STAF PAUWELS

 

DE PAULUSZONEN DEEL II
Een naar waarheid verteld verhaal
 
 

VAN LAUWERSHOEK NAAR ’T HERTJEN

 

 

Gustaaf Pauwels werd geboren op dinsdag 19 november 1913 als zevende kind van het echtpaar Aloysius Pauwels, afkomstig van Bazel en Maria Leontina De Kreymer, geboren te Sint-Gillis Waas maar dienstmeid te Temse. Beiden huwden te Temse op 17 juni 1899 en betrokken daarna een woning op Lauwershoek nr. 10.

 

Gustaaf werd genoemd naar een eerder overleden jongetje dat in 1912 amper tien dagen leefde en nadat een jaar eerder een meisje dood was geboren. In 1902 was Petrus ook al vroegtijdig gestorven zodat van de zeven kinderen er maar vier overleefden: Eduard (°1901), Amedé (°1906), Josephine Maria (°1909) en Staf (°1913). Alle kinderen werden in Temse geboren en er ook ingeschreven zo blijkt uit de akten van het gemeentearchief te Temse. Aloyis staat er vermeld als boerenknecht. Uit gegevens van het gemeentearchief blijkt ook dat het gezin Pauwels – M.L. De Kreymer naar Sint-Niklaas verhuisden op 27 augustus 1914. Dat wordt bevestigd door een getuigschrift van goed gedrag en zeden uitgeschreven door het stadsbestuur van Sint-Niklaas op 23 februari 1919. Waarvoor dit getuigschrift moest dienen blijft in het ongewisse. Het is door grootvader gehandtekend wat wil zeggen dat hij in elk geval zijn naam kon schrijven. Zijn oudste zonen konden dit allicht ook maar waren verder niet geletterd. We kunnen aannemen dat ze nauwelijks school hadden gelopen gezien de afstand tussen Lauwershoek en de dichtstbijzijnde school in Temse of Bazel. Wanneer het gezin in Sint-Niklaas komt wonen wordt Stafke naar de stadsschool op de hoek van de Kleine Peperstraat en de Kalkstraat gestuurd waar hij in elk geval enig onderwijs geniet en leert lezen en schrijven en rekenen.

 

 

Schrijven zal altijd een probleem blijven, werkmanshanden zijn niet gemaakt om fijnzinnig om te gaan met een pennenstok. Bovendien zo vertelde hij tijdens familiebijeenkomsten maar al te vaak dat vader Aloyis nog in ’t gevang had gezeten omdat Stafke thuis was gehouden om mee te helpen bij de boeren waar vader Aloyis knecht was. Wat ik mij nog herinner is dat grootvader, alhoewel al gepensioneerd als knecht is blijven werken op een boerderij in de toenmalige Hertestraat, zowat rechtover de dreef die leidt naar Puytvoet. Op eenentwintig november, twee dagen na zijn veertiende verjaardag ontvangt Gustaaf zijn arbeidsboekje in het kader van de wet op de kinderarbeid. Als adres staat vermeld: Hertjen 72.

Hij kan als leerjongen en later als garçon (helper van de wever) aan de slag bij Peeters, Van Houtte en Duyver, tissages de velours et de tapis teinturerié, het zogenaamde Zwijgershoekske genoemd naar het café op de hoek van de Zamanstraat en de fabrieksingang. 

 

 

 

 VAN VELLE NAAR DE KAUWSTRAAT EN HOOGKAMEREN

 

Op15 april 1915 trouwen te Temse Domien Roggeman, voerman en Maria Julia De Strijcker, beiden wonende te Temse Velle. Zij verhuizen kort na hun trouwen naar Sint-Niklaas waar Domien aan de slag kan bij de steenbakkerij Scheerders Van Kerckhove, verenigde fabrieken.

In de Kauwstraat nr. 6; zo blijkt uit het arbeidsboekje dat op haar verjaardag, tweeëntwintig september 1931 aan de veertienjarige dochter Yvonne wordt uitgeschreven. Het gezin Domien Roggeman – Maria Julia De Strijcker woonde er met hun twee zonen en twee dochters. René (°1914 te Temse Velle) Yvonne (°1917 te Sint-Niklaas) Mariëtte (°1924) en Hypolite 

(°1925), deze laatsten ook geboren te Sint-Niklaas en nog nog altijd in goede gezondheid genietend van hun oude dag. Het gezin verhuisde later naar een doening gelegen te Hoogkameren 17, in een bocht van de kasseiweg naar Temse, naast de kapel van Sint-Amelberga die nu nog altijd het nummer 15 draagt. Het huis was eigendom van een Brusselse, dame die jaarlijks om de pacht kwam en had zowat de allure van een koetshuis.

Het oogde aan de buitenkant fraai met halfverheven zuilen op de gevel, elk jaar keurig in een okerachtig geel gezet en ramen in frisgroen afgeboord met blinkend eigeel. Onderaan de traditionele zwarte teerstrook. Een grote poort en een imposant hekwerk alweer in groen en geel gaven het geheel de allure van iets wat het in werkelijkheid niet was. Een tuin met fruitbomen liep langs de straatkant tot aan de Barbierbeek en een mispelaar spreidde zijn takken over een met kroos en lis overdekte vijver. Het geheel was een lust voor het oog.

 

 
Dat vond ook onze Staf Pauwels die er van uitging ‘dat er in dat villaatje toch wel gegoede mensen moesten wonen’. Laat het nu zo zijn dat Yvonnenetje Roggeman door haar moeder Lieken De Strijcker, die eigenlijk Maria heette maar Julie werd genoemd, als dienstmeid werd voorgesteld bij haar bazin van breigoederen Janssens - Van de Vijver, aan de Antwerpse Steenweg. Laat Stafke Pauwels nu op weg naar ’t Zwijgershoekske daar elke dag voorbij rijden en laat Yvonneke dan dagelijks het beddengoed van madam luchten juist als Stafke daar voorbij komt.  Maar er zat een heel slimme strategische kant aan het verschijnen voor het raam. Wanneer alles met de maandelijkse hormonale cyclus in orde was, zwaaide Yvonne breed lachend. Maar wanneer een en andere over tijd liep, verscheen een bedrukt nee knikkend gezicht. Staf zal dan voor de rest van de dag niet aan te spreken geweest zijn…

  

               

 LEGERDIENST

 

Maar verder in het Interbellum zullen het ook wel voor de families Pauwels en Roggeman zorgeloze jaren zijn geweest, getuige de vele foto’s van gelukkig uitziende mensen op uitstapjes naar hier en ginder. Staf trok vaak op, zo vertelde hij maar al te graag, met leeftijdsgenoten uit de buurt zoals de gebroeders Miel en Frans Van De Walle, Amedé Stout en Fons ‘de fokken’ Van Royen.

Zij supporterden voor Staf Van Overloop en voor Jeanne Van Dam die zo hard kon rijden dat veel mannenmensen haar niet konden volgen. Bezochten de wielerbaan langs de Antwerpse Steenweg, gingen naar de Hippodrome en waren te vinden op alle kermissen en wijkfeesten.

Ondertussen liet de gemeentelijke overheid toch al aan Stafke weten dat hij op tien maart 1923 werd geteld met het oog op de inschrijving in de wervingsreserve van het Belgisch leger en ingedeeld bij de klas van 1933. Het adres vermelde Hertjen 72.

In 1932 laat commandant Van Airde van het wervingsbureel van het leger te Dendermonde weten dat Gustaaf Pauwels ingedeeld, bij de klas van 1933 zijn legerdienst zal moeten vervullen gedurende acht maanden. Op 28 april komt uit Leopoldsburg het bericht dat hij zich effectief op 31 mei 1933 moet melden te Antwerpen bij het 6de  linie-regiment, 4de compagnie. Getekend Kolonel B.E.H. Mory. Hij zwaait af op 31 januari 1934 en gaat nadien terug aan de slag bij de firma Peeters, Van Houtte en Duyver in de hoedanigheid van apretbewerker. Zijn militaire loopbaan is nochtans niet ten einde want op 14 april wordt hij weer opgeroepen om gedurende een maand ‘kamp’ te doen.
 

MOBILISATIE

 

Er ontstaat verkering tussen Staf en Yvonne maar de geschiedenis zal hun romance aardig beïnvloeden. De dreiging komt uit het Oosten waar Hitler en de zijnen Europa op zijn grondvesten zal laten daveren. Ook in België begint men in te zien dat een oorlog niet kan worden uitgesloten. Er is weinig eenheid te bekennen binnen de leidende kringen in het land over de te volgen strategie en dus wordt op 25 maart 1936 een gemengde militaire commissie in het leven werd geroepen die de staat van het leger moet bestuderen en de noodzakelijke reorganisatiemaatregelen moet nemen voor een betere verdediging van het grondgebied. Eens te meer te laat zo zou blijken. Toch zullen de beslissingen van deze commissie het leven van Gustaaf Pauwels een andere wending geven.

Op 1 december 1936 wordt hij op de hoogte gebracht dat: soldaat militiaan Pauwels Gustaaf ingeboekt onder stamnummer 106.98105 met onbepaald verlof te Sint-Niklaas, vanaf die datum deel zal uitmaken van het 6de linieregiment, 1ste reservebataljon, 4de compagnie. Hij dient zich in geval van mobilisatie te begeven naar Linth Statie (Contich Kazerne). Op 29 september 1938 wordt de oorlogsdreiging even afgewend door de zogenaamde Vrede van Munchen, gesloten tussen Chamberlain, Daladier, Hitler en Mussolini.

Ondertussen is de Belgische regering zich toch wel bewust geworden van de dreigende agressie en wordt op 27 september 1938 om 14 u. het Pied de Paix Renforcé afgekondigd. Meteen worden vijf klassen opgeroepen om met de klasse onder de wapens, zes actieve infanteriedivies en zes infanteriedevisies van de eerste reserve te vormen. De 28ste september is het de beurt aan Staf. Hij vertrekt naar Kontich Kazerne om zich te voegen bij het 6de linie.

 

Een goed beeld van wat zich tijdens de mobilisatie afspeelde en later tijdens de achtiendaagse veldtocht, is te vinden in het boek De veldtocht van het Belgisch leger in 1940, De Fabribeckers, eigen uitgave, Lummen, 1966.
 
Deze eerste mobilisatie eindigt in een klucht van belang. De opgeroepenen zijn verheugd hun vroegere kameraden terug te zien en dat wordt duchtig gevierd, de cafe’s doen gouden zaken, er zijn onderofficieren te kort en het materieel is onaangepast of niet ter plaatse. Wanneer de oorlogsdreiging wegvalt door het niet-aanvalsverdrag van Engeland en Frankrijk tegen Duitsland worden de operaties gestaakt.
 

Op 1 oktober kunnen de eenheden reeds naar hun kantonnementen terugkeren om gedemobiliseerd te worden. Op 3 oktober komt Gustaaf opgelucht weer thuis maar maakt zich zorgen over de toekomst. Hij wordt in november 25 jaar. Yvonne is er in september 21 geworden. Ze aarzelen om te trouwen wegens de labiele toestand maar besluiten toch maar enige meubels en huisraad te kopen. Het is een tijd van grote onrust maar wanneer op 26 augustus 1939 de eerste fase van een nieuw mobilisatieplan wordt ingezet. Gevolgd door het oproepen van de reservetroepen, blijven Staf en Yvonne er toch van overtuigd dat het opnieuw niet voor lang zal zijn.

OORLOG

 

Op 1 september wordt Gustaaf ingedeeld bij het 28ste linieregiment, 4de compagnie reser-visten en komt terecht in de zogenaamde KW linie (Koningsooikt-Waver) te Brain ‘L Alleud. Zo vertelt Mariëtte Roggeman nog geregeld over de verschillende fietstochten naar het Brabantse in het gezelschap van haar zuster Yvonne, haar moeder Lieken en Gustaafs broer Amedé. En passant wordt ook broer René bezocht die in dezelfde streek is ingekwartierd. Er komt misschien toch oorlog van en dan is het beter getrouwd te zijn besluiten Staf en Yvonne. Bovendien hingen zij te Sint-Niklaas al in ’t kaske van de ondertrouw, hun huwelijksdatum stond eigenlijk alvast. Soldaat militiaan Gustaaf Pauwels richt op 12 december 1939 een aanvraag aan zijn oversten te velde om te mogen huwen met mejuffer Yvonne Roggeman op datum van 23 december 1939 te Sint-Niklaas. Korpsoverste Luitenant Kolonel B.E.M. Demart, commandant van het 28ste linieregiment tekent ’s anderendaags al voor gunsting. Voorwaarde is dat Yvonne een verklaring tekent waarin de toekomstige zich verbindt haar echtgenoot niet te volgen in kampen, kantonnementen of te velde. Tevens moet zij bevestigen: dat hare bestandmiddelen haar toelaten de medehulp te missen van haren toekomenden echtgenoot tijdens zijne afwezigheid onder de wapens.

Dat kan want Yvonne is ondertussen ingetrokken bij haar ouders op Hoogkameren. Ze trouwen voor de wet op 21 december en voor de kerk op 30 december 1939. Pastoor De Decker zegent het huwelijk in, in het fabriekske aan Vermeirensdreef, de huidige Azalealaan, het voorlopige onderkomen van de Don Boscoparochie.

 

 

 

   

 

Aan het front wordt het een lang en bang afwachten. Het werkt vooral de reservisten danig op het gemoed zodat menige piot er af en toe vanonder trekt om even bij te komen bij moeder de vrouw. In april 1940 wordt er noodgedwongen een strengere controle van verloven en vergunningen ingevoerd. Voortaan zal men het thuis moeten stellen met een karige maaltijd want de soldaten krijgen maar 30 centiem en pas op het einde van de mobilisatie 1 frank per dag terwijl de vergoeding voor de echtgenote ver van toereikend is.

 

DE ACHTTIENDAAGSE VELDTOCHT

 

Op 10 mei 1940 overrompelen de Duitsers het fort Eben-Emael en trekken het Albertkanaal over. Daarmee is de oorlog een feit. Van dan af loopt de militaire loopbaan van soldaat militiaan Gustaaf Pauwels gelijk met die van elke andere Belgische soldaat tijdens de achttiendaagse veldtocht.

 
In het archief van het Belgisch leger bevindt zich een document dat op 29 december 1945 ten behoeve van de geschiedkundige dienst van het leger werd opgesteld door de toenmalige reserveluitenant W.H. Vereecke, tijdens de oorlog commandant van de stafcompagnie van het 28ste linieregiment. Aan de hand van dit document was het mogelijk de bewegingen van het 28ste tijdens de veldtocht te reconstrueren:

 

Commandant Vereecke schrijft: ‘Op 10 mei waren al mijn manschappen verzameld te Angleur bij Luik. In de nacht van 9 op 10 mei was ik juist “officier de permanente de nuit”, op staf 28/R.I. Precies om 1 uur ’s nachts belde 2 D.I. mij op en dicteerde (ongeveer) volgende meededeling. “Les frontières sont menacées; les troupes doivent occuper immédiatement leurs postes de combat; Balthasar”. Korpsoverste, officieren en manschappen onmiddellijk gewekt zodat om 4 u. iedereen op zijn post was. Rond 4 u. kwamen de eerste Duitse vliegtuigen over in groepen van 20 à 30; geen bombardementen echter te Luik; moraal der troepen uitstekend; geen nieuws van een peloton verkenners; voornaamste bezigheid in den dag: versperren der wegen door het maken van Friesche en Spaansche ruiters; nazicht en vollediging der munitie.’

 

Op 11 mei noteert hij de zelfde bemerkingen als op 10 mei. Hij gaat als volgt verder: ‘In de namiddag kwam het peloton verkenners toe: 4 vermisten; grootste deel hunner uitrusting en enkele wapens verloren tijdens hunne gevechten met den vijand en met de burgerbevolking. Geen bombardementen maar steeds veel overtrekkende vliegtuigen. Bevel tot vertrek om 21 u.’. Uiteindelijk zal de compagnie pas om 23 u. te voet vertrekken met bestemming Jemappes-sur-Meuse. Vanuit Hollogne-aux-Pierres gaat het om 4 u.‘s nachts verder per camion. Pas op 12 mei om 13 u. komt men ter bestemming. In de verte kon de aanval op het vliegveld van Bierset-Awans worden waargenomen. Hij noteert verder: ‘Wij vertrokken per camion over Landen – Waremme – Thienen – Lincent – Leuven, naar Boortmeerbeek waarbij wij werden achtervolgd of beter opgejaagd door Duitsche jachtvliegtuigen welke ons alleen bij den doortocht van Lincent met brisantbommen bestookten. Ze arriveren te Boortmeerbeek rond 18 u. en merken rond 17 u. enkele Engelse tanks in de omgeving van Leuven op.

 

Van 13 tot 16 mei blijft het 28ste gecantonneerd te Boortmeerbeek. Ze gaan in stelling aan de zuidkant van het dorp omdat er geruchten de ronde doen over vijandelijke parachutisten. Op 5 mei bemerkt men de “enigste zes Engelse of bevriende vliegtuigen van heel de campagne”. Dezelfde dag wordt het dorp ontruimd. Er vallen enkele individuele gevallen van plundering door (Belgische) soldaten te betreuren. Cdt. Vereecke meldt dat hij persoonlijk gewapenderhand is tussengekomen. Tevens verneemt hij dat van zijn zes hippomobiele rijtuigen (waaronder de veldkeuken) en van de 13 paarden die per spoor van Angleur naar Boortmeerbeek moesten worden gebracht, er enkel 2 paarden en een koffertje met de cie.-archieven resten, als gevolg van een Duits bombardement op het station van Tienen. Er vielen twee doden en enkele gekwetsten. Op 16 mei krijgt men het order om te voet terug te trekken over Elewijt – Eppeghem – Pont Brülé – naar Beygem.

Na een nachtmars arriveert het 28ste er op 17 mei om 5 u. ’s morgens. Er wordt ter plaatse gerust tot 11 u. Nadien worden stellingen ingenomen op een heuvelkam. Duitse vliegtuigen voeren verkenningsvluchten uit en beschieten de Belgische gelederen. De eerste gevallen van vrijwillig of onvrijwillig ontbreken in de eenheid worden vastgesteld. Na een intens bombardement op het dorp komt rond 23 u. het bevel om onmiddellijk te voet terug te trekken langs Wonterghem - Merchtem – Baardeghem – Wieze tot Gijzegem.

Rond 5 u. ’s morgens bereiken de eersten Gijzegem. Heel wat manschappen die het tempo niet meer aankonden komen pas later hun compagnie vervoegen. Er is paniek wegens aanhoudende geruchten over parachutisten. Er wordt gerust. Rond 18 u. gaan de Duitsers over tot de aanval met beschietingen op het dorp door lichte artillerie. Om 21 u. krijgt men het bevel - om al weer te voet - terug te trekken langs Impe – Lede – Kwatrecht – tot in Melle.

 

 

HET BRUGGENHOOFD GENT

 
Op zijn website www.bunkergordel.be/3-achttiendaagse%20veldtocht.htm  reconstrueerde Luc Van de Sijpe de gevechten rond het bruggenhoofd Gent van uur tot uur. We laten hem hier even aan het woord:
 

Het ordewoord van de legerleiding was: terugtrekken. In het geval van Staf Pauwels was dat: zich verschansen achter het Gents bruggenhoofd en trachten de Schelde in Belgische handen te houden. De 2de infanteriedivisie neemt daarom plaats tussen de Schelde en Gijzenzele, Oosterzele, en Betsberg met de 5de en 6de linie. Daarachter wordt het 28ste linieregiment in reserve opgesteld. Er volgen zware gevechten over en weer op 20 en 21 mei. Op 20 mei om 10 u. 40 pogen de Duitsers door te stoten via Gontrode richting Melle. Bedoeling was de bunkers te veroveren langs de spoorlijn Kwatrecht - Wetteren.

Om 17 u. stopt de Belgische artillerie met vuren op de bunkers die door de Duitsers waren bezet omdat er een nieuwe Belgische tegenaanval wordt gestart op diezelfde bunkers door twee compagnies van de 28ste linie en een reserveregiment dat is opgesteld aan de Lindenhoek te Melle. Zij rukken op ten westen van de spoorlijn Brussel - Gent beschut door het spoorwegtalud. De Belgen veroveren twee bunkers in de buurt van het kerkhof van Kwatrecht maar aan de Brusselsesteenweg loopt de tegenaanval vast. Op 21 mei om 6.15 u. wordt opnieuw een aanval ingezet. In feite een herhaling van de aanval van daags voordien door twee compagnies van het 28ste linieregiment. Om 9.30 u. nemen de beschietingen en de Duitse bombardementen toe. De twee compagnies van het 28ste linie worden vanuit Melle ter versterking aangevoerd.
 

 

 
 

We mogen aannemen dat hier de 4de compagnie van het 28ste linie bij betrokken is met de kameraden Staf Pauwels, Staf Mariën en Benoit Possemiers uit Niel. Zij komen onder zwaar vuur te liggen beneden het talud aan de spoorweg te Melle. De drie maken een afgrijselijke beschieting mee en zien bijna letterlijk de dood in de ogen. Staf Mariën besluit dat het wellicht aan de overzijde van het talud veiliger kan zijn en probeert zijn makkers te overtuigen om aan de andere zijde te gaan schuilen. Tevergeefs. De anderen willen blijven waar ze zijn. Staf Mariën waagt zijn kans en klimt over het talud. Wanneer het vuren even afneemt kruipt ook Staf Pauwels naar de andere kant op zoek naar zijn strijdmakker en vindt er zijn naam- en stadsgenoot aan flarden geschoten in de berm. Op die dag sneuvelen nog vier andere soldaten van het 28ste linie: adjudant Julien Ghijs, korporaal Eugeen Handig, en de soldaten Frans Martens en Jef Mertens. In het totaal laten 12 mannen van het 28ste op 21 mei 1940 het leven. In de late namiddag van 22 mei wordt het duidelijk dat het bruggenhoofd Gent moet worden verlaten omdat de Duitse troepen in Petegem de Leie zijn overgestoken en de Belgen het gevaar lopen van een omsingeling. Om 16u. komt het bericht om de stellingen te verlaten. De 12de genie  vernielt enkele belangrijke kruispunten te Melle om de aftocht te dekken.          

 

De 2de divisie, met de 28ste compagnie en de 4de divisie krijgen opdracht stelling te nemen achter het afleidingskanaal van de Leie. 23 mei eindigt voor de manschappen in mineur: er is bijna geen voedsel en bijna geen water meer, de munitie raakt op, vele soldaten zijn hun wapens kwijt, zwaar geschut heeft men moeten achterlaten of heeft men vernietigd. De Duitsers naderen. Op 24 mei graven de Belgen zich in. Op 25 mei ondergaan de Belgische troepen een luchtaanval door Stuka’s. De 26ste worden ze opnieuw gebombardeerd. De komende dagen zal het zo verder gaan.

 

De Duitsers voelen de overwinning en strooien demoraliserende pamfletten uit. Zij zijn meester in de lucht en slagen er in bijna alle spoorwegverbindingen plat te leggen. De toestand van het Belgische leger wordt hachelijk, ook de aanwezigheid van duizenden vluchtelingen tast de weerbaarheid aan.

  

 Op 23 mei om 20 u. ontvangt commandant Vereecke het bevel tot terugtrekken achter het afleidingskanaal van de Leie via Melle – Merelbeke – Zwijnaarde – Gent – Drongen – Hansbeke tot het gehucht Schare op de kruising tussen de Landsdijk en de Sint-Janspolder.

 

Op 25 mei roept Koning Leopold III zijn ministers en de generale staf samen op het kasteel Wijnendale te Torhout. Zij raken het niet eens. De ministers willen de strijd verder zetten vanuit Engeland en vertrekken. De Koning bezorgd om het lot van de soldaten stuurt op 27 mei generaal Derousseaux naar de Duitse generaal Von Reichenau om de overgave te onderhandelen. Wanneer hij om 23 u. terug komt deelt hij de eis tot onvoorwaardelijke capitulatie mee. Na een laatste beraadslaging aanvaardt de koning de capitulatie voor de troepen die in België strijden en hij geeft het bevel om op 28 mei te 4 u. ’s morgens het vuren te staken.

Ondertussen krijgt het 28ste alweer het bevel om terug te trekken. Men verlaat Schare om 15 u, richting Aalter langs een steenweg die nauwelijks bescherming biedt terwijl men voortdurend wordt aangevallen door de Luftwaffe. De mars is uitputtend, veel wapens en uitrusting gaan onderweg verloren en zeker de helft van de mannen heeft voetkwetsuren van het vele stappen wanneer men op 28 mei om 7 u. in het gehucht Zande (thans bij Koekelare) aankomt. Pas om 9 u. verneemt men het bericht van de overgave. Om 16 u. verschijnen de Duitsers en wordt aan de Belgische soldaten het bevel gegeven te verzamelen in Ruddervoorde.

(cdt. Vereecke verwart in zijn verslag de gehuchten Zande en Schare met elkaar.)

 

Op 29 mei 1940 wordt soldaat militiaan Gustaaf Pauwels samen met vele anderen gevangen genomen. Hij zal dat blijven tot hij op 10 juni uit het krijgsgevangenkamp Oostakker II wordt ontslagen.

Op 1 juni krijgt wat rest van het 28ste bevel om te voet in colonne te vertrekken van Ruddervoorde, over Vynckt, Meygem, Landegem, Vosselaere tot Meerendree. Van daar gaat het ’s anderendaags verder over Wondelgem, Gent, Desteldonk, Zaffelare tot Eksaarde. Een dag later, naar Oostakker waar men op 7 juni aankomt in een door de Duitsers snel opgericht krijgsgevangenkamp. Het is weinig waarschijnlijk dat Staf Pauwels de mars tot in Ruddervoorde heeft meegemaakt. Vermoedelijk werd hij onderweg al door de Duitsers aangehouden. Zeker is wel dat de manschappen van het 28ste op die achttien dagen, België hebben doorkruist van Luik tot in West-Vlaanderen, meestal te voet. Het moge duidelijk zijn dat op deze wijze geen oorlog kon worden gewonnen.

 

NA DE OVERGAVE

 

Het lot van de krijgsgevangen was onduidelijk en ook de Duitsers wisten aanvankelijk niet precies wat ze met die massa soldaten moesten aanvangen. Er zijn ook heel wat militairen die er op een of andere manier van onder trekken. Vanaf eind mei beginnen echter de transporten naar Duitsland per trein of per schip. Op 30 mei, doet zich een tragisch ongeval voor wanneer het schip Rhenus 127 in het Hollands Diep nabij Willemstad op een Duitse mijn loopt. 134 Belgische soldaten komen hierbij om. Onder hen Cyriel De Cauwer, schoonbroer van Alice Pauwels, een nicht van Gustaaf.

Voor Gustaaf Pauwels die vanuit Oostakker met een colonne lotgenoten te voet op weg is naar Walsoorden betekent dit alweer een ommekeer in zijn leven. De Duitsers besluiten immers de transporten stop te zetten.

 

In het kader van de Flamenpolitiek beslist Hitler bovendien dat de Vlaamse dienstplichtigen, zowel als officieren en onderofficieren moeten vrijgelaten worden. Gustaaf Pauwels wordt dan ook op 10 juni 1940 te Oostakker ontslagen met het volgende bevelschrift: De ontslagene is aangewezen zich in zijn woonplaats onmiddellijk op het politiebureau terug te melden, zijn werkplaats weer op te zoeken, zich van iedere vijandelijke actie tegen Duitschland en de Duitsche Wehrmacht te onthouden en de in zijn bezit zijnde militaire kleeding en stukken van uitrusting van het Belgische leger tot en met 18-6-1940 op het Politiebureau van zijn woon- plaats in te leveren.

’s Anderendaags al brengt Gustaaf zijn uitrusting binnen op het politiebureau, getuige de handtekening op de keerzijde van het ontslagbewijs uit krijgsgevangenschap. Op dezelfde keerzijde staat een stempel dat hij zich bijna een jaar later op 10 april 1941 heeft aangemeld bij de Kreiskommandatur St. Nicolas.

 

 

  

 

 

Men kan zich de vraag stellen waarom hij zolang heeft gewacht om zich bij de Kreiskommandatur te melden. Wellicht zit het volgende er voor iets tussen.

 

 

 

 

De betichting is duidelijk: te 4-7-40 om 13u50, zonder toelating in de bosschen van byzonderen te zyn gegaan, niet in het bezit van zijne eenz.kaart. Het document is ondertekend door Adolphe Crijns, politiecommisaris.

Op 30 september komt deurwaarder Aimé Van Puyvelde de dagvaarding overhandigen om op dinsdag 8 oktober om 9 u. in de voormiddag te verschijnen voor de politierechtbank. Het document wordt overhandigd in deszelfde woning sprekende met: zijn zuster Marie Pauwels, Hertje 80.

 

 

Op 18 november 1940 ontvangt Gustaaf de verordening om binnen de vijftien dagen op het kantoor van het ministerie van financiën, bestuur der registratie en domeinen de som van 11 frank en 39 centiemen te betalen, wat hij op 29 november ook doet. Ten bewijze onderstaand kwijtschrift.

 

 

    

Gustaaf was wellicht op zoek naar iets eetbaars in de omliggende boerderijen. Onmiddellijk na de inval en de vlucht van het Belgische leger is in het land immers een totale chaos uitgebroken. Honderden mensen halen opslagplaatsen, magazijnen en winkels leeg. Handelaars zonder scrupules halen levensnoodzakelijke waren uit de handel om later tegen woekerprijzen te kunnen verkopen. De bevoorrading in het land valt stil. Op 11 juni 1940 wordt het voedsel voor het eerst gerantsoeneerd. Wanneer de aardappeloogst in het jaar ’40 mislukt; de akkers het jaar voordien onbezaaid waren gebleven omdat de landbouwers waren opgeroepen met als gevolg een tekort aan graan, wordt het voedseltekort nijpend. Om de ergste noden te lenigen wordt op 29 oktober 1940 Winterhulp opgericht. Met behulp van giften en allerlei geldopbrengende acties slaagt men er in de instelling te laten functioneren. Winterhulp zorgt voor de distributie van melk, broodbonnen en kolen. Ze organiseert soepbedelingen en verstrekt in de grote steden, waar de nood het hoogst is, volledige maaltijden. Aan zee richt men tijdens het schooljaar kinderkolonies in waar de zwakste leerlingen kunnen herstellen. Hypoliet Roggeman, Yvonne’s jongere broer wordt aldus naar zee gestuurd. In de loop van 1941 en ‘42 worden overeenkomsten gesloten met Portugal, Zwitserland, Roemenië en Hongarije voor het leveren van sardienen, ham, bonen, gedroogde vis, ovomaltine en andere zetmeelhoudende producten. Toch blijkt dit alles onvoldoende. Om zichzelf en zijn gezin in leven te houden had Staf net zoals alle andere Belgen maar één uitweg: de zwarte markt of voedsel kopen aan gevraagde prijzen bij boeren en smokkelaars.

 

VERPLICHT TEWERKGESTELD IN DUITSLAND

 

AMEDE PAUWELS in SCHWARZENBEK 

LOUIS VAN RATTINGHE in MAGDEBURG

  

GUSTAAF PAUWELS - HAMBURG 

 

In de herfst van 1942 is de oorlog op een keerpunt gekomen. De Duitsers beginnen te beseffen dat de krijgskansen keren. Bovendien tast de gigantische strijd aan het Oostfront de Duitse reserves gevoelig aan. Al van bij de aanvang van de bezetting voerden de Duitsers in België een politiek om de werkloosheid op te lossen door het inschakelen van Belgische arbeidskrachten in de Duitse industrie. Daartoe vormden zij een kompleet netwerk van aanwervingbureaus die nauw samenwerkten met de Belgische arbeidsbureaus, het zogenaamde Arbeidsamt. Aangelokt door de hogere lonen, betere arbeidsvoorwaarden en meer sociale voordelen vertrokken vanaf 1940 een aantal Belgen naar Duitsland. Volgens officiële cijfers tussen 1250.000 en 320.000 van juni 1940 tot september 1942. In 1941 vertrekken Ward samen met zijn zoon Fiel en  Amedé, Stafs oudere broers in het gezelschap van Fons Nachtegael, familie van Judith De Bock, Amedé’s echtgenote. Stafs oudere broer Eduard vertrekt eveneens samen met zijn zoon Theofiel. Ook het echtpaar Albert Bautens en Elisabeth Rotthier, de latere schoonouders van Stafs zoon Etienne vertrekken.

Vanaf 1942 ontstaat een nieuwe situatie. Het aantal vrijwilligers slinkt zienderogen. Men krijgt schrik om zich te compromitteren nu de geallieerden terrein winnen. Men wordt bovendien afgeschrikt door de bombardementen op de Duitse steden en industriegebieden. Berlijn zet het militaire bestuur te Brussel onder druk: komen de Belgische arbeiders niet vrijwillig naar Duitsland, dan moeten zij gedwongen worden. Op 6 oktober 1942 decreteert de Militärverwaltung de verplichte tewerkstelling in Duitsland van mannen tussen 18 en 50 jaar en van de ongehuwde vrouwen tussen 21 en 35 jaar.

 

Op 7 januari 1942 bevalt Yvonne Roggeman, Stafs echtgenote van een zoon die ze Etienne, Aloyïs, Julia noemen. Januari is een barre wintermaand. Het vriest zo erg dat Staf en Yvonne er voor terugschrikken om te voet hun kerkgang te doen met het pasgeboren kind. Zij doen dan maar beroep op Cis Van Espen en zijn vigilante. Dat Staf later op het jaar wordt opgeroepen om naar Duitsland te gaan werken valt bij beiden in geen goede aarde. Staf is immers nog altijd werkzaam bij Peeters, Van Houte & Duyver en dus allerminst werkloos. Dit blijkt uit een document door de betrokken firma afgeleverd op 2 november 1942. Dezelfde firma bevestigt in een document uitgeschreven op 20.06.45 dat genaamde Gustaaf Pauwels op 30 november 1942 Bij ons werd opgeëist door de Duitse Werbstelle, en verplicht werd naar Duitschland te gaan werken’.

  

Staf zoekt zijn heil bij dr.Verniers, arbeidsgeneesheer op de Boelwerf, maar ook aangesteld als keurarts bij het Arbeidsambt en probeert met een klein kind en andere argumenten uitstel of afstel te bedingen. Volgens zijn eigen woorden zou dr. Verniers hem dat uitstel hebben verleend door hem aan te werven op 3 december 1942, weliswaar door de Deutsche Werft te Hamburg, maar hem voorafgaandelijk een omscholing gedurende 6 weken te laten volgen op de Boelwerf te Temse. Het bewijs van aanwerving is gedagtekend op 3 december 1942. onder nr. 19549. De aanstelling door de Deusche Werft Hamburg wordt aangegeven door een rode stempel op hetzelfde document met kenmerk nr. 4158 waarin de datum 19.1.43 in handschrift staat vermeld. Bovenaan het document staat: na 6 weken omscholing in de AW Temse, aansluitend aanstelling Deutsche Werft Hamburg.

 

  

Op de achterzijde is duidelijk de stempel te lezen van Deutsche Werbestelle Gent, Ausenstelle St. Nicolas met als afreisdatum: 22.1.43 met de handtekening van Gustaaf Pauwels. Dit wordt In elk geval bevestigd door een getuigschrift dat Yvonne bekomt van de stad Sint-Niklaas, bestemd voor het beheer der loonbelasting en bevestigt dat Gustaaf Pauwels met ingang van 19 januari 1943 tewerkgesteld is in Duitsland. Op 9 februari ontvangt hij een verklaring van de Deutsche Krankenkasse für Belgien waarop is vermeld dat hij woonachtig is te Hamburg-FKW.Lager met als beroep: Hilfschlosser. Wat zoveel wil zeggen als helper buizenfitter.

 

 

     

Staf vertrekt op de gestelde datum in het bezit van een houten koffertje. In zijn portefeuille zitten zijn identiteitspapieren en een lijstje met de inhoud van het koffertje.

 

Bovenaan staat zijn naam en adres: Pauwels Gustaaf, Hertje nr. 8 Sint-Niklaas Waes

Daaronder: Een kostum zondag, Een hemt zondag, 2 hemden voor de week, 1 pilover, 2 onderbroeken, 2 honderhemden, 1 harbeid kostum blauw, 3 paar kousen, 3 zak- doeken, 2 hantoeken, 2 hantje, Een koffer. In de marge staat 250…(mogelijk Belgische Frank) Onderaan zijn adres van bestemming: Lagerplatz 25 Hamburg, Deutsche Werf Kijzerstr. (?)

 

Hierbij vallen een paar dingen op: Staf vergeet zijn huisnummer correct op te schrijven.  Blijkbaar heeft hij ook 250 Belgische Franken meegenomen. Lange tijd was het onduidelijk welke gegevens er omtrent de Deutsche Werft precies waren weergegeven. Dank zij de Dienst voor Oorlogsslachtoffers kon de familie afschriften bekomen van de documenten die werden opgemaakt met betrekking tot zijn tewerkstelling in Duitsland. Zowel van deze die in België werden opgemaakt als van deze die in Duitsland werden uitgeschreven. Zo werd het duidelijk dat het vermelde adres niet het door zijn nabestaanden geïnterpreteerde Lagerplatz was, maar Sägerplatz,  Arbeitslager – Wohnlager fur Werften in Hamburg 11.

Zijn tewerkstellingsplaats op de Deutsche Werft betrof niet de scheepswerf maar het Betrieb Reiherstig waar hij in dienst trad op 26 januari 1943. Hij zou er blijven werken tot 8 augustus 1944. De firma bestaat thans als Reiho-Reiherstig Holzlager AG, Zagerij en houtbewerking aan de Ellerholzweg 28. Wanneer het einde van de oorlog nadert blijkt hij werkzaam te zijn geweest bij Hobum (Harburger Ölwerke Brinkman & Mergell), Seehafenstrasse 2. Men produceert er plantaardige olie voor de voedingsindustrie en smeerolie voor de zware industrie. Hij werd ontslagen op 3 mei 1945.

 

Op het lijstje valt de laatste regel moeilijk te lezen omdat het laatste woord gedeeltelijk is verdwenen Met enige moeite kan men er ‘Bremen’ in herkennen. Een Befreiungschein uitgeschreven op 31.7.1943 vermeldt duidelijk dat Gustaaf Pauwels als Hilfsarbeiter is tewerkgesteld op de Atlas Werke te Bremen. Dus toch Bremen? De kaart is met de hand overschreven en vermeldt dat hij bij Hobum is ontslagen op 3.5.1945. De kaart is wel degelijk door het Arbeidsamt Bremen afgestempeld op 30.5.1945, dus nadat Staf Pauwels al lang weer thuis was. Toch kan niet worden uitgesloten dat hij aan de slag is geweest op de Scheepswerven van Bremen. De slag om Hamburg vond plaats op 24 en 25 juli 1943. In de nacht van 29 en 30 juli volgde nog een tweede beslissend bombardement. Het is aannemelijk dat de buitenlandse arbeiders na de verwoesting van de haveninstallaties, uit Hamburg werden geëvacueerd en overgebracht naar Bremen. Zij zouden daar dan aangekomen zijn op 31 juli 1943 om te worden tewerkgesteld op de Atlas scheepswerven.

 

 

In het koffertje dat Staf op zolder bewaarde en meenam naar het rusthuis Ter Wilgen troffen zijn nabestaanden ook een schoendoosje aan met daarin vele documenten die verwijzen naar zijn legerdienst en naar zijn verblijf in Duitsland. In het kader van deze geschiedschrijving werd er al volop gebruik van gemaakt. Er werd ook een mapje aangetroffen met daarin twee adressen in zijn handschrift. Het eerste adres komt overeen met wat er op het kledinglijstje staat. Het tweede adres vermeldt het DAF Lager Finkenwerder.  In het doosje zat ook zijn Duits paspoort.

 

 

 

 

De periode dat Staf Pauwels in Duitsland doorbracht valt mogelijk als volgt te reconstrueren. Aankomst in Hamburg op 22 of 23 januari 1943 op De Deutsche Werft. Daarna ondergebracht in het Gemeinschaftslager DW en tewerkgesteld bij Betrieb Reiherstieg. Dit betrof een houtzagerij en een houtverwerkingsbedrijf. Het is dus niet onlogisch te veronderstellen dat hij aan het werk werd gezet bij het optrekken van barakken voor buitenlandse arbeiders, zoals bijgaande foto’s ook bewijzen. Op 14 februari 1943 stuurde hij een postkaart vanuit het DAF Gemeinschaftslager aan Hernn Direktor des Passamtes Brüssel

met het verzoek hem zijn reispas toe te sturen via de Kreispolizei. Minstens vanaf die dag verbleef hij dus in Finkenwärder II. Daarna vermoedelijk overgeplaatst ofwel naar Bremen of naar Hobum (Harburger Ölwerke Brinkman & Mergell). Hij maakt er de gevreesde vuurstormen mee en diende er meer dan eens te rennen voor zijn leven; met de brandende fosforbommen op zijn hielen om net op tijd nog de schuilkelders te kunnen binnenduiken.. Volgens wat hij vertelde konden ze vanuit Blankenese, tegenover Finkenwerder, de verschikkelijke bombardementen op Hamburg waarnemen. Finkenwerder, is een voormalig eiland aan de zuidoever van de Unterelbe, deel uitmakend van het stadsdistrict Hamburg-Mitte. Thans voor een groot gedeelte in beslag genomen door de Duitse fabriek van Airbus met de luchthaven Finkenwerder en het hoofdkantoor van Airbus Deutschland.

 

 

 

Eind 1944 waren er in Duitsland acht- tot tien miljoen buitenlandse arbeidkrachten aan het werk. Alleen in Hamburg waren er tussen 1939 en 1945 bijna een half miljoen. De meeste onder hen kwamen uit de Sovjet Unie en Polen. Velen ook uit Frankrijk. In de stad bevonden zich meer dan 15 Lager waar de buitenlandse werkkrachten in onder werden gebracht, deels in mensonwaardige omstandigheden. In alle delen van de industrie werden zij aan het werk gezet: metaalindustrie en scheepsbouw, wapenfabrieken, visconservenfabrieken, rubberindustrie, in de landbouw, in de bouw en bij puin- en bommen ruimen. Wellicht dankzij de Flamenpolitik werden Vlaamse arbeiders enigszins ontzien. Staf Pauwels en zijn medearbeiders kregen als opdracht het optrekken van barakken die moesten dienen voor het onderbrengen van lotgenoten of getroffen burgers. Al bij al hadden zij het niet slecht. Zij moesten weliswaar werken van 6 uur tot 18 uur ook de zaterdag al werd dat later verminderd tot de zaterdagvoormiddag. We hebben van Staf nauwelijks iets vernomen hoe het er dagelijks aan toe ging maar deze foto genomen op 28 mei 1944 getuigt dat  het niet al kommer en kwel was.                                                

                                                                    

 
In zijn  Anwerbebestätigung valt te lezen dat men bij de Deutsche Werft Hamburg, 48 uren van de 60 diende te presteren. Tijdens de opleiding te Temse kreeg Gustaaf, 0,42 RM, in Hamburg werd dit opgetrokken tot 0,73 RM per uur. Daar bovenop kreeg hij een toeslag uit hoofde van het gescheiden leven voor gehuwden van 1 RM per dag. Het slaapgeld voor vrijgezellen en gehuwden bedroeg 0,50 RM per nacht. Kost en inwoning bij particulieren, in woonkampen of in tehuizen bedroeg 3,50 RM per week, zonder ontbijt. Voor de eetmalen betaalde men ongeveer 1,20 RM per dag.

 

In zijn nalatenschap werden twintig kwijtschriften aangetroffen van overgemaakt loon aan Yvonne Roggeman, voor een totaal van 3.007,50 RM tussen 17 juni 1943 en 14 september 1944. Tot mei 1944 gaat het gemiddeld over bedragen van om en rond 200 RM. per maand. Nadien zakte het tot ongeveer 80 RM, met enkele uitschieters van 120 en 150 RM. Op 14 september 1944 gebeurt de laatste storting voor het bedrag van 90 RM.

 

 

 
 

 

DE HEL VIEL UIT DE HEMEL

 

Vaak genoeg heeft mjn vader verteld over de bombardementen op Hamburg, hoe de stad met de grond werd gelijk gemaakt en hoe hij ijlings en met het vuur op de hielen maar net de schuilkelders haalde. Hij vertelde ook hoe ze vanuit Blankenese een tapijt van vuur zagen neerdalen over Hamburg. Hoe de stad met de grond werd gelijk gemaakt en hoe hij ijlings met het vuur op de hielen de schuilkelders moest invluchten toen hij bij Hobum aan de slag moest. Bombardementen met brandbommen maakten de meeste indruk op de arbeiders en joegen hen de schrik op het lijf.  De bedoeling van brandbommen, (geladen met fosfor), was een opwaartse luchtstroom te veroorzaken die alles wat niet voldoende was vastgehecht, meesleurde in zogenaamde vuurstormen. Gedurende de ganse oorlog is dit maar twee keer gelukt: in Hamburg en Dresden. In Hamburg gebeurde dit in de nacht van 24 op 25 juli 1943. Omdat mijn vader geen woorden vond om te beschrijven wat er toen gebeurde kan men best het boek Bomber Offensive van de bedenker van deze zogenaamde bommentapijten, Sir Arthur Harris, er op na slaan.

 

Wat er in Hamburg gebeurde werd in een geheim Duits rapport als volgt beschreven: ‘Voorraden kolen en cokes die in vele huizen lagen opgestapeld met het oog op de winter, vatten vlam en het duurde weken voor deze branden konden worden bedwongen Reeds in het begin van de aanval werden de gemeentediensten en het openbaar vervoer lamgelegd. Industrie- en haveninstallaties werden ernstig beschadigd. De volgende middag hingen er nog steeds enorme rookwolken boven de stad die de hemel volkomen verduisterden. Wat de brandweer ook deed er ontstonden steeds weer nieuwe vuurhaarden. Het afwisselende gebruik van zware explosieve bommen en brandbommen maakte de strijd tegen het vuur vrijwel onmogelijk. De talrijke vuurhaarden breidden zich zodanig uit dat zij uiteindelijk één grote vuurzee vormden met het gevolg dat er een ware orkaan van vuur ontstond. Men kan dit verschijnsel op grond van een natuurkundige wet verklaren: door de samensmelting van de verschillende vuurhaarden bereikte de lucht een zo hoge temperatuur dat deze, doordat het soortgelijke gewicht ervan verminderde, een soort zuigkracht ging uitoefenen op de omringende lucht naar het centrum van de haard toe. Deze zuiging én het enorme verschil in temperatuur met de omringende lucht, dat 600 tot 1000 graden Celsius kon bedragen, veroorzaakte ware tornado’s, die heviger waren dan de zwaarste atmosferische storingen. Een slurf van vuur spuwde over de omgeving niet alleen vonken uit, maar ook allerlei soorten brandende voorwerpen waardoor het vuur zich dan weer verder kon verspreiden. Het was één vurige wervelstorm zoals er nog nooit een geweest was en het zou dwaasheid geweest zijn daartegen te vechten’.

 

Maar de slag om Hamburg was nog niet ten einde. In de nacht van de 29ste en de 30ste werd een nieuwe raid ondernomen. Het officiële Duitse rapport zegt daarover:

 

Aan het einde van deze aanval was de stad economisch gesproken buiten gevecht gesteld, want zelfs de stadsdelen die niet getroffen waren, moesten alle werkzaamheden staken omdat de openbare diensten zoals water, gas, elektriciteit enzovoort niet meer functioneerden.

 

Na de eerste aanval werden honderdduizenden Hamburgers geëvacueerd, ook de buitenlandse arbeidskrachten vermits het onmogelijk was geworden nog enige industriële activiteit uit te oefenen. Zo kwam het dat Gustaaf Pauwels en wellicht ook zijn makkers André van Hee uit Meulebeke en Evarist Grijp uit Gent naar Bremen werden overgebracht. Bij hen bevond zich nog een derde persoon, afkomstig uit Sint-Maria Horebeke wiens naam voorlopig niet kon worden teruggevonden.

 

In drie nachten hadden 2333 vliegtuigen 7196 ton bommen afgeworpen Het duurde drie dagen voor de rookwolken opgetrokken waren en luchtfoto’s konden worden genomen. Die gaven onvoorstelbare verwoestingen te zien. Een gebied van 2480 hectaren was met de grond gelijk gemaakt ofwel 74 % van de voornaamste stadswijken. De belangrijkste vier scheepswerven ernstig beschadigd en het was duidelijk dat alle werkzaamheden en alle verkeer in deze grote stad tot stilstand was gekomen.
 

 

Na de bombardementen op Hamburg noteerde Goebbels in zijn dagboek: Een stad van een miljoen inwoners is verwoest…
Wij staan voor problemen die bijna onoplosbaar zijn.

 

BEVRIJDING EN REPATRIERING

 

Langs alle kanten sijpelden de geruchten binnen in de Lagers: ‘het einde van de oorlog was op handen’. Hier en daar waren in kampen radio’s binnen gesmokkeld, wie bij particulieren was ingekwartierd was op de hoogte en verspreidde het nieuws. Het liep als een trein. De trein was dan ook het vervoermiddel bij uitstek dat de Belgische arbeiders gebruikten om terug naar huis te keren. In de chaos die er in Duitsland heerste was ook de bevoorrading stil gevallen met als gevolg ook voedseltekort in de werkkampen. In Schwarzenbek beklom Amedé Pauwels de verlaten wachttoren van het kamp en zag in de omringende velden door bombardementen gedode paarden liggen en allerlei achtergelaten materieel. Van de nood een deugd makend werden stukken vlees uit de kadavers gesneden en als voedsel gebruikt. Enkelen wisten een stootkar te bemachtigen, gooiden hun bezittingen er op en alles wat ze konden gebruiken voor onderweg en gingen de baan op richting Bremen. Daar vond Amedé zijn broer Staf terug. Zij werden door Amerikaanse soldaten opgevangen en per vrachtauto naar Hamburg in een verzamelkamp ondergebracht. Dat bleek nodig want in het begin van de bevrijding zaten de wegen propvol en liepen de arbeiders de geallieerden vaak voor de voeten.  Vervolgens was het wachten op een treinrit via het zwaar beschadigde Duits spoorwegnet. Op 13 mei 1945 zijn ze in het verzamelcentrum van Mol. Ze bekomen er een noodpas. Namen daar de trein naar Antwerpen, de tram naar de voetgangerstunnel en stapten naar Sint-Niklaas. Nog dezelfde dag stempelde de gevolmachtigde ambtenaar in Sint-Niklaas hun noodpas af met de melding: ‘Gezien voor aankomst, 13 mei 1945.'

Zo kwam het dat Staf Pauwels op die dag de velobaan langs het Hertje kwam afgestapt om weer thuis in nr. 80 te arriveren bij zijn toen al driejarige zoon, bij echtgenote Yvonne en vader Aloyis. Nog altijd in het bezit van zijn houten koffertje.

 

Een domper op de feestvreugde was de wisselkoers die de Belgische overheid hanteerde.

1 Reichsmark werd ingewisseld tegen 1 Frank terwijl dit eerder nog 12,5 Bfr. was

 

Toch was hij blijkbaar niet gerust op wat na de oorlog stond te gebeuren. Hij haast zich op 15 mei 1945 dan ook naar de Nationale Dienst voor Arbeidsbemiddeling op de Plezantstraat, het voormalige Arbeidsambt om een verklaring waaruit blijkt dat hij niet vrijwillig naar Duitsland is gaan werken maar wel als verplichtte arbeider na eerst een verplichte omscholing van 6 weken te hebben gevolgd bij de firma Boel te Temsche. Dit volgens de administratieve gegevens waarover wij thans nog beschikken.

Het document is met de hand geschreven en ondertekend door het bureelhoofd, Pr. De Roover.

                           

 

 

Uit een maatschappelijke zekerheidskaart op zijn naam uitgeschreven voor het vierde kwartaal van 1945 blijkt dat hij van 27 september tot 26 december 1945 aan de slag was bij de Verenigde Steenbakkerijen  Scheerders - Van Kerchove. Daarna heeft hij zijn vroegere job als apretbewerker bij Peeters – Van Royen in de Lindenstraat weer opgenomen. Het leven ging voortaan op het Hertjen 80, weer zijn gewone gang…

 
Gustaaf Pauwels met enkele werkneemsters van Peeters - Van Royen, rechts, schoonbroer Hypoliet Roggeman 
 
 
 
Wat thans rest van de site Peeters - Van Royen aan de Lindenstraat te Sint-Niklaas. 
Van het ooit bloeiende textielverleden van de stad is zo goed als niets overgebleven.