JACOBUS II

Dit is een naar waarheid verzonnen familiegeschiedenis. Feiten en namen zijn zo getrouw mogelijk weergegeven, maar de wijze waarop een en ander zich heeft voorgedaan is vanzelfsprekend verzonnen omdat hierover geen zekerheid bestaat. Wel waar is dat deze geschiedenis zich afspeelt in een toenmalig tijdskader, gebaseerd op bestaande historische feiten en gebeurtenissen.

 
 

IV.    JACOBUS II, 1713 – 1783

 

Ik had het allang in de smiezen. Mijn tweelingbroer Filip mocht van mij het hofsteedje hebben. Ik was het al lang en in ’t breed beu, dat eeuwig slaven voor een bete brood en wat peeën. Met landvoogdes Maria Theresia was er rust in het land gekomen. Ik dacht nu komen er betere tijden aan. Maar Sint-Amands is een waaigat jong. Als de Schelde niet stikt in het slijk loopt ze over in de meersen. ’t Is altijd wat. Ik hoorde zeggen dat er een nieuw schoon dorp was ontstaan langs de baan tussen Hulst en Temsche en verderop naar Mechelen en Brussel en daar waar die weg de baan kruist tussen Gent en Antwerpen. Goed gelegen, trekt het er alle verkeer aan. Ze zijn daar naar men zegt volop kasseiwegen aan ’t leggen. Daar moet, zo dacht ik toch wel werk te vinden zijn. De boerderijen waren er ook veel groter met meer land en meer opbrengst die men op de donderdaagse markt gemakkelijke kwijt kan. Zo vertelden toch de schippers die tussen Den Briel en Temsche vracht vervoerden. ‘k Ben ne keer mee geweest met zo’n ne schipper tot Temsche en vandaar met ne voerman mee naar Sint-Nicolaes. Was me dat daar een drukte! En groot jong, met een dries vijf keren zo groot als die van Opdorp. En kramen dat daar stonden. Dat liep daar vol koopmannen in deftige kleren en paraderende vrouwen met kant en broderie. En karren en paarden, zoveel dat ge ‘t niet kost schatten.

 

Allee zo rond de jaren dertig kuiste ik mijn schup af in Sint-Amands. ‘k Voer met en schipper de Schelde af en de Durme op tot Thielrode. ‘Van aan ’t veer, links gaan en dan aan den overkant de Hofstraete nemen om naar ’t Hof van Appelsvoorde te gaan’, hadden ze mij in’t dorp gezegd. Dat stond in Sint-Amands bekend als een rijk hof met veel grond en misschien kon ik daar wel als dagloner aan de slag. Wat ze er niet bij hadden verteld was dat het hof er al grotendeels vervallen bijlag toen ik er passeerde. Ik ging dan maar verder voorbij een kapelleke tussen twee linden tot ik aan den ouden heirweg naar Antwerpen belandde, zo vertelden enkele landarbeiders mij tenminste. Ik moest die maar volgen tot de heerlijkheid Walgoed - ter- Kameren waar Jacob Ytorietty in 1741 eigenaar van was geworden. Ik vond er werk en onderdak op een grote hoeve, bijna een kasteel gelijk. Goed, we sliepen nogal armtierig in de stallingen Maar toen half de jaren dertig de winters kouder werden kregen we toch een soortement woonst waar we met alle knechten konden slapen, waar we het beesteneten konden ontdooien en klaarmaken. Het Walgoed had alnoch een bakoven op het erf, waar alle dagen vers brood werd gebakken en op feestdagen pannenkoeken en somtijds rond kermistijd, wafels. In de omwalling zat paling van een arm dik en in de velden stikte het van de hazen en de konijnen. Een boogscheut verder naar Waasmunster op, noemden we het den ‘hazendans’ en dat was niet voor niks. Allee ik had het er naar mijn zin.

 

Op 25 mei 1690 brandde nagenoeg de gehele dorpskom van Sint-Niklaas af. Het valt te begrijpen dat de wederopbouw maar zeer geleidelijk verliep. Van groot belang was dat de straten en de dries beter bereidbaar werden gemaakt. Zo raakte Sint-Niklaas stilaan voorzien van een net van ‘steenwegen’ waardoor volgens De Potter en Boeckaert ‘onze voorouders den grondslag legden hunner stoffelijke welvaart, welke heilzaam op handel en nijverheid, bijgevolg op de ontwikkeling der gemeente terugwerkte. Volgens dezelfde auteurs was ‘tot op het laatste van de zeventiende eeuw het nijverheidsbelang van St.-Nicolaes nog maar betrekkelijk gering en schijnt de bevolking zich met weinig andere dan de gewone handgedaden te hebben beziggehouden. Het was aan de achttiende eeuw voorbehouden St.-Nicolaes onder nijverheidsopzicht eenen nieuwen weg te doen inslaan. In het jaar 1700 werd de eerste fabrique van wolle laeckens opgericht door een zekere Jan Heyman, inwoonder der prochie van Ste Nicolaes, wever van sekere stoffe, in de wandelynghe beenhaudersstoffe of meselaene genoemd. Het Eeuwig Edict van 1 april 1699 had namelijk de invoer van laken en de uitvoer van wol verboden , wat de rechtstreekse aanleiding was voor sommigen om zelf getouwen op te zetten. Het Hoofdcollege deed alles wat mogelijk was om deze nieuwe vorm van broodwinning te stimuleren. Toch kwam de industrietak tijdens de eerste helft van de 18de eeuw maar moeizaam van de grond. De geringheid van de stand der genoemde werkbazen volgens De Potter en Boeckaert lag daarvan aan de basis. Volgens Jan Blomme was het eerder te wijten aan de volledige tewerkstelling in de regio. Het is pas tussen de jaren 1760 en 1790 dat de textielnijverheid een hoge vlucht nam. Rond 1750 waren er 129 handelaars waarvan een vijftigtal handelden in goederen uit de Verenigde Provincies. In die periode werden de invoerrechten opnieuw systematisch en langdurig verhoogd. Als gevolg hiervan schakelden de handelaars over op eigen productie. Het kapitaal daartoe hadden ze eerder vergaard met smokkelhandel. Toch mogen ook andere bedrijvigheden niet uit het oog worden verloren. Zo werkten een 200-tal arbeiders in de touwslagerij en was er ook een speldenmakerij, een tabaksfabriek, een kleine zeepfabriek en een zoutziederij actief, benevens vier olieslagerijen, acht brouwerijen, drie jenever-stokerijen, drie meester-pottenbakkers en vier steenbakkerijen. Deze situatieschets van Sint-Niklaas in de achttiende eeuw op basis van publicaties van Anthony Demey, Georges Charlier en andere Koen Boon, die op hun beurt hun mosterd haalden bij De Potter en Boeckaert, (Geschiedenis van de Oost-Vlaamse gemeenten, 1891) geeft een goed beeld van de aantrekkingskracht van het nieuwe Wase centrum. Het laat geen twijfel dat Jacobus Pauwels, net als vele anderen uit het hinterland werden  aangetrokken tot de nieuwe groeipool die Sint-Niklaas in die periode was. Als telg uit een typische plattelandsgemeenschap moeten we aannemen dat hij over niet veel andere vaardigheden beschikte dan deze uit het landbouwersleven. Het lijkt mij dan ook niet voor de hand liggend dat hij zijn toekomst zou uitgebouwd hebben als metselaar of als kasseilegger. Hij beschikte evenmin over de kennis om een vak uit te oefenen of om als handwever aan de slag te gaan. Hoe dan ook zal zijn reis via Temse of Tielrode verlopen zijn en werd hij mijns inziens aangetrokken door de grote landerijen en velden die de aanvoer moesten verzekeren van grondstoffen voor de markthandel. Het lijkt mij dan ook logisch te veronderstellen dat hij tussen deze gemeenten en Sint-Niklaas zich als boerenknecht heeft verhuurd. Hij huwde Theresia De Mol te Sint-Niklaas op 14 april 1738. Hun eerste kind werd al geboren in december van hetzelfde jaar maar gedoopt te Temse. Reden om aan te nemen dat zij zich op dat moment reeds in Temse hadden gevestigd. Weshalve wij de verzonnen geschiedenis van deze Pauluszoon als volgt verder zetten.

 

Op Donderdag moesten we met graan, groenten of beesten naar de markt in Sint-Nicolaes en ik had daar al gauw kennis met de meid van een koopman, Theresa De Mol heette ze, zo vernam ik van enkele jonge gasten op de markt die haar gelijk ik, stonden aan te lonken. Het was een pronte meid, stevig en grof van leest. met hoog opgestoken zwart haar, zo een die van aanpakken weet. Zij bleek afkomstig te zijn van Waasmunster en de dochter te zijn van ene Pieter De Mol en Maria De Wilde, zo werd mij in de herbergen rond de markt verteld. Met vader en moeder De Mol kwam ik gauw overeenkwam. Het waren goedmenende mensen die geen bezwaar hadden dat we zouden trouwen. Bovendien liep Trees haar jongste zuster ook al met Joseph De Rijck, een boerengast uit Temsche die ook al niet te lang meer wilde wachten.

Maar ik moest vaneigens weg op ’t Walgoed en een andere woonst zoeken. We hadden geluk want op Hoogkameren en beetje verder op naar Temsche, een goei roei voorbij de Barbierbeek konden we een huizeke betrekken dat leegstond omdat de bewoner was gestorven. We trouwden de 14de april kort achter Pasen in 1738. Maar dat huizeke jong, dat was niet veel meer dan een stulpke. D’r viel bijkans geen licht binnen en ’als ’t buiten regende dan zeverde het binnen. Heel de zomer van ’38 regende het aan één stuk door en de winter daarop werd het koud jong! Het ijs stond voorwaar binnen op de verzopen muren. Daarbij was Trees verwachtend. Midden in de winter won ze een meiske, den 31ste van december nog wel op nieuwjaarsavond. Elisabeth lieten we het dopen naar mijn en haar moeder. Het was dubbel feest, alhoewel er niet veel te feesten viel. Ne pot bier en brood met wat spek en een koppel eieren daar moesten we het mee doen. Het vroos nondedomme de botten van uw lijf. De winter van ’t jaar daarop was het nog erger, geen apparentie van op het land te werken. Op een houtje bijten ja. En dat met een plat kind. In 1741 werd het weer beter en kon ik met het vellen en verzagen van bomen zorgen voor eten in de schapraai. Ons huishouden kreeg er nog een mondeken bij. Isabella Joanna was de naam die Trees koos na het baren op de 9de augustus in van dat jaar. Omdat het weer die maand meeviel waren mijn vader Joos en mijn zuster Elisabeth langs de Schelde komen afzakken om peter en meter te zijn. Eilaas was er door de strenge winters tekort aan van alles. Graan en meel waren zo goed als niet te krijgen en de prijzen waren bijkans verdubbeld. Ach, Trees en ik overleefden wel maar die twee kindjes hebben we moeten afgeven. Isabelleke eerst, al na een kleine vier maanden. Trees was echt niet in staat om dat kindeke te zogen. We hebben het naar zijn grafke gedragen op de 8ste november van 1741 Liesbetje hebben we wat langer kunnen houden tot de 26ste november 1743. Dat jaar was een echt rampjaar. Ons Heer wist ons nogal wonen zulle. Maar eerst heeft hij ons nog gezegend met een zoon, die we Petrus Joannes lieten dopen naar zijn peter en grootvader.

  

De mortaliteit is waarschijnlijk één van de belangrijkste indicatoren van een crisis. De belangrijkste doodsoorzaak in dergelijke situaties zijn meestal ziektes, zoals typhus, dysenterie en allerlei vormen van typhusachtige koorts. Deze lugubere lijst kan nog verder aangevuld worden. Dergelijke ziektes zijn vaak permanent aanwezig in 18e- eeuwse steden, maar enkel in tijden van crisis hebben ze de kans om epidemische vormen aan te nemen. Dit komt doordat mensen verzwakken en dus vatbaarder worden. Ten eerste zorgde de extreme koude in 1740 al voor een eerste verzwakking. De allerarmsten hadden geen geld om extra kledij of brandstof te kopen en konden zich niet warm houden. Onderkoeling op zich is meestal geen belangrijke doodsoorzaak omdat het menselijke lichaam een dergelijke staat vrij lang kan overleven, maar het lichaam verzwakt wel aanzienlijk in een dergelijke periode. Wie niet tot de sterksten behoort, zoals kinderen en ouderen, worden het eerste slachtoffer van de lage temperaturen. De lage temperaturen hebben ook een effect op de voedselvoorziening. De oogsten brengen minder op en de prijzen gaan de hoogte in. De prijzen stijgen zelfs nog hoger dan enkel de schaarste kan verklaren, onder andere door bevoorradingsproblemen en dergelijke. Men heeft daardoor vaak te maken met voedseltekorten. Wat geldt voor koude geldt ook voor honger: het is op zich geen belangrijke doodsoorzaak, maar het zorgt op zijn beurt weer voor een verdere verzwakking van de mensen. Daar komt nog bij dat ze meer geld moeten uitgeven voor minder eten, waardoor ze andere zaken, zoals kledij of huur ook niet meer kunnen betalen. Tot overmaat van ramp is er tijdens een crisis vaak ook minder werk, met als gevolg meer werklozen en meer armen. Het geheel vormt een vicieuze cirkel die een aantal jaar nadat de voedselproblematiek is opgelost nog altijd doorwerkt (de fameuze "lag in mortality") Om de zaken nog erger te maken, gaan de allerarmsten vaak bedelen en landlopen. De beste kans om aan eten en warmte te raken, vinden zij in de steden. Tegelijkertijd brengen ze allerlei ziekten mee naar de stad, waar de mensen dicht op elkaar leven. Dit bewerkstelligt een snellere verspreiding van allerlei ziektes. Uiteindelijk ontstaan dan epidemieën die de zwakste elementen uit de maatschappij belagen, wat op zijn beurt vaak spectaculaire pieken in de mortaliteit oplevert, ook al omdat de verzwakte bedelaars van buiten de stad een belangrijk slachtoffer zijn van de ziektes. Zo kunnen de mortaliteitscijfers nog een stuk hoger klimmen dan de grootte van de stadsbevolking op zich toelaat

(www.ethesis.net/brugse_vrije -Maarten Savels (de weersomstandigheden tussen 1739 en 1741)

 

De Schelde doet niet alleen dienst voor de visserij en de bevrachting maar vervoert ook verhalen en nieuws uit andere dorpen en steden. Zo konden we vernemen dat er in Sint-Amands veel sterfgevallen waren wegens een vliegende ziekte. Doctoren dochten dat het kwam doordat na de overstromingen de waterputten vergoord waren en dat het boerenvolk daarvan de dunnen kreeg en hun eten niet konden binnenhouden. Het gaat dan rap bergaf naar ze zeggen. Onze Filip is dan met de mare afgekomen dat ons moeder slecht was. Met de volgende schuit ben ik met hem meegereisd. Er stond een zure wind en de lucht was zo grijs als ‘t Scheldt. De schipper ging niet verder dan Mariekerke want ‘t water was naar zijn zeggen te woelig. De rest moesten te voet doen. Tegen de wind in en met de kletsende regen in onze totter schoffelden we op Sint-Amands aan. Toen we al met ne keer tussen de windvlagen door de doodsklok hoorden bimbammen. Hoe we ons ook haastten, we kwamen te laat. Ons moeder, afgetrokken en zo mager als een graat was gestorven zonder dat wij, hare geliefden tweeling er bij waren. In de opkamer troffen wij ons vader aan, ook al zo slap als een lor. Op de pastorie vertelden ze ons dat het de 19de februari was van ’t jaar 1742. D’r was niet veel volk op de begrafenis, guur weer en de helft van het dorp lag te ijlen in hun krankbedde. Een paar dagen na de volgende maan, moesten we weer de baan op voor een zelfde triestigen tocht. Deze keer waren we erbij toen ons vader stierf. uitgedroogd als ne schelvis die ze veertien dagen aan een zeel hadden opgehangen.’De 25ste maart’ zei de paster. ‘De doktoren spreken van de Rode Loop. maar voor de zekerheid gaan we morgen toch maar een noveen beginnen voor Sint-Rochus, de patroon van de besmettelijke ziektes. Het is al te erg. Achtien sterfgevallen al en we zijn nog geen volle drie maanden ver in ’t jaar. Zes kinderen al onder de tien waaronder drij van nog geen jaar. Oude mensen tot daar aan toe maar ook al drij jongelingen van nog geen twintig of just erover. De begravingen moeten we haastig doen met een korte dienst want ze volgen te kort op mekaar en dan hebde nog de berechtingen’. Twee dagen later de 27ste, stierf Adrianus Hiel waarmee mijn va in grote onmin leefde sinds hij Adriaen had weggehaald. Als er een hemel bestond dan zouden die twee mekaar daar nog wel tegenkomen. De 5de april zijn we allemaal samengekomen in ’t sterfhuis, dat nu in onze Filip zijn handen kwam, niet zonder dat er eerst een staat van goed werd opgemaakt in aanwezigheid van de schepenen. Van de verkoop op het hof ontvingen we 20 ponden en anderhalve stuyver. Van de nog onbetaalde leveringen van graan en aardappelen en groenten, in totaal 149 ponden. Al te samen 169 ponden en één stuyver en half. Voor de rente van de doeninge van nonkel Gillis die nu op het sterfhuis viel moest 9 ponden worden betaald. De aftrok van de kosten voor de koster, de veiling, de griffier voor het schrijven, het doubleren en het registreren. Dan nog de aankoop van een halve tonne bier voor binst het begrafenismaal: 2 ponden en tien. Daar boven op nog het bestehoofd aan de baljuw zijnde 3 ponden ter attentie van exellence mevrauw de marchalle en de heer van Grimberge, was al te samen 122 ponden,19 stuyvers en een kwart. (‘Het beste hoofd’: dat deel van een nalatenschap dat de heer toekomt. In de middeleeuwen was hij gerechtigd het beste stuk uit de erfenis te kiezen, vandaar de benaming.)

We kwamen overeen dat ons Petronella die nog thuis woonde en va en moe had opgepast, 24 ponden bekwam voor hare moeite. Alles bijeen bekwamen we elk 16 ponden, 9 stuyvers en drie kwart. Ver zouden we daar niet mee lopen maar alla een gekregen paard kijkt men niet in de bek. Daar keerde ik mee terug naar Temst. Maar nog voor het volop zomerde moesten we in de braakmaand van 1743 weerom naar Sint-Amands voor de begrafenis van Annamarie Croes, de vrouw van onze Gillis, amper 35 jaar en al vereeuwiglijkt. Getrouwd in 1735. In ’38 een meiske gebaard en in ’42 al moeten afgeven. Een jaar later kwam Petrus op de wereld en die is God zij dank in leven gebleven. Zo had onze Gillis toch nog een opvolger.

 

IVa.    THERESIA DE MOL          1707 – 1794

 

 

 

 

Huwelijksakte Jacobus Pauwels met Theresia De Mol, Sint-Niklaas 14 april 1732

 

Zoals gezegd leerde ik Theresia kennen op de markt te Sint-Nicolaes alwaar zij in dienst was van een linnenkoopman. Ik had al gezien dat zij dat kraam zo goed bemeesterde als hare baas die meer in De Graanmaat en in De Swaene zat dan hij in zijn kraam stond. Zij hanteerde maatstok en schaar net zo goed en de pakken linnen tilde zij net zo hoog als een mannenmens. Op ne zondag had ik post gevat in ’t portaal binst de hoogmis in de Sint-Nicolaeskerk. Toen vader en moeder De Mol vergezeld van enige van hun kinderen met de overige mishoorders naar buiten schuifelden, den dries al koutend overstaken en hun schreden richtten naar de afspanning De Fortuyn. Schoof ik mee naar binnen. Als bij Godswonder stonden na een tijdeken de gezetenen naast hun tafel op en verlieten de herberg. Ik kon een plaatsje bemachtigen naast Trees, waarna ik beleefd naar de gezondheid van vader en moeder en de kinderen informeerde en daarbij mocht vernemen dat zij in goede gezondheid verkeerden, wat zij mij ook toewensten. Ik probeerde achter mijn hand een babbeltje op te zetten met Trees.

‘Ik heet Jacobus’, fezelde ik, ‘maar ze noemen me op ’t Walgoed, Kobus. In Sint-Amands zeiden ze nog deftig Jacob’.

 ‘Met hoevelen ze thuis wel waren?’

‘Met z’n zevenen’.

‘Van wa jaar zijde gij?’, probeerde ik.

‘Ik?’, vroeg Trees, ‘Van ’t jaar 7, en ik ben in dienst bij ne marktkoopman.

‘Dat wist ik niet ’, loog ik. ‘khebbekik ö pertang nog nooit tegen gekomen op de markt of in ’t stad.

‘Awel, dan moete van den achternoen maar ne keer gaan wandelen in ’t park aan de strate naar Hulste. Ge zult ons wel tegenkomen, na de vespers’.

Dat knoopte ik maar al te goed in mijn oren. De vespers sloeg ik over, om een Beverse pint te gaan drinken in ’t Hemelrijck en om daar naar de rederijkers te luisteren in plaats van naar ’t gezaag van de pasters.

Maar na de vespers was ik present in ’t park al had ik toch wel wat schrik van Trees was ouder dan ik had gedacht.

Ik kwam Pé Mol en zijn kinderen halfweg gaans in ’t park, kwansuis tegen.

‘Wie we daar hebben va, begroette Trees mij, ‘die gast van deze morgen in De Fortuyn’.

Ik slaagde er in langs de kant van Trees te gaan lopen en ze vroeg toen langs hare neus weg. ‘Van wie zijde gij enen?’

‘Ik ben eigenlijk van Sint-Amands antwoordde ik en ik ben er één van een tweeling. Mijn vader is Judocus Pauwels en mijn moeder heet Elisabeth Piessens.

Onderwijl ging mijn hart te keer gelijk zot’. ‘Ze antwoordde even niet. En toen zei ze ‘dat ze die Phillipus wel eens zou willen tegenkomen’. Mijn broek zakte, met permissie gezegd bijna af. Maar ik herpakte mij: ‘Hebde niet genoeg aan mij misschien, we trekken anders als twee druppels water op mekaar’. Ze bekeek me eens schuinsgaweg maar schoot toch in een lachje. Ik hoorde begot engelenzang. Een eindweegs verder stootte ze me met haar elleboog even aan en zei ‘kom we gaan naar het papegaaischieten kijken’. Bij de mast was het een en al geloop van aankomende en weggaande schutters en tussen al dat gedoe beroerde ik even haar hand die zij niet terug trok. ‘Eigenlijk’, zei ze ‘heet ik Theresia Beatriex, dat klinkt wat rijkelijker niewaar?’

 

Het werd dan elke zondag pappen en nathouden. Want Trees was wel een jaar of vijf ouder maar kon de familie zo maar niet alleen laten met de rest van de kinderen, ze hadden haar verdiensten veel te hard nodig. Ze kon daarom ook moeilijk haar post als dienstmeid bij de lakenhandelaar opzeggen. Er moesten eerst schijven op ’t schab komen vooraleer aan trouwen, kon worden gedacht. Vader De Mol liet het daarom maar op zijn beloop maar toen dat zijn tijd begon te duren zei zijn vrouw: ‘Alleer van al dat kozen en vozen geduvel komt moet er maar getrouwd worden! En zo geschiedde. Ik trouwde met Trees de 14de  april in 1738. We kozen Josephus De Rijck, die ondertussen met Elisabeth, Trees jongste zuster liep, als getuige en ook Cornelis Polfliet, de man van tante Joanna, een zuster van mijn moeder.

 

 

Mijn Trees was een felle. Zodoende verzeilde ze rap in ’t kinderbed maar we hadden het niet breed, het was zowat alle dagen magerdag. Trees die nogal grof uitgevallen was, kwam zo plat als een duit. Vanzelf dat we die meiskes niet konden houden. Pieter Jan die in april van datzelfde rampjaar 1743 was geboren zoog haar effenaf leeg, kloek als hij was. Wij dankten Ons Heer dat hij de jongen in leven liet want wij hadden hem nodig voor later. Joannes De Rijck en Elisabeth De Mol trouwden op 6 februari in 1742. Joannes was er toen al 33 en Elisabeth 28. Zij hadden zolang gewacht met trouwen tot zij in de Laegstraete een eigen hof konden betrekken. Een godsgeschenk was het dat we bij hen konden intrekken. Het was ook nodig want de 18de september al beviel Elisabeth huilend en krijsend van een tweeling. Een jongen en een meiske. Bernardus en Josina genoemd, maar het meiske kwam mismaakt op de wereld en heeft niet lang geleefd.

 

Trees en ik bekwamen de 12ste december van ‘44 nog een zoon die we Jacobus Ferdinand lieten dopen. Ik liet Trees een tijdje bekomen vooraleer zij de 20ste  februari van 1747 onze Josephus ter wereld bracht. Liesbeth van Joseph De Rijck herstelde een paar jaar maar vanaf 1744 kwamen daar de koters nagenoeg om de twee jaar. Het sprak vanzelf dat wij allemaal samen niet meer op één hof konden blijven wonen.

 

‘k Zal eens gaan horen bij de weef Janssens of wij niet één van haar huizen hier wat verder op Eygenloo kunnen pachten’ zei ons Trees, ‘dat zou goed uitkomen.’ ‘We blijven dan in de gebuurte wonen, de vrouwen kunnen mekaar in ‘t kinderbed helpen en gij kunt bij Joseph op het land blijven werken.’ Het lukte nog ook. Als mijn Trees zich iets in haar hoofd haalde dan moest het een harde zijn die het er uit kon praten. Trees content, alleman content. Zo bekwamen we nog twee meiskes, Isabella, den 12ste van januari in 1749 en Joanna Maria de 29ste september 1753. Om al die monden te voeden tijdens de wintermaanden zwingelde ik vlas en kochten we aan de kaai wijmen van de roters uit Weert die hun waar per boot aanvoerden. Met een opgroeiende kroost kwamen er veel handen bij, die na een tijdje uitstekend overweg konden met biezen en wijmen zodat wij voor veel boeren manden konden maken, zeker nu overal op de akkers aardappelen werden geteeld en stevige manden onontbeerlijk bleken bij het rapen van de knollen. We konden wat ponden opzij leggen ook al omdat de tijd rust bood. Dat was te danken, zo had de meier in Het Gulden Hooft verklaard, aan de wijsheid van onze landvoogdes Marie Theresia en aan het bestuur van de gouverneur van de Zuidelijke Nederlanden, haar zwager Karel van Lotharingen.

 

De legers van de Oostenrijkse aartshertog Karel, verjoegen samen met de Engelsen onder Marlborough en de prins van Savoy, de Franse troepen van Lodewijk XIV uit onze gewesten. Toen de aartshertog Karel VI keizer was geworden wou hij het rijk van Karel V herstellen wat niet naar de goesting was van de grote mogendheden en hun politiek. Door de vrede van Utrecht in 1713 erkenden Engeland en de Verenigde Provincieën Filips van Anjou als koning van Spanje maar wezen de Zuidelijke Nederlanden toe aan Karel VI op voorwaarde dat de Verenigde Provincieën er garnizoenen mochten vestigen op kosten van de Zuidelijke Nederlanden. Noodgedwongen moest de keizer in 1715 met het Barrièretractaat genoegen nemen. Dit betekende slechts een gedeeltelijke zelfstandigheid. Bovendien moest hij de privilegiën van onze gewesten eerbiedigen. Zodra Karel VI zijn hoofd had neergelegd viel de keurvorst van Beieren samen met de koning van Pruisen Oostenrijk binnen waarbij heel Europa al snel in een oorlog verwikkeld raakte. Maria Theresia, de dochter van Karel VI vond enkel de Verenigde Provinciën en Engeland aan haar zijde tegenover Frankrijk, Pruisen, Beieren en Spanje. In 1745 behaalden de Fransen een overwinning te Fontenoy en verjoegen de Hollanders. Bij de vrede van Aken in 1748 schonk de Franse koning de Zuidelijke Nederlanden na drie jaar Franse bezetting aan Oostenrijk terug. Zo kwam er onder Keizerin Maria Theresia vrede tot stand wat natuurlijk van onschatbare waarde was voor onze landstreek. Onmiddellijk werden hardnekkige pogingen gedaan om de schade te herstellen en de economie weer op te bouwen. De landvoogdes besloot de administratie te hervormen en te moderniseren en de handel te bevorderen door het aanleggen van kanalen en steenwegen. Er werden verbeteringen aangebracht aan de waterwegen tussen Brugge en Gent, Leuven werd met een kanaal met de Rupel verbonden vanwaar twee grote straatwegen over Aken en Luxemburg naar Duitsland liepen. De keizerin toonde zich vrijgevig in het verlenen van octrooien, zodoende ontstonden overal industrieën. Katoendrukkerijen, weverijen en spinnerijen, de lakenindustrie bloeide enz.. Bovendien vaardigde Maria Theresia beschermende douanetarieven uit tot grote ergernis van de ons omringende landen. Ook de landbouw gold als een voorbeeld in Europa. Braakliggende gronden werden bewerkt, moerassen drooggelegd en de wisselbouw deed dank zij de zware bemesting de grond veel meer opbrengen. Het Waasland waar de landbouwpercelen groter waren dan elders in het ommeland bloeide eveneens op dank zij het mercantiele marktleven. (De geschiedenis van België, Prof. Dr. M. Dierickx sj, De Nederlandse Boekhandel, elfde druk, 1954)

 

Met Liesbeth De Mol ging het gaandeweg berg af. Zij kreeg op haar vijfenveertigste nog een laatste boreling die ze Franciscus liet dopen, maar kwam niet helemaal meer in orde. Hare Joseph wou echter vooruit en keek uit naar een grotere hoeve die hij uiteindelijk vond een beetje verderop in de Brantstraete vlak over de grens van Temsche en Sint-Nicolaes. Het echtpaar verhuisde in 1757 en Gillis van Walewel nam het hof van Joseph in de Laegstraete over .Voor ons veranderde er weinig. Van bij ons thuis op Eygeloo was het niet verder naar de Brantstraete dan naar de Laegstraete. Maar die verhuizing met al het gedoe en dan die kinderen nog... Liesbeth kon het allemaal niet meer beredderen. Het werkte op haar gestel. Zij zou in haar nieuwe woonst den 2 october van ’t jaer 1758 de geest geven. Den 21st februari van 1759 werden dan de familieleden waaronder ik als schoonbroer van de overledene ten sterfhuyse genood teneinde een staet van goed op te maken.

 

‘de Staet ende inventaris van goede die mits desen maect ende overgeeft joseph de rijck fs Jans als weduwaer ende hauder gebleven ten sterfhuijse van weijlent elisabeth de mol fa pieters. Overleden binnen de prochie van ste nicolaes ende dat van alle de meubele ende meubelaire effecten actien ende crediten bij de overledene achtergelaeten ende commer daer jeghens sijnde dit ter presentie ende overstaen van zacharias thoen ende jacobus pauwels beijde in qualiteijt van wettelijcke staende vooghden over de acht al noch minderjaerighe weesen bij de overledene achtergelaeten ende gewonnen met desen overgever met naemen bernardus audt 17 jaeren  joes audt 14 jaeren  anna catharina audt 13  jaeren amelberga 12  jaeren zacharias audt 8 jaeren joanna catharina 6 jaeren en de jan Frans thien maenden welcken staet alsoo wordt overgebracht aen dheeren schepenen der prochie van ste nicolaes als oppervooghden ende dat inder manieren als volght.’

 

Zo werd ons voorgelezen en voor alle duidelijkheid werd ons vooraf nog diets gemaakt dat Elisabet De Mol geen duit in het huwelijk had binnengebracht en de familie De Mol dus ook op geen erfenis kon rekenen:

 

Alvorens de overgever te kennen dat de overledene geen erfgoederen ten huwelijk heeft gebracht bij dien van haren kant geen gederf dienen te delen.                     voor memorie

Ende erfgoederen bij den houder staende huwelijk gederft zal men hier naer verhandelen dus gevende voorouders te kennen datter staende huwelijk bij den houdere van erfgoederen er zijn gedaen                                                          dus ook ter memorie

Prijs van het meubelair het hof de beesten etc  ten sterfhuijse bevonden ende geprezen door michiel van stappen ende frans caeldries soo volght’

 

Van wat er allemaal nog werd gezeid en voorgelezen is mij nog al wat ontgaan, maar ik verschoot nog geen beetje. Ons Trees die beter geletterd was dan ik, en meer verstand had van die dingen, wist mij nadien te vertellen dat er in de staat, vijf kapittels opgesomd waren. Het eerste bevatte het meubilair en alles wat er op het hof aanwezig was en daarvan tuitten zoals gezegd mijn oren. Al kon ik niet alles onthouden. Dit weet ik nog maar al te goed:

 

800 schoven tarwe                             9 £- 6-8

1200 schoven haver                           8 £

vlas met den band                             5 £

      op den wagen                              5 £

karren, sleden, eggen door

paard getrokken                                4 £- 13

2 paarden                                       16 £-13

9 koebeesten                                  25 £-10

Dat alle alle mest tezamen nog 1 £-10 waard was.

 

En wat er nog stond  opgeschreven: Op de zolder gesmeten stro, lijnzaad ongedorst aan het zeil en in zakken, vlees in de cuype aan 9 £. Het beste cleet van de overledene werd op 2 £ geschat. Andere aanwezige huisraad waren sargen en kussens, 2 koffers, bureaucasten, een koekepan en hangijzer, een schapraai en swingelberden en zelfs een koets met koffer, en zovoort en zoverder….

 

De waarde van het eerste kapittel zo hoorden we bedroeg: 189£, 4,6

Het tweede kapittel bevatte de prijzen van de Vervoetheyt, saet, labeur (spetten) ende canthaut. Dat is wat de nieuwe pachter zou moeten betalen voor het werk van de vorige, en voor de bemesting en het plantgoed of het zaaisel dat al op het gepachte goed aanwezig was. ‘Dat tweede kapittel was geschat op 88£, 2,2’, zei Trees.

Het derde kapittel omvatte de gederfde goederen ‘of wat’, zei Trees, ‘al aangekocht was of al gepacht was vóór het afsterven van Elizabet.’ De waarde daarvan was geschat op 99£, 11,4,2. In het vierde kapittel stonden De schulden van het achterdeel, dat zijn de schulden die na het afsterven, vallen op de erven voor 110£, 2,4,6. En als laatste kapittel, maar dat wist ik ook wel, waren er de kosten voor de funeralien en de doodstijden, betaelt met gemeene penninghen.

 

Voor de pastoor                                 2 £

Baarkleed, slippendragers, organist en grafmaker, altesamen 0 £-9-0

Lijken van de overledene                    0 £-5-0

Doodskiste                                        0 £-10-0

Bier gedronken bij de gebeuren           3 £

Opmaken van de staet                       0 £-0-9

De griffier                                          0 £-8-0

 

In totaal, rekende Trees mij voor bedroegen de kapittels I en II, 211 £, 19, 8 en IV en V 111 £; 19, 12, 6. Dewijl er meer baten van het meubilair waren dan schulden bedroeg de afrekening: 160 £, 9 ,8, 6. Te delen door twee: één part voor de echtgenoot, een tweede part voor de kinderen, zijnde elk, 80 £, 4, 10, 3. Maar de kinderen door Elizabeth bij Joseph De Rijck verwekt, konden niet genieten van de aanwinsten van het echtpaar, vermits Elisabeth niets in het huwelijk had ingebracht en aldus was beschreven bij hun huwelijk. Wat ter memorie maar al te duidelijk in de staet stond vermeld. Omdat de gederfde goederen een bedrag beliepen van 99 £, 11, 4,2. kwamen de wezen op een te kort van 19 £, 6, 5c, 11. Zijnde: negenthien ponden en ses schellingen, vijf groten en elf demers. De dutsen legde Trees mij uit, zullen bij hun meerderjarigheid op hun 25ste geen duit zien van de erfdeel van hun moeder en uit de hand moeten eten van de familie De Rijck, omdat hun moeder eerder is gestorven dan hun vader.

 

Rust op het land betekent kermissen, ommegangen en leute achter de hooitmijten. Trees en ik vielen dan ook niet uit de lucht wanneer onze Nand afkwam met de tijding dat hij aan ‘t stouwen was met één uit Haasdonk. ‘Ach, ge weet toch hoe dat da gaat’ stond hij te moemelen, ‘leren kennen op De Bank binst dat w’onzen schoofzak zaten op ‘t eten bij de leste Wegom.’ Ze dient daar op. ‘Ja’ vond ons Trees ‘dat is toch maar van Sinksen geleën, ge zult toch nog een beetje bij ons thuis moeten blijven’. Dat viel nogal zwaar op onze Nand zijne kop, maar allee hij bleef verder helpen nu we ook wat land bewerkten voor eigen rekening. Den 23ste  november 1768 was het zover, hij trouwde met Anna Elisabeth Melis, gelijk als dat de gewoonte was in de parochie van het meiske. Daarna werd er gedanst en gefeest onder de vrijheidsboom op het plein voor het gemeentehuis. Dat onze Pieter Wannes zou volgen stond zowat in de sterren geschreven. Hij trouwde in Temse met Anna Catharina Callens op 15 mei 1769. Zij trokken in bij Anna Catharina’s moeder in de Brantstraete, wier man Mattheus al in 1762 was gestorven. Onze Jef en de dochters zijn nog lang thuis gebleven, daar hebben we nog goei hulp aan gehad. Maar de seizoenen gaan hunne gang en elke keer veranderen de dingen. Da’s de voortuitgang zegden de mensen op den tweeden Sinksendag op de markt in Temse, wanneer we bij het ochtendgloren klaarstonden voor de jaarlijkse Wegom ter ere van Sint-Amelberga. De Wegom gingen we elke jaar langs de uithoeken en de grens van Temsche. Alle boeren en hoogwaardigheidsbekleders maalden langs akkers en velden de Wegom af, samen met de geestelijkheid biddend voor een goede oogst en vrede in het land. De hoogeerwaarde deken droeg onder een baldakijn de relikwie van Sint-Amelberga mee, geflankeerd door de heren van de Genootschap van de H. Amelberga, die elk eerbiedig een flambouw droegen. Allen zongen zij luidop het refrein van het loflied ter ere van de maagd: “Help ons God door uwe Heilige Maagd. Heéélp ons God door haar die U behaagd.”

 

Het was de geschiedenis die ‘de wegom’ ging. De 18de eeuw is immers de eeuw van de verlichting. Alles moest volgens de rede, volgens de wetten van de natuur geregeld worden. Al het mysterieuze, al het godsdienstige moest worden verbannen. En bleven al die nieuwe gedachten en omvormingen nog binnen redelijke perken onder Maria Theresia. Het veranderde snel toen zij in 1780 overleed en haar zoon Jozef II de troon besteeg. Al in 1781 ondernam hij incognito een reis door de Zuidelijke Nederlanden en meende daarna de noden van de inwoners te kennen. Hij verjoeg weliswaar de Hollanders uit de garnizoensteden maar slaagde er niet in met zijn brik ‘Le Louis’ de blokkade van de Schelde te doorbreken. Vóór Saeftinghe beschoot de Nederlandse kotter ‘De Dolfijn’ de Oostenrijkers en dwong hen tot de aftocht. Ook al raakten zij op het dek amper een ketel, waardoor deze vijandelijkheden als de ‘keteloorlog’ bekend zijn gebleven.

Jozef II richtte dan maar zijn pijlen op het binnenlands beleid. Algauw noemde men hem de ‘Keizer-koster’. In 1781 vaardigde hij een ‘tolerantie-edict’ uit, waardoor alle godsdiensten dezelfde rechten kregen. Weldra kreeg hij ook  andere, en ergere, katten te geselen. Zijn maatregelen waren over het algemeen verstandig en liberaal. Maar hij legde ze op van boven af, zonder uitleg en zonder voorbereiding, aan een volk dat een toppunt van conservatisme bereikt had. Hij steunde de pauselijke beslissing de Jezuïetenorde te ontbinden. Hij ontbond zelf de contemplatieve orden omdat hij ze onnuttig vond voor kerk en gemeenschap. Hij stond het burgerlijk huwelijk toe en verving de verspreide bisschoppelijke seminaries door één centraal, in Leuven. Nog was het hem niet genoeg. Terwijl het volk nog beefde van verontwaardiging voerde hij een volledige reorganisatie van het recht en de administratie in. Zelfs de provincies zouden niet langer bestaan. Alle vormen van de oude, regionale regeringswijze, waarvoor zoveel bloed gevloeid had, al de onschendbare privileges, die bolwerken geweest waren tegen verbeteringen zowel als tegen vreemde inmenging, schenen uitgewist door enkele pennentrekken in Wenen. Zelfs de Blijde Inkomst van Brabant, dè Bijbel van het regionaal verzet, werd afgeschaft In 1786 durfde hij alle parochiekermissen op éénzelfde dag te plaatsen. Hij beperkte de processies en de groepsbedevaarten. Hervormde de rechtspraak, schafte de geestelijke rechtbanken af en verbood het folteren. Tal van hervormingen waren uitstekend en vele ervan zouden later weer worden ingevoerd. Maar de keizer ging zo voortvarend en eigengereid te werk dat het tot een uitbarsting moest komen Iedereen was woedend en verontrust. Voor het eerst sinds de zestiende eeuw werden belastingen geweigerd. Locale milities werden gevormd. Overal verschenen kokardes met de Brabantse kleuren: De Brabantse Omwenteling stond voor de deur.

(Vlaanderens fraai gelaat, Patricia Carson, Story-Scienta, Gent 1974, e.a. publicaties)

 

Al die nieuwigheden stonden mij niet aan. Nu de Treesiaantjes van ’t convent in Sint-Nicolaes gesloten waren, waar moesten we nu naartoe met onze giften voor goed weer op nen trouw of op ne goeie oogst? De Keizer zou dat zelf regelen zeker? Er is bovendien sprake van dat hij ook de kermissen zou willen afschaffen. Waar moet dat jong volk dan mekaar leren kennen? Ze kunnen toch allemaal niet op hun eigen hof blijven wonen. Allee ik was de kluts kwijt. Toen ons Isabella op de 21ste augustus in 1781 trouwde met Petrus Jacobus van Mieghem regende het blaaskes toen wij uit de O.L.Vrouwekerk van Temse kwamen. Vaneigens, we hadden ommes geen eieren kunnen wegdragen naar de karmel. Dat slecht weer bleef maar aanhouden en in de schuur waar we stonden te zwingelen waaide het los door de spleten terwijl de kou tot in uw tenen trok. Kanthout kappen op de akkers in bar weer is ook al niet goed voor de knoken en ik moest al langs om meer werk overlaten aan onze Jef. In ’t begin van ’t jaar ’83 kreeg ik het op mijn longen en zo rond september voelde ik mij alsmaar slapper worden. Niets ging mij nog af, het eten smaakt mij niet meer, en eigenlijk kwam ik mijne beddenbak niet meer uit. Ik was er bijkans zeventig en ik vond dat het tijd was dat ons Heer mij kwam halen.

Trees legde Jacobus af den 3de september 1783.

 

In hun doening zat geen toekomst meer met nog maar één mannenmens. Vanzelf dat ook Josephus hem een vrouw zocht en vond. Kort daarop, de 3de november 1785 trouwde hij te Temse met Maria Theresia Bogaert.

In’t zelfde jaar de 18de juli stierf ook de jongste dochter Joanna Maria aan een algemene ondergang onder de mensen op het platte land.

Trees overleefde hen allemaal en stierf op ’t hof van Pieter Wannes, waar nu Anna Catharina Callens de plak zwaaide, op 18 april 1794, 87 jaar oud.

 

 

 

 

Comments