoofd en schouders een soort kaproen van zware jute en daarover een ovalen zinken bassin dat zijn hoofd en schouders moest bedekken tegen brokstukken of schrapnellen.

Alsof het gisteren was: ‘Vort’, alleman buiten, boven ons de heldere vlam van de V1 en het sputteren van de motor. Tussen mijn moeder en tante in werd ik meegesleurd en toen de staart van de raket plots uitdoofde ploft zij met mij tussen hen in op de grond. Doodse stilte, angst op de gezichten en verademing toen het ding boven ons hoofd toch zijn weg nog verder zette. Ontsteltenis op de gezichten van de vrouwen. Ze hadden zich pardoes op de sintelhoop laten vallen, de plek waar de schuif van de Leuvense stoof werd geleegd. Op Schrabillen valt ge niet zo zacht als in zavel en vanzelf dat ons moeder en tante Mariëtte hun knieën tot bloedens toe geschramd en gekneusd door hun kapotte kousen staken. Op Tereken is ze gevallen kwamen buren en vrienden ’s anderendaags met wijde gebaren en opgewonden stemmen ons vertellen.

Het was toen al duidelijk dat het huis op Hoogkameren een soortement gasthuis was. Het stond namelijk halfweg tussen Sint-Niklaas en Temse op de viersprong bovendien van de Romeinse heirweg die van Gent naar Antwerpen liep. Anders gezegd van de Kettermuit en de Hazendans naar Eigenlo en Velle. Met op het kruispunt de aloude herberg ‘Hoogkameren’ waar in vroegere tijden recht werd gesproken. Familie, kennissen - wie waren dat niet - die voorbij kwamen te voet of met welk vervoermiddel ook hielden bij ons halt. Dronken een glas pompwater, koffie of tafelbier, aten wat noten mee of mispels, een appel of een peer uit de bogaard en wisselden het goede of slechte nieuws uit. Wij hadden een radio! Soms kwamen mensen daar luisteren naar allerlei rare berichten. Op een dag stonden er op de hoek voor het café van Mie Colman twee mannen in een witte overal. Ene had een geweer om. Het was een zonnige morgen en ik was als eerste tot aan het hek gelopen en had ze zien staan. Ik beleefde weinig plezier aan mijn ontdekking want toen ik het verrukt in huis ging vertellen, mocht ik voor de rest van de dag niet meer den hof op. Toen ik een paar dagen later wakker werd stonden legerwagens zover ik kon kijken op de weg naar Eigenlo. Engelsmannen. Die kwamen bij ons ‘gasthuis’ langs om thee te zetten, om cacaodrank te maken, om zich te scheren, kortom er zat altijd wel een Engelsman bij de stoof aangeschoven. Uit hun zakken kwam chocolade en tuttefrut, sigaretten en tabak, nylonkousen voor de dames en vooral voor tante Mariëtte. Op een ochtend vond ik mezelf terug op de arm van een Engelse soldaat en stond de tafel vol met suikergoed, jinjieppekes muizekes en tutters, fondankskes, caramellen en chocolade postuurkes. Een onwezenlijke rijdom. Het moet Sinterklaas of nieuwjaar geweest zijn op het scheiden van 1944 en 1945.

 

HERTJEN 80

 

Toen het duidelijk werd dat de oorlog op zijn einde liep, verhuisde mijn moeder weer naar het huis van grootvader Pauwels, die daar woonde met zijn dochter Marie die eigenlijk Josephine heette en wier man Louis Van Rattinghe ook in Duitsland zat. Het huisje stond in een root van tien of zoiets met aan de voordeur een overtrapje boven de goot in rode baksteen om het schuurwater in te vegen. Van achteren was er ook zo’n goot waarin het afvalwater werd gestort. De goot verbond onderweg twee pompen. Goot en pomp waren een voortdurend onderwerp van gekibbel en gezaag. De ene had de goot niet geveegd en het afvalwater stond
dan voor de andere zijn deur en de andere had de pomp niet opgegoten en dan was er geen proper water. Men leefde er zij aan zij op mekaars lip met in het midden een strook grond, nauwelijks groot genoeg om wat te telen, wat de ene deed en de andere niet. Op het einde van de hofkes was er voor ieder een stalleke en een huisken boven de beerput. Naast ons woonde Maurice en Marie en daarnaast Marie Andries, die café en winkel hield.

 
Dat weet ik nog omdat Marie af en toe op mij paste. Marie was een lief menske maar hare Maurice nen bietekwiet die met zijn handen soms genen blijf wist. Toen nonkel Louis eind april 1945 uit Duitsland terugkwam betrok tante Marie weer hun huis op 't Stronthof, een dreef die dwars langs onze root liep en waarin een paar huizen stonden met op het einde de boerderij van de Kakken, met op de voorhof een groete mesthoop, vandaar. Toen mijn vader de 13de mei ook naar huis kwam, trok peteren Aloys bij de tante Marie in. Hij overleed er de vijfentwintigste mei 1947.
 

Omdat mijn vader en moeder gingen werken werd ik uitbesteed bij de familie Behiels in de Schoolstraat omtrent de Watermolen. Met een krakkemikkige tweedehandse kindervoituur waarvan het wiel om de twee straten afliep. Werd ik eerst te voet en in ’t vroegste van de morgen naar de schoolstraat gebracht. Waarna vader en moeder alweer te voet op weg gingen naar hun werk. De familie Behiels wou mij wel in huis nemen maar voor voeding en pisdoeken moest zelf worden gezorgd. Toen al was er de eeuwige spanning tussen kinderen krijgen, werken en kinderen uitbesteden.

 

Ons huisje bevatte twee kamers. Een voorkamer en een achterkamer. In de achterkamer werd gekookt, de was afgestookt en geschrobd op een wasbord, werd gegeten en alle andere dingen gedaan die in een huishouden moesten gedaan worden. Boven was er één slaapkamer, zelf sliep ik aan de andere kant van de zolder in een grote mensen bed. In de voorkamer stond een lavabomeubel met lampetkan en bijhorende waskom en langwerpige opbergbakjes voor zeep en andere dingen waar ik niet aan mocht komen. Het enige andere meubel was de bijhorende kleerkast met grote spiegel waaraan ik niet kon weerstaan. Ik vond het wonderbaarlijk om mezelf te zien bewegen, mijn tong uit te steken tegen mijn spiegelbeeld en allerlei grimassen te maken. Toen mijn moeder mij eens bezig zag, werd ik streng vermaand en kreeg verbod ooit nog in de spiegel te kijken. Als ik het toch deed zou de duivel er uitspringen en me meepakken. Toen ik het toch nog eens overtuurde verscheen er in de hoek van de spiegel plots een zwarte gedaante die mij de seskes deed krijgen van benauwdheid. Ik roefelde zo rap ik kon naar de stal om mij tussen de blokken stoofhout te versteken. Ik zat er nog maar justekes toen ons ma mij kwam halen: ‘Kom eens kijken wat hier allemaal voorbijkomt’. Een stoet van legerwagens: lichte tanks, vrachtwagens, kanonnen door auto’s getrokken, soldaten op motorfietsen, camions vol soldaten met geweren en mitrailetten . Een eindeloze stoet die zich door het vensterraam in de spiegel verdubbelde. Oef!

 

In het stalletje had ik, onder het stoofhout weggestoken gele boekskens ontdekt met veel tekeningen van grappige mannetjes. Ze werden me op een keer uit handen geritst, en alweer mocht ik dat nooit meer doen, erin kijken en zelfs niet aan iemand anders zeggen dat wij die in de stal bewaarden. Toen al heb ik geleerd dat het leven in hoofdzaak bestaat uit dingen die ge niet moogt doen.

Petere Wies had op een onderstel van mijn kindervoituur een houten bak gemaakt om kolen, groensel en patatten te vervoeren die hij bij de boeren waar hij werkte ging ophalen. Ik heb in die bak mijn halve kleutertijd doorgebracht. Ik herinner me ook nog hoe ik op een koude morgen aan zijn hand meeliep om in een steeg op ’t Brugsken met velen in een lange rij te gaan aanschuiven om een kannetje soep te halen. Evenzeer herinner ik mij een ochtend waarop vader van de zolder afdaalde, zijn beide handen als een schelp voor zich uitdragend met daarin een gans nest roze door elkaar woelende muizenjongen. ‘Rap den beerput in’ zei moeder. En zo gebeurde.

Vader had een bijzonder handig opvoedkundig foefje ontwikkeld. Wanneer ik de schapenwollen kousen niet wou aantrekken omdat ze zo jeukten, of mijn eten niet wou opeten, vertelde hij heel geloofwaardig dat hij een arm kindje kende dat de sokken maar al te graag zou willen. Waarna hij de sokken inpakte of met het eten naar buiten ging om het aan Fideelke te geven. Waarna ik oude-nieuwe kousen kreeg waarvan mijn moeder stellig beweerde dat het nieuwe waren zodat ik ze zonder morren aantrok of het eten met lange tanden toch maar opat.

 

   

HOOGKAMEREN 14  
 

Op een dag verscheen mijn vader met een stootkar voor ons deur. Tafels en stoelen werden opgeladen, de bedden uitgebroken, de kleerkast uiteengevezen en het boeltje opgeladen. Een paar keer om en weer en we waren verhuisd. We betrokken de woning van tante Yvonne en nonkel Amedé Vercauteren aan de Hoge Heirweg naast het kapelleke van Sint-Amelberga. Het officiële adres luidde echter: Hoogkameren 14. Later omgezet in Hoge Heirweg 2.

 
Het huis van Tante Yvonne was in mijn ogen een rijke mensenhuis. Het had een voordeur die nooit open ging. Iedereen kwam langs achter door een ijzeren hekje tussen onze hof en de kapel van Sint-Amelberga. Langs voor liep er een lange gang tot in het achterkamertje met links daarvan eerst een salon met blauwe pluchen clubzetels die tante Yvonne niet meer nodig had en daarachter, gescheiden door een dubbele deur met vitreaux de eetkamer. In het achterkamertje stonden vier stoelen en een tafel, een klein jachtvuur met oven. Aan de muur hing een schap met de gloednieuwe radio met oog. Daar luisterden we naar de voetbalreportages van Maurice Dieudonné, die sneller kon praten dan de bal vloog. In 1952 hadden de Olympische Spelen plaats in Helsinki. Onder de deelnemers een eigenste bewoner van de Houten Schoen, wielrenner José Pauwels die deel uitmaakte van de olympische ntionale ploeg achtervolging
Ondanks het wilde enthousiasme van reporter 17, Hubert van De Vijver haalde de Belgische ploeg de finale niet. Zondagavond waren de voetbaluitslagen vaste prik, want vader speelde op de Prior en later op Littlewoods. Nooit iets gewonnen.

 

Een deur gaf toegang tot een kelder die als koele berging dienst deed. Ooit kneep moeder de kat een stuk van haar staart. Bij het toetrekken van de deur raakte de staart gekneld tussen deur en omlijsting. Moeder trok rare ogen toen de kat luid krijsend en in volle vaart er vandoor ging. En nog rarer toen ze deur opende om te zien wat er scheelde en het staarteinde van tussen de kier viel. De kat kwam een hele week niet meer naar huis.

 

Buiten was er een glazen dak waaronder je droog naar het aanpalend gemak kon en naar de ruime en propere stal waar op een fornuis de was kon afgestookt worden, waar een groot jachtvuur stond om uitgebreide maaltijden te bereiden en waar het huishoudelijk werk zich afspeelde. Zo bleef het huis proper voor als er iemand kwam. Maar als het familie was kwamen die ook in de stal zitten of in den hof bij goed weer. Onze hof paalde aan die van grootmoeder Julia, die eigenlijk Maria heette maar Lie werd genoemd. Een paadje van aan onze achterdeur kronkelde over een gracht tot aan de voordeur van moeders vader en moeder. Een achterdeur was er niet. Omdat vader en moeder gingen werken woonde ik halvelings bij pitte Lie en petere Mien.

 

Ik ben naar het schijnt ziek geweest daar in het huis aan de Heirweg: Longontsteking. Het enige wat ik mij er van herinner is dat ik op een voormiddag wakker werd in mijn witte bed en dat over mij een zwaar heerschap stond gebogen met een snor en een brilletje: dokter Piëtte. Ik zou de man nog heel vaak over de drempel van onze volgende woningen zien komen.

 

HOOGKAMEREN 17, één huis , twee hovingen

 

Het huis had het uitzicht van een soortement landhuis met halfverheven pilasters die geregeld in een soort oker werden gezet. Men mengde dan een emmer witsel met een okerachtig poeder tot de juiste tint werd gevonden en ging aan de slag. Onderaan werd haast vanzelfsprekend een halve meter zwartglanzende pek over de hele lengte van de gevel gesmeerd, tegen het vocht. Mijn werk als kind bestond in het schilderen van de ramen in fel groen en af te biezen met gele verf van het soort eigeel dat moderne kiekens niet meer produceren. Voor het huis liep een plansier van twee dals breed en een breed pad dat diende voor alles wat moest verplaatst en verreden worden. Op het einde, een uit bakstenen opgetrokken vuuroven om de was af te stoken. Aan de rechterkant het gemak met plank en gat waarvan de deur klemde en dus altijd een kwart bleef openstaan. Dat was praktisch want zo kon men altijd zien of er iemand op het hof kwam, en wie voorbij reed of ging: De mannen van den Boel, dagelijks in een lange rij, aan koerstempo waarbij je al van ver Charel Heirbaut kon herkennen aan zijn heel bijzondere zit op de fiets en de wijze waarop hij met zijn hielen achter de trappers haakte. Of de donderdag, een grote donkere gesloten camion die elke donderdag rond hafdrie voorbij reed en stukken vracht vervoerde vanuit Brussel naar Sint-Niklaas. Zo genoemd door mijn grootvader omwille van zijn onwrikbare middelmaat en stiptheid, toen al eigen aan UPS.

Ernaast, het schapenkot met gemeenschappelijke beerput die jaarlijks werd geleegd om het grasland te bemesten waarna het lag bestrooid met halfvergane, vaalbruine stukken gazetpapier. Er was een voorhof, netjes doormidden gesneden door een weg die naar het hekken leidde aan de straatkant. Het was een dubbel hek van zwaar smeedwerk. Elk jaar werd het zwaarder omdat er een laag groene verf bovenop werd gelegd. De ringen en halmen die als versierselen dienden moesten naar traditie in blinkend eigeel het hekwerk opfleuren.

 

Voor de doening liep langs de straatkant een gracht, van aan het kapelleke helemaal tot aan het einde van het hof waar hij uitmondde in de Barbierbeek. Die verdween onder de steenweg door en vloeide aan de overkant tussen de akkers en de weiden door tot aan de Laarstraat en verderop naar Bazel. Van achteren in den hof lag een vijver waarover een mispelaar zijn takken uitstrekte en enkele treurwilgen zich over het immer kroosgroene water bogen. In de vijver die wij gemeenzaam de put noemden lagen restanten van zwaar metselwerk. Naar men mij vertelde waren het de resten van een soortement ingangspoort waaraan vroeger het hekwerk was bevestigd. Ik wist in mijn fantasie door deze poort gehelmde ridders aankomen en fiere jonkvrouwen met punthoeden van hun ranke rijdieren afstijgen. Want zo werd verteld, het huis van mijn grootouders Roggeman had ooit deel uitgemaakt van een kasteel. Al was dat misschien veel gezegd. In elk geval bevond het zich op het grondgebied van het voormalige Pachtgoed dat in het beste geval misschien een kasteelhoeve was geweest die afhing van de heren van Walburg. Vandaar misschien de heraldieke groen en gele kleuren.

 

Rond en tot in de put groeide lis en biezen, waarmee je kon vlechten. Pinksterbloemen, koekoeksbloemen, boterbloemen en paardebloemen waarvan je de pluisjes zo heerlijk kon laten wegdrijven in de wind. Er omheen allerlei struikgewas en naar achteren tegen de Barbierbeek aan groeide voorwaar een klein bos met  hazelaren, sparren, katwilg en haagbeuk en egelskop die je ongezien op iemands kleren kon plakken. En Sneeuwbes die we ook klapbeezen noemden omdat ze zo lekker knapten tussen je vingers. Van aan de put naar het huis toe bevond zich een grasveld dat gebruikt werd als weide voor de schapen maar ook  om de was op te hangen tussen staken die met elkaar waren verbonden met koorden. Opdat de lakens niet tot op de grond zouden hangen werden op gezette plaatsen de koorden omhoog gehouden door vorkvormige stokken. Er stond nog een huizenhoge perelaar die flippen voortbracht en aan de straatkant een pruimenboom waaruit je in de meimaand een handvol meikevers kon schudden. Mulders en bombaars te over. Toen ik op een dag rond de put liep te struinen kon ik nog net een kronkelende paling ontwijken die uit de put door het gras op weg was naar de beek voor ons hof om vandaar de Barbierbeek te bereiken op weg naar de Atlantische oceaan, zo leerde ik later.

 

Er stonden een paar houtmijten langs de kant. Tussen deze en mijn peters duivenkot stond een kerselaar danig in de weg voor het vallen van de duiven. Dus gingen alle mannenmensen buiten het zicht van de vrouwen er tegen pissen, tot hij zo rot was als een mispel en wel moest omgehakt worden. Bovenop het golfplatendak groeiden donderblaren, zurkel, die de doening moest beschermen tegen blikseminslag en ander onheil. Maar bovenal spreidde een vlierstruik zijn takken b

reeduit over het duivenkot en de schapenstal. Dat heb ik geweten. Vliersiroop blijkt immers goed te zijn voor alle mogelijke kwalen, inzonderheid borstvallingen.

 

 

Vliersiroop maken was dan ook een jaarlijks weerkerend ritueel waarvoor zelfs tante Marie naar ons hof kwam. Zij was immers in het bezit van het onontbeerlijk molentje dat het sap uit de vlierbessen perste en het afval van de struik aan de andere kant uitbraakte. Een kwalijk ruikend en vies werkje dat nog afschuwelijker ging stinken wanneer het vliersap in een grote ketel werd overgegoten, ingedikt en gesuikerd en op de Leuvense stoof tot koken werd gebracht.

De voorhof was van de weide gescheiden met een draadafsluiting en een hekje. Er groeiden  twee perelaars, één met kleine roodachtige lekkere, en één met kanonballen, grote grove peren die op zolder werden bewaard om in de winter te worden gestoofd.

Er was maar één deur waarmee je dadelijk de zwart-wit betegelde vloer van de woonkamer betrad. Tussen de deur en de links gelegen opkamer stond de tafel met bruin gespikkeld blad waarop steevast enkele vliegen zich tegoed deden aan broodkruimels en koffievlekken. Tussen de deur en de tafel stond een meer dan manshoog schutsel, even hoog als de deur, om de trok buiten te houden. Het huis stond immers pal alleen in de wind die lelijk kon huishouden onder de pannen van de twee zolders. De opkamer bevond zich boven de kelder die meer onder water stond dan dat hij als bergplaats diende. Er hing een soort muffigheid die ook de opkamer doortrok en naar schimmel deed ruiken. Het bed van petere Mien  stond net gepast tussen buiten- en binnenmuur naast een venster dat op de voorhof uitzag en kon worden opengeschoven. Het kon ook open blijven staan als men er een stuk hout tussen stak. Er stond een lavabo, zo genoemd omdat bovenop een onderkast een opstaande spiegel was vastgemaakt. Op het blad, een lampetkom met waterkan en met het onvermijdelijke tweespan: zeepbakje en kammenhouder op een onderlegger van kunstbreiwerk. Ik heb die dingen nooit weten gebruikt worden, tenzij wanneer den doktoor in huis moest zijn. Op een plankje, een reukstel in gekleurd glas met een pompje als kwast vermomd en een poederdoos voor als tante Mariëtte zich moest opmaken. Zich wassen deed men in de stal aan de pomp, of als het echt buiten te koud was in het achterhuis dat dienst deed als keuken en wasplaats. Het was een ruimte die in het verleden wellicht gebruikt werd als voorraadplaats met een vloer van rode baksteentjes. Het was er koel want er was geen raam maar ook geen mogelijkheid om vuur te maken. Daar kwam verandering in toen butagas zijn intrede deed na de oorlog. Op die manier werd het achterhuis een keuken, althans een plaats waar kon worden gekookt zodat dit niet meer diende te gebeuren op de Leuvense stoof in de woonkamer. Toch heb ik nooit lekkerder appelbeignets gegeten dan deze die in ossenvet op de stoof waren gebakken terwijl het water me nog in de mond komt van gestoofde appelen in de oven rond de gloeiende vuurpot.

 

Van in het achterhuis leidde een trap naar de zolder waar tante Mariëtte en nonkel Hypoliet sliepen. Op weg daar naar toe ging pitte Lie mij voor, mij onder haar rok een vrij uitzicht biedend op haar kwabbelende billen met daartussen een toef zwart kroeshaar. Het was dan dat ik ontdekte dat vrouwen er vanonder anders uitzien dan jongetjes of mannen. Dat laatste wist ik want ik ging geregeld kijken wanneer Peter Mien tegen de kerselaar stond te pissen

In de woonkamer bevond zich naast wat stoelen, een tweedelige keukenkast uit bescheiden hout zonder veel fiorituren en houtsnijwerk. Daarnaast een hoog kastje met een deurtje dat maar sloot wanneer je er een stuk dubbelgevouwen papier tussen stak. Maar daar bovenop stond het pronkstuk van de kamer: de  radio, merk Barco. Verbonden met een antenne, vastgemaakt aan een elektriciteitspaal op straat. Het ding werkte af en toe maar floot en piepte meer dan er muziek uitkwam en het zoeken naar een zender die dat produceerde was een precieus werkje. Het nieuws van binnen- en buitenland bereikte aldus onze uithoek. Tijdens de oorlog was Hoogkameren 17 een veel bezocht huis waar allerlei personen naar de meest uiteenlopende en onbegrijpelijke boodschappen kwamen luisteren al of niet met papiertjes in hun schoenen zoals madame Snoek, een Hollandse die getrouwd was met één van de ingenieurs van de Boelwerf. Belangrijkste uitzending op zondagochtend: het lossen van de duiven. Op gans Hoogkamerenhoek was het geen enkele huisvrouw gegeven op zondagmorgen de was buiten te drogen te hangen. Een ongeschreven en op straffe van gloeiende burenruzie best na te volgen wet.

 

Links naast de woonkamer was de slaapkamer van Pitte Lie met de donkere houten kleerkast, hoog en breed. Onderaan twee laden zo breed als de kast, nauwelijks open te krijgen omdat ze langs alle kanten klemden en de koperen handgrepen veel te ver uit mekaar stonden. Aan de straatkant, een venster waaronder schimmelend behangpapier met de loslatende bepleistering van de bocht. Het was er altijd ijzig koud en vochtig, zelfs in de zomer of als het nog maar gewoon regende. Aan de linkerkant van het huis was een grote dubbele stalpoort met een raampje. Groot genoeg om met een koets, een boerenkar of een hooikar binnen te rijden.

 

Er stond een allegaartje van voorwerpen waarvan de meeste verboden waren voor grijpgrage kinderhanden. Een redelijk goed uitgeruste schrijnwerkersbank, een houten wasmachine met draaiende schotten aangedreven door een electromotor. Allerlei alaam om het land te bewerken, wijmen manden, emmers, Keulse potten en alles wat petere Mien ook maar kon gebruiken om te fotteren. De stal deed ook dienst als kraamkamer voor de ooien en ook de lammetjes vonden er een tijd lang een onderkomen tot ze hadden leren drinken. Eigenaardig toch, in onze weide liep er altijd minstens één zwart schaap.

Rechts bij het binnenkomen stond de pompbak met hengel waar men zich in de zomer waste en toilet maakte. links leidde een ladder van dennenstammen betimmert met stevige sporten naar een oude zolder, ooit een hooizolder of tas maar in mijn kindertijd volgestouwd met de meest uiteenlopende rommel. Af en toe herinnerde zich iemand dat daar toch nog iets bruikbaars in een grote houten koffer zat en werd deze zolder voorzichtig betreden. Zeer voorzichtig want men trapte zo door de rotte planken heen waardoor men geklemd raakte tussen het riet dat als isolatie tussen vloer en plafond was aangebracht..

Zoals gezegd liep naast het huis een weggetje dat over een beek voerde naar de hof van ons huis aan de Heirweg. Ook daar was een groenselhof en een boomgaard waar vader perziken fruitierde aan een zestal bomen. Heel vroeg in de ochtend wanneer de vruchten rijp waren plukte hij ze, legde ze voorzichtig in een bakje, netjes van mekaar gescheiden door gazettenpapier. Bond ze op het stoeltje van zijn fiets en leverde ze onderweg naar het werk af bij Alice Bekaert, groenten en fruit, op het Brugsken. ’s Avonds kwam hij een litanie van verwensingen en vloeken afstekend thuis omdat hij was gaan kijken aan hoeveel Alice zijn perziken verkocht. Uitrekenend hoeveel hij er maar voor had gekregen dreigde hij voor de zoveelste keer de perzikenbomen uit te roeien, waarna hij mokkend een paar glazen bier achterover sloeg en aan een nieuwe voor begon in de groenselhof. Ook wij hadden een perelaar met dubbel fluppen en meer naar achter appelbomen, cox, en claps en renetten die als ze niet opgegeten waren door de maden ook bij Alice Bekaert belanden.

 

Wanneer Sinksen naderde werd iedereen plots actief daar op Hoogkameren. Bertha Vercauteren die met haar man een grote boerderij uitbaatte met gelagzaal op de andere hoek van de Heirweg; veegde het bruine zeepsop waarmee ze de gelagzaal had geschuurd het pui van het café af; gevolgd door emmers spoelwater waarmee het plansier verder werd proper geschrobd. Aan de overkant deed Mie Colman krak hetzelfde. De ramen werden gezeemd, het gras gemaaid in de bleek, karren en kruiwagens aan kant gezet. Dan kwam Pitte Lie te voorschijn met de sleutel van de kapel van Amelberga. Krakend ging de dubbele deur open. De kobbejager werd gehanteerd, de stoflap over alle heiligenbeelden gehaald, het koper opgeblonken en het vuil met ettelijke emmers water buitengejaagd. Daarna werd het mansvolk opgedragen de omgeving van de kapel onkruidvrij te maken en te rijven in evenwijdige repels. Nadat alles door de tantes De Strijcker was gekeurd, nog een vaasje verzet en de kandelaars van kaarsen voorzien, was de kapel op een paar dingen na klaar. Nu moest de bloemenkrans rond het Amelbergabeeld worden gemaakt. Honderden roosjes uit crèpepapier heb ik geknipt en gedraaid, rode, gele en witte die aan een ijzeren krans werden vastgemaakt met ijzerdraad tot de H. Amelberga in een ware bloemenkrans stond te pronken met naast het beeld in vazen geschikt de speciaal voor de gelegenheid gekweekte gladiolen. Op het laatst werd wit zand in sierlijke krullen op de kapelvloer gestrooid. En niet te vergeten de grote platte offerschaal in het midden van de vloer geplaatst. Het was nu wachten op de jaarlijkse Wegom.

 

foto van het Amelbergagenootschap

De Wegom, is een bedevaart ter ere van de H. Amelberga, patrones van Temse van ca. 23 km langsheen de grenzen van de vroegere parochie Temse, met 9 kapelletjes: 8 ter ere van de H. Amelberga, 1 ter ere van O.L.Vrouw van Zeven Weeën. Hij wordt al eeuwenlang gegaan ter ere van de H. Amelberga, patrones van Temse. Volgens de legende stak de zij ter hoogte van Temse de Schelde over op de rug van een steur om te ontkomen aan Karel Martel, die haar wilde huwen. Zij overleed te Temse op 10 juni 1772 en werd begraven in de kerk, die zij volgens de overlevering heeft opgedragen aan O.L.Vrouw.de H. Amelberga is de beschermheilige of patrones van de gemeente en de wegom Temses oudste traditie. Zijn wortels gaan wellicht terug tot de 11de eeuw, toen het stoffelijke overschot van de H. Amelberga werd overgebracht van Temse naar de Sint-Pietersabdij van Gent. Het eerste onaanvechtbaar bewijs van zijn bestaan dateert uit 1323: toen werd geschreven dat de bedevaart sedert onheuglijke tijden plaatsvond. De Wegom groeide uit tot een druk bijgewoonde bedevaart, waaraan ook muzikanten, goochelaars en potsenmakers deelnamen. Men ging hem niet enkel te voet, maar ook te paard en met de huifkar. Nog in de 19de eeuw was hij met zijn verscheidene duizenden deelnemers (onder wie ook buitenlanders) één der belangrijkste bedevaarten in Vlaanderen. Zoals zovele aloude religieuze gebruiken onderging hij na Wereldoorlog II de gevolgen van de ingrijpende maatschappelijke verschuivingen Van 1960 af werden voor het eerst geen honderd deelnemers genoteerd op de derde Sinksendag; het gemiddeld aantal bedevaarders op die dag (inmiddels tweede dag na Sinksen) bedraagt momenteel ca. 60. Het recordcijfer na Wereldoorlog II situeert zich in 1956: naar aanleiding van de opstand in Hongarije namen toen 800 bedevaarders deel. Tweede Sinksendag is momenteel nog de enige dag, waarop de relikwieën van de H.Amelberga worden meegedragen. De wegom vindt driemaal per jaar plaats: zaterdagnamiddag om 12 uur vóór Pinksteren en maandagochtend (voor 1990, dinsdagochtend) om 4.30 uur. na Pinksteren en op de zaterdagnamiddag om 12 uur voor de laatste zondag van september, steeds met als vertrekpunt het marktplein. De organisatie berust bij de plaatselijke H. Amelbergagilde, die in 1861 werd (her)opgericht, maar waarvan de wortels  teruggaan tot de 10de eeuw. De gilde bestond doorheen de eeuwen onder verschillende benamingen en werd dikwijls na een periode van verval heropgericht. Reeds in de 10de eeuw was er in Temse sprake van een Vrije Compagnie van de Heilige Amelberga.

 

OP HET KRUISPUNT

 

 

Geen koers die langs onze kant van ’t stad werd georganiseerd of zij deed Hoogkameren aan. Start en aankomstplaatsen, Velle, Brugsken, Temse moesten hun parcours willens nillens langs onze hoek laten passeren. Wie van deze plaatsen naar Temse of naar Sint-Niklaas wou kon Hoogkameren niet vermijden. Toen op een gegeven moment stadsbussen werden ingelegd was het maar logisch dat het kruispunt als eindbestemming van een route naar het centrum ging fungeren. De lijnbus tussen Sint-Niklaas en Antwerpen-linkeroever verbond het centrum van Temse met Sint-Niklaas. Die van Velle moesten het zien te rooien met de benenwagen of met de fiets. Zo deed het hof van Mien Roggeman en Lieken De Strijcker al gauw dienst als fietsstalplaats voor wie de bus diende te nemen. Voor een kleinigheid werd de fiets gestald en wie te voet ging sloeg het hof toch niet over al was het maar om de laatste nieuwtjes uit te wisselen. Mijn grootmoeder functioneerde bovendien als een soortement sociale werkster. Men was bij haar aan het juiste adres om kinderen halen, zieken te verzorgen en lijken af te leggen. Met de moderne tijd en met het krammikkige ouder worden, werden haar deze taken uit handen genomen. Maar op een andere manier bleef zij in de buurt functioneren door voor ieder die het vroeg kousen te breien, onderleggers en lappen in kunstbreiwerk te maken en bedspreien te haken. In de zomer zat zij steevast in de voorhof haar werk te doen. Dermate uitnodigend dat geen passant van Wardje Verstraeten tot Jef den Houten – die kon vloeken als tienduizend ketters –  of Stef De Ridder het hof voorbij ging. Nero, de hond, bond zij aan haar rieten zetel vast of plaatste de poot van de zetel in de lus van zijn leidsel. Pas later heb ik geleerd dat Nero er eentje was van het ras dat in Engeland dienst doet als herdershond om schapen bijeen te drijven. De schaapherder die met zijn kudde vaak langs het hof voorbij kwam gebruikte daarvoor schepers van een onduidelijke afkomst. Hun passage was voldoende om Nero’s oerinstinct wakker te maken al was daar eigenlijk niet zoveel voor nodig. Een boerenkar vergezeld van een hond, een voorbij lopende kat of een dolend kieken was voldoende om hem op stang te jagen. Wanneer pitte Lie dan even was opgestaan verdween Nero achter het betreffende dier aan al of niet met zetel naargelang de situatie. Ik werd dan vlug opgetrommeld om hem met de fiets achterna te gaan, zover het hem beliefde. Toen tante Mariëtte huwde ging zij in de Hertestraat wonen, toch wel een halfuurtje gaans. Toen de hond ‘s anderendaags nergens te bespeuren viel en ook de dag daarna niet kwam opdagen, werd ik naar de Hertestraat gestuurd. En ja hoor, Nero zat netjes aan de voordeur van het pas getrouwd koppel ter wachten.

 

Het kruispunt deed ook dienst als verkooppunt voor wie brood en versnaperingen als peperkoek, speculaas, beschuit of keukenwaren als margarine, en dergelijke waren nodig had. Bakker D’Hooge had er zijn stopplaats en ook nonkel Florent Volckerick die eerst voor De Biekens marchandeerde en later met een hemelsblauwe Jeep rondtoerde voor Lilan, bevoorraadde wie wat nodig had. Aan het café van Mie Colman, sleet hij chocoladerepen en koekjes want chips waren nog niet uitgevonden.

Nonkel Florent Volckerick was gehuwd met Gusta Roggeman de jongste zuster van mijn pitte Lie en baatte op Velle een groothandel uit in dergelijke waren. Hun huis met magazijn staat nog altijd ter plaatse te verkrotten.

 

We kwamen er bijna wekelijks aan huis omdat de familieband nu eenmaal gebood dat we daar inkopen deden. Al werd de winkel van Anna Fien op Hoogkameren door mijn moeder eerder gefrequenteerd, omdat zij als werkende vrouw geen tijd had om telkens naar Velle inkopen te gaan doen. Na het werk werd ik dan ook vaak naar daar gestuurd om wat in de keuken ontbrak gauw te gaan kopen.

Op het kruispunt kruisten zich ook twee families. Er was immers nog een nonkel Florent, de jongste broer van mijn petere Mien Roggeman. Ook hij woonde op Velle en baatte er een keuterboerderij uit, die een paar huizen voorbij de woning van de andere nonkel Florent eveneens staat de verkommeren zoals zij door haar bewoners werd achter gelaten. Dat waren nonkel Florent, de jongste broer, nonkel Frans de oudste broer en Achiel Van Mele, een boerenknecht die inwoonde. Tante Die of Maria Elodia, die ooit bij de Blauwzusters was ingetreden maar wegens haar zwakke gezondheid uit het klooster was ontslagen, woonde er eveneens maar was om dezelfde reden al eerder overleden. Nonkel Frans stierf in 1954 en Nonkel Florent in 1984.  

 

Traditioneel deden zij Hoogkameren aan bij elke reis naar de markt in Sint-Niklaas. Zelf heb ik al te vaak de weg naar Velle gedaan. Hetzij met de fiets naar de ene nonkel, hetzij met de kruiwagen of met de pierewiet om stro of om zaaigoed bij de andere nonkel.

Emmerance Roggeman trouwde met ene Kamiel De Cauwer. Zij hadden een zoon Victor die met Philomena Verwulghen trouwde. En die hadden op hun beurt dan weer een zoon die  José De Cauwer heet en nationale bekendheid verwierf als wielrenner, ploegleider en TV-commentator. De zusters Maria Amelberga en Clementina Roggeman huwden twee broers Petrus en Jozef Van Mele. En al dat volk kwam bij Mien en Lie over de vloer.

 

DE WINNICKENSDREEF

 

Men kan zich afvragen hoe deze dreef aan zijn  naam komt. Op het Brugsken liepen nogal wat dreven de velden in en ze droegen allemaal de naam van een familie: Vermeirensdreef, de pater Hendrickxdreef of de Molendreef omdat de dreef naar de witte molen leidde en deze werd uitgebaat door de familie Hendrickx. Vermits in elke familie eertijds wel een pater voorkwam ligt ook dit wel voor de hand.

Maar de Winnekensdreef, zoals ze in de volksmond werd genoemd, hoe komt zij aan haar naam? Als de andere dreven naar families waren genoemd waarom dan deze niet? Luisteren we eens goed naar de volksmond en horen we dan niet iets als de familienaam De Winne of Dewinne. De kinderen van De Winne, zouden dat dan niet De Winnekes kunnen zijn, in het geval van ongehuwde dochters bijvoorbeeld. Het middeleeuws woordenboek brengt dan uitsluitsel want ‘winne’ of ‘winner’ en ‘de winne’ betekent landbouwer, veldwerker. De Winnekesdreef is dus genoemd naar de landbouwfamilie De Winne, waarbij het voorzetsel ‘de’ in de volksmond gaandeweg werd vervangen door het lidwoord ‘de’. En zo werd het uiteindelijk ‘Winickensdreef’. Zoals het in het trouwboekje van mijn ouders is geschreven.

 

Het zou ons volgend adres worden. Tante dik Yvonne en Nonkel Amedé Vercauteren wilden van hun café af. Dat werd mijn vader zonder veel complementen meegedeeld. Edoch er was een oplossing! Tante Liza De Strijcker, de zogenaamde zuster van tante dik Yvonne, die eigenlijk Thielens heette, zou het café overnemen. Terwijl zij hun woning op Hoogkameren terug betrokken konden wij in het huis van tante Liza en Nonkel Oscar Speleman intrekken. Zo was alles op voorhand beslist en geregeld en werd opnieuw bij Gustjen D’Hondt een stootkaar besteld teneinde onze intrek te kunnen nemen aan de Winnekensdreef nr. 13, het huis naast Pé Verstraeten en zijn vrouw Josephine van Der Gucht. Het huis leek op dat van tante Yvonne maar met maar een klein koerke onder een glazen dak en verder een hofke van niets. We hebben er maar een paar jaar gewoond tot 1952 ongeveer. In die jaren echter onderging de stad de meest ingrijpende verandering uit haar naoorlogse  geschiedenis

 

Zoals gezegd woonden we naast Pé Verstraeten, de allerlaatste lantaarnaansteker van de stad. Elke avond en ’s ochtends vroeg deed hij zijn ronde, op de fiets gewapend met een lange stok waaraan een soortement haak was bevestigd waarmee hij de knoppen van de schakelaars kon omlaag halen of omhoog duwen. Want zover waren we al in Sint-Niklaas, de lantaarns werden elektrisch bediend. Toen een paar jaar later de Schoolstraat als eerste straat neonverlichting kreeg was het ver afgelopen met Pé’s loopbaan als lantaarnaansteker.

Mijn vader was het eeuwige verhuizen strontbeu geworden en was op zoek gegaan naar een arbeidershuisje om te kopen en om zich daar dan definitief te vestigen. Hij vond dit op het toenmalige Brugsken 293, rechtover de Kleine Breedstraat en naast en rechtover drie café’s, in de onmiddellijke buurt van zijn broer en zuster, Nonkel Amédé en Tante Marie.

 

BRUGSKEN 293

 

Omdat nog veel familieleden en hun kinderen, vrienden en bekenden nog in leven zijn, heb ik besloten de verdere lotgevallen van mezelf en mijn familie niet openbaar te maken.

Subpagina''s (1): VAN DIT EN DAT
Comments