JAN BAPTIST

DE PAULUSZONEN DEEL II
Een naar waarheid verteld verhaal
 
 

VIII     JAN-BAPTIST          1831 – 1904

 

In 1830 bleek de eerste noodzaak voor het nieuw België een grondwet te zijn. Liberalen en katholieken zetten zich eensgezind aan het werk voor een ontwerp, met daarin de gewaarborgde persvrijheid, vrijheid van vereniging en vrijheid van godsdienst. Ook de grondwettelijke beperking van de macht van de monarchie en de verantwoordelijkheid van de ministers ten overstaan van het parlement: voor deze rechten was het land in opstand gekomen. Het congres bezorgde de nieuwe staat een van de modernste grondwetten van Europa – zo modern dat zelfs de Paus er maar met moeite kon van afgebracht worden die op de index te plaatsen. Liberalen en katholieken sloegen dan de handen in elkaar om de nieuwe grondwet in werkelijkheid om te zetten onder het achterdochtig toezien van de grote mogendheden. Het kader dat ze geschapen hadden mag dan al modern geweest zijn, democratisch was het bijlange niet. Het stemrecht was zoals elders in Europa gevestigd op bezit. In het begin had slechts 1% van de bevolking het recht te stemmen.

Na de Belgische onafhankelijkheid beef de nieuwe plaatselijke bestuursvorm die ondertussen door de Nederlanders was ingevoerd behouden: Burgemeester, assesoren (schepenen), en raadsleden, gekozen uit 1/3 van de belangrijkste grondeigenaars, 2/3 uit de voornaamste inwoners.

(Vlaanderen fraai gelaat, Patricia Carson, E. Story-Scientia, Gent, 1977)

 

Dat had als gevolg dat het Temse van Jan Baptist Pauwels tot in het jaar 1846 geen inwoners had die konden kiezen voor de wetgevende kamers en evenmin voor de provincie. In het nieuwe België waren in Temse tussen 1830 en 1835 slechts 192 inwoners gerechtigd deel te nemen aan de verkiezingen voor de gemeenteraad. Nog niet eens 30% van te totale bevolking die in 1835 nagenoeg 7300 inwoners telde. Een groot deel van de inwoners waren landbouwers omdat Temse nu eenmaal een geschikte zand-leemgrond bezat, al komen ook de uitersten voor: poldergrond en heidegrond. De zware poldergrond leende zich uitstekend voor de teelt van gras- en weideland omdat de meersen in de winter door de Schelde werd bevloeid. Op de magere zandgrond bleken tarwe en rogge te gedijen. Zowat tweederden van de inwoners werkten voor eigen onderhoud op hun hoeve en gronden. Eén vijfde van de bevolking waren bezoldigde bedienden en dagloners in vaste dienst. Slechts een tiental dagloners werkten als losse kracht. De zeer hoge pachtprijzen drukten echter zwaar op het inkomen van de kleine boer. Ondanks dat mocht de pachter niet altijd doen en laten wat hij wou. Meestal diende hij een pachtcontract te tekenen van 3,6, of 9 jaar dat hem wel op zijn verplichtingen wees maar hem geenszins garanties bood. Zo moest hij toestaan dat de eigenaar bomen aanplantte voor de blokmakerij. Dit leidde vaak tot een conflict tussen pachter en eigenaar. Volgens de pachtende boer trokken de bomen niet alleen water weg uit de grond maar haalden zij ook de bemesting en vruchtbare bestanddelen uit de akker weg. Bovendien bleven de gewassen, door de hoge canadabomen, verstoken van zonlicht. Het probleem vond zijn oorzaak in het feit dat de pachter niet alleen de aanplanting van bomen moest toelaten, maar ook toezien hoe de eigenaar de opbrengst van het hout opstreek en enkel wat brandhout overliet voor de boer.

Ook tegen andere misbruiken van de pachter was de boer weerloos. Daarom begon hij vaak een nevenactiviteit en opende hij een “estaminet”. Brouwers-eigenaars dwongen dan hun pachters een jaarlijks aantal tonnen bier af te nemen. De hoge pachtprijzen dwongen de landbouwers steeds harder te gaan werken en hun vrouw en kinderen in te schakelen om in het levensonderhoud te voorzien. Op den duur werden sommigen verplicht naast hun landbouwactiviteit ook nog een andere beroepsbezigheid te beoefenen, zoals blokken- of manden maken of vlasbewerking. Ook het omgekeerde deed zich voor, blokmakers die niet volledig in hun onderhoud konden voorzien, gingen hun lap grond bewerken en plantten aardappelen en groenten of hielden een varken en wat kippen.

 

In het huishouden van Josephus Pauwels en Amelberga Van Schaverbeke stierven tussen 1828 en 1829, 3 kinderen op jonge tot zeer jonge leeftijd. Hun vader Josephus overleed in 1734 op zijn 34ste. In datzelfde jaar stierven in Temse 213 inwoners of nagenoeg 30% van de bevolking. Het jaar voordien, 1933, stierven 285 Temsenaren of 40% van de bevolking aan cholera. In 1935 was de mortaliteit terug normaal te noemen.

 

In Bazel brak de ziekte eveneens uit. In augustus en september van 1933 vielen er 54 slachtoffers die een groot aantal wezen achterlieten en verder in het jaar werden nog 164 inwoners door de ziekte aangetast.

 

Tot 1844 had men kunnen voorzien in de eigen behoeften. Maar de lange en strenge winter van 1844-45 (van begin december tot maart) bleek een ramp. Koolzaad en tarwe werden door de koude aangetast. Zoals we al eerder stelden zal ook de familie Pauwels, net als alle andere plattelandbewoners meer aardappelen zijn gaan verbouwen. Miserie komt nooit alleen, ook dat is een constante. Eind juli 1845 sloeg de aardappelziekte toe, een zwamparasiet vernietigde niet alleen in het Waasland maar in heel Vlaanderen en West-Europa de aardappeloogst. Daar bovenop tastte in 1845-46 een schimmel ditmaal de rogge aan. De prijzen verviervoudigen. Drie jaar lang mislukte de ene oogst na de andere. De verzwakte bevolking had geen weerstand meer tegen epidemieën. In 1847 werd Temse getroffen door dysenterie, vooral in de zomermaanden juni en augustus stierven heel wat inwoners aan de zogenaamde “rode loop”. Dat had voor gevolg dat in de jaren 1845-1849 het jaarlijks aantal doden opliep tot 32 % van de bevolking. In heel Vlaanderen bleven de gevolgen evenmin uit. In datzelfde jaar 1847 brak een tyfusepidemie uit en het jaar daarna was het de cholera. Vlaanderen raakte ontwricht, want op het platteland was de toestand nog erger dan in de stad. Overal zwierven bendes uitgehongerde bedelaars rond en soms drongen ze massaal een stad of een dorp binnen op zoek naar eten. Politie en burgerwacht moesten hen iedere keer weer verdrijven. Meer dan 26.000 kinderen jonger dan 18, werden op twee jaar tijd gearresteerd wegens diefstal. Ze probeerden in de veel te klein geworden gevangenissen terecht te komen want daar werd ten minste één maaltijd per dag verschaft.

(Danny Anné, Temse op weg naar de industriële tijd, 1830-1900)

 

De militaire dienstplicht na 1830.

 

Het onafhankelijke België had nood aan een groot leger om zijn noordergrens te verdedigen. In 1848 trad de wet van 8 mei 1847 op de militaire dienstplicht in voege. De jonge mannen kregen hun oproeping in het twintigste jaar. Omdat men er voortaan rekening mee hield dat de meeste rekruten nog niet volgroeid waren op de leeftijd van 19. Leopold II wenste een algemene dienstplicht, maar het parlement niet. De meeste parlementairen waren advocaten, gefortuneerde zakenlui en journalisten en de idee om een verandering in het lotelingsysteem aan te brengen was ver van hun bed. Zij konden hun zonen door het systeem van vervanging toch vrijkopen. En vervanging paste perfect in de 19de-eeuwse opvatting over vrijheid.

Vanzelfsprekend werd vervanging door het gewone volk als zeer onrechtvaardig aangevoeld. Het opkomende socialisme eiste naast algemeen stemrecht en inperking van de arbeidsduur ook afschaffing van het lotelingensysteem. Maar algemene dienstplicht kwam er niet, de loting bleef. Dus werden alle mannen volgens de wet van 8 mei 1847 opgeroepen in het jaar waarin ze 20 werden.

Het is in deze tijdsperiode dat Jan Baptist Pauwels opgroeide. Hij en zijn zuster Carolina, waren de enige overgebleven kinderen van vijf uit het huwelijk van Joseph Pauwels en Amelberga Van Schaverbeke. Samen met hun oom Alexander waren ze in de Veldstraat blokken blijven maken. Op hun lap grond kweekten zij zoals we kunnen vermoeden, groenten en aardappelen en hielden, een varken en wat pluimvee. De Cholera bleek uit de familie verdwenen.

Toen Jan Baptist werd opgeroepen werd hij er ingeloot, zoals te zien is aan het afschrift dat hij bij zijn huwelijk diende over te leggen als bewijs dat hij aan zijn militieplicht had voldaan. We lezen dat hij voor de nationale militie is ingeschreven binnen de gemeente Temse. Dat aen hem vervolgens by de loting in 1851, is ten dele gevallen het nummer 44, het welk hem tot de dienst verplicht hebbende, hy is ingelyfd geworden bij het 12de  Regiment Linie.

  

Zoals vele andere kandidaat soldaten zal Jan Baptist op een “droeve maartdag” vertrokken zijn naar de markt van Temse, de hoofdplaats van het militiekanton. In de gemeente zal aldra een gespannen drukte geheerst hebben waar vooral de herbergiers van profiteerden.

 

Een commissie die was samengesteld uit een militiecommissaris, die minstens de graad van luitenant-kolonel had, één officier en twee onderofficieren was bevoegd voor de loting. Als getuigen fungeerden twee gemeenteraadsleden die in naam van de dorpsgemeenschap moesten garant staan voor het wettelijk verloop van de operatie. Vervolgens werden de kandidaten per dorp, in de zaal binnengelaten, de rest wachtte buiten. Nadat allen waren gemeten nam de voorzitter een aantal briefjes, die met een nummer waren bedrukt, parafeerde deze en stak ze in een kokertje. Daarop gooide hij deze in een urne, trommel of iets gelijkaardig en telde de kokertjes met luide stem. In alfabetische volgorde trok men een nummer, overhandigde dit aan de voorzitter die het met een potlood uit het hulsje nam en voorlas. Het nummer werd onmiddellijk ingeschreven in het militieregister en het papiertje werd aan de loteling gegeven. Jaarlijks maakte de Krijgsmacht een tabel op met het aantal mannen dat nodig was om de regimenten op sterkte te houden. Op basis van deze gegevens werd berekend hoeveel personen er moesten geloot worden per provincie, kanton, stad of gemeente. Jaarlijks werden zodoende 10.000 (vanaf 1869 12.000) jongelingen gevraagd om het vaderland te dienen. Dit betekende, rekening houdend met de toenmalige bevolking dat ongeveer 1 op 410 Belgen onder de wapens moest, voor de twintigjarigen was de verhouding ongeveer 1 op 4. In de praktijk kwam het erop neer dat de lage nummers, oftewel deze lager of gelijk aan het aantal dat nodig was om de sterkte van het contigent te garanderen, zich er hadden ‘ ingeloot’.

Om het goede, of slechte, nieuws thuis te melden brachten velen een duif mee die in geval van een ‘slecht’ lot nogal dikwijls uit pure frustratie de nek werd omgedraaid.

 

Nadat men zijn lotje had gekregen wist men wat de toekomst brengen zou en ging men in groep zijn verdriet of geluk verdrinken. De gelukkigen tooiden zich met veelkleurige papieren bloemen en slingers, het ‘geluksnummer’ op de revers of hoed gespeld en begonnen een grote kroegentocht. De spanning waarvan men verlost was zorgde voor een uitgelaten sfeer, die naargelang de tijd en het drankverbruik vorderde dikwijls tot hevige twisten en gevechten leidde. De terugweg naar huis werd gemarkeerd door vernielingen aan afsluitingen en dergelijke. De plaatselijke bevolking bekloeg zich soms, maar meestal werd dit getolereerd als de ontknoping van maandenlange spanning

Voor wie er zich uitgeloot had vervaagde al snel deze gebeurtenis in de sleur van het dagelijkse leven. Voor wie er daarentegen was ingeloot, brak een nieuwe periode van angstige spanning aan: de oproeping en inlijving. Het zoeken naar een al dan niet vermeende reden van vrijstelling vormde een van de grootste kopzorgen. Een andere mogelijkheid om te ontsnappen aan de hel, die ‘kazerne’ werd genoemd was de vervanging voor wie over voldoende middelen of ‘kruiwagens’ beschikte...

Voor iedere jongeling was de loting een mijlpaal in zijn leven, de scheiding tussen kind zijn en volwassenheid. Vanaf deze dag mocht hij op café gaan, dansen en verkeren en zijn mening verkondigen. De keerzijde van de medaille was dat hij van zijn peetouders geen geschenken meer mocht ontvangen met Nieuwjaar.

(htpp://www.abl1914.be/organisatie/loting.htm)

 

In België vervulde slechts 69% van de door loting aangeduide jongelui daadwerkelijk zijn legerdienst. Het was opvallend dat in militaire kringen van die tijd nog relatief weinig verzet rees tegen de loting als systeem van aanwerving, hoewel de minderwaardigheid van een lotelingenleger bewezen was. De legerdienst duurde sinds 1853 in de linieregimenten officieel twee jaar en vier maanden, in de praktijk echter één à maximum twee jaar. Het expertise documentatiecentrum van het Koninklijk Museum van het Leger en den Krijgsgeschiedenis liet ons weten dat men niet beschikte over individuele dossiers vóór 1879. Wel konden zij ons meedelen dat de werkelijke legerdienst ten tijde van Jan Baptist 18 maanden bedroeg en dat er tussen 1851 en 1870 geen wederoproepingen plaats vonden. Na 8 jaar werd men dan definitief uit het leger ontslagen. Het 12de Linie zou onder bevel hebben gestaan van Lt. Kolonel Ramaekers en was in 1951 gestationeerd in Ieper, Kortrijk, Nieuwpoort of Gent. In 1852 te Ieper, Menen, Nieuwpoort of Oudenaarde. Dit voortdurend verplaatsen van een regiment van de ene legerplaats naar de andere had onverwachte gevolgen. In de periode 1842-1850 volbrachten ongeveer 24% van alle jongelieden hun legerdienst. Dat was toch altijd bijna een vierde van de mannelijke jeugd dat vanonder de kerktoren uitkwam. In het leger leerden zij leeftijdgenoten kennen uit andere dorpen, steden en landsstreken. Zij hadden contacten met de plaatselijke ‘vreemde’ bevolking. Daaruit sproten vaak exogene huwelijken voort... Op deze wijze droeg het leger bij tot de versmelting van de bevolking van de verschillende streken. Het leger vormde aldus een smeltkroes van de nieuwe staat België.

 

De Vlaamse kwestie.

 

Er van uitgaande dat de meeste lotelingen niet geletterd waren en hun officieren ofwel franstalig waren of verplicht waren Frans te spreken ontaarde het kazerneleven voor de ingelote plattelandsjongens tot een hel zoals die treffend en naar waarheid door Hendrik Conscience is beschreven in zijn roman De Loteling. Overigens had Conscience dit aan den lijve ondervonden, vermits hij als foerier dienst had gedaan in het Belgische leger na 1830. Deze onrechtvaardige taaltoestand zou blijven voortduren tot de eerste wereldoorlog en leidde in 1905 tot: Studiën en Schetsen bijeengebracht door het algemeen bestuur van het Willemsfonds ter gelegenheid van het jubeljaar 1905, onder de titel: Vlaamsch België sedert 1830.

 

Een uittreksel:

Den dag na zijne aanstelling, was de eerste daad van het Voorloopig Bewind het Staatsblad uitsluitend in de Fransche taal op te stellen (5en October); tien dagen nadien schafte zij de Vlaamsche Kamer af, die over de vonnissen uit Limburg bij het beroepshof van Luik uitspraak deed. Einde October werd de Vlaamsche taal insgelijks uit het leger gebannen; bevelen en bestuur zouden voortaan in het Fransch “als zijnde de in België meest verspreide taal” geschieden. Men vergete daarbij niet dat er in 1831 op 2700 officieren nog geen 150 Belgen waren; de overige waren, tot Wellingtons groote ergernis, door Leopold aan geworven Franschen, en zijn generale staf bevatte 24 Franschen tegenover 4 Belgen.

Den 16en November 1830 vaardigde het Voorloopig Bewind — dat nochtans, sedert de aanstelling van het Congres, van de wetgevende macht beroofd was — zijn berucht treurig besluit uit, dat straffeloos onze taal versmaadde en met de voeten trapte.

“Overwegende”, zeiden Rogier, Gendebien. Félix de Mérode en Van de Weyer,” dat het Vlaamsch, door de inwoners van zekere plaatsen (?) gesproken, verschilt van provincie tot provincie en soms van omschrijving tot omschrijving, zoodat het onmogelijk zijn zou den tekst der wetten en besluiten in die taal af te kondigen, zal het Fransch in België de eenige officieele taal zijn”. Weliswaar werd het gebruik van het Nederlandsch toegelaten, doch onder zulke voorwaarden, dat de aanwezigheid van éen Vlaamschonkundige onder de rechters, de Fransche taal aan een gansche omschrijving opdrong. En in het bestuur zoowel als in het leger welk een onrechtvaardige verhouding tusschen Vlamingen en Walen: bijna geen Vlaamsche officieren, bijna geen Vlaamsche ambtenaren; dit was het gevolg van de geweldige plaatskensjacht, waarmede de Walen hunne taalgenooten van 't Voorloopig Bewind bestormd hadden.

 

Dat dit geen loze kreten waren van een fanatieke taal- en cultuurvereniging, bewijst ook de studie van prof. De Vos, verbonden aan de Koninklijke Militaire School. In zijn studie: De Smeltkroes, De Belgische krijgsmacht als natievormende factor van 1830 tot 1885, schrijft hij.

 

Het gebruik van één enkele taal speelde sinds de Franse revolutie een belangrijke rol in het nationaal bewustzijn. Maar het Belgische leger zal om praktische redenen aanhoudend tegen dit beginsel ingaan. De meeste rekruten, vooral de Vlaamse maar ook vele Waalse, kenden eenvoudig geen Frans. Van de oprichting van de compagnie voor troepskinderen in 1847 af vonden we in het programma naast het Frans altijd het Nederlands. Wel bleek het Frans, naar de punten afgemeten, ongeveer tweemaal zo belangrijk als het Nederlands. De uitlatingen van de minister van Oorlog, F. Chazal, dat België geen eigen taal bezat, vielen bij de Vlaamsgezinden niet in goede aarde. Verschillende kranten toonden zich erg tevreden bij het ontslag van deze ‘vreemdeling’.

Nochtans waren de toestanden in het leger voor de Vlamingen alles behalve rooskleurig. In 1878 betoogde de voormalige regeringsleider, P. De Decker, voor de Nederduitsche Bond van Antwerpen, dat er in 1859 op 2635 Belgische officieren slechts 810 Vlamingen waren. Nochtans vormden de Vlamingen de meerderheid van de gewone soldaten. Een enkele maal beschreven de kranten het lot van de Vlaamse soldaat in het Belgische leger. Zijn leed veroorzaakt door heimwee naar de eigen vertrouwde omgeving, werd nog verzwaard door de vreemde en meestal onbegrepen taal, waarin hij bij het leger werd toegesproken en bevolen. De achterstelling van het Nederlands in de Militaire School bleef ook reacties uitlokken

 

Als gevolg hiervan ontstond het flamigantisme, dat aanvankelijk als een brede beweging de ‘ware’ Belgische identiteit wilde uitdiepen: Haar Vlaamse component moest, zowel in taal als in geschiedenis, meer ruimte en erkenning krijgen. Tevergeefs. De francofone burgerlijke elite vond het niet erg dat het agrarische noorden van het land economisch in de versukkeling verzonk, zolang ze zelf maar genoeg bleef verdienen aan de industriëlen in Luik en Henegouwen. En ze was al evenmin van plan om haar culturele privilegies, onder meer haar eentaligheid op te geven. (Marc Reynebeau)

 

Hoezeer je als kroniekschrijver ook probeert je te beperken tot het leven van een boerenknecht uit Wase geboren. Steeds weer blijft de geschiedenis als een doemteken er boven hangen. Een heus en niet te verslaan monster dat boven lot en geloof uitstijgt en de dingen naar zijn eeuwige zinnen zet.

 

Het proletariaat in de 19de eeuw

 

Zo komen we terug bij het begin: De omwenteling van 1830. In de eerste helft van de negentiende eeuw zag de sociale situatie in de Zuidelijke Nederlanden er helemaal anders uit, dan wat ze vandaag is. Men kon de bevolking grotendeels indelen in drie klassen. Het grootste deel van de bevolking behoorde tot de laagste klasse. Dat waren de arbeiders (zowel fabrieksarbeiders als huisarbeiders en landbouwers). De middenklasse, ook wel de burgerij, bestond uit de zelfstandige kooplui zoals handelaars e.d. De hogere klasse betrof slechts een klein deel van de bevolking. Hiertoe wordt de hoge burgerij gerekend. Dat zijn industriëlen die zich hadden verrijkt met de opkomende industriële revolutie en eigenaar waren van een fabriek en de machines. Ook de adel en de clerus werden tot deze stand gerekend

 

Zowat elk historisch werk omschrijft de Belgische revolutie als het werk van de burgerij. Uiteraard kan men de andere klassen niet over het hoofd zien, aangezien zij het grootste aandeel van de bevolking vormden. De vraag is dan in welke mate er aandacht aan die andere klassen werd geschonken.

 

In 1930 schreef ene Maurice Bologne een boek getiteld: “De Proletarische Opstand van 1830 in België”. Het valt niet te betwijfelen dat Bologne met zijn werk een zeer geladen thema aansneed. Gewoon omdat het erg moeilijk is om ‘het proletariaat’ te definiëren. Het is bovendien niet zeker of men in 1830 al van een duidelijk te onderscheiden proletariaat kon spreken. Men heeft het steeds over de Belgische Revolutie als zijnde een burgerlijke revolutie, maar in feite is dit burgerlijk aspect ongedefinieerd. Het kan dus door iedereen naar believen worden ingevuld. Bologne, marxistisch als hij was, ging er vanuit dat de arbeiders zich van hun inferieure positie bewust waren en dus vanuit hun klassenbewustzijn revolutie voerden tegenover hun onderdrukkers. Dat de arbeiders in die bewuste augustusdagen van 1830 op straat kwamen om te protesteren tegen hun dramatische sociale situatie was allesbehalve het gevolg van een klassenbewustzijn of wat dan ook in die aard. Het was louter en alleen het gevolg van de groei van het kapitalisme en de loonarbeid in de Lage Landen. Dat leidde onvermijdelijk tot een clash tussen beiden, wat ervoor zorgde dat de arbeiders de straat op gingen. Overigens was in onze streken het proletariaat helemaal nog niet homogeen. Het bestond niet enkel uit arme fabrieksarbeiders, maar bevatte ook nog talrijke mensen uit de huisnijverheid (vooral in Vlaanderen) als leden uit de stedelijk kunstambachten. Het ‘proletariaat’ was zo heterogeen dat het de greep naar politieke zelfstandigheid heeft bemoeilijkt. Wat echter belangrijker is, volgens Bologne, is dat de eerste fase van de Belgische Revolutie er geen was met een nationaal karakter, maar een die ontstaan is ten gevolge van een aantal sociale noden. Men zag geen enkel Belgisch teken in de straten van Brussel, maar wel Franse vlaggen, naar het voorbeeld van de Parijse Julirevolutie. Een zienswijze die nog altijd door het socialisme wordt aangehangen.

Onbehouwen, onwetend, gluiperig, bijgelovig en wantrouwig. Zo beschrijft de historicus Jan Craeybeckx de mensen van het Vlaamse platteland in de 19de eeuw. En pater Verschueren schrijft nog in 1958 dat ‘en aanzienlijke minderheid niet te na gesproken, het Vlaamse volk van thans, in zijn geheel, nog niet tot de cultuurvolken kan worden gerekend.’ Veel van de oorzaken voor die weinig vleiende omschrijvingen vinden hun oorzaak in de grote hongersnood van 1846 tot 1848 want daar werd ruggengraat van het Vlaamse volk gebroken.

Feitelijk begon de ellende al vroeger. De introductie van machines in de textielnijverheid loopt aanvankelijk uit op een ware ramp. Het grootste deel van het oude graafschap Vlaanderen was nog altijd landbouwgebied waar honderdduizenden mensen een klein boerderijtje hadden, meestal niet groter dan 5 ha. Ze hadden meestal ook een weefgetouw waar de man of de vrouw van de morgen tot de avond aan slaafde om wat bij te verdienen en zo het hoofd boven water te houden. Ze verloren uiteraard de concurrentie met de machines die vooral in gemeenten en steden geconcentreerd waren. Een belangrijk deel gaf het op en vertrok met pak en zak naar de grote stad om er als loonarbeider te gaan werken. De lonen waren er laag en daalden nog door de toevloed van zoveel mensen. Anderen trokken naar het noorden van Frankrijk om daar in de textielfabrieken te gaan werken, zoals men kan vaststellen wanneer met de boeken van Aankomst en Vertrek van de gemeente Temse nakijkt

 

Het land onzer vad’ren

 

Toch was de ramp in het Waasland niet zo groot als elders in Vlaanderen. In Temse begon zich handel en nijverheid te ontwikkelen en de rijke burgers konden zich al dienstmeiden veroorloven. Langs de Scheldekaaien zorgde de scheepsvaart voor transport en overslag. Niet alleen Antwerpen, Gent en Brussel waren bereikbaar via het water, ook andere steden zoals Mechelen, Lokeren, Dendermonde, Leuven en Lier lagen binnen bereik. De Scheldedorpen voorzagen bovendien hun bevolking van voedsel, dankzij de visserij. Hun gronden waren rijk aan gele potaarde zodat ook enkele steenovens voor tewerkstelling zorgden. De blokmakerij bleef ook nog een tijd voor werk en inkomen zorgen. De boerderijen besloegen in het achterland van Tielrode, Temse en Bazel nog voldoende hectaren om rond te komen waarbij de Schelde zorgde voor de aanvoer van meststoffen uit de grote steden. Ook de mandenmakerij zorgde voor een soelaas, vooral omdat zij op een bescheiden wijze was geïndustrialiseerd in tegenstelling tot de blokmakerij.

 

In 1825 besloeg de uitgestrektheid van Temsche 1.840 bunder, 24 roeden bouwland, 84 bunder, 71 roeden weiland en 95 bunder, 35 roeden bos. Toen bedroeg de gemiddelde  jaarlijkse opbrengst 6,400 tot 6,600 mudden tarwe, 11,000 tot 11,500 mudden rogge, 425 tot 475 mudden gerst, 3,600 tot 3,850 mudden haver, 800 tot 880 mudden boekweit en 21,000 tot 23,000 mudden aardappelen. Een 80 tal bunder werd toen gewoonlijk met lijnzaad bezaaid. Vielen de zware hongerjaren in 1845 en 1818-49 tegen dan was er nog de veeteelt. Men telde er 180 landbouwpaarden, 860 tot 870 hoornbeesten, 230 schapen en 480 varkens. (omgezet in het metriek stelsel is een bunder gelijk aan 1 ha., een roede, 1 are. Een mud is een inhoudsmaat. Bij vaste stoffen ong. 70 kg. Bij vloeibare stoffen ong. 175 l.)

(De Potter en Broeckaert, geschiedenis der gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen 1875-1893)

 

Eigenaardig genoeg nam in de crisisjaren 1846-1852 de activiteit in de landbouw te Temse toe. Wellicht omdat velen zich uitsluitend op landbouw gingen toeleggen om te overleven. Vooral de toename van grote bedrijven is opvallend. Tussen 1846 en 1866 kwamen er liefst 17 grote hoeven bij waaronder zelfs één van meer dan 50 ha. De ontginning van nieuwe landbouwgronden bleek vooral in het voordeel te zijn van de grote boerderijen Maar ook het aantal kleinere percelen die toegevoegd werden aan kleinere uitbatingen steeg opvallend. Vanaf 1850 begon het beter te gaan.

 

Rond 1860 hadden de afgezwaaide lotelingen en de inwoners in het algemeen geen moeite meer om aan een job te geraken. Zij hadden zelfs keus.

In die tijd bestonden er in Temsche 2 garenspinnerijen, 1 katoenspinnerij (alle drie aangedreven door stoom) 5 zeildoekfabrieken (waarvan twee met stoom)
5 zoutziederijen, 2 fabrieken van zijden, katoenen en wollen geweefsels, twee zwingelmakerijen, 1 geweerkolfzagerij, 4 bloempelderijen, 3 tras- en cementmolens,
3 steenbakkerijen, 4 tabakfabrieken, 1 sigarenfabriek, 7 bierbrouwerijen.

1 huidevetterij, 1 pottenbakkerij, 1 soudafabriek, 1 zeepziederij, 1 lijnkoekmolen
1 watermolen, 2 windmolens: de veldmolen en de steenen molen. 5 graanmolens met stoom, 1 houtzagerij, 3 touwslagerijen, 1 boekdrukkerij, 5 kantfabrieken 1 scheeps stimmerwerf, 1 fabriek van kunstwerktuigen, een 50-tal schippers zo voor binnen- als voor buitenland en een 50-tal blokmakerijen, ongeminderd een groot aantal mindere beroepen en ambachten, die in iedere plaats zijn aan te treffen

(De Potter en Broeckaert, geschiedenis der gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen 1875-1893)

 

VIII.a   CECILIA DE SMEDT        1839 - 1920

 

In 1860 was Jan Baptist 29 jaar. Waar en hoe het is gebeurd, is niet te achterhalen. Achter de hooischuur, of in het koren? Op een zwoele kermisavond in de duisternis van de smalle vissersstraatjes bij het afzwaaien van den troep? Feit is dat ene Cecila De Smedt afkomstig uit Bazel maar willicht dienstmeid bij een rijke nijveraar uit Temse bemerkte dat haar regels niet meer doorkwamen. Na een tijdje viel het niet meer weg te steken, en moest ze haar dienst verlaten. Meneer en madam wilden die schande niet in huis en zeker genen klap achter hun gat als zou meneer…’Ze papt toch aan met dienen Jan Baptist van Pauwels uit de Veldstraat. Dat ze daar intrekt’. Het nieuws kon daar niet slechter vallen want moeder Amelberga lag op sterven. De aankondiging van een onwettig kind zal haar wel hartzeer hebben berokkend. Het is niet ondenkbaar dat zij Jan Baptist bezwoer om met Cecilia te trouwen. Eens daar van verzekerd, kon zij rustig hare kop neerleggen, de 9de oktober 1860.

De eenentwintigjarige Cecilia zal daarna wel met haar pakske vertrokken zijn naar Bazel bij vader Pieter Jan en bij haar moeder Sophia Pauwels die afkomstig was uit Puurs.

 

Dat de jongeren zich in die tijd weinig gelegen lieten aan de voorschriften om zich te onthouden van seks tot in het huwelijk moge blijken uit het volgende: Waar rond 1750 nauwelijks één op tien van de eerste kinderen vóór de trouwdag was verwekt; bedroeg de verhouding één op drie tot één op vijf tijdens de eerste helft van de 19de eeuw. Hierbij valt op te merken dat naarmate de crisis en de verarming sterker doorwegen, de sociale druk om tot een ‘regulerend’ huwelijk te komen aan belang inboet. Zeer goed is dit te zien in de jaren 1840-1850, wanneer zich een extreme stijging van onwettelijke geboorten voordoet. Dit zet zich voort tot en met de eerste wereldoorlog. Alles bij elkaar genomen zou dit betekenen dat er zowat in de helft van de gevallen reeds seksueel verkeer had plaatsgevonden vóór het inzegenen van het huwelijk. In dat opzicht kunnen onze voorouders uit de late 18de en meer nog uit de 19de eeuw, dus zeker niet zo braaf of achterlijk geweest zijn als men ons soms wil doen geloven. Vooral bij huwelijken in de lagere sociale geledingen of onder het ‘gemeen volk’ om de auteurs uit de vorige eeuw na te praten, kwam het courant voor dat men zijn seksueel talent vooraf even had uitgeprobeerd. (Vrijen en trouwen van de middeleeuwen tot heden, Chris Vandenbroeke, Elsevier Librico, Zaventem 1986)

 

Het kind werd geboren te Bazel op 8 november 1860 en werd als Julia De Smedt in het geboorteregister van Bazel ingeschreven. Jan Baptist en Cecilia trouwden kort daarop, de 30ste november van het zelfde jaar. In de huwelijksakte staat vermeld dat beide echtelieden het kind erkennen en dat het voortaan de naam zal dragen van Julia Pauwels.

 

 

 

 

Uit een verklaring van de burgemeester en de schepenen valt af te lezen dat Jan Baptist onbemiddeld was en niet in staat het bedrag neer te tellen, verschuldigd voor de afschriften van de akten van geboorten en overlijden van zijn ouders en schoonouders en van zijn militiebewijs.

 

 

 

Het koppel betrok na hun trouwen een huisje aan de Beestenhoek nr. 324, een uithoek van Bazel waar de hoeven omringd waren door veel gronden en de weiden bevolkt met grote kuddes koebeesten. Jan Baptist zal weinig moeite gehad hebben om op één van de grotere hoeven voor een schamel loon aan werk te raken. Cecilia echter zat op haar jonge leeftijd gevangen in haar gammel huis met het kind aan de borst. Een goed jaar na de geboorte van Julia, kocht zij een jongen die ze Josephus lieten opschrijven op 16 oktober 1861. Op 3 oktober 1862, volgde Stephania, op 9 oktober 1864: Marie Philomena. Daarna werd een paar jaar geschrikkeld tot op 13 januari 1867 Amadeus het levenslicht zag. Pieter Joseph volgde op 7 november 1869, een jaar later Aloyis op 30 september 1870. Vervolgens Coleta op 4 oktober 1872, Gommarus op 10 oktober 1875, die niet ouder zal worden dan een jaar. Als laatste volgde Eugenia op 19.02.1877. Cecila is er dan 37 en baarde 10 kinderen in een tijdspanne van 17 jaar.

 

Over het algemeen bestond er totaal geen inzicht in de vruchtbaarheidcyclus. Wie zijn vruchtbaarheid wenste te controleren of af te remmen, moest zich van andere middelen bedienen ook al was het door de kerk verboden. In de jaren waarover wij het hebben moet het een haast onmogelijke keuze geweest zijn: ofwel de last op zich nemen een nest kinderen te kweken, dan wel zijn leven lang met een gewetensprobleem rond te blijven lopen omdat de voorgeschreven huwelijksplicht bewust was omzeild. Toch belette het niet dat het seksueel leven van deze Pauluszoon een sterk geritmeerd verloop kende, zie de geboortedata van de kinderen. Indien de vrouw jaarlijks bevrucht rond liep kon de man makkelijk voor de rest van het jaar zonder vrees aan zijn trekken komen. De huwelijksleeftijd was lange tijd één der meest aangewezen middelen om de bevolkingsgroei af te remmen. De ruim verspreide mening in verband met de grote kinderrijkdom in het verleden zal dan ook slechts vanaf de late 19de eeuw een reëel gegeven worden wanneer de huwbare leeftijd voor de vrouwen daalt en zij op veel jongere leeftijd voor de eerste keer bevallen. De bevallingsmoeilijkheden en de kraamsterfte laten ons daarentegen toe een idee te vormen over de enorme stress waaronder vrouwen in die tijd moeten geleefd hebben. Het is zelfs de vraag hoe het mogelijk was dat vrouwen nog tot een normale seksuele relatie bereid en of in staat waren? Wetende dat veel van de geleden pijn en miserie tot niets zou dienen.

(Chris Vandenbroeke, Vrijen en Trouwen van de middeleeuwen tot heden, 1986, Elsevier Librico Zaventem – De geschiedenis van de kleine man BRT Open School 1983)

 

Julia overleed op haar 14de , Stephania op haar 15de , Marie Philomena op haar 13de. Bij de geboorte van deze laatste in 1864 blijkt uit de akte dat het gezin was verhuisd naar de Portugezenstraat nr. 34 iets dichter naar het centrum van de gemeente op. Na Marie-Philomena stierven geen kinderen meer op jonge leeftijd. Kan het iets te maken hebben met de povere huisvesting op den Beestenhoek? De benaming bestaat thans niet meer maar moet waarschijnlijk gesitueerd worden op de hoek van de Portugezenstraat (vroeger wellicht Beestenhoekstraat) en de Oude Kerkstraat. De straat heet nu over de ganse lengte Portugezenstraat. Wie in 2010 zijn wagen door de Oude Kerkstraat stuurt kan zich enigszins een idee vormen van deze afgelegen plek, die nu afgesloten wordt door de E17.

 

 

 

 

In die verlatenheid keerde op een zekere avond een ingezetene van Bazel in beschonken toestand naar huis. Onderweg waggelde hij in ’t water en was in gevaar van verdrinken. Hij verhief zijn hart tot God en riep uit: ‘Heer geraak ik uit het water, ik beloof  den arme zoveel zakken tarwe te zullen geven als er korrels in enen zak gaan.’ De man kwam gelukkig op ’t land, maar de vervulling zijner belofte ging zijne middelen ver te boven. Rome bracht het op enen stoop, nadien op ene pint, en daaraan voldeed hij. Maar bevredigde hij de mensen, ’t was niet zo met God, die zijne armen wreken zou. Toen de man gestorven was, moest hij ’s nachts terug op aarde komen in een gloeiende koets, voortgetrokken door vlammende paarden, en rijdende door huizen, stallen, schuren, boomgaarden, heggen en steggen; dit alles vloog voor hem open en draaide achter zijn dolle vaart weer onbeschadigd toe. Nu ligt de ongelukkige, op de bodem van de Schelde, tot den dag van het laatste oordeel. Zijn hofstede was langen tijd een schrik voor zijn dorpsgenoten. Een halve eeuw bleef zij onverpacht. Gods zegen was er echter niet van weggetrokken, want toen eindelijk een andere pachter er zich neerzette, werd hij er rijk. Om van dergelijk ongeluk bewaard te blijven en voor “degenen die van de maai bereden waren”, wendde de bevolking van Bazel zich met een ommegang tot Sint-Pieter wiens beeld in de parochiekerk wordt vereerd. Aan iedere kapel onderweg werd gezongen:

 

“H. Petrus Paus van Roomen,

Bewaer ons van alle kwaede droomen

Van alle kwaede gepeynzen

Dat ik moge ten hemel reyzen.”

 

(Legende uit: De Potter en Broeckaert, geschiedenis der gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen 1875-1893. Kaart van Bazel en Sint-Pietersommegang uit Bazel in’t Zoete Waesland, P.M. Janssens, 1948 Bibliotheka Waesiana, Sint-Niklaaas.)

 

Wie, zoals uw kroniekschrijver, regelmatig in de archieven snuistert om geboorteregisters of huwelijksakten na te kijken, valt wel eens iets op. Bijvoorbeeld bij het huwelijk van Anna Catharina Pauwels met Petrus Joannes Van Mendonck op 10 juli 1844. De akte is heel duidelijk ondertekend door vader Joannes Pauwels, die leefde van 1776 tot 1851. Het huwelijkspaar verklaarde in dezelfde akte niet te kunnen schrijven uit hoofde van ongeleerdheijd.

 

 

 

Wanneer Josephus in het jaar 1800 werd geboren is de geboorteakte niet meer ondertekend door de vader. De aangifte was gedaan door de gezworene vroedvrouw dezer commune Pieternella Willems, die ‘verklaart niet te kunnen schrijven’. Het zijn de getuigen Isabella De Coninck van Temsche en Judoca Vertongen van Moeseke die samen met Joseph D’Hollander, burgemeester, de akte hebben getekend. Zo ook voor de andere kinderen met als gevolg het misverstand rond de namen Lijssens en Hemeleir. (Zie deel I, blz 66-67)

Josephus die leefde tussen 1800 en 1834 kon niet schrijven, zo verklaarde hij op de geboorteakte van Jan Baptist. Verwonderlijk is dat niet want tijdens de Franse tijd waren de kloosters en kerken gesloten en dus viel het onderwijs voor de lagere klassen gewoon weg. Dat deze ongeletterdheid zich nog enkele generaties heeft laten gevoelen zou kunnen te maken hebben met twee dingen. 1. De tewerkstelling in de landbouw en bijgevolg afgelegen woonsten tot het centrum waar de zondagschool zich bevond

2. Het ontbreken van een wet op de leerplicht. Die werd pas ingevoerd op de vooravond van de eerste wereldoorlog. De generaties Pauwels na 1800 waren dan ook ongeletterd, althans zo staat het genoteerd op aktes van huwelijk en geboortes.

 

Verscheidene bronnen (parochieregisters, burgerlijke stand, militielijsten, bevolkings-tellingen, fiscale en rechterlijke dossiers) geven ons een idee van de alfabetiseringsgraad en het opleidingsniveau in de periode 1750-1850. Het blijkt dat er een belangrijke algemene achteruitgang optrad tijdens de 18de eeuw en dat die tot het midden van de 19de voortging. Tegen het midden van de 19de eeuw kon nog slechts 10 à 20 % van de mannelijke dagloners zijn naam voluit schrijven. Bij vrouwen van de laagste klassen lag het percentage zelfs nog lager. Zowel in de steden (industrialisatie) als op het platte land (huisnijverheid en akkerbouw) werden kinderen vroeg in het arbeidsproces ingeschakeld. Arbeidersgezinnen en dagloners waren vaak gedwongen kinderen uit werken te sturen om hun gezinsbudget in evenwicht te houden.

Het leren was bovendien slecht georganiseerd. Lezen en schrijven werden al te vaak afzonderlijk aangeleerd. Bovendien moest men er afzonderlijk schoolgeld voor betalen. Leren lezen kwam eerst. De gemiddelde maandelijkse bijdrage bedroeg 3 à 5 stuivers. Schrijven kwam later en was duurder. Voor de overgrote meerderheid van de armen was het onbetaalbaar. Gemiddeld moest immers hiervoor een half tot een vol dagloon per maand worden betaald. En zelfs al konden kinderen uit arme gezinnen gratis naar school, veel meer dan enkele basisprincipes en enige godsdienstige gedragsregels staken ze er niet op. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw kwam hierin verandering door het voortschrijdende industrialisatieproces werd stilaan een basisopleiding onmisbaar. (De geschiedenis van de kleine man BRT Open School 1983)

 

Graaf Filip Vilain XIIII, burgemeester van Bazel en lid van de tweede kamer van het nationaal congres en de senaat stichtte op eigen kosten een school. Oorspronkelijk een kantschool voor meisjes. Na de dood van Graaf Filip in 1856 werd de zorg voor de school overgenomen door zijn dochter Marie Louise Victoire. Zij had om één of andere reden een voortdurende ruzie met de congregatie van de zusters die in de school les gaven. Oorspronkelijk waren het Zusters van Gijzegem die in 1860 Bazel verlieten. De school bleef een jaar zonder leerkrachten. In 1861 kwamen de Zusters van Barmhartigheid in Bazel toe maar werden in 1863 alweer bedankt voor hun diensten. In 1864 arriveerden vier zusters Annuntiaten uit Ranst die in 1865 alweer werden ontslagen. Toen kwamen drie Zusters van Het Heilig Hart van Maria uit Terhulpen, die ook een school openden op het Steengelaag. Jufrouw Marie Louise Victoire Vilain XIIII stierf in 1883 op 72-jarige leeftijd. In 1865 had ze nog nieuwe klaslokalen laten bijbouwen maar onder de zusters van Terhulpen vlotte het niet echt met de school. In 1886 kwamen de Zusters van Gijzegem terug en ze zijn gebleven.

Tot in 1852 liepen de jongens school bij de zusters in de Rupelmondestraat tot Graaf Filip, die zijn titel te danken had aan Willlem I, op zijn kosten en op zijn grond een jongensschool oprichtte. Ze begonnen ermee op 2 november 1856. Na Pasen 1858 werd ook gestart met een zondagschool. De school stond open voor rijk en arm, het onderwijs was kosteloos, de leerlingen moesten alleen hun schoolgerief betalen. Om het schoolgerei voor arme kinderen te betalen werd een geldinzameling gehouden bij de vermogende ouders van wie jongens school liepen.

 

Het onderwijs is een van de kanalen waarlangs de heersende klasse (lees: de adel en de kerk) de gewone man kon kerstenen of beschaven, al naargelang van de inrichtende macht. Een aanduiding voor de groeiende invloed van het onderwijs op de lagere klasse is de alfabetiseringsgraad van de bevolking. Het is tegelijk een teken van de groeiende belangstelling van de overheid voor de geestesgesteldheid en de bekwaamheden van de toekomstige arbeidskrachten. In 1866 kon 59% van de bevolking boven de 8 jaar lezen en schrijven. In 1880, 69 %, in 1890, 73 %, in 1900, 80 % en in 1910, 86%. Bij de vrouwen lag het aantal analfabeten veel hoger dan bij de mannen. De stijging is het gevolg van een toename van het aantal lagere scholen en van het intellectueel niveau van de onderwijzer, wat de kwaliteit van het onderwijs verbeterde.

(De geschiedenis van de kleine man BRT Open School 1983)

 

Dit optimistisch beeld moet zoals we eerder zagen toch wat bijgesteld worden. Noch Jan Baptist Pauwels, (°1831) noch zijn zoon Aloyis, (°1870) en zelfs diens oudste zonen, Eduard (°1901) en Amedé (°1906) konden niet of met moeite lezen en schrijven. Dat de jongste zoon Gustaaf (°1913) dat wel kon moet eerder worden toegeschreven aan de arm der wet die in 1914, de leerplicht tot 14 jaar invoerde.

Het is daarom moeilijk te geloven dat de verhuizing van het echtpaar Jan Baptist Pauwels, Cecila De Smedt naar de Portugezenstraat nr. 34 zou ingegeven zijn om de kinderen naar school te sturen in het dorp. Eerder ligt het voor het hand dat vader Jan Baptist een beter loon kon beuren op de steengelagen dan als boerenknecht te slaven op de poldergrond van deze of gene boer. Immers, buiten het gewone dagloon hadden de gelaagwerkers bedongen dat zij telkenjare een bijloon of zogezegde kermis ontvingen, waarvan het bedrag kon oplopen van 150 tot 200 fr.

 

Misschien ging hij wel wijmen snijden of roten, misschien kon hij in de mandenmakerij terecht want sinds de toegenomen uitvoer van verschillende fruitsoorten naar Engeland was het aantal nodige manden sterk gestegen. Bovendien was de mandenmakerij georganiseerd in een soort productieproces in werkplaatsen, zodat de arbeiders enigszins beschut waren tegen de gure weersomstandigheden.

 

Er zijn helaas weinig of geen bronnen die ons hierover uitsluitsel bieden. Vergeten we niet dat in het nieuwe onafhankelijke België, de administratie op nationaal en op plaatselijk vlak nog niet goed was georganiseerd en allerminst adequaat was. Voegen we daarbij de vaak in later oorlogsgeweld verloren of vernietigde documenten, en het schrijven van een familiegeschiedenis wordt hoe dan ook een nooit volledig te realiseren betrachting.

Comments