JUDOCUS

 

Dit is een naar waarheid verzonnen familiegeschiedenis. Feiten en namen zijn zo getrouw mogelijk weergegeven, maar de wijze waarop een en ander zich heeft voorgedaan is vanzelfsprekend verzonnen omdat hierover geen zekerheid bestaat. Wel waar is dat deze geschiedenis zich afspeelt in een toenmalig tijdskader, gebaseerd op bestaande historische feiten en gebeurtenissen.

 
 

III.  JUDOCUS     1669 – 1743

 

In 1667 werden Duinkerke, Artesië, Rijsel en Dowaai bij Frankrijk gevoegd. De opvolging van de Spaanse troon in 1700 leverde problemen op. In 1713 schonk Lodewijk de XIV al zijn bezittingen in de Spaanse Nederlanden aan de Verenigde Provinciën, als onderdeel van de buffer tegen Frankrijk. In 1748 bevestigde de vrede van Aken de verdragen van Westfalen en vielen de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijk, bij het einde van de Oostenrijkse Successieoorlog. De Schelde bleef echter gesloten. De landbouw kende in Vlaanderen percelen van amper 1 tot 5 ha met een hoge opbrengst. De bemesting was overvloedig en werd nog aangevuld met stadsmest en turfas. Het drieslagenstelsel werd verlaten. Het inkomen moest veelal aangevuld worden met weven en spinnen. Bij de kleine boeren was de koe ook een trekdier en soms gehuurd met een veepacht. De aardappel was bedoeld als veevoeder, maar bracht naast spelt en boekwijt wel soelaas voor de armen bij een graancrisis.

(http://users.pandora.be/de.spineto/ van Baasrode tot Baasrode)

 

Als Antoon Pauwels en Catharina Verbrugghe tijdens hun leven al niet bij de armen van Steenhuffel gerekend werden, dan gebeurde dat na hun dood zeker met de jongste wezen. In de Rekening der Armen van Steenhuffel, opgemaakt in 1707 staat het volgende te lezen:

“Item volgens schriftelijke ordonnanties van wijlen heer pastoor de date 1706 blijkt dat den rendant alsnoch betaelt heeft aan Philips van den Berghe de somme van 8 guldens voor gehouden te hebben het meijsen van Anthone Pauwels, een geheel jaar. Gexpireerd primo may 1706 alhier”

 

In 1706 waren Joanna en Barbara Pauwels 18 en 14 jaar oud. Aangezien Joanna al oud genoeg was om voor haar eigen kost te zorgen, moet hier Barbara bedoeld zijn. Deze Barbara verbleef in Steenhuffel bij het echtpaar Philips van den Berghe – Anna De Bont, op zijn minst in 1706. (transcriptie en verklaring door Louis De Bondt)

 

Ons doening bracht allengs niet genoeg meer op om alle monden te voeden. Daarom gingen we in dienst van de abdij van Affligem om bomen te vellen in Buggenhout-bos. Zwaar werk maar de paters konden kloeke gasten als die van Toon Pauwels goed gebruiken. We peesden er op los met de langszaag en waren handig met de bijl en het hakmes om de bomen van hun takken te ontdoen. Met den hors, ne wagen met twee hoge wielen met daartussen een dissel, waaraan men met kettingen een boomstam of zelfs meer dan één kon ophangen, werden de stammen naar den houtbriel gesleept waar ze werden opgeslagen om per boot vervoerd te worden naar Brussel of Antwerpen. Ze werden daar gebruikt om naar men zegt, ‘gebouwen op te trekken zo schoon en rank en met hoge vensters en rozetten van gekleurd glas waarvan uw ogen zeer konden doen van ernaar te kijken.’ Dat vertelde Cis Sarens die op zijnen ouden dag om den brode nog met wit zand is gaan leuren, ’s avonds in de herberg van Wannes Goedgezelschap.

De familie Sarens en vele anderen aan den briel van Buggenhout waren boottrekkers. Ze trokken met lange touwen aan een gareel langs de gaanpaden van de Schelde en de Rupel hun vracht naar zijn bestemming. ’t Was zwaar labeurwerk en ge moest met heel uwe kroost meetrekken om zo’n schuit in de vaart te houden. We hebben dat een tijd gedaan, mijn broers en ik, toen we jong waren en samenwerkten. Zo konden we een stuiver opzij leggen. We kwamen ook nog eens ergens. Onze Willem die met een Baasroodse trouwde overtuurde het een eigen schuit te kopen. Hij en zijn kinders en zijn kleinkinders zijn hun leven lang schippers geweest maar kwamen altijd terug naar Den Briel.

                     

Den Ouden Briel omvatte de heerlijkheid Cuytelgem binnen Brabant. Het gebied maakte deel uit van de Nederlanden en lag aan de Schelde. De Schelde was in vroegere tijden een echte levensader, er werd wel eens om gevochten. Cuytelgem was het oudst bekende centrum van het Karolingische domein Baceroth, het huidige Baasrode. Het behoorde tot het bisdom Kamerijk en omvatte volgende Bacherothen of deelparochies. Vlassenbroek, Sint-Amands, Mariekerke en Den Ouden Briel. Deze laatste vormde onder de heerlijkheid Cuytelghem een Brabantse wig die toegang gaf tot de Schelde en reeds in gebruik was bij de Franken als aanlegplaats. In de tweede helft van de 11de eeuw kregen de heren van Grimbergen het voor mekaar dat bij de vorming van de Landen van Dendermonde en Bornem, de heerlijkheid Baceroth als het ware uit het graafschap Vlaanderen werd geheven en voortaan deel uitmaakte van het hertogdom Brabant. Buggenhout en Sint-Amands bleven Vlaams. Via Kuitelgem kregen de heren van Grimbergen toegang tot de Schelde. Het plaatsje evolueerde dan ook tot een belangrijk transitcentrum voor goederenverkeer. We hebben er het raden naar wat men allemaal verscheepte maar voor de landbouw was kalk uit het Doornikse zeer belangrijk en de koolmijnen van Frameries waren reeds in 1270 bekend. Voor de eigen bevolking was deze brandstof allicht te duur en zorgde zij door transit alleen voor werkgelegenheid op Den Briel. Toen Maria van Hongarije, regentes van de Nederlanden in 1550 aan Brussel de toelating gaf om de stad met een kanaal met de Rupel te verbinden konden transporten vanuit Brussel rechtstreeks en zonder overslag de Beneden-Schelde bereiken. Voor Den Briel betekende dit de doodsteek. De transporten naar de nabijgelegen Brabantse en Vlaamse dorpen als Baasrode en Sint-Amands waren van weinig betekenis. Wegens het ontbreken van gemakkelijk bereidbare wegen werd Den Briel de pas afgesneden. De verpauperde bevolking van Buggenhout, Opdorp, Malderen, Steenhuffel en zelfs van Merchtem had onvoldoende behoeften om Den Briel als haven een kans te geven. Toch mag men hier niet uit afleiden dat Den Briel plots verkommerde. De bewoners gooiden het allicht over een andere boeg. Er was nog de landbouw en een beperkte bedrijvigheid langs de Schelde. Uit een belastingsrol uit 1713 blijkt dat men in Den Briel zeer goed gehuisvest was. Wat de grondversnippering betreft liep Den Briel eeuwen vooruit op de rest van de omliggende gemeenten. Toch is het hoog wooncomfort niet helemaal toe te schrijven aan een aantal grote boerderijen, eerder aan een florissante handelsbedrijvigheid. Waaronder het transport van beir uit Antwerpen en Brussel bestemd voor de landbouw.

(http://users.pandora.be/de.spineto van Baasrode tot Baasrode, en De boottrekkers van Briel, P. Servaes,1983, Heemkring Ter Palen, Buggenhout.)

 

IIIa. CATHARINA HIEL     1671 - 1706

 

Toen we op een dag in 1703 aangemeerd lagen hoorde ik kaailopers vertellen dat Cies Herpels was gestorven aan de pest. Cies was met Katrien van Hieles getrouwd en de zwarte dood had in dat huishouden al voor heel wat miserie gezorgd. Adriaan, hunnen oudsten, geboren in 1696, was kloek en gezond ter wereld gekomen maar in 1698 kocht Katrien een ventje dat ze Laurentius doopten en maar een goeie maand in leven bleef. Dan volgenden nog Joannes in 1700 en Petrus in 1702. Katrien wou hoge heiligen als schutspatronen voor haar kinderen want hoe meer middelaars en hoe hoger aan-geschreven, hoe groter de kansen op redding van ziel en leden. Men heeft nu eenmaal bescherming van hierboven nodig om dood en kwaad te weren.

Nu Katrien weef was dacht ik bij mijn eigen: ‘Mijn broers en ik overleefden de pest in Buggenhout en Steenokkerzeel. Misschien kwam dat omdat we veel in de gezonde buitenlucht vertoefden in de bossen of langs de kanalen en rivieren, maar ook omdat we zo’n sterk geslacht waren. Waarom zou ik de pest in Sint-Amands niet overleven?’. Ik heb niet lang gewacht om het aan te vragen en naar haar ouders te gaan. Ik was ondertussen al vierendertig en al dien tijd al de hort op met schuiten vol stenen of boomstammen. De laatsten tijd vervoerden we langsom meer beir van Antwerpen naar Briel om de landerijen en akkers te bemesten. Het betaalde goed maar het geld stonk en dat hadden Egidius Hiel en Clara Zegers rap door. Zij ontvingen mij in hun beste kleren maar waren niet al te opgezet met mijn verschijning. Op de boot is niet veel plaats om te slapen en eten te maken laat staan dat g’r nog een legkas in kwijt kunt. Ik zal er maar versjofeld voorgekomen zijn zeker om van de strontreuk niet te spreken. ‘Dat Katrien toch ook al niet meer van de jongste was, dat ze niet van de sterksten was, dat z’al zoveel tegenslag had gekend. Dat z’op haar vierentwintigste getrouwd was met Cies Herpels die den achtste mei van dees jaar vol stinkende builen was gestorven. Treurig, treurig en triestig voor Katrien nu toch ook al vierendertig en dan nog moeten achterblijven met drie kinderen waar van de jongsten ook al niet van de gezondsten waren. Ze zouden toch liever hebben dat ze nen deftige vent trof met enige vastigheid aan de wal en si en la…allee gij zijt toch van een sterk ras’. Nu ja, ik liet mij overtuigen. Veel tijd en keus restte mij niet. We trouwden in de zomer van 1703, de vijfenwintigsten van de maand juli in de Sint-Amanduskerk. Onzen trouw werd ingezegend door paster Adriaen Stevens die vanuit Mol was aangesteld.

 

 

 

                           Huwelijksacte van Judocus Pauwels en Catharina Hiel, uittreksel uit het parochieregister van
                                                         Sint-Amands in het Rijksarchief te Beveren. 
 
Als weef kon Katrien niet veel anders aandoen dan een zwarten kapmantel die bijna tot op de grond kwam en een koei te groot was veur heur schamel lijf. Ik had een flanellen boezeroen aangetrokken en daarboven mijne properste blauwe kiel. ‘k Had mij bovendien voorzien van een paar nief blokken, die als ik naar den outer liep door de kerk kletsten alsof er ne malotsen met ne ratel rondliep. Mijn broer Laurent was getuige en langs de kant van de Hieles, Adriaen van Hemelrijck. Er was weinig feesten bij, dat paste niet binst de rouw vond Clara, mijn schoonmoeder. We trokken na de trouwmis dan maar naar de hofstede van de Hieles aan de Larendriesch. In alle deftigheid werd er toch een sobere feestdis opgediend bestaande uit wittebrood met rozijnen, botermelk, pastei van patrijs en om te eindigen wafels met enkele stopen bier van ’t Hof van Hemelrijck.

Ze zaten er goed in de Hieles. ‘In 1669 had hij’, zo vertelde mijn nieuwe schoonvader maar al te graag en al te dikwijls, ‘zijn meiseniersbrieven afgehaald op de schepenbank te Buggenhout’. Ons kent ons en na zijn bemiddeling kon ik als knecht beginnen op ’t hof van de van Hemelrijckes. ‘Dat geeft vastigheid niewaar Joos’.

 

Uit ‘Van meiseniersbloed’ - J. Lindemans, VVF Gouw Vlaams-Brabant 1998 (inleiding van 1944) Gedurende eeuwen, tot op het einde van het Oud Regime, trokken Brabantse landlieden, mannen en vrouwen, naar Grimbergen, uit alle dorpen van West-Brabant, om er hun meisenierschap te gaan bewijzen voor de plaatselijke schepenbank, en er hun meiseniersbrief in ontvangst te nemen. In den etymologischen zin is is de 'meisenier', mansuaris, de houder en bewoner van een mansio, een hof in tegenstelling met een 'kossaat', casatus, den bewoner van een casa, een hut. Maar uit analyse blijkt dat de etymologische betekenis van het woord niet meer van toepassing kan zijn. Onder die menschen komen nog veele groote boeren voor, maar ook een aantal gewone neringdoeners, ambachtslieden, ambtenaars en landlieden die we veeleer als gewone kossaats zouden beschouwen. Het woord dekt dus een ander begrip. In werkelijkheid is 'meisenier', sedert de middeleeuwen, een rechtsterm waarmede, in Brabant, een bevoorrechten stand van landlieden aangeduid wordt, die we best zouden kunnen vergelijken met de poorters van een stad.  Voorrechten waren de vrijstelling van de Dode Hand en van alle karweien, en het recht van alleen gevonnist te mogen worden door de eigen schepenbank, waar ook het aangeklaagde misdrijf moge gebeurd zijn. Met de geleidelijke emancipatie van alle standen verwaterden deze voorrechten, maar de families bleven eraan houden hun meiseniersbrieven af te halen.

 

Er zouden twee brouwerijen geweest zijn op twee naast elkaar liggende percelen grond, één op ‘de steenoven’ en een andere daaraan palende genaamd. ’hof Van Hemelrijck’. Dit laatste bevond zich iets meer naar het zuiden, richting Buggenhout en was eigendom van Adriaen van Hemelrijck. Het was Gillis of Egidius Moortgat die in 1630 van Jacques Sanglier de restanten opkocht van wat eertijds het schaliënhuys aan het schaliënhooft (oversteekplaats) was geweest. Hij brak het leegstaande huis af en bouwde op de fundamenten ‘de steenovens’. Deze waren in 1622 zeker al in werking want dat jaar leverde Gillis Moortgat reeds steen voor de heropbouw van de kerk van Dendermonde. Vermoedelijk pachtte Gillis reeds in die tijd het schaliënhuys dat hij in 1630 ook kocht. Naast bakstenen werden ook andere bouwmaterialen zoals kalk, hout en wase of leem (ook modder genoemd) geproduceerd. Het is goed mogelijk dat de kalk in de steenovens werd gebrand. Vermoedelijk werden de stenen gemaakt uit het slib van de rivierbedding en de slibafzetting uit de oude schorren en de meersen. De familie Moortgat verbond zich via huwelijk met andere welstellende families o.a. uit Buggenhout. De dochter van Gillis, Maria Moortgat huwde Peter van Wemmele, stadhouder van de heerlijkheid ‘Moorsrolle’ te Buggenhout. Bij zijn overlijden werd kreeg zijn zoon Jacobus één deel, de andere helft ging naar zijn kleindochter Catharina Moortgat met o.a. de percelen grond op het Cruysvelt te Sint-Amands. Later zou Frans van Oudenhove, die gehuwd was met Suzanna Moortgat eigenaar worden van de steenovens en het goed nalaten aan zijn zoon Jan Frans die dan weer huwde met Isabella Francisca Anna Van Hemelrijck. En zo kwamen beide hofsteden, met hun brouwerijen in 1794 in het bezit van aan één en dezelfde familie. (http://www.stanny-van-grasdorff.be)

 

Het werd slaven. Overdag op het goed van de Van Hemelrijckes, ’s avonds op ons eigen erf en in de oogsttijd nog helpen bij de Hieles. Katrien die pertang niet van de sterksten was geraakte toch nog redelijk rap in positie. De Hieles zagen dat niet zo graag gebeuren want dat was enen meer om te parten en te delen als het er op aan zou komen. Katrien droeg het kind met pijn en moeite. Adriaan die ondertussen toch al acht was, lette op haar als ik niet thuis was. De jongsten hadden we op het hof van Hiel ondergebracht. Naar het einde toe namen we Joanna Ceulens, de vroedvrouw in huis en dat was maar goed ook. Guillielmus zoals hij werd gedoopt kwam onverwacht vroeg den zestienden april 1705. ’t Was ne flinke kerel, nen echte Pauwels, groot en kloek. Terwijl mijne zoon groeide als kool, was ‘t precies of hij Katrien leeg zoog. Daarbij kwam nog dat die van Herpels het op hunnen asem kregen. Hoesten, fluimen en naar asem smachten. Ze verzwakten zienderogen. Toen Katrien ook begon te hijgen en te rochelen haalden we er Petrus Wishof bij, die zich in ‘ t dorp als chirurgijn had gevestigd. Die nam mij apart en zei: ‘Joos jong, haal uw kind hier weg of anders moeten wij Katrien en die van haar naar ’t Sieckhuys op ’t kuer doen’. ‘Godverdenondedonde ’t zal ons maar weer overkomen’ Ik wist nie waar ik met de jongsten naar toe moest. In ons doening blijven kon ook niet, dan gingen w’r allemaal aan. Ik kon Katrien en haar kinderen ook niet bij anderen of bij familie onderbrengen. Ik kon de pest toch niet in ‘t dorp hare gang laten gaan. ‘Ach Joos’, zei chirurgijn Wishof terwijl hij zijn instrumenten opborg: ‘ten is dat zo moet zijn’. ‘De pest is nooit helemaal uit huis geweest na de dood van Herpels en nu is’t op hun longen geslagen. ’t Zal niet lang duren. We kunnen ze best naar de lazerije brengen. Ze hebben daar hunnen oppas want veel kunnen we d’r niet aan doen en ze worden er deftig begraven’. Daar stond ik met hangende armen en met mijn gemoed vol. De Hieles waren als de dood voor de pest en trokken hun handen af van hun eigen dochter. Erger, ze eisten ook nog dat we ons doening zouden afbranden om de pest te weren. Zo ver is’t niet gekomen maar bij testament kwam het hof terug in hun bezit. Dat was zo beschreven omdat ik geen bruidschat in het huwelijk had kunnen inbrengen. Adriaan die al wat groter was en ons Guyken kon ik onderbrengen bij Petrus Piesens en Anna Heyvaert, mijn buren. Hun dochter Beth die nog thuis woonde zou wel op hen passen. Katrien en de andere kinderen werden door de pestmeester weggebracht. Petrusken ging eerst, den zeventienden april 1706. Katrien de zevenden juli kort daarop. Joannes leek het nog te zullen halen maar stierf op zijn achtste jaar den twaalfden september in 1708 in ’t sieckhuys aan een algehele ondergang. Nadat de Hieles voor hem en voor zijn broer een voogd uit hun familie hadden aangesteld konden zij Adriaan opeisen. Ik liet hen maar doen want hij zou bij hen beter af zijn dan bij mij. Van mij trokken ze hun handen af. Ik was toch maar een arme luis, ‘ene van die boottrekkers, die gene nagel hadden om in hun gat te krabben, dat hij zelf voor zijn jong zorgt’. De pastoor kon met moeite bekomen dat ik nog op de hofstee mocht blijven wonen tot ik een ander onderkomen had gevonden.

 

Te Sint-Amands bezat de armentafel het recht om jaarlijks cijnsen te heffen op hofsteden en gronden. Rond 1700 verpachtte zij een stuk grond dat bekend stond als ‘het zieckhuys’. In de 20ste cohierpenning van 1571 staat te lezen dat ene Daneel Wolff houdt in pachte van de heiligen geest van Sinte Amandts, een gemet landts, “genaampt de lazerije”. Dit duidt allicht op de aanwezigheid in Sint-Amands van een leprozerij of een pesthuys, waarin men melaatsen en andere besmettelijke zieken, zoals die met de pest afzonderden. Een tragisch pestjaar was 1636. De pest sloeg nog eens toe in het jaar 1668-69 wanneer er dubbel zoveel overlijdens werden geteld. De epidemie hield aan tot een stuk in de volgende eeuw al waren er verschillen in de verschijnselen waarop de ziekte uitbrak. Met gezwellen noemde men haar de builenpest. Deze builen slaan vaak blauw-zwart uit, men spreekt dan van de ‘zwarte pest’ of van de ‘zwarte dood’. Wanneer de longen aangetast worden noemt men haar de longpest. Onder de bevolking was de schrik zo groot dat men vaak de kerkelijke begrafenis niet afwachtte om de doden te begraven. Veelal gebeurde dat in ongebluste kalk. Honden, katten en andere huisdieren werden werden afgemaakt en met hun eigenaars begraven. Men stond vrijwel machteloos tegen de besmetting. Vandaar dat men een pesthuys zo ver mogelijk aan de rand van het dorpscentrum bouwde. Ook in Sint-Amands was dat het geval. Men vermoed dat de ‘lazerije’ zich ergens bevond in de omgeving van ’de kuer’ of het kuerengoed. Mensen geloofden immers dat de pest voortkwam van bedorven lucht die de winden meevoerden en slechte, verrotte en giftige dampen dampen meebrachten uit moerassen en meersen. Maar onbegraven of onverbrande lijken konden konden oorzaken zijn van epidemieën.

(http://www.stanny-van-grasdorff.be en anderen)

 

 

IIIb. ELISABETH PIESENS   1670 – 1743

 

‘k Was laat in den avond nog eens tot op ’t kuerveld gegaan om mijn gedacht te verzetten maar de gebluste kalk hing nog in de lucht en prikte me in de ogen en brandde in mijn neus. Bij het terugkeren naar ’t dorp viel mijn oog op het water van ’t Scheldt. Het blikkerde in de lage zon die achter de boomtoppen wegzonk over ’t water. Het zag blauw en groen en ’t spiegelde zich in de oranjerode hemel waardoor alles met een bijna goddelijke gloed werd overgoten. Boven de bomen prikte de spits van de kerk in het laatste stukje blauw, azuur gelijk, van de ondergaande zon. Schoon jong! In de verte hees een visserschuit het zeil om in de opkomende avondkoelte nog ne schelvis of wie weet ne snoek aan de haak te slaan. De zon stak nog justekes boven de kim uit en zond haar stralen als van een gouden remonstrans over Gods schepping. Ik zag nu ook dat het goed was. Al prakkezerend over ’t een en ’t ander kwam het al met ne keer bij me op om naar Brussel te gaan beewegen naar de kerk van Sint-Joost mijne schutspatroon. Tenslotte wordt hij aanroepen tegen koorts en pest en de boeren uit het Brusselse offeren tot hem voor een goede oogst. Het leek me nog zo geen slecht gedacht. Den dertienden december valt zijne feestdag, dat is just op tijd om ne goeien oogst af te smeken voor de komende zomer en om het dorp te vrijwaren voor pest en ander onheil. Als ’t wa meezit kan ik wel met een of andere schuit mee als boottrekker. Ik was allengskes opgestaan en stapte nu voort in de richting van het dorp. Een vierdeels later klopte ik bij de Piesens aan om Guillelmus op te halen. Beth wandelde met het kind aan de hand door de lochting, hier en daar wat onkruid uitrekkend, ging op nen omgekapten boom zitten en nam het kind op schoot, toen ik en passant het erf betrad. Joos zei ze, ‘jong, ge moet dat kind Willem noemen, laat die pasters maar schrijven. In Sint-Amands zeggen wij Willem naar Willem van Oranje, den hertog van Aquitanië die onder Karel de Grote tegen de saracenen vocht. Ik weet wel dat ze in Frankrijk ter ere van hem het chanson de Guillome zingen. Maar ik hoor liever Willem en das de taal van hier.’ Ik stond er een beetje belabberd bij, maar eigenlijk had ze wel gelijk. Willem klapt lichter. Maar dat zij dat zomaar zei…

 

 

Vanaf de middeleeuwen had de kerk het monopolie over het huwelijk. In de latere middeleeuwen en in de moderne tijd poogden de burgerlijke instanties greep te krijgen op de huwelijksgeplogenheden. Zo ordoneerde in 1540 Keizer Karel dat een man die onder de 25 of een vrouw die onder de 20 jaar in het huwelijk trad, zonder vaderlijke toestemming alle voordelen verloor die de langstlevende echtgenoot normaliter toekwam.

Tijdens het Ancien Régime was de lokroep tot het huwelijk nog een vrij algemeen verschijnsel. Zeker wanneer men het over de situatie op de boerenbuiten heeft, mag men voor de vrouwen van een soort dwingende huwelijksplicht gewagen. Voor de mannen lagen de kansen veel beter. Getrouwd of niet, hun spierkracht kon de plattelands-gemeenschap best gebruiken. Zij vormden dus veruit de sterkste partij op de huwelijksmarkt. Ongehuwd was de vrouw niets anders dan de verzorgsters van haar ouders of de meid van haar getrouwde broers of zusters Tweede huwelijken waren een courant gegeven als gevolg van veelvuldig voorkomende sterftes. Zowat een derde van de verbintenissen duurde niet langer dan tien jaar en in ongeveer de helft van de huwelijken overleed één der partners binnen de vijftien jaar. Vandaar dat bij huwelijksafsluitingen frequent veel vrouwen maar ook mannen, voorkwamen die niet meer aan hun proefstuk waren. Niet alleen vonden weduwnaars gemakkelijker een tweede partner, heel vaak wisten zij zich opnieuw met een ongetrouwde vrouw te verenigen. Weduwnaars toonden aldus een grotere bereidheid en beschikten over aanmerkelijk meer kansen om zich in een nieuwe verbintenis te storten. Vandaar de menigvuldige en soms snel opeenvolgende huwelijken. Mannen die soms vier of vijf keer in het huwelijk traden waren allerminst witte merels. Nauwelijks was de ene vrouw ten grave gedragen of men begon schikkingen te treffen om het bruidsbed opnieuw in gereedheid te brengen. Veel minder kwamen opeenvolgende huwelijken bij weduwen voor. Ook dienden weduwen een rouwperiode in acht te nemen vooraleer opnieuw te kunnen trouwen. Dat kon tussen de achtien en de twintig weken lopen, soms ook maanden, maar over het algemeen werd er niet al te nauwlettend op toegezien. Hertrouwen bij weduwnaars werd meer geaccepteerd. Zij konden de zorg voor de kinderen gebruiken als reden voor een tweede huwelijk. Er rustte immers een taboe op arbeid van een man in het huishouden.

(Vrijen en trouwen, van de middeleeuwen tot heden, Chris Vandenbroecke, Elsevier Librico, Zaventem, 1986)

 

Kortelings na mijn beeweg, er lag al een vlieske sneeuw, werd onder avond op de deur geklopt. In het deurgat hoorde ik iemand zeggen:

- Avond Joos’, hebde gij een stondeke jong?

 Ik moest twee keer kijken want ’t was al aan ’t duisteren, maar ge laat gene mens aan de deur staan surtout als ’t uwen gebuur is.

- Kom binnen Peer’ zei ik, ‘ha Anna is er ook bij zie’k.’

 Ik kon nie peinzen waarom Petrus Piessens en Anna Heyvaert zo laat op den dag nog zouden komen aanlopen. Ik lei een paar houtblokken in de haard en presenteerde Anna een stoel, Peer en ik gingen op een krukje in de gloed van de opflakkerende haard zitten zodat we konden zien wat we zeiden.

- Ik hoorde dat ge hier uit moet, stak Peer van wal, weet g’al waar naartoe?’

- Neen ik buurman’, antwoordde ik naar waarheid. ‘Ik zèn wat op den dool hé jong.’

Peer kuchte ne keer en draaide wat om en weer op zijn kruk, keek Anna eens aan, wreef aan zijn snor en zei…

- We hebben zo gepeinsd Joos, als dat ons Lisbeth misschien een goei partij zou zijn voor u. Luistert, wij zijn alletwee dik in de zestig, mij gaat het de laatste tijd nie meer zo goed af en Anna kan de doening alleen niet aan. Lisbeth is 31 en nog vrij en z’ heeft het precies wat voor u. Waarom niet? Ge kunt bij ons introuwen. We weten dat ge niet veel meebrengt maar g’hebt handen aan uw lijf en Lisbeth kan goed overweg met Willemken. Met z’n vieren op de hoeve valt er nog wat van te maken. Joanna, ons oudste is in ’88 getrouwd met Cornelis Polfliet en boert goed op ’t Cruysveld, ze zijn daar begonnen met die nieuwe knollen uit Amerika. Dat brengt goed op naar t schijnt. Alla die trekken hunne plan. Ons andere kinderen liggen er allemaal al onder. Wat let u?’

Tja wat lette mij. ’t Was bijlange niet tegen mijn gedacht. ‘k Was nog maar 39 en had mijn zinnen al gezet op een paar weduwen. Maar Lisbeth Piesens jong! Zo’n ferme jonge dochter, goedlachs en goed voorzien van oren en poten en fris van de lever. Eigenlijk viel er niet veel over te prakkezeren maar ik kost toch niet laten merken dat ’t water zowat uit mijne mond liep.

-Weete wat, hielp Anna die het wel doorhad, mij uit de nood. ‘Komt gij zondagachternoen ne keer buurten, swenst kunde gij ne keer met de paster klappen.’ ‘Gij zijt toch ne vrije man niewaar Joos?'

- Bah ja Anna, maar ‘k zou ne keer tot bij mijn broer Petrus in Mariekerke kunnen gaan, die is daar met één van de Laurettes getrouwd en zijn gedacht eens vragen.

- ’t Is dan gelijk as ’t gezeid is, hé Joos jong, tot de zondag dan?

En daarmee was de zaak afgedaan.

 

Door de echtverbintenis tot een sacrament te verheffen in aanwezigheid van twee getuigen en met wederzijdse toestemming van man en vrouw werd een soort barrière opgeworpen tegen de tussenkomst van de ouders, die de huwelijkssluiting als een zuiver pragmatische aangelegenheid zagen. En die los van affectieve banden of romantische overwegingen hun wil opdrongen en de partijen bij elkaar brachten. Seks kan noch mag, zo hield de kerk eeuwenlang voor, een doel op zich zijn. Alleen in functie van de voortplanting mocht er gebruik van gemaakt worden. Wat de bevolking over de aanvang van het huwelijk dacht en wat de kerk er wou onder verstaan was allerminst gelijklopend. Tot vervelens toe kregen verloofden te horen dat de eigenlijke verloving niets te betekenen had en zeker niet inhield dat men mocht samenwonen. Door ruime bekendheid te geven door middel van afroepen (bannen) vanaf de preekstoel konden voor-huwelijksbetrekkingen in de hand worden gehouden. Iedereen in de parochie was immers op de hoogte van de vrijages. Pas na de huwelijksinzegening, zo hield de kerkelijke leer voor, mocht men tot consumatie overgaan. Maar ook binnen het huwelijk hoorde seks met  mate, in een serene sfeer en zonder genot te zoeken, in een passende houding met de vrouw die zich door de man laat beslapen. Sommige predikaties bevatten concrete aanbevelingen: Dat het betaemt zig met gemene toestemminge en raed te onthouden, te weten op zon- en feestdagen, op vastendagen en namentlyck enige dagen voor de H.Communie’. Op maandag omdat die dag is toegwijdt aan Ons Heer, op donderdag omdat Hij op die dag is gevangengenomen. Op vrijdag omdat het een vastendag is en Ons Heer op die dag aan het kruis is gestorven.

Op die manier probeerde de kerk op een door haar aanvaardbare manier aan geboortebeperking te doen. Beter dan door slechte gedachten gekweld te worden en tot onnatuurlijke handelingen over te gaan, kon men een gezin stichten en op die manier tenminste de schijn wekken dat het paren uitsluitend op het verwekken van kinderen was afgestemd. Het zoetelick punieren van vreemd gaan en overspel spelen maakte geen kans meer. Tevens kwam het gebruik in voege dat zwangere bruiden door hun klederdracht in de huwelijksmis aantoonden dat ze zich aan voorhuwelijkse seks hadden bezondigd.

(Vrijen en trouwen, van de middeleeuwen tot heden, Chris Vandenbroecke, Elsevier Librico, Zaventem, 1986)

 

Ik was met onze Petrus gaan klappen maar had hem meteen ook gevraagd om getuige te zijn, want hij had gezegd: ‘Ge gaat die jonkheid toch niet uit uw handen laten gaan.’ De zondag daarop ging ik gelijk gezeid buurten bij Anna en Petrus. Ik werd aan tafel genoot en er werd rijstpap aangedragen en wafeltjes, ‘door Lisbeth gebakken’ hoorde ik Anna zeggen. Maar voor haar had ik geen oog. Elisabeth Piesens zat ik te belodderen. Geboren den 13de mei 1675, rad van tong en rond van achteren en van voren. Een lust voor het oog met een stralend gezicht, schoon als een jonge godin en heftig als een deerne zo mocht ik dra ondervinden. Ik liet Petrus en Anna maar hunne zeg doen, maar deze keer lette ik er op dat de rechten van de langstlevende echtgenoot in een huwelijkscontract bij de notaris zouden worden vastgelegd. Dat kon zowel Elisabeth ten goede komen als mezelf. We dronken bier van brouwer Gillis Moortgat al jaren burgemeester van Sint-Amands en tot slot brandewijn van eigen stooksel. ‘Laat Judocus ons doening eens zien’, zei Anna. Waarna Lisbeth mij de opkamer toonde waar haar vader en moeder sliepen en de voorzolder onder het dak waar zijzelf en vroeger ook de andere kinderen sliepen. Er was daar een luik met een doorgang naar de hooizolder wees ze mij. We daalden weer af naar de woonplaats en naar de voorraadkamer waar ze me wees op een stuk gezouten spek in de schapraai. Er lagen ook winterappelen en – peren, ajuinen, een masteluinen brood, een kom reusel en ook boter in een aarden kom. Aan de balken hingen enkele gedroogde stokvissen. Op de grond, een stoop botermelk, wat wortelen, een knolselder en een paar raapkes. Een feestdis kon men er niet mee maken, maar honger zou men hier toch niet hebben.

‘We gaan ook eens naar de beesten kijken’, deelde ze aan Petrus en Anna mee. Buiten was het bar koud, het ging tenslotte al naar eind december. We liepen langs het schapenhok met het kakkot in de richting van de koeienstal waar twee beesten in het stro sliepen. ‘Ik moet ne keer’ hoorde ik Lisbeth zeggen, daarbij haar rokken een beetje heffend. Ze spreidde haar benen een beetje en ik stelde me voor hoe de pis vanuit haar spleet het stro insijpelde. Ik ging een beetje dichter bij haar staan en ze duwde prompt haar gat tegen mijne spuiter die vanzelf als een paal boven water ging staan. Ze schuurde zich wat tegen mij aan maar het was te koud om er wat van te maken. We liepen terug naar binnen, onderwijl mij tonend waar de ladder stond om naar de hooizolder te klimmen. Een paar nachten later, de maan stond goed, en ik had niet veel moeite om in de lichte duisternis naar boven te klimmen, het luik te openen en de slaapstee op de mansarde te betreden. Beth had mij allang gehoord. Er is hier nog plaats’, knikte ze jeukerig. Ze trok mij onder de lappendekens en we deden wat in het aards paradijs al verboden was. Zo blo was de maagd nu ook weer niet. We zijn het niet aan de pastoor gaan vertellen. We wilden ook niet al te lang wachten met trouwen want op het consumeren kon wel eens een prijs staan. Bovendien stond de vasten voor de deur en dan mocht er niet getrouwd worden. We kwamen met pastoor Stevens overeen om te trouwen den 3de februari van ’t jaar 1707, een donderdag om 2 uren in den achternoen. Ook met de koster moesten we overeenkomen. Voor de huwelijksmis moesten we hem negen gulden betalen en nog eens twaalf stuivers voor ’t kuisen van de kerk. En elk jaar zouden we hem van onze oogst 340 schoven koren moeten bezorgen omdat we geen paarden bezaten. Wie wel paarden had diende meer af te dokken en wie twee paarden bezat moest jaarlijks 42 vaten rogge bijdragen aan het kosterschap. We trouwden in den achternoen omdat er dan ’t meeste licht in de kerk viel, want kaarsen waren te duur voor onze beurs. En omdat het al fel winterde moesten we de koster de gelegenheid geven om een paar vuurpotten in de kerk te aan te steken. Dat kostte nog eens vier gulden. Lisbeth haar vader, Petrus Piesens, langs hare kant en mijn broer Petrus Pauwels langs mijne kant zouden getuigen.

 

 

                                                      Huwelijksacte van Jacobus Pauwels en Elisabeth Piesens,

                                               uittreksel uit de parochieregisters van Sint-Amands, rijksarchief Beveren.

                       

De aartshertogen Albrecht en Isabella gaven in het 20ste artikel van hun Eeuwig Edict van 12 juli 1611 richtlijnen hoe de akten van de dopen, huwelijken en begrafenissen in de parochieregisters moesten geschreven worden. Tot in de jaren 1800 diende dit document vaak als een register van de burgerlijke stand, maar het systematisch bijhouden van de registers door de burgerlijke overheid, dateert vanaf de invoering van de Code Civil door Napoleon. Rond 1720 brak in Europa een financiële crisis uit die nog werd versterkt door dat overal op het continent op grote schaal pest heerste. De kloof tussen arm en rijk vergrote en de verpaupering nam toe. Het verdrag van Wenen moest in 1731 voor rust zorgen waarbij werd bepaald dat de Oostenrijkse erfopvolging toekwam aan Maria Theresia, dochter van Karel VI. In 1748 kwamen de Zuidelijke Nederlanden door het verdrag van Utrecht definitief in Oostenrijks bezit. Deze uiteindelijke vrede bleek van onschatbaar belang. In een tijd zonder krijgsverrichtingen probeerde men zo veel mogelijk schade te herstellen en de economie weer op te bouwen. Toen Maria Theresia er niet in slaagde de Zuidelijke Nederlanden te ruilen voor Silezië besloot ze hier de administratie te hervormen en de moderniseren om een beter bestuur mogelijk te maken. In 1778 werd er door haar een nieuw edict uitgegeven. Daarin werd zeer duidelijk gemaakt aan de pastoors hoe ze de registers dienden in te vullen en te bewaren. Er moesten twee registers zijn "in het wit", te verdelen in drie, dopen, huwelijken en overlijdens. De inschrijvingen dienden gedaan te worden door de pastoor, de onderpastoor of de deservitor (de bedienaar). De dopen dienden ondertekend te worden door de pastoor of vervanger, door de ouders en de getuigen. Wie niet kon schrijven diende vermeld te worden. De akte van overlijden, diende ten laatste 24 uur na het begraven vermeld te zijn in het register. Zo zegt men ook nog dat ze voor iedere akte die ze inschrijven, twee Oorden betaald krijgen. Maar wanneer ze nalaten de registers in te vullen en te bewaren zoals het edict het voorschrijft, krijgen ze een boete van vijftig Gulden. Een kopie van het edict diende in de pastorij aanwezig te zijn. In het huwelijksregister, bij de vermelding van de personen die huwen, tekende de pastoor soms rondjes of ringetjes, dat kunnen één, twee of drie ringetjes zijn. Dit zijn de bannen of de ‘roepen’ waarbij hij dan soms vermeld dat de personen in kwestie, vrijgesteld zijn van de drie bannen. Over het algemeen zijn dat ‘dringende’ huwelijken want in het doopregister vind men dan ook vrijwel na het huwelijk de geboorte van een kind. De trouwbeloften of de ondertrouw werden ook met een akte en getuigen geregistreerd. Deze trouwbeloften konden enkel om een zeer ernstige reden verbroken worden. Een huwelijk werd in de parochiekerk driemaal afgekondigd zodat de parochianen eventuele beletselen (impedimenta) kenbaar konden maken. Bijvoorbeeld een eerder aangegaan huwelijk of een verwantschap in de derde graad. In de volksmond zei men dan nogal eens zwetsend ‘ze zijn van de preekstoel gerold’, wanneer de pastoor, vanaf de kansel, de beloften van de trouwers afkondigde. Meestal gebeurde dat op zondag in de hoogmis Nadat Jozef II zijn moeder was opgevolgd ordoneerde hij in 1784 een edict waarbij elke bevoegdheid inzake huwelijk aan de kerkelijke rechtbanken werd onttrokken. Hij beschouwde het huwelijk als een burgerlijk contract.

(http://www.stanny-van-grasdorff.be)

 

We bleven nog tot na de vespers en trokken toen met de naaste familie naar huis voor een waarachtig bruiloftsmaal. Dat kwam zo: Catharina Lauretten die in 1703 met onze Petrus was getrouwd in Mariekerke had een nicht, Joanna Lauretten waarmee mijn broer Stien was getrouwd in Buggenhout. Mijn broers hadden besloten, samen met hun vrouwen ons op een tractatie te verrassen. We dronken eerst nen druppel en begonnen daarna met groentesoep van peterselie, malve, worteltjes, bietjes en nagelkruid; gebonden met gekruimeld brood en bouillon van mergpijpkes en opgediend met gekookt spek in aparte schaaltjes. Daarachter Karper met rozijnensaus gevolgd door koude kip in zure saus en tot slot kweeperentaart en notenmoes. Noten maken heet en droog en worden bijkans niet verteerd zeiden die van Laurettes. Ze schaden de maag en laten het eten uit de mond lopen en verhaasten de stoelgang, voor wie zich wat overzet heeft. Maar verse noten schaden niet als ’t in de winter koud is. En ’t was koud.

We hadden rap klap achter ons gat want den 10de  november van ’t zelfde jaar werd ons eerste kind geboren. Lisbeth stond er op het naar mij te noemen en dus werd het Judoca want ’t was een meiske. Een piskous lacht ik naar Beth die in het kraambed lag te blinken nadat Joanna Maria de Keersmaecker die haar had bijgestaan en moeder Anna haar hadden gewassen en het kind hadden ingebusseld. De vroedvrouw rekende het nog eens voor: ‘Van begin februari tot bijkans half november was zeker meer dan 9 maanden. Wie dat niet wilde verstaan was van kwaaie wil. Het kind was zeker na onze trouw verwekt. Dat moest ze aan ons niet uitleggen, maar aan de pastoor en in de herbergen van ’t dorp. Twee jaar later in januari riepen we Joanna Ceulens ter hulp die nog een verlosstoel gebruikte zodat de kraamvrouw kon hurken tijdens de ‘arbeid’ wat veel gemakkelijker en volgens haar natuurlijker was en de geboorte vergemakkelijkte. Dat er bij Judocus Pauwels, weer ne kleine moest gekocht worden wist vaneigens al het hele dorp voor dat het zover was. Joanna hare vent reed immers die verlosstoel op zijne kruiwagen door het hele dorp tot voor ons deur. Het kostte Elisabeth een paar dagen van zware arbeid om op de 28ste Januari 1709, Egidius op de wereld te zetten, genoemd naar mijn grootvader. die in 1631 te Buggenhout was gestorven. Het was dat jaar een uitzonderlijk strenge winter, het vroor stenen uit de grond en het was niet te doen om nog aan haardhout te komen. We moesten er op uit om rijshout te verzamelen en afgewaaide takken langs akkers en dreven. De voorgaande jaren was de graanoogst maar smallekens uitgevallen om niet te zeggen mislukt. We moesten het eten uit onze mond sparen voor Lisbeth zodat ze het kleintje kon blijven zogen. Met Petrus ging het bergaf. Hij was al een krakende wagen maar kon zich nu niet meer verwarmen en mergelde dag aan dag verder uit tot hij den 12de maart, een goeie maand na de geboorte van onze Egide, er voor de eeuwigheid bij ging liggen. De koster was er weer wel mee: acht gulden voor een kerklijk en 1 gulden voor de put en voor het luiden acht stuivers alsof het geld op onze rug groeide. Door al die misoogsten schoten de graanprijzen als op de staande wip naar omhoog in. Elke dinsdag werd er in de Kerkstraat vanaf negen en half nog markt gehouden maar veel meer dan boekweit, spelt, wat erwten en bonen was er niet meer te krijgen. Tarwe, rogge of gerst was niet te betalen de boeren verkochten op de markt dan nog hun grootste bucht want het goeie graan was allang verpatst aan de brouwers of naar ’t stad geleverd. Door al die miserie en honger zwierf er ‘s avonds en ‘s nachts allerlei gebroed rond die zogezegd aanklopten om te bedelen. Deed ge de deur open dan stormden ze al met ne keer en van alle kanten uw woonst binnen en gingen er vandoor met alles wat niet te heet of te zwaar was. Ik heb onze hond, zo een grote zwarte koehond ’s nachts aan de buitendeur vastgemaakt. We hebben weinig last gehad van dat geboefte.

 

Zwangerschap werd in het toenmalige woordgebruik als ‘grootgaan’ omschreven en was met zoveel voorschriften en rituelen beladen dat het geen gemakkelijke tijd was. Iedere ontmoeting met een gebrekkige kon gevolgen hebben voor de vorming van het kind. Schrikken of bepaalde verlangens koesteren was al even riskant. Ook op de voeding moest worden gelet, zo leerden in elk geval de traktaten die ‘ten profijte der vrouwen’ geschreven werden. Men moest zich aldus met allerlei hulpmiddelen tegen al of niet vermeende zwangerschapsstoornissen beschermen. Het dragen van schapulieren en het beewegen, naar Hamme Sint-Anna bijvoorbeeld, werd sterk aangeraden. Men kon ook  naar de Sint-Niklaaskerk te Gent gaan en zich daar laten overlezen bij het beeld van de Heilige Anna en er een schapulier kopen. Grootgaan was in die tijd echt geen blijde verwachting en zeker niet naar het einde toe. Bevallingen konden drie tot vier dagen duren en brachten veel lijden en miserie mee zeker wanneer de vrouw over geen sterke gezondheid beschikte wegens de voedselstoornissen die zich vele jaren voordien hadden voorgedaan. Het was allerminst zeldzaam dat na drie dagen er nog steeds ‘geene apparantie van opentheyd’ te constateren viel en het kind met trekken en sleuren gehandicapt ter wereld kwam. Door de eeuwen heen was bevallen altijd een zuivere vrouwenzaak geweest. Maar het was niet uitzonderlijk dat vroedvrouwen geen enkele theoretische kennis en praktische vorming hadden genoten, velen onder hen konden niet eens behoorlijk lezen en schrijven. Lange tijd beperkte de controle op hen zich tot de clerus. Veel meer dan een bewijs van goed gedrag en zeden en de capaciteit om in probleemgevallen een nooddoopsel toe de dienen werd van hen niet verwacht. Naar het einde van de 17de eeuw werd er toch ook al op aangedrongen dat men bij problemen de hulp moesten inroepen van ‘één ofte meer Doctoren inde Medecijnen omne met hunnen Raedt ende advys te konnen hun werck doen.’ Toen in 1723 Jan Palfijn een geschikte verlostang had ontworpen werd de kans op mismaakte of doodgeboren kinderen veel kleiner. Er ontwikkelde zich dan een lang proces waarbij men steeds meer ‘grootgaan’ als een ziekte ging beschouwen met als gevolg dat mannelijke verloskundigen zich voortaan aan het kraambed gingen ophouden. Sommige onderzoekers beweren dat de verlosstoel in onbruik raakte omdat kraamvrouwen zich in de aanwezigheid van mannen niet mochten uitkleden zodat er niets anders opzat dan de schaamdelen met een laken te bedekken en als het ware ‘blindelings’ de positie van de boreling te bepalen. Dat lukte niet zo goed wanneer de vrouw hurkte, zodat de gewoonte ontstond om liggend in bed te bevallen

(Vrijen en trouwen, van de middeleeuwen tot heden, Chris Vandenbroecke, Elsevier Librico, Zaventem, 1986)

 

Jacoba die twee jaar was toen Petrus Piesens stierf was ook niet van de sterksten en het kind had wreed veel te lijden van de kou en van de honger. We probeerden van alles maar het kind verdroeg geen vast voedsel als raapkes of peekes en van karnemelk sterkte niet aan. Ons koeien die de wei niet opkonden stonden zo goed als droog en de oogsten bleven maar tegenvallen. Het kind kon die gesel van ziekte en honger niet langer aan en ontsliep de 3de maart in 1711. Wij hadden dat zien aankomen en God zij dank was mijn Elisabeth een kloeke vrouw die er niet te veel spel van maakte om tweejaarlijks een kind op de wereld te zetten. Het was een geschenk van ons Heer dat hij ons opnieuw een dochterje schonk op de 17de april in het zelfde jaar. We noemden het Joanna Maria. In 1713 liep het anders. Het kwam mij niet vreemd voor dat ze weer aan ’t sparen was maar deze keer vond ik dat ze zo opgezwollen rond liep. Ze kon hare rok nog met moeite over haar achterdeel krijgen en ik vond haar zo breed lopen. Ze deed met veel moeite en liggen haar dracht uit en toen de weeën begonnen haalde de vroedvrouw een jongetje binnen een dag af. Maar toen de nacht inging bleef Beth maar kermen en roepen en ze ontzwol eigenlijk niet. We stonden er allemaal onrustig en ambetant bij toen ik besloot om Petrus Wishof er bij te halen want het was onderhand al dag en het was gelijk als dat Beth nog altijd in arbeid lag. Zo ging ze tekeer. ‘Ze heeft weer opening’ zei de chirurgijn nadat hij haar onderzocht had en graaide in zijn tas naar zijn luisteraar. Juist op dat moment gaf Beth ne schreeuw die ze voorzekers tot op den Briel hebben gehoord. Op dezelfde tel schoot er een harig kopke tevoorschijn. En de vroedvrouw maar op Beth haren buik duwen en die maar persen en schreeuwen tot al met ne keer het kind in de handen van de Petrus gleed. Nog een jongetje. Verdomme, verdomme nen tweeling nondedju. Wie had dat gepeinsd. ’t Was een heel werk om die kindjes te verzorgen en te zogen, proper te maken en in te busselen zodanig dat we een paar buurvrouwen ter hulp moesten halen. Beth moest gewassen worden en kruidencompressen krijgen, er moest dringend gezorgd worden voor verse melk en honing en krachtvoedsel voor de kraamse en duizend andere dingen en we moesten namen hebben. De pastoor kwam zo rap binnenvallen als hij kon om de kleintjes te dopen, maar namen nondeju. Aan de moeder moesten we dat niet vragen, die lag van uitputting in katzwijm. ‘Phillipus en Jacobus’, zei de pastoor, ‘dat zijn twee apostelen die in Rome in de basiliek van de twaalf apostelen werden begraven en wier naamdag wij op de eerste mei vieren.’ En zo werden Jacobus de 4de october en Phillipus de 5de october van het jaar 1711 in het doopregister ingeschreven. We vonden een buurvrouw die nog genoeg zog had nadat haar kind van de borst was om die van ons mee te helpen voeden. En ‘t was maar goed dat moeder Anna Heyvaert nog op het hof woonde en kras genoeg was om Beth met de kleintjes bij te springen. Hoe hard de winter ook was, altijd komt de lente in het land. Maar alleen kon ik de grond niet bewerken. Tot mijn groot geluk kwam mijn jongste broer Egidius, die we Gilles noemden en nog van ons moeder Katrien Van Opstal was, vrijen in Sint-Amands. Den 3de februari in 1712 trouwde hij met Catharina Goris en trok bij ons in. Dat betekende twee man op het land en drie vrouwen voor de haard en de moestuin. Zo konden we ons plan trekken, temeer daar er onder landvoogdes Maria Theresia nu eindelijk geen oorlogen meer waren. Ik moest Beth vaneigens een paar jaar laten bekomen maar op de 6de september in 1716 werd ons een tweede meisje geboren dat we naar haar moeder Elisabeth noemden. De kommer voor de vele kleintjes en dat Beth alsmaar bestoven rond liep putte moeder Anna ferm uit. Het werkte meer dan op haar zenuwen. Ze begon zich zorgen te maken hoe het verder moest, ging aan den haard zitten kniezen. Zeurde over de moeilijkheden met de kinderen en over Beth die alsmaar drachtig liep. Ze werd eenhandig en sprak er alsmaar over om bij Joanna haar andere dochter te gaan wonen. Op een avond bij hevig onweer en na veel gekijf en geweeklaag trok ze de deur achter zich dicht. Ze sukkelde godsjammerlijk in de volgelopen gracht voor het erf. We konden haar er op tijd uithalen maar zijpend nat als ze was en met het weinige wat we hadden aan warmte in huis, kreeg ze ’t op haar longen en stierf de 8ste augustus 1717 in volle zomer op haar zesenzeventigste. Het jaar daarop had mijn Beth weer wat in hare korf en den 1ste augustus van 1719 baarde zij nog een dochter die we de naam Petronella gaven. Ze was onderhand 44 en ze zei dat het nu wel was geweest.

 

Het bijzondere aan de economische ontwikkeling in Vlaanderen tijdens de 18de eeuw is de uitgesproken tendens tot ruralisatie. Nooit was het aandeel van de landbouweconomie in het BNP groter, nooit was de relatieve vertegenwoordiging van de plattelandsbevolking groter. Alles in acht genomen beleeft de Vlaamse streekeconomie een gouden tijd. Het leek bovendien wel dat men in de eeuw van de steenwegen en kanalen gekomen was. Bovendien loonde een veelheid aan kleine verbeteringen in het bemestingssysteem en in de vruchtafwisseling dat de effecten van de demografische groei beter dan elders werden opgevangen. Een kentering in het voedingspatroon door versneld en veralgemeend over te schakelen op aardappelen drukte het sterftecijfer en zorgde voor meer arbeidskrachten in de landbouw. Die zorgden er dan weer voor dat de graanexport naar Engeland en de Verenigde Staten duizenden hectoliters per jaar bedroeg. Rond 1700 en vanaf 1715 steeg de dorpsbevolking in versneld tempo. Dit hield in dat steeds meer jongvolwassenen die een gezin wilden stichten op zoek moesten naar gronden om te bewerken. Halfweg de 18de eeuw stagneert de welvaart op het platte land. Gebruik makend van de honkvastheid van de dorpelingen en jonge boeren trokken de grootgrondbezitters de pachten waanzinnig op. Alleen in Oost-Vlaanderen werd liefst vijf miljoen gulden uit de zakken van de pachtboeren gehaald. De sociale last van het pachten liep aldus hoger op dan de fiscaliteit van de staat en dit alles ten voordele van een handvol speculanten en renteniers. Een deel van het probleem vormden de gronden in erfpacht gehouden, de zogenaamde cijnsgronden waarop jaarlijkse onafkoopbare cijnzen in geld en in leveringen waren verschuldigd. Om de pachtlast lichter te maken gingen veel boerengezinnen tijdens de winter aan huisnijverheid doen. Dat kinderen vanaf hun prilste jeugd hun ouders nuttig moesten zijn werd zeer normaal geacht. Van zodra zij hun armen konden bewegen konden ze ook hun moeder assisteren aan het spinnenwiel. Desondanks volstond de jaaropbrengst van jonge en kleine boeren niet voor het gezinsonderhoud en liet het geen commercialisatie van de landbouwproductie toe. Met de aardappelteelt kwam er enige kentering in de benarde situatie. Niet alleen werd het bedrijf moeizaam rendabel gehouden maar het was ook zeer conjunctuurgevoelig voor misoogsten, stormschade en allerhande veeziektes. Als gevolg daarvan diende de boer het jaar daarop naar een noodoplossing uit te kijken, dikwijls in de vorm van het aangaan van schulden de zgn. renten. Menige zelfstandige boer zag zich dan ook verplicht zijn erfje te verkopen om er als pachter verder te blijven op zwoegen.  (Geschiedenis van de kleine man, open school, BRT, 1979.- Hoe rijk was arm Vlaanderen, Chris Vandenbroucke, uitgegeven door het Genootschap voor Geschiedenis, Brugge, 1994)

 

Het was weerom hard werken maar we gingen vooruit . We zetten schapen op die we in de zomer langs de Scheldedijken en oevers lieten grazen. ’s Winters konden de vrouwen en de kinderen dan wol spinnen die door handelaars werd opgehaald. We gingen net als veel andere boeren aardappelen telen waarmee veel monden in ons huishouden konden worden gevoeierd. Zolang de kinderen in de groei waren en meewerkten hadden we het goed. We konden ons betere kleren aanschaffen en ’s zondags al eens een pint bier gaan drinken in de herbergen van het dorp. We gingen met z’n allen naar de kermissen in de omliggende dorpen en naar de processies kijken.‘s Avonds konden we allen samen al eens in de boomgaard zitten. Op ne keer kwam onze Gilles uit Dendermonde waar hij lijnzaad was gaan kopen, ging naast ons op de bank zitten en haalde een buideltje uit zijn jaszak. Denkend dat het kruiden waren greep zijn vrouw er naar maar Gilles trok het haastig weg: ‘afblijven’ zei hij en haalde bovendien uit zijn kazak warempel een meerschuimen pijp te voorschijn. ‘Da’s toebak’ hield hij het builtje voor onze neus. Stopte het goedje in de pijp drukte het wat aan, verdween in huis en kwam terug met een brandend takje waarmee hij het vuur in zijn pijp zoog. Het walmde in onze neus en de vrouwen liepen proestend en ‘vuilen bucht’ roepend verder den boomgaard in. ‘Dat ge daar uw geld aan geeft’, zeurde ik, ge zoudt beter eens peinzen om op eigen benen te gaan staan. De kinderen worden groot, werken goed mee, we kunnen het op ons erf  stillekensaan wel alleen af. Ge zoudt met Katrien een eigen doening kunnen beginnen. ‘Weete gij wat de grond tegenwoordig kost’ keek Gilles mij aan en schudde zijne kop. Maar het hoge woord was eruit en Lisbeth begon er over tegen Katrien en op den duur werd het zagen en vitten op mekaar en liepen ze mekaar voor de voeten bij het eten bereiden. Een geluk bij een ongeluk dat Joanna Piesens, de zuster van Beth den 31ste januari 1724 aan haar einde kwam en dat een paar jaar later haar man Cornelius Polfliet hertrouwde met de weduwe Francisca De Keersmaecker. Mijn broer Gilles kon aldus haar erf pachten en een eigen doening beginnen. Onze zoon Egide kreeg kennis met een meiske dat in Mariekerke was geboren Zij trouwden de 3de augustus 1735 en trokken bij ons in. Alles ging goed tot de zomer van 1938.

 

Over de weersomstandigheden van 1730 tot en met 1738 valt niet veel te melden. De Nederlanden kregen telkenjare te maken met zachte tot zeer zachte winters. Met uitzondering van de winter van 1731 – 1732, die als koud wordt omschreven. De zomers zijn meestal aan de warme kant. Er zijn dan ook weinig tot geen problemen met de oogst. In de zomer van 1738 beginnen de problemen. Het regent bijna dagelijks. De neerslag blijft aanhouden tot en met de zomer van het jaar 1739. Deze overvloedige neerslag zet in sommige gebieden de velden blank en is de directe aanleiding voor de slechte oogsten van 1739. Op zich was deze situatie niet zo erg, maar het is de winter van 1739 – 1740 die de genadeslag geeft. De vorst begint vroeg  Vanaf 26 oktober begint het te vriezen; en het houdt de hele maand november aan. December is  wat warmer, zonder vorst, maar met veel regen. Het volk verwachtte niet dat de winter weer strenger zou worden, maar de vrieskou sloeg hard toe. Ik laat hier een ooggetuige aan het woord. "In het beginsel van het jaer 1740, daegs voor dry Koningen-dag is alhier te lande eene seer felle koude opgestaen, de welcke duerde tot in de maendt van April daer naer, soodanigh dat de vruchten der aerde ten meerderendeele bevrosen waeren: men versekert selfs dat dese koude grooter is geweest als de gene van het jaer 1709". Het vriesweer begint dus op 5 januari en zou aangehouden hebben tot 8 maart. Daarna zou het af en toe nog eens gevroren hebben, wat leidde tot een totaal van ongeveer 77 vriesdagen. De koudste dag was 11 januari. Toen was de temperatuur maar liefst 18° C onder nul. Verder viel er nog sneeuw tot en met 3 mei, toen er nog een halve voet (ongeveer 14 cm) sneeuw viel. Na de koude winter volgt ook een koude lente. In Maart stijgen de temperaturen zelden of nooit boven de 5° C en blijft het erg droog. Ook april en mei zijn veel kouder dan normaal en worden regelmatig gekenmerkt door sneeuw- of hagelbuien. Pas op het einde van mei komen de eerste bladeren aan de bomen. Ook de zomer blijft aan de frisse kant. De warmste dag is : 29 augustus met slechts 22° C. De zomer van 1740 is dan ook de koudste zomer van de hele 18e eeuw. Toch was het effect op de oogst niet zo slecht als gevreesd werd, ze was zelfs vrij goed, omdat een sneeuwtapijt in de meeste gevallen de gewassen voldoende had beschermd. Het grootste probleem was dat men de oogst maar zeer laat kon binnenhalen, veel later dan normaal het geval was. Dit werd bovendien gecombineerd door slechte oogsten van het jaar ervoor, waardoor er te weinig voedsel over een langere periode moest gespreid worden: de kern van het voedselprobleem in de jaren 1740 - 41. Na 1740 wordt het weer beter. Even is er paniek wanneer een koudegolf toeslaat in oktober en november, maar daarna wordt het weer zachter. In de lente van 1741 is er nog wat wateroverlast doordat de sneeuw en het ijs hoger in de bergen nu pas beginnen te smelten (de zomer van 1740 was niet warm genoeg om ze volledig te doen afsmelten) en de rivieren doen opzwellen. Vanaf midden 1741 is het weer min of meer op zijn plooi en vormt het weer geen grote hinder meer voor de oogst.

(www.ethesis.net/brugse_vrije -Maarten Savels (de weersomstandigheden tussen 1739 en 1741)

 

Daags na Dry koningendag is het beginnen vriezen, dat het gene naam had en het heeft geduurd tot in april. Alle wintergroenten op de akkers omzeep en geen kans om het land te bewerken of te zaaien. ‘t Scheldt lag dicht. Er kon niet gevist worden. We moesten het doen met wat we vorig jaar ingepekeld hadden. In maart werd het wat warmer maar april en mei vielen ook weer veel kouder uit dan normaal, het hagelde en er viel stuifsneeuw meer dan ons lief was. Pas op het einde van mei werd het beter maar zomeren deed het dat jaar niet echt meer. De oogst viel nog mee maar de velden lagen er zo drassig bij dat er nauwelijks te oogsten viel en dàt met de slechte oogst van het jaar voordien erbij. Het werd nen echte hongerwinter. Voor de schapen hadden we geen hooi of andere voer meer. We hebben ze geslacht. Zij hebben ons door die vreselijke winter geholpen. De wol naaiden we in lappen en gebruikten we om ons warm te houden. Het vlees konden we verkopen, inzouten en met mondjesmaat zelf opeten. In 1941 komt alles terug op zijn plooi maar de prijs van tarwe en haver verdubbelden wegens al die misoogsten. En de kou jong, met grote moeite konden we ons warm houden en de kinderen die arme dutskens zagen het meest af. Het dochterje van onze Egide justekens 6 jaar vertrok naar Jezeken de 5de maart van 1742 in volle vasten. Zo slap als een vodde en amechtig op de longskes. Onze Philipus overtuurde het te trouwen de 26ste april 1742 met Petronella Piessens te Opdorp en ging daar wonen, het was er wat hoger gelegen en niet winderig en koud als in Amands. Jacobus, de andere helft van de tweeling was al veel eerder uit Sint-Amands vertrokken naar Sint-Nicolaes waar een grote donderdaagse markt veel volk trok en waar het gezonder was om wonen en waar naar men zei veel werk te vinden was.  Toen ik hem de dijk af zag wandelen, peinsde ik bij mijn eigen, ‘ik zal stillekesaan ook wel mijne laatste wegel gaan inslaan.’

 

In 1241 verenigt de graaf van Vlaanderen zijn Wase domeinen onder een regionaal bestuur van zeven hoofdschepenen: Het hoofdcollege van het land van Waas. Hij vestigt dit regionaal bestuur niet aan een waterloop (Lokeren) of in één van de oudste dorpen (Waasmunster). De graaf vestigde het hoofdcollege náást het domein van de heer van Beveren, een lokale potentaat die openlijk partij trok voor Holland en tegen de graaf. Sint-Niklaas had een centrale ligging, wat gunstig was om het Waasland te beheersen. De huidige oriëtatie van de stad is Oost-West, zoals ook de Romeinse heirbaan tussen Gent en Antwerpen. De expantie van de stad is echter Noord-Zuid. Sint-Niklaas lag immers op de doorvoerroute van de Verenigde Provincies richting Temse naar Brussel en het Brabantse achterland. Het ‘Soete Lant van Waes’ was door zijn afwisselende teelten – vlas, graan, veevoer – één van de meest uitmuntende landbouwgebieden in Vlaanderen en Europa. Niet voor niks dragen vele Wase gemeenten de raap in het vaandel. Door dit agrarische karakter met hoge productieviteit was het Waasland een relatief welvarende regio. De bedrijfsgrootte van de boerderijen was trouwens eerder groot waardoor de landbouw meer marktgericht was. De Sint-Niklase markt werd door het landbouwaanbod gestuwd maar vond ook een interessante afzet in het welvarende hinterland door de ‘kramerijmarkt’, de markt waar we de eerste nijveraars uit de 18de eeuw terug vinden. In de rand van het marktgebeuren trok Sint-Niklaas een aantal ambachtslui aan die niet in elk dorp aanwezig konden zijn zoals speldenmakers, molenmakers e.a. Besluit: De Sint-Niklase markt was niet geweest wat ze was zonder voortstuwing door het aanbod aan landbouwproducten van de vele marktgerichte bedrijven en de afzet binnen de welvarende regio. Maar bovenal werd de stad gestuwd door de permanente bevolkingsdruk vanuit het hinterland.

(Het ontstaan van en stedelijke dynamiek in het Land van Waas in de 18de eeuw., Koen Boon, de Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige kring van het Land van Waas)

Comments