GESCHIEDENIS

 

Dit is een naar waarheid verzonnen familiegeschiedenis. Feiten en namen zijn zo getrouw mogelijk weergegeven, maar de wijze waarop een en ander zich heeft voorgedaan is vanzelfsprekend verzonnen omdat hierover geen zekerheid bestaat. Wel waar is dat deze geschiedenis zich afspeelt in een toenmalig tijdskader, gebaseerd op bestaande historische feiten en gebeurtenissen.

 
 
  

DE PAULUSZONEN, DEEL I

Een naar waarheid verzonnen familiegeschiedenis.

 

I.    GILLIS       + 1631

 

Ik zat achter ne mottevijver in den boogerd toen ik tussen het schreeuwen van de pauw mijn dooppeter Claes hoorde razen. Tante Katlijne stond met haar arm te wieken en te gebaren dat ik moest komen. Toen ik aan kwam draven werd ik zonder veel gedoe meegetrokken. ‘Uw vader zijn pijp is uit’, zei tante Katlijne en stapte meteen op in de richting van het bos.

Het bos is akelig groot met hoge rechte bucken en eikenbomen en veel struikgewas, bramen, vlier, lijsterbes en reuzenvaren waartussen zich allengs een weg heeft gebaand door het vele belopen. Ik hing aan de schort van tante Katlijne te grienen omdat zij veel te rap stapte, omdat ‘t veel te warm was om rap te stappen, omdat ’t veel te ver was en omdat ik niet begreep waarom we zo rap naar huis moesten omdat mijn va zijn pijp was uitgegaan. ‘Uwe va ligt op sterven manneken’.‘Op sterven liggen, dat is doodgaan’. Dood. Dat kende ik, dan kond ge gene weg meer en werd ge zo stijf als een plank en werd ge in een put begraven. Zou dat hetzelfde zijn? Het moest bijkans. Dan zou mijn vader Gilles doodgaan. Toen we door het hekgat ons doening opliepen stond er een kar met twee mannen in zwarte kapmantels. ‘Haast hulder maar want de paster is al terug weg’, gromde de grootste terwijl de andere met zijn arm zwengelde als aan een pomp opdat we ons zouden haasten.

Toen tante Katlijne mij de hut binnentrok kon ik alleen maar denken dat het er stonk als de pest. Kon ik weten dat op dat eigenste ogenblik mijn vader lag te creperen op een doordrenkte hooibaal, rochelend overdekt met puisten en builen. Ik zag hem naar adem snakken in de bedompte ruimte van de alkoof terwijl in een andere hoek van het vertrek moeder rechtkwam om me in haar schoot te drukken terwijl ze zwaar steunend het gewicht droeg van ons Lies, mijn tweede zus die nu vier maanden oud was.

Met één langgerekte vreselijke reutel ging mijn vader dood.

Tante Katlijne wenkte de zwarte mannen die aanstonds naar binnen schoten en het lijk van mijn va met beddengoed en al op de kar sleepten.

Twintig augustus krabbelde de pastoor in het Latijn in het begrafenisboek van het jaar 1631 te Buggenhout.

 

            

                               kopie uit overlijdensakten, heemkundige kring Buggenhout, Luc Cosijns

 

De oudste geschiedkundige vermelding van het bos en van de naam Buckenholt dateert uit de twaalfde eeuw toen de heer van Aarschot al zijn bezittingen schonk aan de abdij van Affligem bij de intrede van zijn zoon als monnik.

De naam Buckenholt komt ongetwijfeld voort van het oudsaksische Boka (=beuk) en holt (=hout, bos). Van het roemrijke bos dat in de middeleeuwen 470 ha groot was blijven er maar 171 ha meer over: 151 ha is staatsbos en 20 ha is in privébezit.

In de vroege middeleeuwen maakte Buggenhout deel uit van het hertogdom Brabant en van de heerlijkheid van de Heren van Grimbergen. Door onderlinge familietwisten en inmenging door de abdij van Affligem werden de bezittingen verbeurd verklaard. Het bos werd opgenomen in de kroondomeinen en Buggenhout viel uiteen in twee heerlijkheden.

Eén ervan behoorde van het einde van de 16 de eeuw tot in 1765 aan het geslacht Bournonville uit Artois en droeg de naam Buggenhout-Bournonville (het centrum); zo werd dit deel zelfs tot prinsbisdom verheven in 1658.

Het andere deel, Buggenhout-Grimbergen (Opstal en Briel) behoorde tot het feodale bezit van de heren van Grimbergen en maakte deel uit van Brabant. Hoe dan ook was Buggenhout een wingewest waar de heren nooit verbleven.

(bron: gemeente Buggenhout)

 

Ia.   CORNILLE SMETS            +1631

 

Ik was omtrent 5 jaren, had peter Claes mij verteld, ‘geboren in ‘t jaar nadat uw va en uw moe in de Sint-Nicolaeskerk waren getrouwd. ‘t Jaar ook dat heer Frederik het kasteel van Diepensteyn van zijn vader erfde. Mijne peter werkt nu op het landgoed van de heer en pacht er een lapje grond door toedoen van Jan Brusselmans, de erflaat van Diepensteyn.

Ik werd er naartoe gezonden toen va ziek werd. Ons Lieske was nog maar een paar maanden oud en Maria, mijn tweede zus liet nog alles lopen waar ze stond.

Nadat ze ons va hadden weggehaald, moest ik terug naar Steenhuffel. Ik vond het wreed en ons moe hield me lang vast maar tante Katlijne trok mij uit haar armen. ‘Meekomen ‘t is hier ongezond’.

‘k Heb gehoord dat er nadien zwartzusters uit Dendermonde zijn gekomen, die ons moe hebben gewassen en schoon kleren hebben aangedaan en meegenomen hebben naar ’t Gasthuis aan de Brielkapel.

Ons Lies en ons Maria hebben ze naar het klooster van Zwijveke gebracht. Misschien zijn ze wel non geworden of meisen bij een van de rijke boeren of meiseniers. Ik mocht bij peter Claes en omoe Joanna blijven.

Met nieuwjaar van ‘t jaar daarop zaten wij, een paar dagloners en enkele buren rond den haard boekweitpap met braambessenstroop te eten toen door ‘t gat van de deur nonkel Judocus kwam binnengevlogen. ‘Rap de deur toe’, riepen we altegaar, ‘da trekt hier’. Nonkel Judocus was zo stijf als een bard van d’ eeuwige kou en kwam in zeven haasten bij ons aan de haard zitten. Terwijl hij zijn wanten uitrok en zijn muts afdeed, schudde hij zijnen triestige kop over en weer.

‘Z’is bij ons Heer manneken’, murmelde hij ‘uw moe’. Als van een savooipeird gestoken vloog ik op en schreeuwde en stampte zodanig dat ze mij met twee mannenmensen moesten vasthouden en kalmeren. ‘Mijn moe, mij moeke Cornillie, en ik heb haar al zo lang niet meer gezien’. Ik snikte zo erbarmelijk dat iedereen in de kamer er ambetant van werd. ‘D’haestighe sieckte weer’, gromde Nonkel Judocus. ‘Niets aan te doen’. ‘Gecrepeerd gelijk hare vent, gisteren achternoen’. ‘Ja ja’, gromde onze buurman Wannes van Opstal, ‘ik heb het maar van horen zeggen, maar als ge de schors van de pestwortel uitdoet bij volle maan in de maand november of februari, en daar een aftreksel van drinkt, dat het helpt. Toch schreef de pastoor nog dezelfden dag in zijn Latijns kromschrift in ’t begrafenisregister van Buggenhout: ‘31 12 1631 begraving Cornille Smets weduwe van Gillis Pauwels’.

 

 

                 

                                  kopie uit overlijdensakten, heemkundige kring Buggenhout, Ludo Cosijns


II.   ANTONIUS     1626-1692

 

Met Sinksen gaat in Stenhofle, zoals ze vroeger zeiden, de Sinte-Genovevaprocessie uit. Voorafgegaan door twee wildemannen met blaren overdekt en ruiters te peird volgt het beeld van Sint-Genoveva gedragen door zes bonkerse boeren. Dan een maagdeken dat Genoveva verzinnebeeld. Daarachter de pastoor en daarna den drossaerd en de schepenen, gevolgd door, meiseniers, boeren, knechten en dagloners. Daarachter nonnen, kwezels en meiden, moeders met kinderen, zwervers en ander voetvolk. Katrientje van Opstal, de dochter van onze naaste gebuur is Genoveva. Ze draagt een lang loshangend kleed met gele ceintuur en een blauwe kapmantel die haar lang golvend haar bedekt. Zij is een jaar jonger dan ik en woont een kleine boogscheut van ons af met haar vader en moeder in een stenen huis met rieten dak, een roei of tien van de Molenbeek. Het is 1654 en Isabella des Champs, erfgename van Diepensteyn trouwt Eugène Van Maldegem.

 

Ooit zou er een kasteel gestaan hebben op een motte ergens tussen het dorp en ‘Over de Beek’ op een heel strategische plaats: de overtocht van de Heirbaan over de Molenbeek. Dit kasteel, een stenen huis eigenlijk, heeft zijn naam gegeven aan Steenhuffel: een steen met een hof. Het kasteel werd verwoest en is weggezonken in de drassige gronden er omheen. Zo ontstond de legende van het verzonken kasteel van Steenhuffel. Latere heren maakten niet dezelfde fout en bouwden hun huizen niet meer hogerop maar op een dieper gelegen plek aan ‘de plas’ en noemden het Diepensteyn. Het was eigendom van de familie van Bouchout. Toen Daneel van Bouchout in 1464 op het slagveld van Montlérys sneuvelde en zijn dochter Margareta kinderloos bleef werd Alvaro de Almaras, Spanjaard en burgemeester van Antwerpen, de nieuwe eigenaar. In 1595 kocht François Vallenghien Diepensteyn. Het omvatte toen nog twee torens, omwallingen en een plaats om een ‘schoon huys’ op te bouwen. Er waren nog sterke muren en fundamenten en op het neerhof ‘twee groote schoone schueren’. In 1598 koopt Pierre Micault het al zeer vervallen Diepensteyn met gronden en twee watermolens. Zijn zoon Frederik koopt in 1630 voor 6500 florijnen van Philips IV het recht om zich heer van Diepensteyn en Steenhuffel te noemen. Zijn nicht Isabella-Clara-Eugenia des Champs, genaamd Kesseler huwt zoals gezegd Ambroise Eugène van Maldeghem zodat in 1672 Diepensteyn eigendom zal worden van de Van Maldeghems. (bron: publicaties en notities van Louis De Bondt, Medard Moerenhout, http://users.telenet.be/Londerzeelvroeger

 

IIa.   CATHARINA van OPSTAL     1627 - 1676

 

Na de processie wachtte ik op Katrientje aan de Molenbeek. We mieken ons een plaatsje tussen de pluimen van het riet en genoten van de geuren rondom ons, waar watermunt en lisdodde volop groeiden en de karekiet zijn fluitje van tussen het riet liet horen. Ik zag een paar roodborstjes en Katrientje beroerde een grote lisdodde.

We trouwden het jaar na juffer Isabella op 11 mei in de Sint-Genovevakerk. Dat kwam omdat we meestal in april of mei een bad namen in een grote tobbe waar iedereen van de familie over toer ging inzitten. Meestal was dat omdat Pasen en Sinxen op komst waren en zo kwamen we er toch nog een beetje fris voor toen we in mei voor de pastoor moesten verschijnen. Voor alle zekerheid droeg Katrien nog een bosje welriekende viooltjes mee. Het was een schone dienst. De pastoor droeg zijn beste kazuivel, de koster speelde hemelse muziek en door de glasramen van Onze Lieve Vrouw van Zeven Weeën en van de Heilige Drievuldigheid viel wonderbaarlijk licht op ons tweeën.

Peter Claes en omoe Joanna waren al lang gestorven want halfweg de jaren dertig was in Steenhuffel ook de pest uitgebroken. We waren nog op zoek gegaan naar Genoveva Jacobs de genezeres, maar de pastoor had haar in de gevangenis laten smijten omdat ze ketterse gezegden had gebruikt om zieke mensen te genezen. Na de trouwmis trokken we naar de woning van Katrientjes vader waar we bruin bier dronken en dansten op de rommelpot en de doedelzak. We aten hutsepot met varkenspoten en smulden van boeren-wafels met bruine suiker in verse melk gebakken. We zagen de zon rood ondergaan aan de einder waar we op de hoogte Merchtem en Peizegem wisten liggen met verder weg de wuivende gewelven van het kravaalbos. We waren content. Helaas miserie werd ons deel.

 

Sommigen wisten nog van hun ouders dat in ’t jaar 1582 Steenhuffel en de omringende dorpen waren platgebrand door het leger van de nieuwe landvoogd Alexander Farnese. Een paar jaar later trokken Spaanse troepen op weg naar Bergen-op-Zoom door het dorp en lieten een spoor na van ellende en honger. In 1592 schreef de pastoor in zijn manuaal dat er in Steenhuffel nog 32 gezinnen woonden tegen 122 in 1577. Toen er rond 1600 een rustigere periode aanbrak kon men beginnen met het herstel van de kerk.

In 1636 brak er ook pest uit in Steenhuffel. In het gezin van Philips Goossens en Elisabeth Van der Stappen – de zus van Joanna, de grootmoeder van onze tweede Jacobus – stierven op korte tijd vijf volwassen kinderen tussen de 15 en 25 jaar. Jacobus, Hendrik en Daneel op 27 april, Anna op 12 mei en Johanna op 18 mei. Ten einde raad riepen sommige dorpelingen Jacquemijne Petercelie aan het ziekbed omdat zij de toekomst kon voorspellen en door tussenkomst van de heilige Rochus beweerde de ziekte te kunnen genezen. Maar het geld dat zij daarvoor vroeg verbraste ze in de herbergen. Tot overmaat van ramp overstroomde het dorp in 1648, de kerk was onbereikbaar en een kind moest in Malderen gedoopt worden. Er werd gestolen en gemoord. In 1667 brak opnieuw de pest uit. Van ’68 tot ’69 heerste er typhus en in 1676 dysenterie. Deze ziekte maakte tussen augustus en december meer dan tachtig slachtoffers. Tussen 10 en 30 september 1667 namen veel burgers van Steenhuffel de vlucht voor het oorlogsgevaar na het luiden van de stormklok. Pastoor Geens noteerde in zijn doopboek dat drie kinderen in Mechelen werden geboren.

(bron: publicaties en notities van Louis De Bondt, Medard Moerenhout en andere genealogen en heemkundigen uit de streek.) http://users.telenet.be/Londerzeelvroeger

 

Het huis van vader van Opstal had een strooien dak zonder gebinte. Daarin huisden muizen, kippen en katten en daarom mieken we op staken een ‘hemel’ boven ons bed zodat die beesten niet op ons konden schijten terwijl we sliepen. We stoofden groenten uit den hof en een bete vlees in een ketel die de hele dag boven het vuur bleef hangen en lieten den overschot in de ketel voor ’s anderendaags. Als we aan een stukje spek konden geraken voelden we ons de koning te rijk wanneer we dan, man en vrouw geworden, er konden op zitten kauwen in het gezelschap van onze geburen. Ons eerste kind werd op 11 maart in 1656 geboren. Katrien schreeuwde den asem uit haar lijf maar de baker legde een gezond wicht in haar armen dat we Elisabeth noemden; naar mijn jongste zuster die ik nooit meer had gezien en niet wist of ze nog leefde of waar ze was.

We presenteerden voor de peter en meter en voor de geburen een kandeelmaal. Het kostte ons een rib uit het lijf maar voor uw eerste doet ne mens al wat meer. Zo is het toch?

Het jaar daarop in oktober werd Laurentius geboren en krek ’t jaar daarna den achtsten oktober, Wilhelmus. ’t Was zwaar voor Katrien, drie monden zogen. Daarom schrikkelden wij een paar jaar met het krijgen van kinderen. In 1663 konden we de aanzegster weer op pad sturen om de geboorte van Augustinus aan te kondigen. Daarna van Petrus in ’67. Elisabeth werd dan zeven, en zo kon zij al een beetje helpen in het huishouden en de andere kinderen oppassen en te slapen leggen. Petrus kwam in januari en in september daarop luidde de stormklok. Veel parochianen zijn met de pastoor mee naar Mechelen gevlucht. Met een plat kind en de oudste van zeven was dat voor ons niet te doen. Brandenburgse en Hollandse huursoldaten, echt uitschot, hielden lelijk huis in de verlaten woonsten en roofden de kerk grat leeg. Ons en de kinderen lieten ze gerust. Bij ons was immers niets te halen dan het uitschraapsel van de pot. De troepen werden dan naar de Vlaanders gestuurd en zo kon het leven zich in het dorp wat herpakken.

Toen Judocus in 1669 kwam waren de oudste jongens al in staat mee te helpen met ploegen en zaaien en konden we een stuk braakland in pacht nemen en rooien. ’t Was labeuren zonder koe maar met de kinderen was ’t te doen. In 1672 was Katrien weer kraams. Ze baarde nog een jongen, Jacobus, een teer baaske. In ‘74 nog eentje: Egidius. Met die kleine ging ze haar laatste kerkgang. Ze was toen zevenenveertig en ver ten einde krachten. Maar ze had ons goed opgepast en er voor gezorgd dat we niets meer tekort konden komen. In ’t begin van 1676 was ze niets meer waard en toen het dorp met den doorloop geplaagd werd is ze opgedroogd en uitgemergeld gestorven den zeventienden mei van dat jaar. Ik heb haar met de hulp van de kinderen in haar beste kleren afgelegd en ze met een schone dienst om tien uren begraven. Onze Willem heeft uit een zware eiken tak een kruis gesneden met gekrulde uiteinden en hare naam er in gekerfd. Jaren nadien kond ge ’t op het kerkhof nog van ver zien staan. Het lijkt wel voor een heilige gesneden wanneer de zon er ‘s noens pal rechtop staat blinkt het als de stralenkrans rond het hoofd van Sinte Katrien in de kerk. Zo schoon.

 

Op 17 november 1668 werd met de Nederlanden, de Vrede van Nijmegen gesloten en door het verdrag van de Pyreneeën kwam er een wapenstilstand tussen Frankrijk en Spanje en ook de oorlog met Brandenburg en Duitsland liep af. Lodewijk XIV was echter niet tevreden en onder het voorwendsel dat Spanje het traktaat van Nijmegen niet respecteerde viel zijn leger in augustus 1683 de Zuidelijke Nederlanden binnen. Lodewijk begon met een zware oorlogsbelasting op te leggen. Het Land van Asse diende 16.000 en de abdij van Affligem 6210 gulden op te hoesten op straffe van een militaire executie, lees branden, brandschatten en plunderingen en alle andere gewone militaire uitspattingen. Het was al een tijdje rustig in Steenhuffel, Malderen en Londerzeel, zodat zij hun oorlogsbelasting op tijd konden betalen en ze gespaard bleven van vernieling.

In 1685 herriep Lodewijk de XIV het edict van Nantes waardoor de Hugenoten hun godsdienstvrijheid verloren. Protestantse vorsten nam dit niet en sloten een verbond: de Liga van Augsburg. In het najaar van 1688 vielen de legers van Lodewijk de Palts binnen en dat was de aanleiding tot de 9-jarige oorlog. Opnieuw werden onze streken overspoeld met huurlingen en beroepssoldaten van allerlei pluimage. Opnieuw moesten de mensen met have en goed vluchtten naar versterkte plaatsen en omwalde hoeves. Geen gemeente ontsnapte aan de krijgslasten die ze opnieuw acht jaren lang moesten verdragen.

(bron: publicaties en notities van Louis De Bondt, Medard Moerenhout en andere genealogenen heemkundigen uit de streek.) http://users.telenet.be/Londerzeelvroeger

 

Alle moor vloeit altijd ‘t hoop. In ’t jaar dat Katrien stierf bleef ik achter met 7 kadeeën tussen twintig en vier jaren. ’t Zelfde jaar trokken hier bendes Brandenburgers binnen die alles wat eetbaar was afpakten, huisraad vernielden en doeningen in brand staken. Er was om den duur zoveel armoe dat de ene huisman de andere niet meer kon helpen. Rond dien tijd hebben wij Judocus ten grave gedragen, puur gestorven van ellende en kou. En dan ons Elisabeth. Twintig en een schoon kind en nog onbezwangerd. We moesten haar voordurend verstoppen en beschermen. Goed, dat haar broers kloeke kerels waren en de weg wisten in de velden en tussen de plassen, waar ze konden vluchten en waar altijd wel een haas of een baars te pakken was of we waren allemaal gecrepeerd van den honger.

Ne mens is maar ne mens en alleen is maar alleen. Er waren in ’t dorp ook veel huishoudens waar de man was gestorven en de vrouw met de koters achterbleef. Bij de Landtsheeres par exempel. Petrus ging eraan in ‘76, ’t zelfde jaar als Katrien. Zijn vrouw Elisabeth hield haar struis en haar doening gaande met twee aankomertjes, Marie en Joanna, dutskes van vijf en twee jaren.

 

Hoe de machtspolitiek van de Europese vorsten op het dagelijks leven van de dorpers ingreep en hoe oorlog ziektes, armoede en ontbering met zich meebracht valt af te lezen uit de geschiedenis van de families Brusselmans en De Landtsheer.

Petrus De Landtsheer werd geboren in Buggenhout in 1625. Hij trouwde er met Clara de Bleser in 1655. Op drie januari 1656 beviel Clara van een kind dat ze Anna noemden. Clara herstelde niet van het kinderbed en stierf op drieentwintig maart 1656. Het kind zelf stierf toen het zes jaar oud was. Petrus huwde opnieuw in 1658 met Jacoba van Spitael en verwekte bij haar vier kinderen. Het eerste kind stierf bij de geboorte in 1659. Jan werd in 1661 geboren, Cornelia in 1665. Cornelius kwam in februari‘67 ter wereld en stierf in’70 terwijl zijn moeder Jacoba, niet meer op krachten was gekomen en in 1667 op haar rug was gaan liggen.

Elisabeth Brusselmans kwam in Merchtem op de wereld, de vierde februari 1643. Haar vader was Judocus Brusselmans, een telg van een voorname Steenokkerzeelse familie, die in 1642 te Merchtem huwde met Catharina De Vilder. Elisabeth werd aldus in Merchtem geboren waarna haar vader en moeder naar Steenhuffel verhuisden. Daar werden nog vier kinderen geboren vooraleer Catharina De Vilder, ook De Ridder genaamd in 1657 overleed. Judocus trouwde opnieuw met Maria Vertongen en had met haar ook vier kinderen. Na haar dood huwde hij voor de derde keer in 1657 te Wolvertem met Maria Van Hemelrijck, ook Anna genaamd en had met haar nog twee kinderen.

Zo kwam Elisabeth als oudste snel alleen te staan voor een huishouden van tien kinderen.

Pas in 1671 trouwde ze te Buggenhout met de weduwnaar Petrus De Landtsheere. Zij had met hem twee kinderen die geboren werden in 1671 en 1674. Petrus zelf overleed in 1676, waarna Elisabeth, Antonius Pauwels huwde op twee maart 1677.

(bron: eigen opzoekingswerk in het RAC te Beveren).

 

 

                          geboorteakte van Antonius Pauwels, heemkundige kring Buggenhout, Luc Cosijns

 

IIb.  ELISABETH BRUSSELMANS     1643-1681

 

 ‘Een vrouw alleen met twee snotterkes’, kwam de pastoor langs, ‘dat is geen doen hé, Toon jong’. ‘D’as wild vlees voor die Hollanders’. Ik hoorde hem op zijn sokken afkomen.‘En ne mannenmens alleen met 7 jongeren dat is niets gedaan, trouw toch met Liesbeth dan zijn jullie alle twee gesteld. De Brusselmanssen zullen wel wat schuiven om haar beschermd te zien en ge kunt met uw nageslacht bij haar intrekken.’t Is daar wat groter dan in uw huizeken. Er is meer grond, dan kunde gij uw gasten meer aan ‘t werk zetten. Die jongskens van haar lopen wel met uwen hoop mee en dan heeft uw Elisabeth ook niet meer alleen de zorg voor een groot huishouden, ze kan dan wat spinnen en leren weven zodat g’er allemaal wat beter voorkomt. Me dunkt dat het voor haar ook tijd wordt om aan een eigen nest te denken’.

‘En waarom niet’? Peinsde ik bij mijn eigen ‘Elisabeth Brusselmans was nog een pronte vrouw van ’t jaar 43, zeventien jaar jonger dan ik’.‘Maar ik kon nog alles, dat was goed te zien aan wat er van mij allemaal rondliep’.

Het was haar bovendien zo’n beetje vergaan zoals mijn eigen Elisabeth. Veel te jong voor een trits kinderen moeten zorgen en dan maar met ne wevenaar getrouwd omdat ’t jong mansvolk allemaal al geplaceerd is.

De familie van Elisabeth woonde van oudsher in Steenhuffel en had daarom enig aanzien en bezittingen in de parochie. Haar vaders neef Geeraert pacht van de kerk menige gronden opt Curenveldeken en opt Wolffrot en ook nog anderhalf dachtwant of een halve bunder) landts opde Vijverquaetbeke. Om maar te zeggen dat de familie Brusselmans schijven had.

We trouwden den tweede maart in 1677. Ik trok met mijn jong volk bij haar in en ons oudste ontfermde zich als vanzelf over Liesbeths kindjes. We hadden een paar schone jaren, veel werk op ’t land en in de winter terug een warm bed. Den twintigsten maart van 1678 kocht Liesbeth ons kind, en noemde hem Jacobus, naar het gestorven ventje van Katrien. Dat vond ik schoon en ik heb ‘In den Hoorn' getrakteerd met een stoopken wittebier. Maar ’t mocht weer niet zijn hé. Ne mens mag niet gelukkig zijn. Rond de jaren tachtig kwam er weer een vreselijke ziekte in het dorp. Elisabeth kreeg het kwaad en ging ten hemel in 1681, in ’82 gevolgd door de twee kleintjes. Ik droeg ze in mijn armen naar ’t kerkhof en ben er stommelings blijven zitten tot de klok twaalf uur klepte. Op weg naar huis heb ‘k nog wat rapen getrokken om ‘s noens toch nog iets te kunnen eten. Ik zat dus weer met mijn gasten alleen en met een ei in mijn gat dat één van ons ook nog ziek zou worden.

 

Op 25 september1689  vertrok uit Merchtem een grote groep ruiters met de duidelijke opdracht: ‘Vertrek uit Merchtem , ga de abdij van Affligem afbranden, brand Hekelgem af, brand Essene af en sluit u dan in Sint-Catharina-Lombeek aan bij Mr. De Gournay. En zo gebeurde. Affligem werd gespaard daar de kloosterlingen konden bewijzen dat zij iemand naar Doornik hadden gestuurd met het verschuldigde bedrag. In de plaats van Affligem werd dan maar het nabijgelegen Meldert in brand gesloten. Later op de dag wanneer de brandstichters zich verenigd hadden in Sint-Catharina-Lombeek, kregen 10.000 ruiters de opdracht op te trekken naar de noordoostkant en Humbeek, Wemmel, Wolvertem en Steenhuffel plat te branden. Ondertussen bezweken tussen 1690 en 1695 alweer veel inwoners van Steenhuffel aan een besmettelijke ziekte. In 1697 moest pastoor Raguet met zijn parochianen uit Steenhuffel vluchten voor de Fransen. Op 11 augustus van dat jaar doopte hij te Heffen een kind terwijl hij in het doopselboek noteerde: ‘…dit geschiedde wijl ik voor de Fransen moest vluchten’. In een ander geschrift noteerde hij: ‘ende in den jaere 1697 heeft het Frans leger van den Generael de Vilderroy ende Bouffleer gheleghen ten deele in dese prochie ten tijde van July ende Augustus ende hebben alles genieert. (geruïneerd)

(bron: publicaties en notities van Louis De Bondt, Medard Moerenhout en andere genealogenen heemkundigen  uit de streek.) http://users.telenet.be/Londerzeelvroeger

 

IIc.   CATHARINA VERBRUGGE + 1694

 

Wij waren van een sterk geslacht, mijn zonen en ik. Laurentius, de oudste, ondertussen 26 jaar, zijn broer Wilhelmus, 25 en Augustinus toch ook al 20 waren kloeke gasten die in ’t veld hun plan konden trekken, een fazant wisten te verschalken of vogelnesten beroofden. Achter de deur stonden onze knuppels klaar, een arm dik, tegen dat de soldeniers ons erf betraden. We zagen eruit als rabauwen in onze armtierige bullen maar als we ons met z’n allen op het erf posteerden liepen soldaten meermaals ons hof voorbij.

Dat was de weeuw Verbrugge opgevallen. ‘Dat de plunderaars ons dikwijls links lieten liggen’, zei ze. Zo gebeurde het dat op ne zondag na de mis ze aanspraak maakte, ‘dat ze mij en mijn kroost wel zag zitten’. ‘En dat een vrouw alleen een makkelijke prooi was voor huurlingen op zoek naar voorraad en andere dingen’. Ik trouwde Catharina Verbrugge de vierde mei in ’83, al hadden we geen nagel om aan ons gat te krabben.

Het leven gaat zijn gang zoals een peird naar zijne stal. En wat komen moest, moest komen. Onze Wilhelmus trouwde in 1682, over ’t water in Baasrode met Joanna Maria de Gendt, een heel aardig meidje. Onze Laurentius in Buggenhout in jaar ’86 met, Joanna van Wemmel. Augustinus ook in Buggenhout in ’88 met Joanna Lauretten. We kregen meteen een hoop jong gebroed er bij in de familie. Er zat bovendien nog vuur in die weeuw van mij. Het jaar na onze trouw baarde ze mijn negende zoon die Phillipus werd opgeschreven. Een paar jaar nadien kwamen er eindelijk twee meiskens. Joanna in 1688 en Barbara ‘92. Toens kwam er nen algemenen ondergang onder de mensen. De oogst was vernield door de hagel, veel land kwam onder water te staan doordat de Molenbeek overliep en om de ramp nog te vergroten kwamen er nog nen hoop soldaten zich in ’t dorp vestigen. Ik was het geploeter moe geworden, mijn knoken wilden niet meer mee. Ik kwam allengskens minder en minder buiten en toen dat Barbaratje begin ’92 moest geboren worden voelde ik mij zo slap als een vodde. In de zomer fleurde ik nog een beetje op maar de herfst kwam ik niet meer door. De paster kwam nog wat fezelen over een schoon leven en veel brave kinderen en onze Lieve Heer die mij verwachtte. Alla, Antonius zijnen draad was afgesponnen en daarmee uit.

 

Katrien sloot zijn ogen den vierentwintigsten september 1692, hij werd 66 jaar en had bij drie vrouwen 12 kinderen verwekt die allemaal in leven waren gebleven. Een godswonder in deze roerige tijden. Het was ten andere nog niet gedaan. Zoals gezegd trokken diverse troepenafdelingen Steenhuffel binnen in de jaren 1690 tot ’94. In 1693 telde men zowel in Malderen als in Londerzeel als in Steenhuffel abnormaal veel sterfgevallen. De vijftiende oktober van 1693 werd het stoffelijke overschot van Ambroise van Maldeghem, graaf van Steenhuffel in de kerk begraven. Door huwelijk was de familie van Maldeghem in het bezit gekomen van Steenhuffel maar ze hadden er nooit gewoond en er ook nooit naar omgekeken. Hij werd nu in Steenhuffel in de kerk bijgezet omdat Karel II van Spanje hem tot graaf had benoemd wegens bewezen diensten, waardoor Steenhuffel een graafschap werd met de gebruikelijke cijnsrechten. In de notulen van de schepenbank valt nog te lezen dat in1695 Cornelius de Maerschalck in de kerk werd vermoord door een plunderende soldaat. ’t Jaar daarop werd Jan de Hertogh uit Malderen in Steenhuffel door Franse soldaten voor dood achtergelaten.

(bron: publicaties en notities van Louis De Bondt, Medard Moerenhout en andere genealogen en heemkundigen  uit de streek.)

 

Ze waren nog met z’n achten thuis toen Antonius stierf. Peer, Joos, Gilles, Jacob, de zoon van Elisabeth Brusselmans, en de kinderen van Katrien, Filip, Jeanne en Barbara. En de oudste Lisbeth niet te vergeten. Katrien had Antoon goed opgepast, hem proper afgelegd en hem een schoon begrafenis gegeven. Maar de zorg voor de kleinste kinderen en de geboorte van het laatkomertje, had haar gekraakt. Ze raakte in het sukkelstraatje. Er was alleen ellende en miserie in het dorp en bijkans geen eten. De oudste broers hadden de ouderlijke doening verlaten zodat er niet zoveel handen meer overbleven. Vaneigens, gingen ze de boonakker op. Lies, een engel, nam stilaan het huishouden weer over want Katrien gleed alsmaar meer af naar het graf. Ze heeft nog vijf dagen met een gewijde kaars gelegen tot ze op den vijfden maart 1694 in de Heer ontsliep.

 
 
 
Comments