JAN

  VI.        JAN       1776 – 1851

 

Toen Jan 13 jaar werd, schafte Jozef II de Blijde inkomst van Brabant af. Door dit toedoen ontstond de ‘Brabantse Omwenteling’. Het patriottenleger onder leiding van Van der Meersch versloeg op 27 october1789 de Oostenrijkers te Turnhout. Op 16 november viel Gent in handen van de patriotten die vanuit Rozendaal over Sint-Niklaas naar Gent waren getrokken. In Parijs nam op 14 juli 1789 het volk de Bastille in, het begin van de Franse revolutie.

 

De patriottenbeweging tegen de keizer vond Temse niet werkloos in de strijd tot herwinning der oude rechten en wetten. De vlag des opstands wapperde op de kerktorens van een aantal Brabantse en Vlaamse dorpen omtrent de Schelde. Daarop werd griffier Raepsaet door het gouvernement gevangen genomen. Enige patriottenleiders waaronder Jan Baptist Cammaert, notaris te Sint-Amands, die uit Breda waren weergekeerd, besloten hem te ruilen tegen een aanzienlijke persoon van de regering: de kanselier van Brabant, de Crumpipen. Die bevond zich in het kasteel te Temse en in de vroege morgen van 26 october 1789 werd hij door enige boeren onder leiding van de schoolmeester van Waasmunster gevangen genomen. Er werd de Crumpipen geen leed aangedaan maar te kennen gegeven dat zijne gevangenneming enkel geschiedde om de verlossing van Raepsaet te bekomen. Alleenlijk liet men de kanselier den tijd niet om zich behoorlijk te kleden, en hij moest, met de slaapmuts op het hoofd, de boeren volgen naar Liefkenshoek, en vandaar over Lillo naar het leger der patriotten. Cammaert stelde zich te Temse als gezagvoerder aan. Toen hij zeker was dat de Crumpipen niet verlost zou worden of ontsnappen kon, riep hij de wethouders der gemeente samen, gaf hun last het volk onder de wapens te roepen, het kasteel te Temsche, benevens de veren, te bezetten, de verdachte personen alsmede de postillons met de brieven aan te houden en aan hem over te leveren. Het magistraat van Temsche voerde dit alles zonder tegenspraak uit. Den 9de november 1789 nam het gemeentebestuur te Temsche ’t besluit, de vaderlandse kokarde te dragen. De patriotten gingen de 12de juni 1790 te Gent den eed afleggen met hunne kapitein J. Braeckman. Hoe het verder verliep met de kortstondige onafhankelijkheid van België valt elders te lezen (blz 55 en 56). Maar het moge duidelijk zijn dat inmiddels de heer de Crumpipen weer op vrije voeten was gesteld. Het magistraat van Temsche schreef hem den 5de maart enen brief waarin het verklaarde geen deel te hebben gehad aan het geweld hem aangedaan en hem vergiffenis vragende voor zijn ondankbare onderhorigen. Men smeekte hem voorts, het voorgevallene te willen vergeten en weder zijn verblijf te komen vestigen in Temsche Na deze getuigenis van berouw en spijt toonde de heer van Temsche zich jegens zijne onderhorigen grootmoedig. De 28ste maart schreef hij aan ’t magistraat, dat hij begeerde al het voorgevallene te vergeten en het naderende schone seizoen te Temsche zou komen overbrengen. Verder verklaarde hij gene feesten te verlangen maar enkel rechtvaardigheid en rechtzinnigheid te verwachten van het volk.

De meeste patriottenleiders waren op dat ogenblik al lang naar Frankrijk gevlucht.

(Naar de Potter en Broeckaert, geschiedenis der gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen. 1875-1893,

 

Daarna kwamen de franzozen. Ik was een jaar of zestien peins ik toen ze hier voor de eerste keer binnenvielen. De een of de andere generaal had gezegd dat hij de Schelde zou openen. Dat het niet zou lukken zonder ambras te maken met de Hollanders en de Engelsen was zo klaar als pompwater. ’t Was vaneigens van dadde. Hele collonnes trokken door het Waesland op weg naar ’t Vlaams Hoofd, naar Callooshoek, naar Liefkenshoek en verderop naar Cadzand. In september al van 1793 werden wagens en paarden opgevorderd, zo’n tiental, om ommedeweer naar ginderachter te rijden. Een reis van twee dagen met paard en kar.

Jacob van Cleemput was daar zeker bij en het staat me voor dat ook Cis Hauman en Thomas Vercouteren met de weef Verdickt en een wagen met twee peerden zijn vertrokken. Wannes De Malsche met zijn peerd en één van de weef van de Velde ook. De anderen rappeleer ik mij niet zo goed meer. ’t Viel dan allemaal een beetje stil want de Oostenrijkers kwamen voor een poosje terug maar in juni van 1794 waren ze daar weer voor dik 20 jaar.

In september al werden de eerste dienstplichtigen ingeschreven, ‘ken ze nog van buiten: Nard Bauwelings, Peer Janssens en Manu Pauwels’. De maand nadien moest de gemeente drijhonderd veertigh zakken haver verzamelen op de kaai. Alle boeren en boertjes konden hunne zolder leegmaken en hun paarden op rantsoen zetten. De 12de juni van jaer 1794, dat weet ik nog goed, werd een lijst uitgehangen van degenen die verplicht waren te gaan werken aan de schansen van Het Vlaams Hoofd. Ne man of 11 peins ik, waaronder Wannes van der Gucht en Fiel Durinck in elk geval. De 19de november van ‘t zelfde jaer weer ne lijst van 18 man waaronder Wannes van Landeghem en Jakke Buytaert en als ik het goed voorheb, Wannes Vereecken.

’t Jaer nadien werden zes wagens met twee paarden bespannen opgevorderd, voorzien van het nodige proviand om gedurende 8 dagen op ’t Vlaams Hoofd te gaan werken.

 

Op 5 september 1798 voerden de Fransen De wet Jourdan-Delbrel in die nog geen loting voorzag en geen onderverdeling per kanton in verhouding tot het bevolkingscijfer. Op 24 september 1798 (3 vendémiaire an VII) werden 200.000 van de eerste klas opgeroepen. Slechts 143.000 werden als bekwaam erkend. 97.000 vertrokken echt en slechts 74.000 kwamen in kampen aan. Het ontbrekende getal moest dus aangevuld worden door de jongste dienstplichtigen van de 2de klas. Tot aanduiding van jongelingen van de 2de klas op basis van hun ouderdom is het nooit gekomen. Op 17 april 1799 (28 germinal an VIII) werd een wet gestemd waarbij werd aanvaard dat de conscrits van te voren bijeenkwamen om vrijwilligers te kiezen door onder elkaar te loten teneinde het contingent bij te passen. Tenslotte mochten de lotelingen plaatsvervangers kopen. Het leger werd op die manier 57.000 man rijker. Elk kanton werd verplicht een aantal man te leveren. Zodra het bestuur van het municipaal kanton op de hoogte was gesteld kreeg het nog 24 u. om de dienstplichtigen van 1ste klas op te sporen, aan te houden en naar de hoofdplaats van het departement over te brengen. Hun aantal mocht dan afgetrokken worden van het te leveren contingent van 2de en 3de klas. Vervolgens beschikte het departement nog over drie dagen om vrijwilligers te werven onder de 18- tot 30-jarigen. Ook dit aantal mocht afgetrokken worden van het contingent. De dan nog te leveren dienstplichtigen van 2de en 3de klas moesten aangeduid worden door een loting in de hoofdplaats van het departement. Vrijgesteld waren: weduwnaars, gescheiden mannen met kinderen en getrouwde mannen op voorwaarde dat het huwelijk gesloten was voor de publicatie van het uitvoeringsbesluit betreffende de lichting in kwestie.

(Yvon Fonteyne, heemkring Ten Boome)

 

VIa. MARIA AMELBERGA HEMELEIR          1774 - 1810

 

Op 22 october van ’t jaer 1799 trouwde ik Maria Amelberga Hemeleir, de dochter van Regina Amelberga Hemeleir. Maria Amelberga was 25, ik 23 jaar. Dat zij een voorkind was kon mij weining deren. Zij was een dochter van Regina Amelberga en van een zekere Lijssens die uit Regina haar woonst niet was buiten te slaan maar elders wel vrouw en kinderen had. Regina Amelberga trouwde later met Jan Baptist Van Royen en na diens afsterven nog met Joos Brijssinck.

Ondertussen was de wet Jourdan-Delbrel ingevoerd. De 19de frucdidor an VII eigenlijk de 5de september in 1798. De wet zei dat voortaan de militaire dienst een algemene en persoonlijke plicht was voor alle Franse burgers van 20 tot 25 jaar. Dat ze zich moesten laten inschrijven op een lijst. Zo was aangeplakt op de gemeentehuizen. De militaire verplichtingen vingen aan op 1 vendémiaire volgend op de 20ste verjaardag en eindigden op 1 vendémiaire op de 25ste verjaardag. We stonden wij allemaal wat verwezen in een root te wachten om ons te laten opschrijven op ‘t gemeentehuis. Zo kwam ik aan de weet dat ik ingedeeld werd bij de 3de klas: de 22 jarigen. Wij zouden niet opgeroepen worden zei de griffier tot de eerste en de tweede klas allen ingelijfd waren. Allee vooruit dat viel dan nog mee.

Ik was zowaar als ik hier zit, rap met ons Marie Amelberga gaan prakkizeren hoe ik er vanaf kon geraken. Ik was groot genoeg, getrouwd waren we niet, en gezond was ik ook. Ik kon mij gaan verschuilen in de bossen of bij familie maar hoelang zou dat wel moeten duren. ’t Schijnt dat het ook niet zo gemakkelijk is om u doof te houden of zot maar als ’t lukte was je er vanaf. Sommigen sneden hunne wijsvinger af, dan kon je wel niet meer schieten, maar in ’t leger kon je van alles doen, zonder wijsvinger. De wet sprak van ’t jaer VI en we waren nu in het jaer VIII, want een Frans jaar is niet gelijk aan het jaar van de kerk. Te laat dus om te trouwen. ‘Maar’, zei mijn Marie Amelberga ‘nog niet te laat om een kindeken te maken’. Mijn Marie Amelberga had het van geen vreemde. Als ik in ’t stalleke aan mijn werkbank kloefen stond uit te boren, kost ze van mijn gerief niet afblijven. Ze stond hem iedere keer te knijpen, achteraf. Want we waren telkens doodongerust. ‘t Moest ne keer prijs zijn! ‘Awel laat het ne keer prijs zijn’. Zo kwam Josephus op de wereld, kortweg Jef, op een woensdag de 5de maart van 1800, in ’t Frans: de veertienden ventôse. Een jongske, niet te fel maar toch gezond afgehaald door Petronella Willems die Marie Amelberga als aangestelde vroedvrouw was komen verlossen.

Voordien waren we in alle haast naar ’t gemeentehuis van Temse gemoeten om te trouwen: ook op een woensdag, den 2de october van 1799, in ’t Frans An VIII vendémiaire, decade I, jour du décadi. In dien tijd keek niemand daar nog van op, trouwens pasters waren er niet meer om te trouwen.

In ‘onze revolutionaire republiek’ begon het jaar bij de herfst, de 22ste september op de kerkelijke almanak. Er waren 12 maanden in een jaar die werden onderverdeeld in drie decades van elk 10 dagen. Daar moesten ze elk jaar nog 5 of 6 dagen op het einde bijtellen om aan 365 dagen te komen, de slimmekes. Elke maand telde 30 dagen. Eén dag telde 10 uren; één uur 100 minuten. Daarmee is Jefke geboren in ’t zelfde jaar als we getrouwd zijn, al was dat in onzen tijd een jaar eerder, allee…laten we zeggen dat da manneke wat te vroeg geboren werd.

 

De conscriptie, d.w.z. de verplichte inschrijving voor legerdienst voor alle mannen tussen l6 en 25 jaar, was de onmiddellijke aanleiding voor de Boerenkrijg. Het zijn de brigands geweest, zoals de opstandige boeren genoemd werden, die in de drie eeuwen sinds de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden voor het eerst een poging waagden om een grote droom te realiseren: het herstel van het éne Nederland. Dat is althans het politieke doel van de georchestreerde opstand. Zo klinkt het in plakkaten of plakbrieven, die én in de steden én in de dorpen aangebracht werden op kerken en openbare gebouwen;  Onmiddellijk na de gehate conscriptiewet van 24 september 1798: "Nederlanders ! blyft nu bijeen, wy moeten standvastich wezen" of "uit den naam der vergaderde Nederlandsche jonkheid" of nog "uit den naam van het Nederlandse volk, wij verdedigers van ons vaderland".

 

 

 

 

Huwelijksakte van Jan Pauwels en Maria Amelberga Hemelaer, bemerk de aangebracht wijzigingen

RAC Beveren

 

  

 

 

Geboorteakte van Josephus Pauwels waarin Joseph D’Hollander, lid van Municipale Administratie der commune van Temsche verklaart dat Maria Amelberga Hemeleir de moeder is. Ondertekend door twee getuigen en door Joseph D’Hollander. De Vroedvrouw Petronella Willems verklaart niet te kunnen schrijven. (gemeentearchief Temse)

  

De woede van de bevolking was zo groot, dat de opstand te vroeg begon. Inderdaad, sedert maanden was deze opstand voorbereid door groepen uitgeweken "Brabantse patriotten" : edellieden, ambtenaren, priesters en kloosterlingen, die vooral in Enunerich (Gelderland) en Rozendaal (Noord-Brabant) verbleven. Zij waren de bemiddelaars tussen de eigenlijke aanvoerders van de opstand in het bezette land en de grote mogendheden, Engeland, Pruisen en Oostenrijk met als sleutelfiguur Stadhouder Willem

Van Oranje, die eerst voor zichzelf, daarna voor zijn zoon,(de latere Koning Willem I) het herstel van de Verenigde Nederlanden wenste. Alleen Oostenrijk bleef zich hiertegen verzetten: dat land wilde zelf zijn gezag over de Zuidelijke Nederlanden herstellen, dat het in 1789 en opnieuw in 1794 verloren had. Als begindatum voor de opstand was donderdag 25 oktober vastgesteld. Door een spontane uitbarsting van woede, veroorzaakt door de zoveelste inbeslagname voor achterstallige belasting bij een inwoner van Overmeire (halverwege Gent en Dendermonde) begon in dit Oost-Vlaams dorp de eigenlijke Boerenkrijg, twee weken te vroeg, op l2 oktober 1798.

 

De oproer sloeg over naar Klein Brabant en het Waesland. Bij een religieuze bijeenkomst op Sacramentsdag 1798 op het kerkhof van Willebroek manifesteerde Emmanuel Benedict Rollier zich voor het eerst als de leider van de boerenopstand. Er werd besloten om vanuit het Waesland de Scheldemonding te bereiken, waar de Engelse vloot verwacht werd ("en ze juichten toen Brittannies beloofde vloot verscheen"). Twee landingspogingen mislukten, de 2de october te Vlissingen en op 23 en 24 october te Blankenberge. Ontmoedigd trokken de boeren zich terug richting Klein Brabant. Daar hadden de brigands aanvankelijk veel succes: ze hadden er zelfs een kleine vesting, het oude fort Sint-Margriet dichtbij de monding van de Rupel. Ze hielden er meer dan veertien dagen stand onder de leiding van Rollier. Bijna dagelijks waren er verwoede gevechten in heel de streek: Dendermonde, Boom, Lier, Willebroek en Bornem, waar op 5 november het hele dorp in vlammen opging.

Bij verrassing kon de Kempense boerenleider Van Gansen en zijn brigands nog Diest veroveren maar ze werden onmiddellijk belegerd. Ze konden evenwel de Fransen verschalken en terugtrekken naar Mol waar slag werd geleverd en zowat 1000 boeren sneuvelden. Na nog een kleine overwinning te Tienen trokken Van Gansen en zijn mannen Hasselt binnen. De stad bleek niet te verdedigen en het boerenleger werd afgeslacht. Daarna werd het stil in de Zuidelijke Nederlanden. De boerenleiders Corbeels en Meulemans werden op 21 juli 1799 te Doornik onthoofd.

(http://genk .com/034/vanheusden.html)

 

Men kan zich de vraag stellen of de boerenkrijg wel zo belangrijk is geweest? Daarover bestaan twee meningen.

1. De Boerenkrijg was de strijd van ons volk tegen een vreemde indringer. Het was een bevrijdingsstrijd. Een heroïsche strijd. De herdenking is een ode aan onze helden.

2. De Boerenkrijg is een oproer geweest van een minderheid, van wat landvolk en geboefte. Een laatste opstoot van een voorbijgestreefde en verdwijnende wereld die alleen interesse verdient vanuit wetenschappelijk historisch oogpunt.

Kwatongen zouden kunnen zeggen dat de Boerenkrijg nooit heeft plaatsgevonden. Maatschappelijk kwam er geen ommekeer, de Franse bezetting bleef, de armoede bleef en Noord en Zuid werden niet verenigd. Er bleven alleen vijftienduizend doden.

(http://www.vrijbuiter.org/page.php?ID=54 , Wannes Alverinck en Jan Creve)

 

Ik was al een tijdje op het hof in de Brantstraete bezig aan ’t proberen blokken te maken met het alaam van grootvader. Het lukte zo stillekens aan en als het pas gaf kon ik een boerenknecht al eens uit de nood helpen wanneer hij onverwacht met een gebroken blok zat, of wanneer er een gat in de zool was gevallen. Me docht dat daar wel eens een broodwinning in kon zitten. Niet alleen boeren droegen houten blokken, ook het werkvolk dat in die nieuwe fabrieken ging werken. Harde vloeren waren sletig voor het schoeisel. Weet ge wat ambetant was. Ge moest uw waar altijd meegeven aan rondtrekkende opkopers, klusters zogezegd, tussenpersonen die dan weer leverden aan de grote blokmakers die overdekte stellages hadden en daarom uit voorraad de juiste maat konden verkopen. Al van bij mijn geboorte zat het er in: dingen maken. Ik snee al rap postuurkes voor in de kerststal en beestjes voor de kinderen om mee te spelen. ’t Was precies of het zat in mijn vingeren, ofschoon mijn vader daar geen manieren van had. Maar zijn vader misschien of diens grootvader, wie weet? Ik kwam ter wereld op den 30ste mei van ’t jaer 1776. Toen er een passende doening op Eigenlo vrij kwam konden Marie Amelberga en ik er intrekken en er een zaakje beginnen voor de verkoop en aanmaak van klompen. Het was er pertang den tijd niet voor. In vijf jaar tijd kenden onze streken zes verschillende landvoogden en gouvernementen. Toen de Fransen het land binnen vielen begon de miserie voor goed. Alles moest in ’t Frans. De seizoenen en de maanden kregen een andere naam. Toen ik het sterven van ons vader ging aangeven in de kantonhoofdplaats te Sint-Niclaes was het geeneens meer de 13de september 1803, maar de 26ste Fructidor an onze de la Republique. Fructidor, dat wil zeggen de fruitmaand, niet op een donderdag maar: du sextidi van de decade III in het elfde jaar van de Republiek. Kunt ge geloven dat ik kookte van koleire. In uw eigen land, uw eigen taal niemeer mogen spreken, is godgeklaagd. Hunne kalender was bovendien niet te gebruiken, want een dag had 10 uren van 100 minuten. Er was geeneens een horlogerie die dat kon aangeven. Daar bovenop kreeg iedereen een paspoort met zijn naam en adres. Ze kwamen alleman opschrijven zodat de Fransozen op de kantonhoofdplaats wisten wie waar woonde, mannen, vrouwen en kinderen en alle inwonenden. Alle godsdienstige plechtigheden werden verboden, de mis, het lof, de vespers, geen processies meer, geen doopsel, geen vormsel en geen communie meer. De pastoors en onderpastoors moesten de eed afleggen van trouw en erkenning en gehoorzaamheid aan de wetten van de republiek. Wie dat niet deed werd verbannen naar Cayenne. Toen Frankrijk oorlog ging voeren over de hele wereld hadden ze vanzelf geen soldaten genoeg. Daarom kreeg elke gemeente opgelegd hoeveel dienstplichtigen zij moesten leveren.

 

 
Op 14 oktober 1798,(23 vendémiaire jaar VII) werd in Haasdonk voor de derde maal onder het luiden van de klokken de bloedwet afgekondigd. Op verschillende parochies verschenen ’s nachts brieven:”Wie de wapenen zal dragen voor de Fransen zal aanzien worden als een verrader”. De nacht daarop werd de vrijheidsboom omgehakt. De 16de kwamen vier Franse gendarmes aan in het dorp om de rust te herstellen. De huizen waar zij verbleven werden ’s nachts beschoten. De volgende dag werd  Majoor Target van het 31ste escadron dragonders en gendarmen naar Sint-Niklaas gezonden. Hij stelde er de avondklok in en verplichte de bewoners ’s nachts hun huizen met kaarsen te verlichten. Hij vertrok daarop naar Haasdonk waar het tot een treffen kwam met brigands. Negen boeren werden neergeschoten. Op 19 october 1798 (29 vendémiaire an VII) werd te Beveren het huis van de agent municipal leeggeplunderd, de vrederechter uit zijn huis gejaagd en bestolen. Bij citoyen Debbout sloeg men alles stuk. Het huis van commissaris De Kever plunderde men leeg. De commissaris kon te nauwer nood naar Sint-Niklaas ontsnappen.

300 soldaten onder leiding van majoor Target omsingelden nadien het dorp en schoten op alles wat bewoog. Er vielen 23 doden. In alle gemeenten en dorpen in het Waesland werd nu gevochten en vielen er doden. Een bende van 300 brigands had zich intussen in Sint-Jansteen verzameld en trok met slaande trom naar Hulst om de stad in te nemen. Op 22 october verlieten de brigands de stad in de richting van Axel en verder naar Sas van Gent. Nog altijd hopend op een landing van de Britten. Op 23 oktober ontmoetten de Waeslanders, Rollier, de leider van de brigands uit Klein Brabant. Men besloot om de Waeslanders in twee groepen te splitsen. Onder leiding van Macharius Reyns zou een groep vertrekken naar Terneuzen om de Engelsen op te wachten. Een tweede groep onder leiding van de 21-jarige Benedictus Ferdinandus Lauwers uit Kemzeke zou in het Waesland Blijven. Zij verzamelden in Sint-Pauwels en maakten zich klaar om Sint-Niclaes aan te vallen. De bewoners alarmeerden echter de Fransen die zich opstelden in de Dalstraat en in het Bieshulstraatje, en stelden een kanon op aan de Houtmarkt (waar nu de O.L.Vrouwekerk staat). Na een paar kanonschoten volgde een charge van de Fransen die de brigands op de vlucht joegen. Het komt tot een laatste treffen op Kleibeke (kapel ter nagedachtenis van de gesneuvelden). Zeventien brigands sneuvelden. Hun lijken werden op het kerkhof achter de ciperage in een put gegooid. Onder leiding van hun commandant Osten volgden de Fransen de groep brigands op afstand naar Terneuzen. Wanneer die de stad verlieten om op weg te gaan naar Axel om via Koewacht verder te trekken naar Stekene kwam het daar tot een treffen met Osten en zijn troep, die de brigands konden uiteenslaan en verdrijven.

Tot dan toe bleef Temse gespaard van gevechten maar op 30 november 1798 (9 brumaire an VII) werd het door de boeren van de omliggende dorpen ingenomen. Zij braken de kerk open, luidden de klokken en velden de vrijheidsboom. Dit was de afspraak met de brigands uit Klein Brabant om zo een verbinding te kunnen maken met het Waesland. Het waren stilaan de laatste wapenfeiten want door een gebrek aan leiding en materiaal doofde het vuur in het Waesland langzaam uit. Nog één opmerkelijk feit kon de woede van de plaatselijke bevolking nog opwekken. Op 5 maart 1799 (15 ventôse an VII) bracht commissaris De Kever de president van het kanton Haasdonk, Jan Baptist Stassijns, over naar Sint-Niklaas om er te worden berecht wegens vermeend samenheulen met de brigands. De Kever was echter zeker van zijn stuk en liet hem in de bossen van Haasdonk terechtstellen. (herdenkingsmonument langs de Tassijnslaan te Sint-Niklaas).

Sommigen aanzien de Boerenkrijg als geschiedkundig onbelangrijk omdat de gebeurtenissen zeer gelokaliseerd waren en de loop van de geschiedenis niet heeft kunnen veranderen. Dit neemt niet weg dat de bevolking van het Waasland die er bij betrokken was, zwaar heeft geleden. Tijdens de bezetting van de Fransen leden velen een armoedig bestaan. Heel wat boeren lieten de ploeg trekken door vrouw en kinderen. Dagloners konden nauwelijks aan werk geraken en met hun loon konden ze geen twee broden kopen.

(http://geocities.com/deuzie_vl/artikels/17-3-03.htm?200919, heemkring Stekene)

 

Omdat we nu getrouwd waren en een kind hadden moest ik niet aantreden. Toch begon het bij ons Marie Amelberga te knagen:

‘Zouden we Jozefke toch niet laten dopen, ge weet maar nooit dat hem iets overkomt?’

‘Ja mens, vanwaar moet ik ne paster halen om dat te doen? Ofwel zitten ze in ‘t gevang ofwel doen ze alles in den duik.’

‘Ja, maar als ik dat nu graag zou willen, we hebben maar één kind, er zou toch iets kunnen voorvallen.’

‘Djemenis vrouw, ik zal misschien mijne vinger eens in de lucht steken om te voelen waar ze verdoken zitten, de pasters.’

Het licht kwam vaneigens van onze va. Die had op zijn zwerftochten boer Cleemput tegen gekomen met zijn boerenkar, en verdomme als ’t niewaar is. Paster Vijvens zat met ne vliegher rond zijn lijf en een muts op zijne kop in de laadbak. Ons vader stapte vanzelf een eind mee en kwam zo aan de weet dat er gekerstend werd op de Hollandersgelage bij den heer D’Hollander. Wij zijn dan op een nacht naar ginder getrokken met Jozefke en toen we ginder waren zijn we dan ook maar ineens voor de kerk getrouwd. Paster Vijvens verklapte ons ook waar hij nog allemaal diensten deed: Bij Cleemput vanzelf in de Schauselhoekstraat. Bij De Smet in de Vijf Huizen, hoorde hij biecht en bij juffrouw Seghers in de Akkerstraat ook want de kerk in ’t dorp bleef omtrent vier jaar gesloten. Omdat we nu toch op de hoogte waren van de gang van zaken gingen we dan maar onze gang hé. Op 13 april 1802, allee den 23ste germinal an dix’, haalden we Petronella Willems, de vroedvrouw weer in huis om bij Marie Amelberga een meisje af te halen dat we Anna Catharina noemden. Petronella was door de municipaliteit aangesteld als kraamvrouw en was aldus ook gerechtigd om de kinderen te gaan aangeven op ’t gemeentehuis, ook al kon ze lezen noch schrijven. Haar grootste verdienste zal wel in het bed van een Franse officier gelegen hebben. Om het kort te houden. Petronella had altijd twee getuigen nodig die dat wel konden. Burgemeester Braeckman sloot dan met zijn handtekening de acte af.

In an trèze, de 22ste van de maand germinal of de 12de april 1805 beviel Marie Amelberga van een jongen die wij door Petronella als Alexander lieten opschrijven.

 

Het was ne kwaaien tijd. De Fransozen bleven de burgers en de wethouders maar lastig vallen met opeisingen en belastingen, zo erg was het dat in Temse belastingen werden opgelegd door de gemeente teneinde iets te kunnen voorzien voor de armen. In ’t jaer IV werd een grondcontributie ingevoerd ten bedrage van 9 stuivers, Vlaamse munt per gemet voor het eerste en 4 st. voor de volgende jaren. Op ons povere doening, moesten we nu ook nog belasting betalen. Er bleef nauwelijks nog over om in leven te blijven. We dorsten geen kinderen meer op te wereld te zetten vanwege de schamele tijd. De honger plakte aan de ribben want de mensen hadden geen geld over om blokken te kopen en staken er dan maar hooi in of stro om de gaten te stoppen. In 1810 geraakte Marie Amelberga hare korf toch weer gevuld. Ne mannemens heeft zo zijn noodruftigheid hé, en ‘k was misschien wat te laat de kerk uit. De vrouw deed, mager als ze was en met tekort aan van alles, haar dracht met moeite uit. Toen het kind ter wereld kwam op de 29ste augustus was ze zo uitgeput dat ze in het kraambed neerzeeg en niet meer opkwam. Ze ging uitgeleefd de 8ste october. Toen we het kind gingen aangeven op municipaliteit zeiden ze: ‘noem haar Victoire, naar de zegetocht van Napoleon in Europa’. Dat deden we dan maar. We verloren het kind veel rapper dan de keizer de oorlog. Het was bij de geboorte al niet van de felste en stierf bij gebrek aan voedsel zes weken later. Onze Jozef was toen 10 jaar en zo iel als een boonkodde van ontbering. Dat jaar zo vertelde men mij bracht Napoleon zijn derde bezoek aan onze contreien, deze keer in het gezelschap van keizerin Marie-Louise.

 

De voorbije maanden had de bevolking van Temse heel wat miserie en pesterijen te verduren gekregen en daarbovenop kwamen nog allerlei opvorderingen en inlijvingen in het revolutionaire leger. Dat de boerenzonen van Temse zich niet lieten doen moge blijken uit het overzicht van het jaar 1809-1810.

Den 22ste maart1809 lieten ze vanuit Dendermonde weten dat nr. 71 Phillipe Beck en nr. 103 Egide De Visscher werden opgeroepen om de lichting van 1810 te vervolledigen. Rond dezelfde tijd kon je op affiches lezen dat Guillaume Boodts van de klas van 1810 was gedeserteerd. Op 25 maart 1809 kwam het bericht dat nr. 44 Henry Maes en nr. 63 Pierre Brijssinck waren gedeserteerd. De burgemeester liet weten dat beiden vrijwillig naar hun regiment waren teruggekeerd nadat hun ouders waren gearresteerd. Op 6 mei eiste men 6 mannen op voor de cohorde van de nationale wacht in Cadzand voor den 20ste van de maand. De mannen moesten tussen de 20 en 60 jaar zijn en gezond. Omdat bij hun aankomst de uniformen nog niet ter beschikking zouden zijn, dienden zij zich in propere kleren aan te bieden. Wie zich in vodden aanbood zou onmiddellijk worden teruggestuurd en vervangen worden door anderen. Iedere man moest 100 francs bij zich hebben bestemd voor hun uniform. Niemand dorst de oorzaak te zijn dat een andere Temsenaar zijn plaats diende in te nemen. Op 25 mei 1809 kwam bij alle burgemeesters van het département de l’ Escaut een document aan betreffende de administratieve afhandeling van de ter beschikking stelling van 30.000 man van de klas van 1810 en 10.000 van de klas van 1806, 1807, 1808, 1809. De conscrits van 1810 dienden zich te verzamelen op de 20ste van de maand, de anderen de 25ste De lijst van de opgeroepenen bevond zich bij de kantonoverste. De opgeroepenen die als laatste waren vermeld vervingen degenen die gehuwd waren. Deze dienden volgens een voorgeschreven document de gegevens van hun trouwakte op te geven. Indien niemand moest vervangen worden mochten de laatst opgeroepenen naar huis tot zij opnieuw zouden worden opgetrommeld om dienstweigeraars te vervangen.

Op 1 september vorderde men in Temse: “70 kubieke meter stro en 67 hectoliter haver van goede kwaliteit uit de voorraad van 1808, indien niet voldoende, van dit jaar. Te leveren tegen de 16de van de maand aan het militair depot de Hulst”. Binnen de 5 dagen diende de levering voltooid te zijn. Veertien dagen later hetzelfde maar te leveren te Beveren tegen de 20ste van de maand, ten laatste de 25ste .

Op 13 december kwam het bericht dat, nr. 114 Egide Van der Hoogt, nr. 120 Pierre Jean Troch, van de klas van 1806 en nr. 140 Henry Saerels en nr. 144 Pierre Joseph Du Pont van de klas 1810 op weg naar hun bestemming waren gedeserteerd. De sous-préfet verzocht hun opsporing en gaf opdracht hun familie te laten weten welke straffen er stonden op het verbergen van dienstweigeraars. Op 28 september deserteerden nr. 50 Jean Antoine Verbraecken, van de klas van 1809. Van de klas 1810 deserteerden nr. 44 Henri De Cock, nr. 84 Bernard Durinck en nr. 44 Henry Maes met nr. 63 Pierre Brijssinck nogmaals.

Deze opsomming van feiten en instructies geeft een goed beeld van wat de bevolking van Temse te verduren kreeg onder het revolutionaire bewind.

(op basis van documenten uit het archief van Temse, Tjen Pauwels)

 

Toen ik de negenden october 1810 op ’t gemeentehuis ging zeggen dat mijn Amelberga was gestorven. Zei den burgemeester ‘tis veur Amelberga Lijssens zeker…?’

‘Verschoning meneer de burgemeester’, stamelde ik ‘maar mijn vrouw heet Hemeleir.’

‘Maar allee…gij zijt toch met Marie Amelberga Lijssens getrouwd. Wanneer was dat nu weer?’ ‘Den 2de october van 1799 meneer.’ Mijn hart sloeg in mijn keel. ‘Calme toi mon ami’, suste hij, ‘we gaan dat eens nakijken sè’ Daarop haalde hij het huwelijksboek uit de kast en bladerde tot de juiste bladzijde, draaide het boek naar mij terwijl ik las:

 

…Van den enen kant Jan Pauwels, blokmaker, oud drijendertig jaeren alhier woonachtig in de commune van Temsche Departement Schelde, zoon van Pieter Jan Pauwels ende Anna Catharina Callens woonachtig in de commune van Temsche. Van den anderen kant Maria Amelberga Lyssens, oud vijfendertig jaeren. Ongehuwde d ochter van Maria Amelberga Hemeleir, woonachtig in de commune van Temsche ….

 

Het schemerde voor mijn ogen maar het stond er wel geschreven: Lijssens. ‘Hoe kan dat nu, meneer de burgemeester’ zei mijne neef Maarten Van Mele, die meegkomen was. ‘Jan is toch met met de dochter van Regina Amelberga Hemeleir getrouwd en zij was toch een vaderloos kind.’ ‘Ja, ja’. Grinnikte burgemeester Braeckman die zogezegd iedereen kende. ‘Maar ze was er toch eentje van dien boer Lijssens die altijd bij vrouw Hemeleir op het hof kwam, alleman wist dat toch.’ ‘Zo is het ook opgeschreven.’ ‘Meneer de burgemeest, wilde ne keer kijken wanneer Maria Amelberga is geboren, of daar ne vader bijstaat’, vroeg Maarten. ‘Allee omdat het voor ulder is’, grijnsde Braeckman en hij haalde het geboorteboek van ’t jaar 1774 erbij. ‘Nondedju!’ ‘Kind van een onbekende vader’ las hij. ‘Nondedomme’ flapte ik er nu ook uit, ‘die franzozenpoeper van van ne Jef D’Hollander heeft dat bij onzen trouw toch niet verkeerd opgeschreven zeker?’ ‘En gij Braeckman schrijft dan de kinderen maar op als Lijssens!’ De ene geboorteboek na de andere werd uit de kast gehaald en doorbladerd. Vaneigens: de kinderen waren als Lijssens ingeschreven. ‘We gaan uwen trouwacte subiet corrigeren zie’ fleemde de burgemeester, en hij schrapte in de kantlijn en in de acte Lijssens en schreef Hemeleir in de plaats. ‘Ik zal dat fleus met de actes van de kinderen ook doen’, beloofde hij. Waarna hij rap de overlijdensacte op naam van Maria Amelberga Hemeleir invulde. Ik tekende eigenhandig en hij voleindigde met Jean Emmanuel Braeckman. De 15de van dezelfde maand october 1810 stond ik daar terug om Victoire te laten opschrijven als zijnde overleden. Deze keer schreef de burgemeester zonder aarzelen: dochter van Jean Pauwels en Maria Amelberga Hemeleir. Maar aan de geboorteactes van Anna Catharina, Alexander en Victoire heeft hij nooit iets gedaan, ze staan nog altijd als Lijssens in de geboorteregisters van Temse. Hij kende zogezegd alleman: ‘Alleen komt het verstand niet met het ambt’ zei Peer Lataan..

 

VIb.    MARIE AGNES CROUT    1772 – 1815

 

Ik nam me voor niet te lang alleen te blijven sukkelen en had mijn oog alras laten vallen op een jonge dochter waar me docht mee te leven viel. Ik was tenslotte toch nog maar 34 jaar. Marie Agnes was de dochter van Petrus Crout en Isabella Savaest uit Liezele. Marie Agnes was pertang geboren in Holland, in Roermond. Katholiek zijnde was de familie Crout niet zo geliefd in hun geboortestad. In Limburg en Noord-Brabant heerste miserie in de tweede helft van de jaren 1700, reden waarom de familie naar Vlaanderen was afgezakt. Zo wist vader Crout mij te vertellen. Marie Agnes was 39 toen we op de 12de juni in 1811 trouwden. We wensten alle twee dat er zo snel mogelijk een kind zou komen, al was het maar om voor Marie Agnes hare oude dag te zorgen. Bovendien was haren tijd ver op. Het lukte nogal goed en de 16de augustus in ’t jaer 1812 werd een meiske geboren dat we Sophie lieten dopen. Drie jaar later zat Marie Agnes door haar krachten heen. Het zogen van het kind had haar volkomen uitgeput ook al omdat er geen aansterkend voedsel voorhanden was. Ze stierf uitgemergeld op 21 juni 1815. Nu Napoleon in Waterloo verslagen was en er weer een nieuwe tijd aanbrak in het land zat ik weer zonder vrouw.

 

 
 
De geboorteakte van Victoire Pauwels, vermeld Maria Amelberga Lijssens als moeder

Dat is eveneens het geval voor Anna Catharina en Alexander. (Gemeentearchief Temse)

 

 

 

fragment uit de huwelijksakte van Jan Pauwels en Marie Agnes Crout. (gemeentearchief Temse)

 
Op 31 december 1810 liet Rusland weten officieel niet meer mee te doen aan het Continentaal Stelsel van Napoleon. Dit was één van de redenen waarom Napoleon Rusland binnen trok. Hij lanceerde op 12 juni een massale aanval op Rusland met 611.000 man. Na de winter hield hij er amper 10.000 over want hij was overmoedig en ongeorganiseerd te werk gegaan. In februari 1813 verklaarde ook Pruisen de oorlog aan Frankrijk en Oostenrijk. Napoleon werd verslagen bij Leipzig in oktober en de bondgenoten rukten op tot in het noorden van Frankrijk. Via de Pyreneeën trokken de Engelsen Frankrijk binnen en in maart 1814 werd Parijs bezet. Op 6 april deed Napoleon afstand van de troon en werd hij verbannen naar het eiland Elba dat in de Middellandse Zee bij de kust van Italië ligt. Toen nam Lodewijk XVIII de macht in Frankrijk over. Napoleon ontsnapte van het eiland en keerde terug naar Parijs. Nadat hij weer aan de macht was gekomen richtte hij opnieuw een leger op. Hij  trok naar België. Maar bij Ligny stuitte Napoleon met zijn leger op het Pruisische dat verslagen werd en terug trok. Er stond een zware regenval waardoor Napoleon zijn aanval op het Engelse leger moest uitstellen. Na de middag troffen Frankrijk en Engeland elkaar vlak bij Waterloo. Bij Napoleons derde poging om aan te vallen hoorde hij net dat de Pruisen in aantocht waren. Hij werd dus verplicht Engeland te verslaan voor Pruisen er was. Dat lukte niet en de Engelsen hielden stand. Samen met de Pruisen vielen ze Napoleons leger in de vlakte van Plancenoit aan. Op 18 juni 1815 werd Napoleon zijn droom om over heel Europa te heersen definitief aan stukken geslagen door Blücher, de legerleider van Pruisen en door Wellington, de aanvoerder van de Engelsen bij de Slag om Waterloo. Napoleon werd verbannen naar het eiland St-Helena in de Atlantische Oceaan toen hij probeerde te ontsnappen naar Amerika. In zijn laatste dagen hield hij zich bezig met tuinieren en het dicteren van zijn memoires. Hij bleef op dat eiland voor de rest van zijn leven en stierf op 5 mei 1821.

 

VIc.    MARIA THERESIA verCAUTEREN       1779 - 1828

 

Het was ondertussen 1816 geworden en ik was nog altijd maar 40 jaar, vel over het been, dat wel, maar wie was dat niet in Temse? Ik zocht me dus een pront vrouwmens om mijn blokmakerij mee te helpen op poten zetten. Ik peinsde dat Maria Theresia verCauteren een goede partij zou zijn en trouwde de dochter van Joseph en Anna Catharina van Geyt op 22 november 1816 in de Onze Lieve Vrouwe kerk van Temse die na de val van Napoleon glorieus was heropend.

 

 

 

In de periode van 1800 tot 1865 blijft de huisnijverheid zoals in verschillende andere Vlaamse streken nog toonaangevend. De textielnijverheid blijft het Waasland beheersen. In de eerste helft van de 19de eeuw schijnt vooral de wolnijverheid vooruitgang te hebben geboekt. In een statistiek van1846 worden niet minder dan éénendertig textielbedrijven vermeld, waarvan vijfentwintig in Sint-Niklaas, vier te Lokeren, één te Temse en één te Sinaai die gezamenlijk 6350 arbeiders tewerkstellen. Het vlas bleef nog het belangrijkste nijverheidsgewas en de linnenindustrie bekleedde bijgevolg een belangrijke plaats. Van de overige bedrijven, zoals de bierbrouwerij, de olieslagerij en de zeepziederij valt in die periode weinig te zeggen, zij produceerden vooral voor plaatselijk verbruik. Alleen de zoutziederij kan niet langer stand houden tegenover de concurrentie uit de vreemde. Ook de tenenteel heeft het moeilijk, maar ze weet zich ten dele aan te passen, dank zij het ontstaan van de mandenmakerij, die inderdaad de verdere bewerking van de wissen voor haar rekening neemt. Haar ontwikkeling kent nochtans tot op het einde van de eerste periode zeer trage voortgang; in 1870 zijn niet meer dan een twintigtal mandenmakers aan het werk te Temse en enkele te Bazel. Onder de industrieën, die een noemenswaardige uitbreiding kennen en voor dewelke die eerste periode gunstig is geweest, moet men de steenbakkerijen- en in beperkte mate- de klompenmakerij rangschikken. Bij de aanvang van de 19de eeuw vermeldt Faipoult in zijn bekend Mémoire statistique du département de l'Escaut alleen de steenbakkerijen van Rupelmonde met een jaarlijkse productie van 16 miljoen stuks. De klompenmakerij daarentegen wordt bevorderd door een ontwikkeling op nationaal gebied, die een merkwaardige concentratie ondergaat en in het Land van Waas een echt productiecentrum ziet ontstaan. Het aantal klompen die er worden geproduceerd stijgt inderdaad van 800.000 paar in 1825 tot meer dan 70.000.000 paar in 1889. Rekening gehouden met het feit dat de totale Belgische bevolking omtrent datzelfde jaar nauwelijks meer dan zes miljoen bereikte, is het meteen duidelijk dat die bedrijfstak vooral voor de export werkte. Deze bloeiende nijverheid wordt nader omschreven door Van den Bogaerde in 1825. “Zonder overdijving kan men vaststellen, dat er jaarlijks in dit district 7 à 80.000 paren houten schoenen of klompen gemaakt worden waarvan de 7/8 deel naar de noorderlijke provincies worden verzonden. Men rekent die van wilgen en elshout (de Hollanders eisen een zeker getal elzen klompen op honderd paren) op 180 guldens de 1000; de canada en populieren op 120 guldens de duizend. Deze laatste worden bijna uitsluitend naar Holland verzonden en maken het grootste aantal uit, waardoor de ene soort door de andere op 135 guldens de duizend kan worden geschat wat een totaal maakt van 101.250 guldens. De inscheping gebeurd meestal in Temse en op het Vlaams Hoofd en kosten voor vervoer 75 centen per 1000 paren naar Holland.” Met klare trekken schetst ons Van den Bogaerde, in 1825 de toestand van deze nijverheid in het Land van Waas.”Gedurende de XIXe eeuw nam de blokmakerij een grote uitbreiding. De voornaamste reden dat er bomen om de akkers werden geplant is te danken aan de blokmakers. Canadabomen werden daartoe gekweekt, en vroeger ook wilgen en elzen. De typische blokmakersboom was de Canadaboom maar dit was niet altijd het geval”. Van Den Bogaerde schrijft (1825): “De aanplanting van de Canadabomen is hier sedert 30 à 40 jaar sterk vermeerderd, hun gewas is wel voordelig voor de grondeigenaar, maar nadelig voor de landbouwer; zodra de bomen de dikte bevatten, vereist voor het maken van klompen, worden ze geveld. De bomen worden na 20 jaar reeds uitgedaan en dat was heel vroeg. De boeren  rekenen gemiddeld 30 à 35 jaar. De wilg groeit snel en is hoog in prijs en brengt het minst schade toe aan de landbouwlanden; en wordt gebruikt voor het maken van de beste klompen. Van de els werden toen ook klompen gemaakt die zeer goed waren en een derde hoger in prijs waren als de reeds genoemde.” (Het Land van Waas in de XIX eeuw, H. Coppejans-De Smedt, Algem. Rijksarchief, A.J.L. Van den Bogaerde, Het district Sint-Nikolaas, RAC Brussel.)

Het was dus werken geblazen in de blokmakerij. Eerst de bomen verzagen in kloefen waaruit een blok kon worden gesneden. Dan de kloefen kloven door er twee kloofbeitels in de drijven tot ze spleten. Door de helften nog een keer te splijten konden 4 blokken gemaakt worden uit één stuk boomstam. Ge moest al ne straffe gast zijn om de kloofhamer boven uw hoofd te heffen, laat staan dat je met die vijf kilo of daaromtrent, nog precies op de beitels kon mikken. Het stuk hout dat aldus ontstond ruwen met een vuistbijl tot een ruwe klompvorm ontstond ging mij beter af. Met het snijmes moesten dan dunne spanen van de klomp worden gesneden om de juiste vorm te bekomen. Dat moest vanzelf ook gebeuren bij een tweede klomp, en dat moest gelijk zijn want het moest een paar worden van dezelfde maat. Dan werden de klompen in een wig vastgezet om te worden uitgeboord met een lepelboor. Hier was ik rap heel vaardig in. Ik kon goed op ’t gevoel een goeie voetvorm voor links en rechts uitboren tot de gevraagde maat. Daarna kwam er een trekmes aan te pas om de klomp verder af te werken en de juiste vorm te geven, waarna de kleinsten aan het werk werden gezet om de klomp op te schuren met wit zand. De zaken gingen goed en we konden ons het een en het ander veroorloven maar het bleef niet duren. In 1823 touwde onze Josephus, en die begon in de Veldstraete een eigen blokmakerij. We zijn daar een tijd gaan intrekken want de vraag naar klompen nam steeds toe en éne blokmaker kon de veelheid van handelingen die het maken van klompen vergde al lang niet meer aan. Toen onze Jef het klompen maken niet meer zag zitten en als slachter een boterham kon verdienen, was ons hulp daar niet meer nodig. We huurden een huisje in ’t dorp. Maria Theresia verdiende ons schamel brood met kantwerk en ik werkte dan hier, dan daar in een of andere blokmakerij. Ons Anna Catharina trouwde op 10 juli 1844 met Petrus Joannes Van Mendonck. Maar in 1834 had ik het nog moeten meemaken dat onze Josephus ten grave werd gedragen. Het ergste wat een vader kan overkomen. Zijn volwassen zoon en vader van zijn kleinkinderen zien dood gaan en er als ne geslagen hond moeten op staan kijken. Ik wou dat ze mij op slag kwamen halen. Maar het duurde nog tot mijn 74ste, de vierde van de maand januari 1851. Maria Theresia overleefde mij nog een vijftal jaren en stierf in ons huisje aan de Akkerstraat nr. 60 op 18 februari 1856. Zij werd zevenenzeventig jaar.

 

 
 
 
 

 

 

 

Comments