JOSEPHUS

VII.   JOSEPHUS          1800 -1834

 

Nog vóór de veldslag in Waterloo in 1815 had Groot-Brittannië, dat de eigen veiligheid gewaarborgd wist door een machtsevenwicht op het Europese vasteland, de andere grootmachten Oostenrijk, Pruisen en Rusland ervan kunnen overtuigen de Zuidelijke Nederlanden en de Verenigde Provinciën samen te voegen om aldus een dam op te werpen tegen Frankrijk en de Duitse Bond. Op 9 maart 1814, in het Verdrag van Chaumont, besloten de geallieerde mogendheden niet alleen om samen verder te strijden tot de totale nederlaag van Napoleon. Ook werd bepaald dat Nederland een onafhankelijke staat zou worden, met een verder uit te breiden grondgebied. Vervolgens werd met de Acht Artikelen van Londen besloten tot de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland. Dit werd bevestigd op het Congres van Wenen (september 1814 - juni 1815). Op 16 maart 1815 stelde Willem I zichzelf aan tot koning van het Koninkrijk der Nederlanden (Royaume des Belgiques). In het zuiden was er aanvankelijk sprake van aarzeling, maar de honderd dagen van Napoleon trok de Belgen over de streep om zich aan te sluiten bij het Verenigd Koninkrijk.

(http://nl.wikipedia.org/wiki/Belgische_Revolutie)

 

Ik was bij mijn geboorte al niet van de felsten. Daar kwam nog bij dat het mageren tijd was. De Franzosen vorderden allerhande belastingen en goederen zodat huishoudens nog met moeite de monden konden vullen. Ik was en bleef een magere lat. Het was maar een iel ventje dat zijn opwachting ging maken bij de Van Schaverbeeckes. Ik kende Amelberga Van Schaverbeeck al een hele tijd, zij diende immers op in de herberg op den Doorn. Grootvader Pieter Jan was daar vaste bezoeker. Binst de winter wanneer op het land alles stil lag, probeerde hij zich op zondag steevast een plaatsje te bemachtigen aan de haard om er een pijpke te smoren en van de andere bezoekers te vernemen hoe het er in de omgeving aan toeging. Hij nam me vaak mee om met de andere kinderen te spelen en te dollen op de binnenplaats. Zeker wanneer het had gesneeuwd was het heerlijk sneeuwballen gooien, het liefst naar de meidjes. In de zomer liepen we oekedoelekes vangen in de vele plassen en beken in de buurt of trokken we de heidebossen in om braambezen of stekelbezen te trekken of hazelnoten wanneer het wat later in het seizoen was. Kloosters en kerken waren gesloten dus zwierven we maar wat rond in plaats van naar school te gaan. Toen ik wat ouder was bleef ik met hem meekomen en zag ik Amelberga aan het werk. Het was nog altijd sansculottentijd dus armentijd maar ik was opgegroeid in de velden rond Eigenlo en wist precies waar een konijn te strikken viel. Dàt en een paar fraai met snijwerk versierde klompkes, deed me in haar gratie vallen. Tot spijt van alle oudere jonkmannen van de Veldhoek tot Hoogkameren. Amelberga was ommes vijf jaar ouder dan ik. Ik wist haar te overtuigen om met mij te trouwen en samen met mij een blokmakerij te beginnen. In de Veldstraete wist ik een verlaten doening staan omdat de echtelingen waren opgepakt door de gendarmen wegens het versteken van refracteurs. Het mocht dan een iele jonkman zijn die bij de Van Schaverbeeckes om Amelberga haar hand ging vragen; Ik had lef voor twee en plannen in mijne kop. We trouwden den 30ste april 1823. Ik was er 23 want op den 5de mei in 1800 geboren en Amelberga 28 van den 18de februari 1795. De wereld lag voor ons open. De Fransmans waren verdwenen en de zomer stond voor de deur. Landbouw en nijverheid bloeiden als nooit tevoren. Ons kon niets meer overkomen.

 

Ja, ja ons kon niets meer gebeuren, zo dachten we. Maar er waren er velen van ons gedacht zodat er bijna meer blokmakers waren dan kalanten. Bovendien hadden we de overname van de blokmakersdoening alleen maar kunnen doen ten koste van een hoge rentelening. Met ene man en de hulp van onze va konden we het niet halen bij die met verschillende gespecialiseerde blokmakers werkten. De Veldstraete ligt bovendien nogal ver van het dorp en ons blokmakerij nog veel verder, om goei zaken te kunnen doen. We konden onze waar alleen slijten aan boeren en boerenknechten. Chance dat Amelberga daar wat op gevonden had. Ze trok met een kruiwagen vol holle blokken de boerderijen langs en ’s vrijdags naar de markt. Maar in 1825, twee jaar nadat we getrouwd waren geraakte Amelberga in gezegenden toestand en was het gedaan met leuren. We kregen bovendien nog een mondje bij te voeren. De 27ste van augustus werd ons een meisken geboren dat we Carolina noemden. En twee jaar later, den 18de maart een jongetje dat we Karel Ludovicus lieten dopen. Kort na den doop, op ne zondagachternoen kwam al met ne keer Karel Pauwels, een verre achterneef ons hof opgewandeld.’ ‘k Hoor dat Amelberga ne Karel gekocht heeft Jef? ’t Is te hopen dat ’t allemaal goed komt hé. ’k Moest van mijn Agenline, een heps brengen, ge zult wel weten hoe dat ge die soldaat moet maken zeker? Me dunkt dat het de laatsten tijd niet zo goed loopt met de blokmakerij?’ ‘Nee Karel, jong’. Dat moest ik toegeven. Karel stond wat met zijnen blok in ’t zand heen en weer te schuiven, spoog zijn sjiek met een boog in ’t hoog gras en begost zijn resonatie: ‘Die heps, Jef, da’s er een van ’t verken van ’t leste jaar. Binnen een paar weken hebben we weer een verken te slachten. ’t Is nogal ne galjaar, er zit vlees aan zulle. We zullen een paar felle mannenmensen nodig hebben om hem te kelen. Ziede dat niet zitten om mee te komen helpen, wie helpt bekomt zijn deel, bloepens, wusten, kopvlees, allee wat ge wilt hé’. Dat kon ik niet laten schieten en één van de volgende zaterdagen, heel vroeg in de morgen, de dauw droop van de bomen, stapte ik het hof van Karel Pauwels op.

 

De slachter was al aangekomen en had zijn getuig al omgord. Het bestond uit een lederen bot waarin de verschillende soorten messen zaten, schrabmessen, snijmessen en uitbeenmessen, een slijpsteen, een bijltje en een koorde, met een stuk ijzeren ketting eraan.

Het begon met het buitenhalen uit de stal. Een koord met aan het ene einde een stuk ketting met oog (ring) van een halve meter werd gestropt en zo werd het varken met het bovenste gedeelte van de muil gepakt en naar buiten gesleept naar de plaats van de slachting. Daar werd het beest, vastgehouden met die gespannen koord met ketting, soms nog met een tweede koord aan een achterpoot. Het werd het gekeeld met een messteek in de hals naar het hart. Meestal werd het bloed opgevangen om later pensen en andere bereidingen te maken. In het bloed diende, na toevoeging van zout, onmiddellijk geroerd te worden tegen het klonteren. Het dode dier, werd dan over het ganse lijf gebrand, met stro om het schrabben, het wegschrapen van de haren, mogelijk te maken. Bij een biggetje gebeurde dit al eens door te schrabben met kokend water Dan werden de poten en oren afgesneden en het dier op zijn knieën gezet. De rug over de ganse lengte opengesneden en verder open gekapt. De twee helften lagen nu uiteen. De ingewanden werden er uitgehaald. Het kadaver werd overvloedig gewassen, het resterend bloed eruit geperst en de twee helften in zijn geheel opgehangen met haken aan ringen aan een plafond of aan een ladder om uit te lekken en af te sterven gedurende ongeveer één dag en één nacht Behalve de twee grote helften, werden al de andere kleinere delen dezelfde dag verwerkt. De hersenen werd vrij snel opgegeten, met een paar eieren tot een delicatesse bereid. Of opgelegd in ’t zuur en in een kom verwerkt tot ‘zure groost’ en in de kelder bewaard voor de komende winter. De organen, zoals nieren, lever, maag en allerhande kleinere stukken vlees, met eventuele toevoeging van wat rundvlees werden verwerkt in witte pensen. Door het opgevangen bloed er doorheen te mengen bekwam men bloedpens. Van de kop, poten en oren en met toevoeging van ander vlees en kruiden werd later ‘gepaste kop of kopvlees’ gemaakt. Ongeveer één dag later werden de grote stukken, zijnde de twee hepsen (achterste), de twee schouders en de twee zeien ingezouten (een tiental kilo zout) in een kuip of betonnen bak, gewoonlijk in de kelder. De ribben uit het geheel gesneden om aldus gebruikt te worden en voor het rijk volk werden er ‘coteletten’ van gemaakt.

(van horen zeggen, Tjen Pauwels)

 

Thuis gekomen zat ik nog in ’t lang en in’t breed te vertellen aan Amelberga hoe dat alles in zijn werk was gegaan, toen de slachter met zijn tweewielkar onze hof opdraaide. Of dat ik overmorgen niet kon komen helpen om een varken te slachten bij Jef De Cauwer in de Heistraete. ‘Bah ja waarom niet’. En zo werd ik allengskens vaste slagersgast beslast met het uitbenen en versnijden van het vlees. Het bracht snel geld op en vooral voedsel en hier en daar kon ik voor een prijske wel eens een vierdeel varken voor eigen gebruik achterover slaan.

 

Maar dien verdomde Hollander, Willem I, die nu Koning was van het zogezegde Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, vond het nodig om belastingen te heffen op het malen en op het slachten. Wilde men er nog iets aan overhouden dan moest het in den duik gebeuren. Het kweken voor de slacht viel zo goed als stil en het werd weer ‘van den buikriem aanhalen’. In de Veldstraat en omgeving kwam het steeds minder voor dat tarwebrood, vlees, kaas of bier, op tafel kwam. Almaar meer aten we patatten met ajuinsaus. Koffie en thee was voor het rijk volk. Het bier of de melk dat wij dronken werd aangelengd en was meer bedoeld als weekmiddel om droge bruine en masteluinen boterhammen achter de kiezen te krijgen. In plaats van boter smeerden we siroop op ons brood en in de winter zoetten wij er de botermelkpap mee. Op die manier kosten Amelberga en ik het nog gedoghen.

Ondertussen stond den tijd niet stil. Ik voelde mij allerminst goed in mijn vel, mijn Amelberga verging het een beetje beter. Maar met de kinderen wilde het niet lukken. Karel Ludovicus stierf toen hij negentien maanden oud was. Had Amelberga geen zog genoeg, lag het aan de melk van de geit waarmee het kind verder werd gevoed? Of lag het aan het water uit de put dat misschien vergoord was? Misschien drong het vuile beekwater van de huiskens wel in de grond door tot in onze waterput? Wie zal het zeggen? Toen Amelberga op de 25ste augustus van 1828, midden een hete zomer beviel zag het er niet goed uit voor het jongske dat we dan maar rap zijn gaan aangeven op het gemeentehuis als Eduardus. Naar de kerk zijn we niet meer geraakt. Het jongetje stierf vijf dagen later en werd op ’t kerkhof in ongewijde grond begraven wegens niet gedoopt. Het overkwam ons nog eens ’t jaar nadien. De 17de september beviel Amelberga weer van een jongske. In gemeentehuis konden we hem nog rap laten opschrijven als Brixius Franciscus, maar de 21ste moesten we het kind alweer naar ’t kerkeputteke dragen.

Om aan de miserie te ontsnappen gingen we weer blokken maken. Mijn broer Alexander die op twaalf april 1828 getrouwd was met Francisca Seghers, kwam met zijn wijfke bij ons inwonen en zo hadden we weer handen genoeg om wat smeer op ons brood te verdienen.

Hoewel de regering fors investeerde in de Belgische industrie, bracht dit toch geen serieuze kentering teweeg. Dit was vooral de schuld van de regering zelf, die begin jaren twintig een belasting invoerde op het malen en het slachten. Deze belasting joeg de voedselprijzen fors de hoogte in zodat alweer het proletariaat getroffen werd. Ook inzake de werkloosheid kwam geen verbetering. Om de sterke concurrentie aan te kunnen werd steeds meer aangedrongen op mechanisatie van de arbeid. Arbeiders zagen hun werk verloren gaan aan machines. Met de invoering van de stoommachine werd dit proces nog versneld. Het proletariaat had dus reden genoeg om in opstand te komen. Niet alleen het proletariaat had zijn redenen om te klagen. Ook adel, clerus en burgerij werden het hoe langer hoe meer oneens met de politiek van Willem I. Zo was er Willems taalpolitiek, die fervent werd verdedigd door de vertrouweling van Willem I, Van Maanen. Willem wou de Nederlandse taal eveneens invoeren in de Zuidelijke Nederlanden als de taal van de ambtenarij. In een regio waar het Frans, zeker onder de heersende klasse, een dominante invloed had, werd dit uiteraard met weinig enthousiasme ontvangen. Ook de ultramontaanse geestelijkheid zat verveeld met de vorst. Willem wilde godsdienstvrijheid in het hele koninkrijk. Vermits in de Noordelijke Nederlanden sinds de scheiding van 1585 heel wat protestanten woonden en in het zuiden de trouw aan Rome groot was, leek dit voor Willem de beste oplossing. Maar voor de geestelijkheid in de Zuidelijke Nederlanden was het katholiek geloof de onaantastbare staatsgodsdienst. In alle ontevredenheid met Willem I vonden katholieken en liberalen zich en sloten een verbond tegen zijn politiek, het unionisme.

In juli van het jaar 1830 gebeurde er iets op het internationaal niveau, dat ook de gebeurtenissen in de Zuidelijke Nederlanden zou sturen. Er brak een revolutie uit in Frankrijk. In augustus 1830 stond de verjaardag van koning Willem I op het programma. Willem I zou ter ere van die gelegenheid begin augustus naar Brussel komen. Daarnaast waren er ook nog festiviteiten ter ere van de vijftiende verjaardag van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Die tocht verliep in niet al te vijandelijke omstandigheden. Toch werd de sfeer steeds grimmiger.

Vooral in de steden Brussel en Luik was dat het geval. Op deze plaatsen werd het proletariaat het hardst getroffen door hongersnood en werkloosheid. Steeds meer werden anti – Hollandse kreten en Fransgezinde gezangen waargenomen. De feestelijkheden ter gelegenheid van de verjaardag van Willem I, waaronder feestverlichting en vuurwerk, werden afgelast. Officieel omwille van het slechte weer, maar veeleer vanwege veiligheidsredenen. Op 25 augustus stond de opera “De Stomme van Portici” op het programma in de Muntschouwburg te Brussel. Men besliste deze voorstelling niet te annuleren, uit vrees voor kleine opstandjes. De ironie wil dat het uitvoeren van deze opera tot een veel grotere opstand leidde. Het stuk van de hand van Daniel François Esprit Auber, volgens een libretto van Eugène Scribe, paste helemaal in de romantische stijl van de negentiende eeuw. Het handelt over de vrijheidsstrijd van de Napolitanen tegen de Spaanse overheersing anno 1647. Een opera over een volksopstand is natuurlijk het ideale middel om de gemoederen op te hitsen bij een volk dat toch al een zekere mate van opstandigheid heeft. Hetgeen er zat aan te komen, gebeurde dan ook. Het volk raakte helemaal vervuld van het stuk. In een laatste wanhoopspoging liet de politie het stuk staken, maar het kwaad was reeds geschied. Het volk sloeg aan het muiten (http://nl.wikipedia.org/wiki/Belgische_Revolutie)

VIIa.     AMELBERGA VAN SCHAVERBEECK            1795 – 1860

 

Mijn Amelberga is geboren den 18de februari 1795 in Temse en nog wel in de Veldstraat. Die loopt van aan de Veldhoek tot in ’t dorp en dat is iets verder dan een boogscheut. Dat wil dus zeggen dat als ge in de Veldstraat woont, ge daarom nog geen geburen zijt ziede. Ik leerde Amelberga pas kennen in de afspanning Den Doorn waar zij opdiende en waar haar ouders later ook gingen wonen. Zij was de dochter van Dominicus Van Schaverbeeck en van Catharina Van Kerckhoven. Naast Amelberga hadden zij nog zes andere kinderen waarvan enkele na de geboorte stierven. Dat overkwam ons ook. Wardje en Briek hebben we ook rap moeten afgeven, zo zit ’t leven van arme mensen in mekaar en bovendien was er tekort aan voedsel. Onze huisraad bestond ook maar uit prondelinghen die niets waard waren, de moeite niet om te vermelden in de staat van goed bij een overlijden. Dat was bij de Van Schaverbeeckes niet anders. Domien was werkman en verdiende hij niet veel dan bedroeg zijn loon in de winter slechts drie vierde van zijn zomerloon. Nochtans was de winter de duurste periode van het jaar. Ons spaargeld bedroeg zelden meer dan pakweg vijfentwintig, één enkele keer vijftig guldens. Wat zo een beetje overeenkwam met de jaarpacht van een hectare bouwland. We moesten dikwijls om ons slachtersalaam te kunnen houden, het in den uitkom verpanden of leningen aangaan. Zo kosten we vanzelf nooit aan spaargeld geraken. Een kous met goudstukken hebben wij zelfs in onze wildste dromen nooit gezien. Dat mijn wijfke Amelberga heette was niet casueel, haar grootmoe zal ook wel Amelberga geheten hebben. In Temst was Amelberga nen echte erenaam, naar de patrones van het dorp. Om haar bescherming en om een goede oogst af te smeken gingen wij jaarlijks de Wegom.

 

Amelberga van Munsterbilzen. werd geboren in de Ardennen rond 690 als afstammelinge van het Frankische huis der Hofmeiers de Pippiniden. Zij werd door haar tante Landrada, de abdis van het klooster van Munsterbilzen opgevoed. Kloosterzuster is Amelberga nooit geweest al wordt ze vaak als dusdanig afgebeeld. Zij leefde als maagd in vroomheid en soberheid op haar landgoed te Temse tot aan haar dood in 772. Zij werd ten huwelijk gevraagd door Karel Martel maar weigerde. Volgens de legende zou haar aanbidder haar arm hebben gebroken, toen die haar naar het altaar wou slepen maar die genas terstond. Amelberga ontvluchtte haar belager. Toen zij voor de Schelde kwam te staan verhief zich een reusachtige steur uit het water en nam Amelberga op zijn rug en voer haar de Schelde over, buiten het bereik van de Hofmeier. Zij wordt meestal afgebeeld staande op een vis. Andere voorstellingen tonen een liggende en gekroonde figuur aan haar voeten verwijzend naar Karel Martel. Ook bekend is de afbeelding met ganzen omdat zij te Mater zou verhinderd hebben dat een zwerm wilde ganzen de zaden van het akkerland pikten. (wordt ook toegeschreven aan Amelberga van Maubeuge). Soms staat zij ook afgebeeld met een zeef die verwijst naar de legende waarbij Amelberga water schepte uit een bron van een gierigaard. Ze bracht het naar een droge plaats en daar welde onmiddellijk water op, terwijl de bron van de gierigaard droog viel. Verteld wordt dat toen haar relieken in de 11de eeuw van Temse naar de Sint-Pietersabij te Gent werden gebracht, zij kwamen aangevaren in een kist zonder roeiers, onder begeleiding van reusachtige vissen. Zij is de patrones van de landbouwers, wegens het verjagen van de wilde ganzen op de akkers, en de zeelui. Te Temse wordt zij aanroepen tegen arm- en schouderpijnen, schipbreuk, koorts en hagel. Haar feestdag valt op 10 juli.

(Sactus, meer dan 500 heiligen herkennen, J.Claes, A. Claes en K.Vincke, Davidsfonds, Leuven en uitgeverij Kok en andere bronnen)

 

De Wegom, is een bedevaart ter ere van de H. Amelberga, patrones van Temse van ca. 23 km langsheen de grenzen van de vroegere parochie Temse, met negen kapelletjes: acht ter ere van de H. Amelberga, en één ter ere van O.L.Vrouw van Zeven Weeën. Hij wordt al eeuwenlang gegaan ter ere van de H. Amelberga, patrones van Temse. De Wegom is Temses oudste traditie. Het eerste onaanvechtbaar bewijs van zijn bestaan dateert uit 1323: toen werd geschreven dat de bedevaart sedert onheuglijke tijden plaatsvond. De Wegom groeide uit tot een druk bijgewoonde bedevaart, waaraan ook muzikanten, goochelaars en potsenmakers deelnamen. Men ging hem niet enkel te voet, maar ook te paard en met de huifkar. De organisatie berust bij de plaatselijke H. Amelbergagilde, die in 1861 werd (her)opgericht, maar waarvan de wortels teruggaan tot de 10de eeuw. De gilde bestond doorheen de eeuwen onder verschillende benamingen en werd dikwijls na een periode van verval heropgericht. Reeds in de 10de eeuw is er in Temse sprake van een Vrije Compagnie van de Heilige Amelberga.

(http://erfgoedcelwaasland.be)

 

Het was op een vrijdag in de laatste week van augustus in 1830. Ik ging nog eens tot op de Veldhoek, kwestie van eens een tijdeke te kunnen te raisonneren met andere mannen uit de buurtschap. Er waren daar op een open plek wat oudere kinderen, jong mansvolk en meidjes, hand in hand in de ronde, aan het dansen. Eén van hen stond midden in een kring en deed alsof hij en oud mannetje was, hij droeg een geknoopte bolletjeszakdoek op zijn hoofd en liep gebogen, steunend op een stok.

Hij riep:

- Zulde braaf zijn?

- De anderen: Ja!

- ‘Hebde een schoon hemdeken aan?’

- Ja!

- Hebde een schoon vestje aan?

- Ja!

- Hebde een schoon broekske aan?

 

Gechiegelaai en geproest bij de meisjes:’ Jaa..’

En zo gingen er nog wel een paar kledingstukken door de kring tot plots het oud mannetje riep:

‘Zulde stil zitten in de kerk?’

‘Nee, nee!’, gilde de kring en onder luid gejoel en gegil stoof de bende uiteen, waarbij het oud mannetje ze achterna zat met zijn stok tot hij er eentje kon aantikken. Die werd met veel misbaar midden de kring gebracht en het spel begost weer van voren af aan. We stonden dat lustig te bekijken tot we al met ne keer langs de kanten van Haasdonk nen troep manskerels op ons zagen afkomen in cadans roepend:

 

‘Wij willen Willem weg

wilde Willem wijzer worden

wij willen Willem weer!’

 

Die moesten langs de Bank en de Krekel gekomen zijn want zij kwamen niet van de Steendonk. Op kop liep ne vent met een Brabantse concarde op zijn kiel. Er werd geroepen en getierd, precies of ze gingen weer revolutie maken. ’t Was goddomme nog waar ook. Er zou gevochten worden in Brussel tussen de Hollandse soldaten en het volk. D’r zou een opera opgevoerd zijn en daarna was er ambras van gekomen. ‘Er wordt gevochten in de Warande van Brussel’, riep iemand. ‘Wij gaan naar ’t stadhuis van Temst, ze moeten daar de Brabantse kleuren uithangen, zodat alleman weet dat wij vechten om den Hollander buiten te kuisen’.

Nu had ik al allemaal W’s op muren gekalkt gezien, maar geen gedacht dat het over koning Willem ging. Ik peinsde altijd op een rijmken uit onze kinderdagen:

 

‘Wie weet waar Willem Wauters woont

Willem Wauters woont wijd weg’.

 

Het ging dus helemaal over wat anders. De Hollanders buiten nondedjuu, dat zou wat geven? Ik haastte mij rap naar huis om dat aan Amelberga te vertellen. Sloot gauw de blaffeturen terwijl ik voor de zekerheid toch maar tot Ons Heer bad:

 

 

‘Ik ga deur en vensters sluiten,

mijne goede engel is binnen, de duvel is buiten,

met den Goeden God wil ik rusten

Bevrijd van alle kwaad en lusten.

Ik ga slapen onbevreesd,

in de naam des Vaders, ’s Zoons en ’s Heiligen Geest.’

 

Waarna ik de deur openstampte en van contentement ons Amelberga tegen mijn kiel trok om op onze kafzak stoute dingen te gaan doen. Dat het mogelijk ware dat dien Hollander zijn schup zou afkuisen…’Mmm’ zei, Amelberga en trok haar lijveken en hare onderrok uit: Haar borsten bloot als vers mals wittebrood met bovenop een zacht rozijntje en daaronder al een gevuld buikje…

 

De opstootjes in Brussel kregen een gewelddadig karakter, vooral nadat er begin september gewapende versterking uit Luik gekomen was. Spontaan werden vrijkorpsen opgericht, die geleid werden door verkozen of door zichzelf benoemde leiders. Op 23 september trekt het regeringsleger, onder aanvoering van prins Frederik met een leger van 12.000 man Brussel binnen. De burgerwacht kon de volkswoede op dit leger afwentelen en doen omslaan in een nationale opstand. Het leger, dat zich in het Warandepark had opgesteld, werd het doelwit van de Brusselse opstandelingen en van overal toegesnelde idealisten. Ook vanuit het buitenland stroomden vrijwilligers toe: zo werd in Frankrijk het Légion Belge Parisienne opgericht, dat met privésteun gefinancierd werd (o.a. door graaf de Merode) en twee bataljons van telkens 400 vrijwilligers leverde. Dit gebeurde met instemming van de Franse regering, die zo een eventuele aanhechting van België bij Frankrijk in de hand wou werken.

Toen het regeringsleger (waarvan 2/3 Zuid-Nederlanders) na vier dagen strijd, met honderden doden en gewonden langs beide zijden, in de nacht van 26 op 27 september opbrak, begon de scheiding pas goed. Tijdens deze gevechten in het park van Brussel kwam een revolutionaire regering tot stand: “Het Voorlopig Bewind”. Op 4 oktober riep deze de onafhankelijkheid van België uit.

Vanaf november consolideerden de militaire posities zich en waren er pogingen om tot een wapenstilstand te komen. De prille regering riep al snel de vrijheden van het Belgische volk uit, waaronder vrijheid van onderwijs, vereniging, pers en godsdienst.

Op 3 november waren er in het zuiden al overal verkiezingen voor een Nationaal Congres. Deze verkiezingen waren in tegenstelling tot daarvoor direct. In het Waasland kwam het verzet vooral van de Ultramontanen, Jan Benedict Hemelaer, die eerder al als 18-jarige actief was in de Brabantse omwenteling en van zijn broer Theodoor Hemelaer, deken van Sint-Niklaas. Jan Benedict die ondertussen schepen was geworden in Sint-Niklaas stelde zijn kandidatuur voor het nationaal congres niet, hij liet dat over aan zijn schoonzoon, Pieter Verwilghen. Op 10 november kwam het Congres voor het eerst bijeen en de onafhankelijkheidsverklaring bevestigde "met uitzondering van de relaties van Luxemburg met de Duitse Bond". Op 22 november koos het Congres de monarchie als staatsvorm en discussieerde nog of dat al dan niet een lid van het huis van Oranje mocht zijn. Na de beschieting van de stad Antwerpen vanuit de citadel door de Nederlandse generaal Chassé, die een gevolg was van een schending van het staakt-het-vuren door de revolutionairen, besloten de afgevaardigden de Oranjes uit te sluiten van de troon.

Ondertussen probeerde Willem I steun te vinden bij de grootmachten. De internationale situatie liet dit echter niet toe, zodat Groot-Brittannië, Pruisen, Oostenrijk en Rusland in oktober besloten tot de Conferentie van Londen, waar ook de voormalige vijand Frankrijk werd uitgenodigd. Het voornaamste doel was te voorkomen dat dit conflict uit zou groeien tot een nieuwe Europese oorlog. Op 20 december verklaarden ook zij België onafhankelijk. Daarna werd in januari 1831 door de Conferentie besloten dat België eeuwigdurend neutraal zou zijn en dat de grenzen van voor 1790 hersteld zouden worden. Het Congres was hier zwaar op tegen, aangezien dit Limburg en Luxemburg terug zou brengen onder Willem I, terwijl deze gebieden zich grotendeels bij de afscheiding hadden aangesloten. Het Congres verloor het initiatief aan de Conferentie, zeker na de weigering om de zoon van de Franse koning Lodewijk Filips de Belgische kroon aan te bieden. Het Congres benoemde daarna maar haar voorzitter, baron Surlet de Chokier, onder wiens leiding de Belgische Grondwet was opgesteld, op 25 februari 1831 als regent tot 21 juli 1831. Het parlement kreeg veel meer invloed, terwijl ook ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd. De keuze voor de Britse kandidaat, de Duitse prins Leopold van Sachsen-Coburg en Gotha, verzekerde de jonge staat van de steun van Groot-Brittannië. Leopold die in Engeland woonde en die eerder het aanbod koning van Griekenland te worden had afgeslagen, werd het koningschap over het jonge koninkrijk aangeboden. Leopold accepteerde de uitnodiging en op 21 juli werd hij tijdens de eedaflegging op het Brusselse Koningsplein de eerste Koning der Belgen. (http://nl.wikipedia.org/wiki/Belgische_Revolutie)

Die 25ste augustus in 1830, toen ze in Brussel De stomme van Portici speelden liep Amelberga Van Schaverbeeck al gevuld rond zoveel was zeker. Het moet van Pasen geweest zijn wisten we alle twee, van den 11de april dan. Want buiten de feestdagen waren we teveel papaf om nog te heien. We leefden zogezegd in blijde verwachting. Weinig blijheid maar veel verwachting, want de vorige keren waren we bijkanst dezelfden dag de kindjes weer kwijt. Op den boerenbuiten was het nog altijd de gewoonte dat de vrouwen tijdens hun onreine dagen zich wat terugtrokken in huis. Naar de kerk gaan of te communie mocht niet. Vlees inzouten mocht ook niet, mayonaise maken lukte toch niet en onder fruitbomen passeren deed men liever niet. Wanneer zij in een spiegel keek werd die dof. Deed ze dat in het lemmet van een mes dan stompte de snede af. Op Paaszaterdag hadden wij ons proper gewassen om ’s anderendaags onze Pasen te houden. Terug thuis waren we dus zeker van zonden vrij. ’t Was dien avond dan ook het gepaste moment om nog eens aan de eigen kweek te denken. De geboorte zou dan in december, ten laatste begin januari vallen, midden in de winter wanneer er nauwelijks buitenwerk te doen valt. Om te weten of het ons gelukt was moesten we wat pis van Amelberga over wat gerst of over tarwe uitgieten, als het graan ontkiemde was ze zwanger, ontkiemde de gerst eerst dan was er een meisje op komst. Ontkiemde de tarwe eerst, dan werd een jongen verwacht.

Terwijl in de luxueuze salons te Londen de toekomst van België werd bedisseld, naderde de jaarwisseling. Het was al laat in december en bij ons Amelberga was er nog altijd geen apparentie van te kopen. Ik had al een konijn zijne frak uitgedaan kwestie van te kunnen jaersavonden. We hadden de kinderen te slapen gelegd en zaten met mijn vader, die onderhand vierenvijftig was geworden, zijn Maria Amelberga, onze Alexander en zijn vrouw Franciska Seghers en mijn schoonfamilie rond de dis.

Toen al met ne keer Amelberga recht sprong wijl het vruchtwater van tussen haar benen dreef. Mijn schoonmoeder hielp haar in het kraambed, mijn schoonvader liep naar de achtergoaras die nog een tijd wegbleef want ’t was voor dat mens ook jaeravond. Het mannenvolk zocht zijn heil in de schuur met een stoop jenever. In huis ging het er anders aan toe. Na uren kreunen en schreeuwen, koude handdoeken op het voorhoofd en compressen op de buik. Sussen en roepen ‘allee, allee, vooruit, nog ene keer’, schoot het kopke te voorschijn, de rest volgde vanzelf. De vrouwen kwamen in beweging met kommen en warm water, met natte doeken en emmers met dweilen, haalden het bebloed beddengoed af, wasten de kraamvrouw en de boreling en legden ze allebei in schone lakens. We hoorden het kind krijsen tot buiten waar het mansvolk nu stampvoetend van de kou pijpen stonden te smoren of te sjieken. ‘Een goe manneke’ fezelde mijn schoonmoeder tussen de deur die niet verder openging dan een spleet. ‘Kom binnen een uur maar eens terug’. Verder dan de staminee op de Veldhoek zijn we niet geraakt en het was meer dan een uur later toen we een beetje wankel ons hof betraden. ’t Was onderwijl tien uren in de voornoen en we moesten het kind nog gaan aangeven op de gemeente.

Met een geleende koets gingen we op weg naar het gemeentehuis. We moesten de burgemeester uit zijn woning halen. Ondertussen passeerden wij de tijd met enkele neuten, ‘neuken zeker’ schampte de waard van ’t Gulden Hoofd. ‘alleé op ’t nief joar, santé en dat ’t ne felle gast mag worden’. We trakteerden de enigste kalant, Andreas De Vriendt op een paar druppels en wisten hem zo mee te krijgen als getuige. Wij deden bij Augustinus De Decker alvast enkele inkopen voor het doopfeest en wisten hem ook mee te krijgen naar ’t gemeentehuis om de doopacte te tekenen.

Burgemeester AugustinusVan Strijdonck schreef op de 2de januari 1831 in krullen van letters Jan Baptist Pauwels, als kind van het nieuwe België, in het geboorteboek: geboren ten tien uren in de voormiddag, den eersten januarij 1831.

Mijn Amelberga had de naam van Joannes den Doper gekozen om het kind deze keer te vrijwaren van een vroege dood alvorens te zijn gekerstend. De paster stond ons bij ’t buitenkomen van ’t gemeentehuis aan de kerkdeur al op te wachten: ‘Ge weet toch dat voor Christene mensen Ons Heer veurgaat hé. Allee kom binnen en allemaal een gelukkig jaar. Aan elderen asem te rieken hebben dat er al meer gezeid zeker.’

Ondanks de goedbedoelde wensen verliep het leven van Josephus Pauwels en Amelberga Van Schaverbeke niet zo rooskleurig.

Op een morgen kwam Joseph uit zijne beddenbak en begon te braken en te kermen van de pijn in zijnen buik. Bovendien scheelde het niet veel of hij stond zichzelf te bekakken. Om het uur moest hij naar ’t gemak lopen wegens den dunnen. Tegen de avond was hij te moe om nog van zijne strozak te komen terwijl hij alsmaar om drinken vroeg. Op den duur moest Amelberga zijn lippen deppen met een nat doekske zo droog was zijne mond gekomen. De komende dagen was er geen beteringhe. Zijn ogen zakten al maar meer weg in hun holtes. De morgend van de vierde dag was hij gelijk van de wereld en na een paar stonden viel hij in zwijm en is niet meer wakker gekomen.

Lander werd uit de blokmakerij gehaald en al bij ‘t binnenkomen zei die: ‘godverdèmme mannen, da’s zeker die nieuwe ziekte die uit Antwerpen komt overgewaait. Dat is smetachtig zulle, da’s den braakloop zeggen ze. Ik zou hem rap begraven. Als ge wilt gaan we seffens naar de gemeente om het aan te geven sè.’Het was de zevenden van februarij in 1834.

‘Het is erg kinderen te verliezen’, snikte Amelberga toen de pastoor haar na de begrafenisdienst probeerde te troosten. ‘Maar nog erger is het uwen man en uw inkomen te verliezen. Ik blijf ekkik achter met drij bloeikes van kinderen.’ ‘Is dat ne rechtveerdige God die zoiets toestaat?’ ‘Hij moest nog 34 jaar worden, mijne Josephus.’ De pastoor zweeg stillekes .

Amelberga Van Schaverbeke hield het in de Veldstraat toch nog uit tot de negenden oktober van 1860. Zij overleefde de grote hongersnood van 1845 en van 1848-49 toen de graan- en aardappeloogst mislukte en typhus en cholera om zich heen grepen. Op den buiten van Temse viel er blijkbaar nog te leven want ondanks de zware tijden trouwde op 9 september 1863 de oudste dochter Carolina te Temse met Joannes Baptist Van den Eynde.
 

 
 
De geboorteakte van Jan Baptist Pauwels, gemeentearchief temse
 
 
JAN BAPTIST          1831 – 1904
 
Jan Baptist Pauwels werd in een heel nieuw land geboren. Tijdens de eerste vijftig jaar van zijn bestaan hebben zijn leiders gepoogd de taal waarin deze geschiedenis is geschreven uit het openbaar leven te bannen. Dat het niet is gelukt, is een relaas voor een volgende episode. Jan Baptist Pauwels huwde op 30 november 1860 te Bazel Cecilia De Smedt, waarmee hij al een kind had. Er zouden nog negen kinderen volgen waaronder Aloysius, mijn grootvader. Op zijn schoot blik ik in het voorjaar van 1942 vooruit naar een nieuwe naoorlogse wereld.
 
 

 

Op de dag van de federale verkiezingen in 2010 heb ik besloten de geschiedenis van De Pauluszonen tijdelijk te onderbreken. Het is een verhaal geworden waarin feiten en namen zo getrouw mogelijk zijn weergegeven. De wijze waarop een en ander zich heeft voorgedaan is vanzelfsprekend verzonnen omdat hierover geen zekerheid bestaat. Wel waar is dat deze geschiedenis zich afspeelt in een toenmalig tijdskader, gebaseerd op historische feiten en gebeurtenissen. Ik hoop dat wij na de verkiezingen weer in een nieuw België wakker worden. Naar ik hoop zal Tim Pauwels, journalist, en politiek analist, zoon van steller dezes en rechtstreekse nazaat van Egidius Pauwels, daarover hoopvol kunnen berichten. 

 

Etienne Aloïs Julia Pauwels

Versie 8.10.2010
 
 

Comments