PIETER JAN

 

Dit is een naar waarheid verzonnen familiegeschiedenis. Feiten en namen zijn zo getrouw mogelijk weergegeven, maar de wijze waarop een en ander zich heeft voorgedaan is vanzelfsprekend verzonnen omdat hierover geen zekerheid bestaat. Wel waar is dat deze geschiedenis zich afspeelt in een toenmalig tijdskader, gebaseerd op bestaande historische feiten en gebeurtenissen.

  
 

V.        PIETER JAN           1743 - 1803

 

Op het platte land voelde men al gauw dat een crisis niet kon uitblijven. Vanaf 1750 nam de bevolking voortdurend toe, terwijl de productiviteit nauwelijks steeg. De graanopbrengst was ontoereikend geworden om de mensen te blijven voeden. Wegens de enorme bevolkingsdichtheid (ongeveer 300 mensen per km² in Vlaanderen – een absoluut maximum in die tijd – en de ontoereikende mogelijkheden om de landbouw uit te breiden, moest men vrij spoedig naar andere oplossingen uitkijken om in de voedselbevoorrading te blijven voorzien. Ook door grote bedrijfsversnippering (meer dan de helft tot driekwart van de bevolking gebruikte minder dan 1 ha land) moest men al spoedig op de productie van gewassen met hogere opbrengsten overschakelen. Het winnen van aardappelen was hierbij de aangewezen oplossing, aangezien met dat gewas eens zoveel mensen konden worden gevoed. Tegen het einde van de 18de eeuw nam deze teelt ongeveer 10% van het bouwland in en werden er gemiddeld ongeveer één kg. per persoon en per dag van verorberd. Ook in de huisnijverheid moest, wegens het overheersen van keuterbedrijven, een aanvullend inkomen gezocht worden. Dat was een noodzaak om de snelle prijsstijgingen van levensmiddelen, brandstoffen, pachten, huishuren en allerlei fiscale en heerlijke lasten het hoofd te kunnen bieden. Tijdens de periode 1750-1850 stegen de prijzen van de meeste levensmiddelen met 130-140%. Grond- en huispachten liepen zelfs nog sneller op.

(De geschiedenis van de kleine man, BRT Open School, 1983)

 

Ik kon al vroeg uit de veren om eieren en beesten eten te geven, maar nog liever ging ik naar de zondagschool om te leren lezen en schrijven. Dat eerste kreeg ik rap onder de knie maar van het tweede is nooit veel gekomen. Vader leerde mij kloefen kappen en met wit zand blokken schoon schuren. Grote holleblokken voor de mannen en platte voor de vrouwen met een leertje over de wreef. Maar het zinde me niet. Ik wou buiten de zon en de wind voelen en daarom ging vader met Joseph De Rijck klapppen die in de Brandstraete, op het grondgebied van Sint-Niclaes, een grote hoeve bestierde. Er was daar omtrent nog veel grond te ontginnen die vooral geschikt was voor het winnen van aardappelen, knollen die eerst gepoot werden voor beestenvoer, maar die nu ook door de boeren werden gegeten. Bij ’t rooien gooiden de kinderen wel eens een patat in ’t vuur waarmee het loof werd opgestookt. Toen het vuur doofde bleek die patat makkelijk uit zijn vel de pellen en nog lekker te smaken ook. Patatten werden sinds die ontdekking op alle mogelijke manieren klaar gemaakt. Geschild en in water gekookt, in de soep met allerlei groenten tot hutsepot gegaard, in schijfjes gesneden en in een pan met boter of vet gebakken. Kortom, er zat trok in het kweken van aardappelen. Oude mensen wisten te vertellen waarom er nog zoveel grond braak lag. Het Amelveld zoals het werd genoemd maakte vroeger deel uit van het vroegere leen Walgoed – Ter Kameren, onder het rechtsgebied van de heer van Beveren. In de Hoge Camere, die nu als afspanning dienst doet werd eertijds recht gesproken. De straffen werden, zoals gebruikelijk was, aan de rand van het rechtsgebied uitgevoerd. Het valt nog te merken aan de straatnamen. De Kettermuit, waar ketters en andere misdadigers in een kooi werden opgesloten en aan het volk getoond. Spot en vernedering, door het grauw was hun deel. In de Galgstraete stond de galg en in de Brantstraete heeft een voorvader van Jan Brant allicht het vuur aangestoken onder de heksen op de brandstapel. Lange tijd bleven de velden in de omgeving verlaten omdat men schrik had de geesten van de doden tegen te komen, getroffen te worden door het boze oog of besprongen te worden door de kwelduivel Osschaert. Omdat handel en nijverheid floreerde raakten de dorpskommen overbevolkt en trok nog al wat werkvolk naar de buiten. Zo raakten de gronden toch verpacht en bewerkt en de straten op en rond het Amelveld bewoond. Van onze woonst op Eygenloo, waar we met z’n allen nog thuis woonden, was het maar een boogscheut naar het hof van Joseph en vader deed me dan ook bij hem in dienst. Eerst als koeienwachter waarbij ik ’s avonds ook de kiekens op het hof in het oog moest houden zodat ze niet ongezien ergens in het struikgewas eieren gingen uitbroedden. Toen ik wat ouder werd kon ik helpen bij het hooien, het zaaien, het maaien en opstellen van vlaskapelletjes en hooimijten. Dorsen en vlegelen, zwingelen en kaarden, ik leerde allengs alles van de boerenstiel met het gedacht ooit een eigen hof te hebben. Het huis van va en moe had een pannendak met daaronder riet, goed tegen wind en kou in de winter maar broeierig warm in de zomer, zeker wanneer we d’er met z’n zevenen onder de pannen sliepen. Daarom hadden de meeste woonsten een van boomstammen gemaakte bank voor de deur staan, waar het op warme zomerdagen goed rusten en buurten was. Op zo ne zwoele zomeravond, ’t moet in den tweeden helft van de jaeren zeventienzestig geweest zijn, kwam al met ne keer Zacharias -de jongste De Rijck- op zijn trekpeird aangereden roepend: ‘Er wordt gedanst op ’t hof van Callens in de Schoenstraete, allee kom mee’. Ik klom met wat moeite achterop de ruin die er fluks een drafje inzette, al was ook hij belust op komend vertier. Er stond al heel wat jong volk samen getroept rond een kliekske speelmannen. Ene met een vedel, een andere met een doedelzak die men op den buiten ook wel pijpzak noemde en nog ene met een fluit terwijl een jong wijfje de rommelpot stoempte. Er werd gedanst en gezongen: den hoboeckendans, den holleblokkendans, dan ne mazurka en nog ne contradans toen eensklaps na ne zotte polka een stilte viel van hier tot op den Hazendans. In het deurgat stond zowaar een verschijning, zo mooi, zo blond en zo alleenlijk staande in de gloed van de ondergaande zon. Toen hief zij het lied aan van Het purperen lint. In de stilte, waar zelfs geen leeuwerik te horen, was droeg haar kristallen stem het lied tot ver in de ronde.

 

Juffrouw, bewaart uw purperen lint.

Het moet van u gedragen zijn

In enen dans der maagdetjes schone,

In enen dans der maagdetjes.

Wie wilt er in viole gaan, zeer tjent!

Juffrouw, bewaart uw krone.

Zij moet van u gedragen zijn.

 

Terwijl de ouderen het tafereel met enige weemoed stonden te aanhoren en hier en daar een voet het ritme volgde, bleef de jonkheid de zingende schoonheid aangapen lang nog nadat het lied was uitgestorven en de zon haar laatste stralen over het Soete Land van Waes liet dalen.

 

Een Duitse landbouwdeskundige, J. N. H. Von Schwerz reisde aan het einde van de 18 eeuw doorheen Vlaanderen, inzonderheid door het Land van Waas, om daarna een boek uit te geven, waarin hij zijn bevindingen neerschreef.“De landelijke gebouwen in het Land van Waas schijnen mij de eenvoudigste en gemakkelijkste te zijn van alle boerenwoningen der Nederlanden. Daarbij zijn zij weinig kostbaar. Schuren, stallen, de wagenschop zijn doorgaans van hout en met planken opgetimmerd. De woning alleen is van baksteen, rein en gemakkelijk, van regelmatig verdeelde vensters voorzien. Zij staat merendeels op den achtergrond van een grooten met gras bezaaiden hof. De twee of drie andere hoevegebouwen liggen er rondom zonder regelmaat, echter op behoorlijke afstand van malkaar. Geen enkel paalt aan een ander, maar tusschenruimte scheiden ze, en dit alles wordt omsloten door een geschoren haag van dorenstruiken en palmhout. Een licht hekken wijst de ingang aan. Het uitzicht van het pachthof is even landelijk en aangenaam, als het bewonen ervan heilzaam en gezellig moet zijn. Het schaarhout dat een akker omringt, bestaat meestal uit elzenhout, de bomen uit eiken, wilgen, beuken, platanen, witte en zwarte populieren. Het gebruik van het schaarhout hoort de pachter toe, de bomen aan de eigenaar. Al deze bomen en struiken geven het Land van Waas doorgaans het uitzicht van een woud, omdat, behalve de omplantingen der akkers, alle straten en wegen beplant zijn met bomen, zodat men te allen kante enkel dubbele rijen ziet. Het land is met het aanwenden van oneindig veel arbeid en mest netjes in percelen ingedeeld en draagt met kracht en weelde overvloedige oogsten van rogge, haver, aardappelen en voederbeten, de gebruikelijke vruchten van de lichte grond. Veld en weide, bos en landouw, hekkens en kanten, groenten- en fruittuinen, daartussen de talrijke huizekens, de overal om hunne kerktorens liggende dorpen met ontelbare, arbeidzame mensen, dat is wat het land schoon maakt.” (Vertaald en geciteerd in R.Colaes, Landelijk Temse, blz. 148.)

 

Va.      ANNA CHATARINA CALLENS

 

Van dan af ging de jonkheid s’ zondags ter kerke langs de Schoenstraete en niet langer meer langs de Laegstraete. In een jolige bende trokken zij gezamenlijk en vaak zingend naar het dorp om in de O.L.Vrouwekerk mis te horen. Het was prettig en aangenaam tijdens de zomer maar toen het winter werd slonk het aantal kerkgangers. Op een bitterkoude ochtend, de mist hing laag over de Scheldemeersen, trokken alleenlijk nog enkele jonkmannen en een paar meidjes naar de mis. Het donkerde nog en hier en daar lagen bevroren plassen zodat we moesten uitkijken om op de been te blijven. Al met ne keer hoorde ik naast mij een schreeuw en zag ik één van de meidjes haar evenwicht verliezen. Ik kon haar nog net opvangen en zag dan het gezichtje van het zangeresje van onder haar neusdoek te voorschijn piepen. Zij gaf mij prompt een arm en ik voelde hoe zij van ’t verschot nog beefde. Zo bereikten wij het dorp en na de mis leek het bijna vanzelfsprekend dat zij haar arm onder de mijne schoof en samen met mij opliep. Ik wist ondertussen wel dat zij Anna Catharina Callens heette, en een dochter was van Mattheus, zaliger en van Amelberga van Hoylandt en dat zij in dienst was bij Jan Frans Callens een verre oom uit de Schoenstraete. Maar naarmate onze misgang trager verliep en wij steeds verder achterop bleven bij de rest van de kerkgangers, leerden wij elkander beter kennen. Ik verschoot nog al toen ze mij vertelde dat ze van jaar ’37 was. Zij was een volle zes jaar ouder dan ik. Dat had ik niet gepeinsd van zo’n freel ding, het was haar helemaal niet aan te zien. Het gebeurde steeds meer dat we samen optrokken en aldra kregen we ne roep achter ons gat. Het kwam zo ver dat op een avond ons moe vlakaf zei ‘Hoe zit dat, met die van Callens?’ ‘Die is toch veel ouder dan gij?’ ‘Ge gaat toch niet in uw ongeluk lopen zeker, want naar ’t schijnt is die al ne keer getrouwd geweest met een zekere Cornelis Dupon.’ ‘God weet heeft ze daar geen kind van?’ Ik verschoot mij nen bult, want ik wist van toeten noch blazen. Kortom er moest geklapt worden met moeder Amelberga. En vanzelfspekend met Anna Catharina zelf. ’t Werden tranen met tuiten en, ‘kennekik gene Cornelis’, ’t is ammel niewaar‘,‘k ga mij verdoen, …’ en meer was er niet uit te krijgen. Op een einde moesten ook va en moe en ook de Callens erkennen dat er in Temsche genen enen Cornelis Dupon was te bekennen. Toen heb ik slinksgaweg aan ons moe eens gevraagd hoeveel ouder zij was dan onze va? Toen mocht er ineens getrouwd worden. Nog geen week later waaide een kwaaie wind het geroddel al van deur tot deur. Het eindigde er mee dat wij niet tot bij de paster dierven gaan uit angst voor de bannen die hij van de preekstoel zou afroepen en die zonder pardon zouden leiden tot het uitroepen van beletselen. ‘Die Anna Katrien van Callens die is toch al getrouwd, wij hebben wij er genen weet van dat die geschieën is!’ We hoorden de kwezels al bezig. ’t Heeft dan een hele tijd geduurd eer wij terug aan trouwen begosten te peinzen. We zijn dan eens met een klein hertjen tot op de Kapelanie gegaan en hebben daar onze queeste voorgelegd aan de eerste de beste geestelijken die we daar troffen. Die zou eens tot bij de pastoor gaan. Komt die nondedomme op een zaterdagachternoen toch niet ons erf opgestapt. ‘Dag Meneer de paster, kom binnen meneer de paster, een kom botermelk meneer de paster?’. Meneer de paster moest dat allemaal niet hebben. Hij begon met een sermoen ‘over de heiligheid van het huwelijk en de wetten van onze moeder de H. Kerk en dat het huwelijk een sacrament was en dat geslachtelijk verkeer alleen tussen gehuwden was toegestaan’.‘Het beste is zo rap mogelijk te trouwen besloot hij.’ ‘Dan is er die kwestie Dupon.’ ‘In heel Temsche woont er genen Cornelius Dupon, uw Anna Katrien kan er dan ook niet mee van doen hebben. Maar ik heb hier een geleidebrief voor de paster van Vrasene. Daar wonen er veel die Dupon heten. Ga eens tot daar met mijn complimenten en vraag daar eens naar die Cornelius du Pon of Dupon.

Zo gezegd zo gedaan. Maar met knikkende knieën en ons Anna Katrien met een geleend bovenkleed en een nieuwe neusdoek, trokken wij naar Vrasene. De paster van Vrasene was heel vriendelijk. ‘D’r zijn er geen beletselen voor ulderen trouw zulle’. ‘Kijk hier’ hij haalde zijn huwelijksregister boven,’hier staat het zè: Cornelius Dupont en Anna Catharina Callens zijn getrouwd op 19 juni 1759 hier in de kerk en de 23ste juni van ‘t jaar 1767 zijn ze nog eens aangifte komen doen van de geboorte van hun vijfde kind, Joanna Judoca’. ‘Dat zijde gij toch niet hé mens’. Wie vertelt nu zo’n onnozelheden in Temsche. ‘Ik zal ulder nen brief meegeven voor ulderen paster.

Den 15de mei van ’t jaar 1769 was’t dan zover. Anna Catharina was al een tijdje ingetrokken bij haar moeder in de Brantstraete, want het was de gewoonte dat de bruid werd uitgehuwelijkt vanuit het ouderlijk huis. De avond voordien hadden die van Callens en enkele jongelui uit de buurt afgesproken om het trouwfeest in te schieten met hun carbuurgeschut. Dat duurde tot de hele bende stiepelzat van het danig trakteren met jenever en brandewijn naast hun geschut in slaap was gevallen.

 

 

 

trouwakte van Pieter Jan Pauwels en Anna Catharina Callens, Rijksarchief Beveren.

 

Paster Vijvens trouwde ons op een maandag in de Onze Lieve Vrouwekerk van Temse. Mijn broer Josephus en Anna Katrien haar zuster Amelberga, waren onze getuigen. Na de dienst reden we op een platte wagen door het dorp, vergezeld van ketelmuziekanten die we geregeld moesten laven in de Vier Heemers, in Den Deckpriem en op Eygeloo bij Andries Vercauteren. Terug op het hof ging het er al even uitbundig aan toe en werden we alweer met veel lawijt begeleid naar de echtelijke bedstee. Waarna de hele bende joelend weer de bruidskamer binnen viel om te controleren of alles wel zijne gang ging zoals het moest gaan. Ten langen leste hebben we maar wat kiekenbloed aan een laken gesmeerd en dat door de venster gehangen om het gekrakeel en het onverwacht bezoek te doen ophouden.

Cornelis Dupon en Anna Catharina Callens hielden in 1770 te Vrasene hunne kerkgang met hun zesde kind. Wij bleven in de Brantstraete bij de weduwe Van Hoylandt wonen. Met mijn eigenste Anna Catharina Callens hielden we onze eerste boreling ten doop op 16 november 1771. Het was geen gemakkelijke baring geweest, Anna Katrien had vele aanvallen van krampen. Het was dan ook een geluksken dat het kind goed ter wereld kwam. We noemden het Jacobus naar mijn vader, maar het had een zwak gestel en trekkingskes over zijn lijfke. De 27ste van dezelfde maand toen mijn vrouwe het wou zogen, lag het met een starre blik naar de hemel te kijken. Het zag lijkbleek en donkerblauwe lippen stulpten uit zijn mondje. De seskens, nondedju! Tegen zonsopgang was ‘t gepasseerd. In 1773 zette Anna Katrien toch nog een meisje op de wereld dat we Maria Theresia, naar onze landvoogdes noemden, en dat in leven bleef. We konden de doening uitbreiden met een eigen woning. Later zouden ook Zacharias, Amelberga, en Anna Catharina De Rijck een eigen woonst betrekken in de Brantstraete. Evenzo mijn zuster Maria Theresia die er met Michael de Cauwer een eigen doening begon. In ons eigen huis werd op de 30ste mei 1776 onze Joannes geboren. Wij wensten niet anders dan dat onze kinderen een gelukkige toekomst tegemoet zouden gaan. Helaas keerde de tijdsgeest na het overlijden van onze geliefde landvoogdes. Plotsklaps verschenen overal in de Wase gemeenten pamfletten die op de kerk- en marktpleinen, bij de waterpompen en vismijnen sluiks werden uitgedeeld en aangeplakt op de kerkmuren. Het waren oproepen om zich tegen de keizer te keren. Ik was na de kerkdienst niet weg te slaan van tussen de disputerende tuyschers en schippers die kleurrijke verhalen vanuit de grote steden naar Temsche brachten over de opstand van burgers, edelen en kerkbedienaars tegen de bemoeizucht van die hatelijke keizer-koster. Eén van hen had zelfs de Lovenschen Patriotischen alamanach van ’t jaer 1791 van drukker Pieter Corbeels meegebracht, versierd met het embleem van de patriotten en voorzien van strijdliederen waarin opruiende taal stond te lezen tegen de keizer.

 

Jozef II die in 1780 zijn moeder keizerin Maria Theresia was opgevolgd, wou zoals al eerder vermeld, regeren als een verlichte vorst en het bestuur van zijn gewesten meer uniformiseren en centraliseren. Tijdens het eerste deel van zijn regering richtte hij zich vooral op de kerk en de clerus. Op 1 januari 1787 werden ook verregaande hervormingen doorgevoerd op bestuurlijk en gerechtelijk vlak. De financiën van de ambachten werden onder regeringscontrole geplaatst en de Raad van Brabant werd vervangen door een oppergerechtshof. Toen was het hek in de Oostenrijkse Nederlanden pas echt van de dam. Er ontstond een verzetsbeweging onder leiding van de Brusselse advocaat Hendrik Van der Noot. De leden van deze beweging werden de 'statisten' genoemd. Zij ijverden voor het behoud van de oude voorrechten. Een andere beweging die aanvankelijk de hervormingen van de keizer steunde stond onder leiding van een andere advockaat: Jan-Frans Vonck. Door het onhandig ingrijpen van Jozef II vonden Statisten en Vonckisten elkaar in het verzet. Van der Noot was een echte Brusselaar die veel aanzien genoot bij de lagere klassen van de stad. Hij was geen eerste rangpoliticus, maar wel een man die op een ietwat demagogische manier de bevolking achter zich kon krijgen. De landvoogden Maria-Christina en haar echtgenoot Albert van Saksen-Teschen zagen het onheil aankomen en zwakten de hervormingen van de keizer zoveel mogelijk af. Een verbolgen Jozef II riep hen hiervoor in Wenen op het matje. Op 18 juni 1789 schafte gevolmachtigd minister von Trautmannsdorff de Brabantse 'Blijde Inkomst' af, waardoor de Oostenrijkse Nederlanden openlijk tot verzet overgingen. Van der Noot was intussen naar Breda gevlucht waar hij een vrijwilligersleger samenstelde en om militaire hulp bedelde bij Nederland en Pruisen. In oktober 1789 viel een vrijwilligersleger onder leiding van Van der Meersch de zuidelijke staten binnen. Men slaagde er in de steden Turnhout, Gent, Sint-Niklaas en Brussel te veroveren. De Oostenrijkers trokken zich terug en Van der Noot werd in Brussel ontvangen als 'redder des vaderlands'. Eind 1789 werd de onafhankelijkheid uitgeroepen van Brabant en op 10 januari 1790 werden de 'Verenigde Belgische Staten' opgericht. De nieuwe regering was geen toonbeeld van eendracht want vrij vlug liet Van der Noot de 'Vonckisten' vervolgen. De buitenlandse hulp van Nederland en Pruisen bleek een loze belofte. De gebeurtenissen tijdens de Franse Revolutie deden Pruisen en Oostenrijk weer dichter tot elkaar groeien en Pruisen achtte het moment niet geschikt om Oostenrijk te verzwakken. De dreiging uit Frankrijk was groter dan die uit de Oostenrijkse Nederlanden. Zo liep de Brabantse Omwenteling die begon in 1790 al in 1792 ten einde. In het Waasland evolueerde deze periode tot politieke dynastievorming van notabelen, die zich tot 1830 de politieke macht zouden blijven toe-eigenen. Uiteraard was het vermogen (familiebezit) een niet te onderschatten factor, zelfs onontbeerlijk voor een politieke loopbaan. Het grondbezit bleef in deze periode immers de basis voor de economische en politieke macht en verkleinde zodoende aanzienlijk de politieke doorbraakkansen van de lagere sociale klassen. Hoe kon het ook anders? Er bestond geen brede basis die de omwenteling had moeten schragen: de landbouwer, de pachter, de dagloner die nooit enige noemenswaardige inspraak in de bestaande machtsstructuren had gehad, revolteerde niet om de macht in handen te nemen. Het merendeel van de bevolking was vrij volgzaam en trouw aan  hun lokale machthebbers: de clerus, de adel, de corporaties en de gevestigde traditionele instellingen waarin deze vertegenwoordigd waren. Het was hen niet te doen om een revolutie te ontketenen maar om te revolteren tegen de aantasting van hun traditionele rechten en gewoonten.  (Uit artikels van verschillende historici)

 

’t Moet november geweest zijn in 1789. In De Swaene, In den Doorn, in ’t Schaliënhuys, in de Nieuwe Banke, in alle herbergen en jeneverhuizen van het Gulden Hooft tot op de Velthoeck roezemoesde het van geruchten en tijdingen. Als zou een legertje Patriotten vanuit Rozendaal onder leiding van de prins de Ligne van plan zijn om door het Waasland naar Gent te trekken. Voor ons die de winter moesten zien door te komen was dat allemaal goed en wel, maar het bracht geen eten aan de man. De lonen daalden alsmaar en de prijzen van het voedsel gingen de hoogte in. Het vrijelijk hout kappen in de heidebossen rond de Sterre en in de bossen van ’t Walgoed werd verboden wegens de stijgende houtprijzen. Veel vaste boerenknechten en meiden werden opgezegd en vervangen door losse krachten die dan maar de winter moesten zien door te komen met huisnijverheid waarvoor men ook al niet veel meer betaalde. Kortom we konden het politieke gekrakeel en het oorlogsgedoe missen als kiespijn. Al heb ik het voor de Vonckisten. Zij noemen zich democraten en komen op voor de rechten van de burgers. Zij zijn wel voor de hervormingen, allee niet voor allemaal, maar willen in elk geval de keizer buiten. Groot gelijk placht men aan de stamtafel in De Hoge Camer te zeggen. Welke zever is dat nu, dat koningen en keizers hun kroon zouden gekregen hebben van God Onze Heer zelve. Een God die toelaat dat gekroonde hoofden oorlog voeren, de rechten van onderdanen afpakken, hen uitzuigen en hen voor ’t minste bestraffen, das gene rechtveerdigen God en daar moeten wij kleine menskens niets van hebben. De mensen luisterden al langs om minder naar de pasters. ‘In Parijs’, wist mijn schoonbroer Machiel Heirbaut te vertellen, ‘hebben ze alle prinsen en edellieden de kop afgekapt. Dat moesten ze hier ook doen. Maar in ‘t Waesland gebeurt just het omgekeerde, de heren hebben nu nog meer macht dan onder de keizer.’ Ach die Machiel, tot in zijn verste nageslacht zullen al zijn nakomelingen dwarsliggers zijn.

Op een morgen, het was nog half duister, schrokken we allemaal wakker van getier en geroep van nen troep van zowat driehonderd man, gewapend en al. ‘Hela’, riepen wij, ‘Van waar komde gulder?’. ‘Van Haasdonk’, riep er enen, ‘we zijn met Jan Benedict Hemelaer van plan om naar Gent te trekken om de Oostenrijkers in de Leie te verzuipen!’ ‘Vanuit Rozendaal zijn ze met de prins de Ligne op kop onderweg naar Sint-Niclaes.’ We bleven gelukkig afzijdig op onze uithoek. Maar toen ik Donderdaags naar de markt ging hoorde ik van vader De Mol die onlangs in één der armenhuyskens was ingetrokken, en van de marktmannen dat zij niet zo gelukkig waren met die patriotten. Hen bekommerde meer de crisis in de textiel. Bovendien moesten ze hen niet alleen eten geven maar ook te slapen leggen. Maar bovenal hadden ze schrik dat de Oostenrijkers zich zouden wreken wanneer de krijgskansen keerden. Ondertussen was het patriottenleger in de stad al aangegroeid tot zowat vijfduizend man, gewapend met sabels en geweren. Binst dat wij wat zaten te resoneren in De Graanmaat hoorden we al met ne keer gekrakeel van jewelste. Een groep patriotten kwam aangereden met twee wagens met daarop tien artilleriestukken, gevolgd door een voituur met daarin een vent die het angstzweet op het gelaat stond. Hij werd stante pede voor de staf van het patriottenleger geleid. Naar ’t schijnt zou dat Jan Ferdinand Van Goethem zijn geweest, de rentmeester van de hertog Wolfgang Guillaume d’Ursel uit Hingene bij wie de patriotten kanonnetjes waren gaan ophalen. Omdat de rentmeester die niet goedschiks wou meegeven, hadden ze hem ook maar meegenomen. De prins de Ligne, die een regelmatige gast was op het kasteel te Hingene, herkende vanzelf de rentmeester. Hij stelde een verklaring op voor hertog d’ Ursel waarin stond dat rentmeester Van Goethem onder wapengeweld gedwongen werd het geschut over te geven. Weinig later zagen we hem in zijn koets spoorslags de stad verlaten.

Onderwijl liep de mare dat Jozef II zou gestorven zijn en opgevolgd werd door zijn broer Leopold II. In december 1790 vernamen wij van de burgemeester dat zijn legers korte metten had gemaakt met de patriotten en daarmee was het gedaan met de onafhankelijkheid en waren de Oostenrijkers terug baas boven baas.

 

Op 20 april 1792 verklaarde Frankrijk, Oostenrijk de oorlog. Generaal Dumouriez versloeg bij Jemappes de Oostenrijkse legers die België moesten ontruimen. De Franse troepen werden als bevrijders onthaalt, temeer daar Dumouriez in een manifest beloofde dat men in vrijheid een democratische constitutie zou mogen kiezen en dat de Schelde zou worden geopend. Waarop in 1793, een tumultueuze volkstemming de annexatie van België bij Frankrijk goedkeurde. Na overleg met de Europese mogendheden slaagde Leopold II er in een coalitieleger op de been te brengen dat op 18 maart 1793 de Fransen versloeg te Neerwinden. Generaal Dumouriez en zijn leger moesten het land weer verlaten. Er brak dan een instabiele periode aan waarbij de Europese mogendheden zich bezonnen over de toekomst van België.

 

Te Parijs was ondertussen in 1789 de Franse revolutie uitgebroken, die het ancien régime met zijn klassevoorrechten wegveegde de Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger uitvaardigde, de koning terechtstelde en de kerk vervolgde. De revolutionaire legers trokken zegevierend over de grenzen. Op 26 juni 1794 versloeg generaal Jourdan de Oostenrijkers nabij Fleurus en werd België bij Frankrijk ingelijfd.

De Zuidelijke Nederlanden kenden aldus zes regimes in vijf jaar tijd en van 1794 tot 1815 zouden onze gewesten gedurende twintig jaar vanuit Frankrijk worden bestuurd.

De Franse overheersing is een cruciale periode uit onze geschiedenis, ze zal het uitzicht van onze samenleving definiëren: burgerlijk huwelijk, echtscheiding, burgerlijk wetboek, kadaster, metriekstelsel, papiergeld…Het betekent ook de verfransing van het bestuur, indeling in departementen, kantons en gemeenten en de aflevering van paspoorten en het opstellen van bevolkingslijsten. Bovendien het verbod van elke vorm van Godsdienstuiting met de verplichte eedaflegging van de priesters waarbij zij zich onderwierpen aan de volkssoevereiniteit en gehoorzaamheid aan de wetten van de Republiek. Honderden priesters en de aartsbisschop van Mechelen, de Frankenberg worden gedeporteerd. Tevens wordt onder het tweede Directoire de verplichte militaire dienst voor alle mannelijke burgers tussen de 20 en de 25 jaar ingevoerd, zeer tot ongenoegen van de boeren die hun zonen en werkvolk zagen verdwijnen in het Franse leger.

 

Te Parijs in 1799 wist Napoleon door een staatsgreep de macht naar zich toe te trekken. Hij vaardigde de Code Napoleon uit en sloot in 1801 een concordaat met de Paus. Dit hield het herstel van de vrijheid van eredienst in en voorzag in een bezoldiging van de katholieke geestelijkheid door de Staat, in ruil voor de tijdens de revolutie genationaliseerde en door de revolutionaire regering verkochte kerkelijke bezittingen, en in een herindeling van Frankrijk (het geannexeerde België inbegrepen) in nieuwe bisdommen.

 

In juni 1803 (29 Messidor, an onze) bezocht hij op doortocht naar Antwerpen Sint-Niclaes en werd er vooral getroffen door de bloeiende markthandel.”De markt, één der grootste ter wereld, stond vol met graan; al de daken en de vensters waren gekroond met toeschouwers”, wist een ooggetuige te melden.

(verscheidene historici, o.a. Yvon Fonteyne van de heemkring Ten Boome)

 

Er was een massa volk op de been. Er werd getrokken en geduwd om toch maar een glimp van de consul te kunnen opvangen. In het tumult kon één van de dragonders uit de escorte zijn paard niet meer in ’t zeel houden. Het steigerde en gaf een omstaande landman een kwaaie trap in de buik. Hij werd aanstonds verzorgd door de chirurgijn van Napoleon en haastig naar zijne woning overgebracht. Ondanks de beste zorgen van de doktoren bekwam hij enige tijd later ‘koudvuur in de buik’. De ongelukkige is in het najaar hieraan gestorven omringd door zijne dierbaren in hun woning aan de Brandstraete nr. 63

 

Of het zo gegaan is weet uw kroniekschrijver niet. Wel bevind zich in het stadsarchief van Sint-Niklaas de overlijdensakte van Pierre Pauwels uitgeschreven op 26 Fructidor an onze de la République Française: Op 13 september 1803 werd door zijn zoon Jean aangifte gedaan van het overlijden van Pierre Pauwels, werkman, om 4 u. in de voormiddag, ten zijnen huize Brandstraete in de leeftijd van 60 jaren. Vermeld wordt dat hij de echtgenoot is van Anna Catharina Callens en zoon van Jacobus Pauwels.’

 

In 1804 kroonde Napoleon Bonaparte zichzelf tot keizer en regeerde hij over het hele West-Europese vasteland. Datzelfde jaar schonk hij Sint-Niclaes stadsrechten.

Comments