ALOYISIUS

IX. ALOYSIUS PAUWELS  1870 - 1947

 

Tussen 1870 en omstreeks 1895 was de economische groei fel verminderd en poogden de werkgevers het rendement te verhogen. Naast de invoering van een aantal technische innovaties werden de reglementen strenger en de scheiding tussen arbeid en het  persoonlijk leven groter. Strenge boeteregelingen en werkhuisreglementen maakten van de onderneming een plek waar uitsluitend moest worden gewerkt. Meesterknechten moesten op de werkvloer het reglement nauwgezet doen na leven. Tussen begin en einde van de werkdag bepaalde de werkgever eenzijdig wat er diende gebeuren in ‘zijn  bedrijf’, op zijn privé-eigendom.

Uit werkhuisreglementen van die periode blijkt een stijging van het aantal verboden en geboden. Het werd verboden te ‘schuifelen’ (fluiten), te vloeken of’ aen de mannen op de vertrekken van de vrouwen te gaan of er zich met tweeën te bevinden’; en de werklieden mochten zich pas omkleden wanneer ‘door de bel het teeken werd gegeven’. De werkgever eiste het alleenrecht op over zijn onderneming. (41)

Toch trekt Aloys uit noodzaak naar de fabriek ook al is hij dan op zijn veertigste. Om reden die later zullen blijken is het niet onredelijk om te veronderstellen dat Aloys Pauwels de weg naar de tapijtenfabriek van Vincent Peeters & Co zou gevonden hebben. Hij, de landman zou zich voortaan naar het keurslijf van de fabriek moeten schikken.

 

Document uit stadsarchief Sint-Niklaas

 

Aloysius Pauwels werd te Bazel geboren op 30 september 1870 in de Portugezenstraat nr.34 als zevende kind van Jan Baptist en Cecilia De Smedt die toen 31 jaar was. Hij trouwde op 26 juli 1899 te Temse met Maria Leontina De Kreymer.

Zijn oudere broer Petrus Joseph, kortweg Peer, huwde eveneens te Temse, Philomena Colman op 11 oktober van hetzelfde jaar.

Wanneer Aloys en Petrus zich naar het gemeentehuis begeven om in ondertrouw te gaan stelt de bevoegde ambtenaar voor beiden vast dat zij onvermogend zijn en de gemeente zal moeten instaan voor het verstrekken van de nodige documenten voor hun trouwakte. Dat was ook al het geval voor hun ouders. Hieruit blijkt hoe moeilijk het was voor een gezin om in de 19de eeuw uit de armoedespiraal te geraken. Tot in de 20ste eeuw zullen de Pauluszonen aan de rand van de armoede blijven leven. Slechts na de algemene heropleving in België na de tweede wereldoorlog stijgt het inkomen voldoende om in de kosten van onderhoud en voedsel te kunnen voorzien. De overgang van landbouw naar nijverheid in Sint-Niklaas en in Waasland is dan een voldongen feit.

                     

Volgens het trouwboekje van Aloys en Leontine, was zij dienstmeid te Temse. Ook Leontien wordt onvermogend verklaard. Uit hun trouwakte blijkt nog dat zij voor hun trouwen reeds in Temse woonden. Op 26 juli 1897 was Aloys vanuit Bazel op Lauwershoek nr. 10 komen wonen. Peer woonde er al eerder op nr. 16. Wat doet veronderstellen dat beide koppels al voor hun touwen samenwoonden.

Temse was in die tijd uitgegroeid tot een economisch centrum en industriestad. Nieuwe fabrieken aangedreven door stoom, zoals spinnerijen, wasserijen en ververijen hadden veel water nodig. Dat vonden zij in Lokeren, Hamme en Temse en dus werden deze gemeenten een aantrekkingspool voor jonge meisjes om te gaan dienen bij nijveraars en patroons.

In het ontstaan van de industriële revolutie en de opkomst van de nieuwe ondernemingsklasse in de 18de eeuw hebben veel factoren een rol gespeeld. Eén van die factoren was de mentaliteitsverandering bij de ondernemers. Door verzet vanuit verschillende hoeken, o.a. door het opkomend socialisme en de vakbonden. Door de publicatie van de encycliek Rerum Novarum door Paus Leo XIII in 1891 keerden ook sociaal georiënteerde patroons zich tegen het uitzichtloze deterministische karakter van de fabrieksarbeid. Steeds meer gingen patroons de zelfhulp van de armen en hun eigen moreel leiderschap benadrukken.

De ondernemer ging niet langer zijn verantwoordelijkheid uit de weg. Hij had ‘de beste bedoelingen’ en wou door goede raad en gunstige omstandigheden de arbeiders een kans geven om aan de armoede te ontsnappen. Het was een hoopgevend element in de doctrine. Indien de arbeiders de raadgevingen van de patroons opvolgden konden zij aan de armoede ontsnappen. Uiteraard was de armoede dan aan het ‘wangedrag’ van de arbeiders zelf toe te schrijven. Vandaar ook dat de politieke besluitvorming, waaraan het patronaat volop meewerkte, zich enkel maar om de economische politiek moest bekommeren en zich niet met sociale regulatie moest inlaten. Groot voortrekker van deze gedachtegang in de scheldegemeente was tapijtfabrikant Ernest Wilford. Zijn voorbeeld werkte inspirerend voor andere textielondernemers. Zo voorzag de spinnerij Ed. Orlay & Zonen in 1895, een voorzieningskas voor zieke werknemers. Enkel voor wie betaalde en minstens één jaar in het bedrijf werkte had recht op een half dagloon bij werkongeval of ziekte. (41)

 
 
Document gemeentearchief Temse

Door de overweldigende invloed van de industrialisatie leek niemand, en zeker niet de politiek, zich om de plattelandsbevolking en boeren te bekommeren. Landbouwers zoals ene Frans Van Brussel te Stekene waren er eind van de negentiende eeuw financieel even slecht aan toe als arbeiders. Als ongeschoolde arbeider in mijnen of fabrieken aan de slag gaan; leek een mogelijkheid. Frans Van Brussel kwam echter tot de overtuiging dat een doorbraak op politiek vlak een lotsverbetering kon betekenen. Hij vroeg aan het Katholieke kiescomité van 1898 om nieuwe leden op te nemen. Het comité weigerde ‘dat boerke uit Stekene’. Het duidde op minachting maar lokte een hevige reactie uit. Van Brussel ging 27 keer op markten en in cafés zijn opinie verkondigen en kwam telkens overtuigend over. Hij kwam moederziel alleen op en tot ieders verrassing behaalde hij 26.171 stemmen en de volstrekte meerderheid. Maar omdat hij maar alleen op zijn lijst stond konden hij en zijn kiezers de vruchten van hun overwinning niet plukken. Voor de drie overblijvende zetels moest men opnieuw verkiezingen houden en werden drie katholieken verkozen.

Op 24 mei 1914 werden opnieuw parlementsverkiezingen gehouden. Ondanks alle getouwtrek binnen de katholieke partij en de geruchten als zou de zetel van Boerke Van Brussel in het gedrang komen, haalde hij 8000 stemmen. Uiteindelijk zetelde hij in het parlement van 1898 tot 1921. Van zijn parlementaire loopbaan werd minutieus bericht in de toenmalige Gazet van Stekene.

Gedurende heel zijn parlementaire loopbaan heeft Van Brussel geijverd voor het gebruik van het Vlaams in het halfrond. Op 29 maart 1901 sprak hij de kamer als volgt toe: “Mijne heeren, in februari 1900 had ik de eer aan de kamer te vragen dat men mij, in mijne hoedanigheid van vlaamschen volksvertegenwoordiger, de dagorde zou toesturen, in beide landstalen opgesteld”. Tijdens dezelfde zitting besloot de kamer bij reglement van inwendige orde dat voortaan alle kamerstukken tweetalig moesten zijn.

Geheel in de lijn van zijn overtuiging kwam Boerke Van Brussel op voor de kleine lieden uit het Waasland. Op 22 juli 1899 sprak hij de kamer als volgt toe: “Mij dunkt mijne heeren, dat zeer weinigen den toestand op de buiten kent. Gij hier in Brussel, gij denkt dat gansch België in den overvloed zwemt; maar indien gij met mij kwaamt om de pachthoeven te bezoeken die maar 2 of 3 koeien bezitten en waar familiën met 9 of 10 kinderen wonen, dan zoudt gij dit niet meer zeggen; dan zoudt gij bij u zelven kunnen zien hoe arme landbouwers daar leven. Maar de heeren van de regering weten dat niet wel”.

Een andere keer breekt hij een lans “voor een kwestie die hier nog nooit behandeld is: ik bedoel de zware lasten welke ons werkvolk soms gedwongen is te dragen in balen of zakken. Ga naar de dokken, gij zult daar werkers aantreffen, gebukt gaande onder lasten van 100 of 150 kilogrammen. Honderd kilos dragen is doenlijk, voor iemand in de volle kracht des levens, maar vergeet niet dat onze werklieden niet gevoed zijn, zoals het behoort om die groote gewichten te dragen: daarenboven blijven zij ook niet altijd in volle kracht des levens. Verbied alle lasten in balen of zakken zwaarder dan 75 kilos…” (42)
 
                                                             
 
                                                                     Aloys Pauwels                                            Maria Leontina De Kreymer

Een moeilijk bestaan zal ook wel het deel geweest zijn van Aloys en Leontien want op 19 januari 1901 woonde het koppel nog in de Landmolenstraat wanneer hun oudste zoon Ward (Eduardus) werd geboren en staat het beroep van de vader opgeschreven als landbouwersknecht. Wanneer de tweede zoon Peer (Petrus) op 13 mei 1902 werd opgeschreven, woonden ze op Lauwershoek nr. 10 waar zij tot 1914 zullen blijven. We kunnen aannemen dat het kind een zwakke gezondheid had want het overleed al 6 november van hetzelfde jaar. Daarna volgde Amedé op 29 april 1906, Josephine Maria op 25 januari 1909, die haar leven lang Marie zal genoemd worden.

Het ging blijkbaar niet zo goed met Leontien want op 8 juni 1911 beviel ze van een meisje dat Clemence werd genoemd maar al bij de geboorte stierf. Nagenoeg een jaar later op 28 juni 1912 werd een jongetje geboren dat Gustaaf heette maar op 3 juli van hetzelfde jaar al kwam te overlijden. Op 19 november 1913 zag mijn vader het levenslicht. Hij kreeg de naam van het overleden broertje: Gustaaf.

In de geboorteakte van Gustaaf is in de marge met potlood geschreven: ‘vertrokken naar Sint-Niklaas op 18.9.14’. Volgens het archief van Sint-Niklaas woonden zij al op 27.8.1914 in de Kaustraat nr. 6, de huidige De Cauwerstraat. Door verkeerde overschrijvingen vinden wij verschillende benamingen voor deze straat terug, gaande van Cauwestraat, Caustraat en Kauwstraat in de betekenis van ‘kauw’, een kraaiachtige vogel.

We kunnen niet meer nagaan wat hen gedreven heeft om naar Sint-Niklaas te verhuizen al kunnen wij wel een en ander vermoeden. Het teruglopen van de landbouwnijverheid ten voordele van de industrie zal het er niet gemakkelijker op gemaakt hebben om op de uithoek die Lauwershoek ten slotte was te overleven.

Maar er was ook de wet op het verplicht onderwijs. De wet Poullet van 19 mei 1914 introduceerde de leerplicht voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar en stipuleerde dat de bovenste leeftijdsgrens zou verhoogd worden tot 13 en vervolgens 14 jaar. Tevens werd het Medisch Schooltoezicht opgericht, om de kritiek tegen te gaan dat een (verplichte) concentratie van kinderen tot ongezonde situaties zou leiden. De leerplicht viel dus samen met het lager onderwijs Vóór 1914 was er geen leerplicht in België. Meestal probeerde men de kinderen tot aan hun plechtige communie naar school te laten gaan. Op het platteland werd in de drukke voor- en najaarsperiode weinig op de schoolgaan gelet. Daarna begon de beroepsopleiding: men ging in de leer bij een ambachtsman, trok naar de fabriek, naar Frankrijk of naar Nederland om het seizoen te doen in de landbouw of bleef thuis werken in de huisnijverheid of op het boerenbedrijf. De enkele kleine lieden die tot het middelbaar of hoger onderwijs doordrongen, konden dat meestal maar als ze zich tot het seminarie of tot een religieuze gemeenschap voorbestemden. Uiteindelijk kwam de wet pas na de oorlog in voege. Aloys en Leontien stonden dus voor de keus, ofwel het jongste kind van Lauwershoek naar Temse Velle of naar Sint-Niklaas alle dagen te voet naar school sturen of verhuizen. Van vader heb ik vaak horen vertellen dat moeder Leontien niet al te fel was en vaak ziek. De keuze voor Sint-Niklaas had misschien iets te maken met de nabijheid van een dokter of een hospitaal maar zeker ook van enkele scholen. Zo kwam het 11-jarige Stafke Pauwels in de stadsschool aan de Kleine Peperstraat terecht. Maar Stafke ging niet zomaar zonder aansporingen naar school. Zo vertelde hij maar al te vaak dat de gendarmen vader Aloys ooit van de akker hebben gehaald waar hij en Stafke aan het werk waren om hem in de cipirage een nachtje te laten overdenken waarom hij hem niet naar school stuurde. In elk geval leerde vader er lezen en schrijven en vooral rekenen, iets wat hem in zijn fabrieksloopbaan goed van pas zou komen. Zijn oudere broers Ward en Amedé zijn niet naar school geweest en konden bijgevolg ook niet lezen of schrijven.

IXa. LEONTINA MARIA DE KREYMER          1875 - 1930

Leontina De Kreymer, werd geboren op 12 augustus 1875 te Sint-Gillis Waas, als dochter van Aloys De Kreymer en Anna Catharina De Loose die op 27 juni 1874 te Sint-Gillis waren getrouwd. Aloys overleed te Sint-Niklaas op 15 februari 1878 waarna A.Catharina opnieuw huwde met Franciscus Xaverius Van Walle, te Sint-Niklaas op 23 april 1879.

        

De familie De Cremer zoals de naam eertijds werd geschreven woonde al in de 16de eeuw in Sint-Niklaas. Via huwelijken kwamen enkele generaties in Tielrode en weer in Sint-Niklaas terecht. Het was Petrus Adrianus De Creimer die op 27 augustus 1825 met Anna Catharina Abeel huwde waardoor de familie in Sint-Gillis Waas terecht kwam. Petrus Adrianus was toen 47 jaar en zijn bruid 18. Het zou wel eens een moetje kunnen geweest zijn. In die tijd werden in Sint-Gillis en omstreken grote inpolderingwerken en aanplantingen van bossen uitgevoerd, die veel landarbeiders naar Sint-Gillis lokten. Vaak jonkmannen die zich na een tijdje in de gemeente vestigden en hun eenzaamheid dan bestreden met het verleiden van een jong meidje. Hun zoon Aloys moet zowat van hetzelfde gedacht geweest zijn want op zijn 38ste huwde hij Anna Catharina De Loose, 22 jaar en afkomstig van Tereken te Sint-Niklaas. Haar vader, Joannes Nicolaes, was zandleurder en getrouwd met Regina Maes uit Nieuwkerken.

Na het voortijdig overlijden van Aloys De Kreymer op 15 februari 1878 op zijn 41ste nam op 2 mei 1879 Anna Catharina haar intrek bij de familie Moordijck in de Brantstraat nr. 5 te Temse, samen met de kleine Maria Leontina. Dat staat te lezen in de boeken van Aankomst en Vertrek van de gemeente Temse. Er staat duidelijk bij vermeld dat zij de weduwe is van Aloys De Kreymer en uit Nieuwkerken komt. Op dezelfde bladzijde lezen we ook dat op 13 mei 1979 het echtpaar Van De Walle-De Loose met Maria Leontina De Kreymer zich op Eigenlo komen vestigen. Volgens hun huwelijkakte zijn zij echter al getrouwd op 13 april 1879 te Sint-Niklaas en ook daar staat dat A.C. De Loose uit Nieuwkerken komt.

Maria Leontien De Kreymer leefde dus als kind en als jong meisje op Eigenlo. Zij stapte in de voetsporen van haar moeder en werd eveneens dienstmeid. Wanneer zij Aloys Pauwels leerde kennen en met hem wou trouwen waren er voor mannen maar een paar mogelijkheden om aan de kost te komen.: het steengelaag, mandenvlechten of klompen maken. Boerenknecht was de enige andere uitweg. Op de akte van hun huwelijk staat dat Aloys Pauwels boerenwerkman was. Na zijn kennismaking en huwelijk met Leontine verkoos het paar een leven te gaan leiden waarmee zij het meest vertrouwd waren; als landbouwersknecht en thuiswerkster op het platte land in de Landmolenstraat. Liever nog dat, dan in die verschrikkelijke fabrieken te gaan werken waar geen buitenlucht te zien viel. Aloys had alvast een huisje gehuurd op Lauwershoek niet ver van waar zijn broer Petrus woonde. Na hun trouwen trokken zij erin brachten er hun kinderen op.

Er was echter groot onheil op komst: Een aanslag op de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Frans Ferdinand te Sarajevo betekende immers het begin van de eerste wereldoorlog.

De Grote Oorlog.

Die zou duren van 1914 tot 1918 en was het eerste conflict waarbij naties van alle continenten betrokken waren. Hij bracht vooral voor Europa zoveel vernieling en zulke enorme aantallen doden mee dat de overlevenden hem de Grote Oorlog noemden. Een grotere verschrikking leek hen ondenkbaar. De geschiedenis bewees dat ze ongelijk hadden; amper 20 jaar later maakte de Tweede Wereldoorlog nog veel meer slachtoffers.

Het Duitse leger viel België binnen op 4 augustus 1914. Op 18 september ruilden Aloïs en Leontien reeds Lauwershoek voor de Kauwstraat in Sint-Niklaas. Mogelijk uit angst voor de gevechten om en rond de Lauwershoekschans, de Land-molenschans en het Fort van Haasdonk. Bevreesd wellicht ook voor schermutselingen aan de omliggende bunkers in de velden ter bescherming van Antwerpen. De fortificaties bewezen geenszins hun nut want al op 10 oktober was Antwerpen in het bezit van de Duitsers.

Uw kroniekschrijver heeft geen kennis van familieleden die in de Grote Oorlog gevochten hebben. Er is ook nooit gewag gemaakt van gesneuvelden, wat wordt bevestigd door gegevens in de gegevensbank van www.inflandersfields.be en door onderzoek in het archief van Sint-Niklaas. In Archivaria het tijdschrift van het stedelijke archief worden drie Sint-Niklazenaars genoemd die de ondankbare en gevaarvolle taak op zich hadden genomen, de verbonden legers de nodige berichten uit het bezette gebied over te maken en daarvoor betaalden met den heldendood. Het betreft, Jozef Loncke gefusilleerd te Edegem op 14 juli 1917, Maria Van der Meulen, overleden in de gevangenis te Antwerpen op 30 juni 1918 en Theodoor Clement Heirman, bij zijn terugkeer uit ballingschap gestorven te Luik op 2 december 1918. Het drietal blijft in het collectieve geheugen hangen dank zij naar hen genoemde straten. (43)
 
De Duitse bezetting.

 

De Wase bevolking had erg te lijden onder de Duitse bezetting. Vooreerst zagen De Duitsers zich voor een ‘Belgisch vraagstuk’ gesteld. Hoe men het ook draaide of keerde: de Belgen leefden voortaan onder Duitse heerschappij. Aanvankelijk werd België ingedeeld in een Gouvernementsgebied en in een Etappengebied. Dat laatste kreeg een militair bestuur omdat het werd beschouwd als een frontlinie. Het gebied besloeg Oost- en West-Vlaanderen en was opgedeeld in 29 Kommandaturen waarvan Sint-Niklaas er één was. Op 24 juni 1916 zou er een nieuwe indeling komen. Na de afschaffing van de Etappenkommandatur Sint-Niklaas, vielen Nieuwkerken, Sint-Niklaas en Temse onder het Gouvernementsgebied.


Terugtrekking achter de IJzer.

Al voor de val van Antwerpen besloot koning
Albert I om zich over te geven. Maar hij werd overtuigd om te blijven vechten tegen de Duitsers en trok zich terug naar Diksmuide achter de IJzer. Door het openzetten van de sluizen bij Nieuwpoort, kon het Belgisch leger standhouden. Van een korte, snelle bewegingsoorlog was geen sprake meer: alle partijen groeven zich in. De loopgravenoorlog was een feit moorddadiger waren de ondergrondse gangen en kamers volgestouwd met munitie die men van op afstand kon laten ontploffen en enorme kraters veroorzaakten zoals de Pool of Peace te Wijtschate. De krater is een herinnering aan de mijnenslag of de Slag bij Mesen. Hij is de grootste en meest indrukwekkende krater met een diepte van 12 meter, de volledige diameter met rand bedraagt 129 meter.
 
Voedseltekort.

 

In de rest van het land bleven enkel nog de gemeenten als leidinggevende instellingen Belgisch. Burgemeesters, schepenen en gemeenteraden regelden, zoals in vroegere eeuwen, vrijwel het gehele openbare leven. De grootste botsingen met het Duitse gezag deden zich dan ook op gemeentelijk niveau voor. De gemeente trad, zoals vroeger, op als ‘de natuurlijke verdedigers van hun burgers tegen het vreemd gezag’. Zo betaalden ze lonen, uitkeringen en pensioenen uit, distribueerden het Amerikaanse graan en begonnen zelfs weer geld uit te geven. Zo kwamen op 22 oktober 1914 alle burgemeesters van het Waasland samen in het stadhuis van Sint-Niklaas om te spreken over kasbons en levensmiddelen. Men kwam tot een overeenkomst dat iedere gemeente zijn eigen papieren geld mocht uitgeven in de vorm van kasbons, voor het bedrag van 7 frank per inwoner. Deze kasbons zouden wel in alle gemeenten van het Waasland geldig zijn. De 12de november werd een tweede bijeenkomst gehouden, waar de hoogste prijzen voor tarwe (25 frank), rogge (18 fr.) en aardappelen (7 fr.) werden vastgelegd. De Duitse opvorderingen brachten het bezette gebied in nog meer ellende. Het zeer dicht bevolkte België had sinds lange tijd niet meer voor zijn eigen voedselvoorziening ingestaan. Het was bijvoorbeeld voor 80 % van zijn tarwe van invoer afhankelijk. België had geen ravitaillering voor de oorlog voorzien, daarbij kwam nog eens dat de geallieerden een economische blokkade tegenover Duitsland opwierpen met behulp van de Britse vloot. Duitsland verklaarde hierna dat ze de voedselvoorziening in het bezette gebied niet kon voorzien. Niet alleen stonden de Duitsers niet voor de voedselvoorziening in, ze vorderden systematisch de Belgische voedselvoorraden op voor de heimat of plunderden. Het was zo erg gesteld dat België op 26 oktober nog maar voor vier dagen meel in voorraad had. De steden leden het meest onder het voedseltekort.

 

Al gauw begonnen steden, dorpen en liefdadigheidsorganisaties te improviseren om de nijpende toestand te verhelpen, want men kon niet rekenen op de ontwrichte staat. In de eerste weken van augustus hadden de gemeenteraden van het nog onbezette gebied graan in Nederland opgekocht, gemeentelijke bakkerijen geopend en waren met de collectebus rond gegaan voor de families van soldaten. Deze lokale hulpverleningsprojecten zouden geen stand houden als de oorlog nog lang zou aanslepen, dus moest er naar duurzamere oplossing op nationaal niveau gezocht worden.

 

Deze oplossing zou er komen uit de Brusselse elitekringen onder impuls van de Brusselse Burgemeester Adolph Max die het initiatief nam om een aantal Belgische magnaten zoals Solvay en Francqui samen te brengen om gelden ter beschikking te stellen voor een groots opgezet voedselprogramma, eerst voor Brussel, daarna voor het ganse land. Helaas was dat niet voldoende.

De Amerikaanse deelname aan de oorlog liet het tij keren. Men richtte de Commision for Relief in Belgium op, een organisatie die bevoorrading voor de Belgen regelde. Door bemiddeling van de Amerikaanse president Wilson, kwam er hulp van over de hele wereld Maar er bleven toch tekorten. Brood, zuivel en aardappelen waren gerantsoeneerd maar ook aan andere goederen was er tekort. Elk gezin had het recht op een bepaalde hoeveelheid van deze goederen. Er ontstonden ziektes zoals tyfus, tuberculose en de Spaanse Griep die na de oorlog nog enkele jaren slachtoffers maakten.

De harde winter van 1916 – 1917.


De buitenlandse hulp zorgde er in de eerste helft van de oorlog voor dat een hongersnood uitbleef. Het was zelfs zo dat door een speciale programma voor zuigelingen het sterftecijfer van de baby’s lager lag dan voor de bezetting. België redde het dus, totdat het land te kampen kreeg met een verschrikkelijke winter in 1916/1917. Op 16 januari 1917 begon het in het Waasland te sneeuwen. Het zou drie dagen duren. Tot overmaat van ramp begon het te vriezen, zo hevig dat de Schelde en de Durme bevroren. Dit had tot gevolg dat de scheepvaart, die zo noodzakelijk was voor de toevoer van brandstof stil lag. Er kwamen geen kolen meer, en de voorraden raakten op. Als er al eens een trein toekwam dan werden de kolen aangeslagen door de Duitsers. Ook het Nationaal Hulp- en Voedingscomité had geen kolen meer. Er werden massaal bomen geveld, meestal sparren die niet echt geschikt zijn voor het stoken in een kachel. Ook verlichten werd moeilijk aangezien petroleum 5 à 7 frank per liter kostte. De mensen kropen noodgedwongen vroeger in bed, niet enkel omdat er geen licht was, maar ook voor de warmte. Natuurlijk werden ook de voedingswaren duurder, zo werden aardappelen verkocht aan 125 fr./ 100 kg, rogge aan 225 fr./ 100 kg en een roggebrood van 1 kg kostte 2 fr. De situatie was zo dramatisch dat men in maart katten en honden begon te slachten. De jacht op de huisdieren werd geopend, en sommigen sloegen daar volop financiële munt uit. In een aantal gemeenten werd een melkdienst in het leven geroepen, omdat de melk ‘vervalst’ werd en in hoeveelheid van dag tot dag verminderde, bij gebrek aan melkkoeien. De boeren moesten hun ontromers en karnen inleveren en dagelijks tweemaal de voortgebrachte melk indienen bij de bedienden van melkdienst. De rantsoenering van de volle melk was een halve liter per dag voor kinderen, zieken en zwangere vrouwen. De rest van de bevolking moest het stellen met de weinig afgeroomde melk die er nog was. De meest behoeftige mensen gingen naar de soepkeuken, waar ze éénmaal per dag brood en soep kregen. De eerste maanden lieten de mensen zich de soep smaken, maar naarmate de oorlog voortduurde, waren er minder levensmiddelen voor beschikbaar en moest men noodgedwongen stoppen met het uitdelen van soep. Voor behoeftige mensen van ‘betere huize’ was de soepbedeling een vernedering, ze zouden liever verhongeren dan in de rij tussen de arbeiders te staan wachten. Voor hen werden liefdadig-heidsacties opgericht zoals ‘Bescheiden Hulp’, die voedsel-pakketten schonk aan Burgerspijszalen. Dit alles dekte geenszins de normale behoefte, want in feite daalde de gemiddelde levensstandaard tot op circa één vierde van het vooroorlogse peil. Als gevolg van het gebrek aan voedsel ontstond een zwarte markt die voor de landbouwers op het platte land een bron van benijdenswaardige verrijking was en een soortement revanche op de stad. Een andere vorm van verrijking van de plattelandsbevolking was het overbrengen van voedsel en dieren uit Nederland. Vooral in de grensgemeenten was het smokkelen een bijna dagelijkse en georganiseerde bezigheid. Om dat tegen te gaan installeerden de Duitsers de zogenaamde ‘elektrieken draad’.

De elektrieken draad.

De draad, ook wel de Doodelijke Draad genoemd is een tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetters in België opgebouwde draadversperring langs de grens van Nederland en België. Deze versperring stond onder elektrische stroom en moest verhinderen dat burgers van België - het oorlogsgebied - ontvluchtten naar het neutrale Nederland. De 2 tot 3 meter hoge Draad liep van Vaals tot in Knokke. Het hekwerk was gerealiseerd in 1915. Op de versperring stond 2000 volt hoogspanning. Wie de draad aanraakte was derhalve direct dood. Smokkelaars en onvoorzichtige burgers overkwam dit wel eens, maar het merendeel van de slachtoffers bestond uit Belgische vluchtelingen. Vrijwel iedere dag werd er wel in de krant bericht over iemand die was doodgebliksemd. Velen die toch trachtten België te ontvluchten zijn hierdoor omgekomen. Voor Nederland was de Draad een waarborg van de toenmalige neutraliteit en tevens een bevestiging dat er rondom Nederland tijdens de Grote Oorlog sprake was van onveilige situaties, en wel zodanig dat mensen ervoor gingen vluchten. Honderden vluchtelingen zijn erin geslaagd om naar Nederland te ontkomen door houten tonnen, met wollen dekens, door een houten fietsvelg, volledig in rubber gehuld of met behulp van andere niet stroomgeleidende voorwerpen. (44)
 
De Frontbeweging.

In het Belgische leger, dat in de loopgraven aan de IJzer standhield tegen alle Duitse aanvallen, voltrok zich een merkwaardig proces van Vlaamse bewustwording. Tachtig procent van de soldaten in het Belgisch leger bestond uit Vlaamse volksjongens. De officieren kwamen meestal uit de Nederlands onkundige burgerij en hadden ontstellend weinig begrip voor de problemen en noden van hun soldaten. Dat die situatie niet tot erge conflicten heeft geleid, is in grote mate te danken aan de aanwezigheid van een merkwaardige groep Vlaamse intellectuelen en studenten. Die onschuldige actie stuitte vrij vlug op wantrouwen en verbod van de legerleiding. Vlaamsgezinde soldaten werden van het front verwijderd en kwamen in strafkampen in Frankrijk terecht. Meteen kreeg de Frontbeweging een duidelijker politiek karakter. Dat leidde niet tot een muiterij omdat de leiders van de beweging in de eerste plaats aanstuurden op een regeringsverklaring waarin het inwilligen van hun eisen - Vlaamse regimenten, een Vlaamse hogeschool, gelijkheid in rechte en in feite - onmiddellijk na de overwinning zou worden toegezegd. Toen het antwoord van de regering uitbleef groeide bij de Vlaamse frontsoldaten de gedachte van zelfbestuur, de idee dat de Vlamingen alleen aan hun trekken zouden komen wanneer zij over een eigen politieke structuur konden beschikken. Tot op de dag van vandaag is dit de basis gebleken van het Vlaams Nationalistisch gedachtegoed.

De Gebroeders Van Raemdonck, de mythe.

Edward en Frans die afkomstig zijn van Temse, werden in die tijd beschouwd als een voorbeeld van broederliefde. Ze waren tijdens de Eerste Wereldoorlog beiden sergeant van de 6e Compagnie van het 24e Linieregiment. Bij een aanval op de Duitse linies op het grondgebied van Steenstraete in de nacht van 25 op 26 maart 1917 keerde Frans Van Raemdonck niet terug. Zijn verontruste broer Edward negeerde het bevel van zijn overste en ging achter zijn broer aan. Vanaf dan waren beide broers vermist. Tot daar klopt het verhaal nog, en het blijft beslist een moedige daad van Edward om zijn broer niet in de steek te laten. Maar achttien dagen later wanneer hun lijken werden gevonden ontstond de mythe van de gebroeders Van Raemdonck. De soldaten die de lijken moesten bergen troffen drie lijken aan. Ze bleken nauwelijks herkenbaar en verkeerden reeds in een verregaande staat van ontbinding. De soldaten waren geen bekenden van de gebroeders Van Raemdonck, maar aan hun kentekens (de beide broers waren sergeant) herkenden zij een sergeant (Frans Van Raemdonck) die de korporaal Amé Fiévez uit Wallonië in de armen hield. Op enkele meters afstand lag Edward Van Raemdonck die men eveneens herkende aan zijn kentekens van sergeant. De sergeant Charles (Karel) Withof die de lijken begroef, bracht hiervan verslag uit nadat hij een andere versie van de feiten had gelezen in het blaadje Onze Themschenaars van Clemens De Landtsheer (1894-1984) die tussen 1926 en 1961 onafgebroken secretaris van het IJzer-bedevaartcomité was, en een volle neef van de gebroeders Van Raemdonck. Clemens had zich daarbij gebaseerd op een andere getuigenis van Lodewijk Van Gelder, die eveneens had deelgenomen aan de berging van de broers en beweerde dat hij ze in elkander gestrengeld had aangetroffen. De mythe was geboren. De Vlaamse dagbladen brachten uitvoerig relaas over deze door broederliefde geïnspireerde daad. De gebroeders werden aldus een symbool voor de Vlaamse Beweging. Frontsoldaat en kunstenaar Joe English droeg daar met een dramatische tekening het zijne toe bij.

De burgemeester van Temse, Luc De Rijck, weerlegde de mythe in zijn boek Terug naar het Niemandsland, De gebroeders Van Raemdonck, mythe en werkelijkheid, Publisher De Klaproos, Koksijde 1997. Hij ontnam aldus zijn eigen lokale helden een stukje van hun roem.(45)

Na de oorlog

Na de afloop van de eerste wereldoorlog op 23 februari 1919 vroeg Aloys aan het stadsbestuur een getuigschrift aan van Goed gedrag en zeden, vermoedelijk om in een fabriek aangeworven te worden. Het getuigschrift heeft hij eigenhandig ondertekend. In Temse daarentegen had hij bij de geboorte van zijn kinderen steevast gezegd dat hij ongeletterd was en had hij geen enkele keer de aktes getekend. Als we de fabrieksgang van grootvader Aloys zijn zonen volgen zal hij hen misschien wel in een of andere textielfabriek van de familie Peeters zijn voorgegaan. Misschien heeft hij het nog een tijdje als landbouwersknecht volgehouden. Wanneer op 28 november 1922 op het Hertjen 72 een huisje leegkomt, verhuisden Aloys en Leontien er heen. Het huisje maakte deel uit van een rij in een inslag aan het Hertjen die toegang gaf tot een boerderij met een behoorlijke mesthoop op het erf. Vandaar de naam strontdreef, waarmee de omwonenden het weggetje aanduidden.
Volgens mijn vader sukkelde zijn moeder met haar gezondheid. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat Maria Leontina De Kreymer op haar vijfenvijftigste de geest gaf, op driekoningendag, 6 januari 1930 in dat huisje op het Hertjen.

Op 21 november 1927 had Gustaaf, die dan 14 jaar was geworden, zijn arbeidsboekje in het kader van de wet op kinderarbeid gekregen. Hij kon als leerjongen en later als garçon (helper van de wever) aan de slag bij Peeters, Van Houtte en Duyver, tissages de velours et de tapis teinturerié, het zogenaamde Zwijgershoekske genoemd naar het café op de hoek van de Zamanstraat en de fabrieksingang.

 

            

In het Waasland en meer bepaald in Sint-Niklaas was de textielindustrie in de hele 19de eeuw en later van bijzondere betekenis. Het was een spitssector in de eerste helft van de eeuw en bleef met 27 % van het aantal tewerkgestelde arbeidskrachten tot 1914 de belangrijkste nijverheid in het land; dat zelf dankzij de vlugge mechanisatie vroeg in zijn geschiedenis tot één van de meest geïndustrialiseerde landen van de toenmalige wereld behoorde.

Gustaaf kende vanzelfsprekend de oudste dochter van Mien Roggeman al was het maar omdat beide families in de Kauwstraat woonden. De twee konden het blijkbaar goed vinden en begonnen een vrijage. Helaas hing er opnieuw oorlogsdreiging in de lucht. Bij de tweede keer dat het leger mobiliseerde besloten de twee toch maar te trouwen op de vooravond van de tweede wereldoorlog: 21 december 1939. Ze trokken in een rijhuisje op het Hertjen nr. 80 niet ver vanwaar vader Aloys woonde. In volle oorlogstijd werd op 7 januari 1942 een kind geboren: uw kroniekschrijver die Aloys als peter meekreeg en Lie De Strijcker als meter. ‘Ne wree strenge winter, er lag wel ne meter sneeuw, zodanig veel dat ons Yvonne het niet overtuurde om te voet hare kerkgang te doen’. Cis Van Epsen werd dan maar ingehuurd om ons met zijn vigilante - nadat hij de kiekens er uit had gejaagd - ter kerke te rijden.

 
 
Foto genomen in 1942, Aloys Pauwels met zijn kleinzoon Etienne, Hertjen nr. 80.

Wanneer Staf in de herfst van 1942 als verplicht tewerkgestelde naar Duitsland is vertrokken gaat Yvonne met haar kind inwonen bij haar vader en moeder op Hoogkameren. Grootvader Aloys nam zijn intrek in hun huisje op nr. 80. Zijn dochter Marie, die eigenlijk Josephine heet was, ondertussen getrouwd met Louis Van Rattinghe en kwam in nr. 74wonen. Na de oorlog keerde Yvonne terug naar haar woning bij haar schoonvader. Hij bleef daar inwonen ook nadat Staf uit Duitsland was teruggekeerd.

Ik leerde hem kennen als een redelijk klapgrage man die op hoge leeftijd nog bij de boeren aardappelen ging aankappen en rooien. Hij nam me vaak mee op zijn tochten naar familie op Hoogkameren of naar Velle, of bij de een of andere boer die hij kende. Want altijd had hij wel iets van doen. Was het geen eten dan was het wat materiaal om te fotteren of om eens te gebruiken. Op een onderstel van mijn oude kinderkoets had hij een houten bak gemonteerd waarmee hij alles wat hij kon gebruiken vervoerde en waarin hij mij overal mee naar toe zeulde. In de oorlogsjaren of kort erna, vergezelde ik hem naar een hangar in een dreef rechtover bakker Stout op het Brugsken. We schoven er in lange rijen aan voor een kannetje soep.

Grootvader Aloys zong ook graag, vooral in cafés wanneer hij wat boven zijn theewater was. Moeder Leontien, met het eten op de stoof zond Stafke dan maar de straat op om Aloys te gaan zoeken. ‘Ge zult wel horen waar hij zit’, zei ze dan.

Van grootvader op vader op kleinzoon, leerde ik het liedje van Peer Lataan. Het moet in herbergen gezongen zijn langs de kanten van Lauwerhoek en de Vierstraat want volkszanger Marc Hauman, laat die nu op Lauwershoek wonen, herkende het meteen toen ik hem de tekst liet zien. Hij had het eveneens van zijn grootvader. Marc liet mij in elk geval prompt een opname van zijn grootvader horen. In de versie van grootvader Hauman is het een zogenaamd verhuislied, waarbij de voorzanger aan zijn meisje vraagt wat hij haar allemaal moet bezorgen aleer zij met hem een nieuwe woning wil betrekken. Dit zal dichter bij de oorsprong aanleunen dan de versie van Aloys Pauwels die het waarschijnlijk heeft horen zingen, en er dan een eigen versie over een kwezelke heeft van gemaakt

DANST IEJS KWEZELKEN…

                                               Een keerzang

Danst iejs kwezelken, ik zal ö geven….

 

nen hoan,                    Peer Latoan is zijnen noam.

en hin,                         tiktaktin, hiejt m’n hin

en kat,                        verbrand gat hiejt m’n kat

nen hond,                    slabber de stront, hiejt mijnen hond

e pjeird                       lange stjeirt hiejt me pjeird

e veulen                     rond me meuleken, hiejt me veuleken

en koe                       nooit nie moe, hiejt m’n koe

ne mutten                  ruttepatutten hiejt mijnen mutten

e veirken                    wilde niet werken, hiejt me veirken

                                 Peer Latoan hiejt mijnen hoan !

 

In het voorjaar van 1947 werd grootvader ziek. Begin mei stelde zich een probleem. Staf en Yvonne konden in het huis op Hoogkameren nr. 14 intrekken. Het was eigendom van een tante maar hoe de vork juist in de steel zit moet je elders lezen. Op 9 mei verhuisden Staf en Yvonne. De zieke Aloys kon onmogelijk in het lege huis nr. 80 achterblijven en werd toevertrouwd aan zijn dochter in nr. 74. Op 25 mei 1947 stierf Aloys Pauwels, 77 jaar oud in de woning van zijn dochter. Dat weet ik met zekerheid omdat ik herhaaldelijk bij de zieke grootvader met mijn ouders op bezoek kwam en hem ook opgebaard heb zien liggen in zijn groot bed dat op houten blokken schuin naar beneden was gezet om hem het ademhalen makkelijker te maken. Dat doet vermoeden dat grootvader aan de gevolgen van een fleuris is gestorven. Zijn rouwbrief vermeldt dat men voor de begrafenis diende samen te komen ten sterfhuize Hertje 80. Terwijl ik getuige ben geweest dat zijn sterfbed in de woning van tante Marie stond. Hoe valt dit te verklaren? Ik vermoed dat de huur van Hertje 80 nog niet was opgezegd voor het geval dat grootvader nog zou herstellen. Mijn ouders woonden al op Hoogkameren. Hun huis op het Hertje bevatte waarschijnlijk alleen nog wat meubeltjes van Peter Wies. Overigens was grootvader officieel nog altijd op nr. 80 ingeschreven. Na de kisting, veronderstel ik dat het stoffelijk overschot van Aloys Pauwels, naar het huis op het Hertje nr. 80 is overgebracht, niet alleen omdat hij er woonde, maar om een zeer praktische reden. In een bijna leeg huis is het makkelijker om mensen te ontvangen die de kist wilden komen groeten vooraleer de doodkoets zich in beweging zette met op de bok Cis Van Epsen.

Comments