Verhalen‎ > ‎

van Schijndel - de Noordmolen

Wonen in de Noordmolen

Omdat 2007 het jaar van de molen is, leek het ons goed eens terug te kijken op het leven van een molenaar en zijn gezin aan het begin van de vorige eeuw. De polder van Berkel is de grootste en oudste polder van het Hoogheemraadschap van Delfland. In 1865 is er een stoomgemaal gebouwd en het jaar daarop zijn de Windasmolen en de Verlaatmolen gesloopt. Daarna bleven de Hoekmolen, de Noordmolen, de Nieuwe molen en de Bovenmolen over. In 1927 werden deze molens stilgezet en verder niet meer onderhouden. Uit een opgave uit 1930 is te lezen dat de polder in dat jaar uit niet minder dan zeven
waterstaatkundige delen bestond en dat de bemaling plaats vond door vier centrifugaalpompen en vier schepradmolens. In 1939 werden de Hoekmolen en de Noordmolen gesloopt. Van de onder-molens is er nog één (molen de Valk) blijven staan en deze is nog steeds te zien aan de Molenweg richting Oude Leede. Het landschap van Berkel en Rodenrijs werd in die tijd dus bepaald door de vele molens.

De zussen Alie Scholte-van Schijndel en Annie Vonk-van Schijndel

Om ons in te leven hoe het is om in zo’n molen te wonen, hebben we een gesprek gehad met mevrouw Annie Vonk-van Schijndel en mevrouw Alie Scholte-van Schijndel. Ze zijn geboren in de Noordmolen die in 1939 is afgebroken.

De Noord-molen was een watermolen en stond ongeveer bij de Ackerdijkse plas, in de buurt van het nieuwe poldergemaal .
De Noordmolen dateert in zijn oorspronkelijke vorm al van 1472 en had als taak het overtollige water van de polder over te scheppen in de Zweth.
Ongeveer in 1920 nam de vader van de dames het beheer van de molen over van zijn vader, maar de molen bleef eigendom van de Polder Berkel.

 Vader van Schijndel moest op het scheppen toezien en bij slecht weer de kap met de wieken op de wind draaien of de wieken stilzetten bij storm.
Als het een feestdag was, werden de wieken met vlaggetjes versierd en alle molens in de buurt stonden met hun wieken in dezelfde stand. Als er iemand was overleden stonden ze in de rouwstand. Wanneer er geen werk was, moest hij in de polder de sloten schouwen en het sluisje bedienen.
In de winter kon het zo hard waaien dat de hele molen knarste en piepte, moeder van Schijndel was dan heel bang en bad hardop. Maar er is nooit iets ernstigs met de molen gebeurd. Als het vroor was het heel koud in de molen.
De ijspegels zaten aan de dekens en het water in het wijwaterbakje was bevroren. Dan hadden ze het gevoel de hele dag niet meer warm te worden.

De ouders van Alie en Annie: Arend van Schijndel en Bernadina van Schijndel- Paalvast

Wassen met een stamper
Het gezin groeide uit tot tien kinderen die in de molen zijn geboren en een elfde kind in het huisje ernaast: zes meisjes en vijf jongens.
Beneden in de molen was het woongedeelte.
Er waren twee trappen: één naar de slaapzolder waar de meisjes lagen en één naar de rookzolder waar de hammen en worsten hingen en waar de jongens sliepen.
Om alle monden te vullen, hield de molenaar in een stal wat koeien en een varken. Om het gras kort te houden liep er een geit rond de molen. Maar als er weer een kindje kwam moest er een koetje weg.

Aan de blozende en vrolijke dames is niet aan te zien hoe primitief en zwaar het leven in hun jeugd was.
In de molen was geen waterleiding, elektriciteit of gas. Het toilet was een plank met een gat buiten boven de vaart, een plee genoemd. Moeder kookte op petroleumstellen, voor de was en het badwater werd een ketel met takkenbossen gestookt. Er stond altijd wel eten te pruttelen of een was te koken. Wassen deed men met de hand en een stamper. Buiten werd de was gespoeld en om te drogen op de bleek gelegd of op een klerenrek gehangen.

De kinderen van Arend en Bernadina van Schijndel op een rijtje: Marie, Bets, Piet, Corry, Cors, Tinus, Annie, Jan, Simon, Toos en Alie 

De bakker, de slager, de kruidenier en Roeleven met kleren, kwamen met een bakfiets aan de deur, maar daar was nauwelijks geld voor. De verdiensten waren drie gulden per uur en daarvoor moesten ze dag en nacht klaar staan. Gelukkig was daar tante Ka uit Delft, die bij ieder die ze kende kleren voor hen regelde en er was altijd wel een kind dat iets paste.

Een dienst voor dag en nacht
Moeder werkte de hele dag en alleen op zondag kon ze naar de vroegmis, haar enige uitje. Ze verliet dan het huis om 6 uur ‘s ochtends en liep samen met wat buren naar de kerk. Om 9 uur moest ze weer thuis zijn, want dan ging vader op zijn fiets naar de kerk. Later gingen ze om en om op zondag.
Toen de kinderen naar school moesten, liepen ze om 7 uur ‘s ochtends al naar Berkel om op tijd in de kerk te zijn, later werden ze met een busje vanaf station Rodenrijs opgehaald en naar school gereden. De meisjes liepen op schoenen, die van het ene meisje op het andere gingen. De jongens liepen op klompen die hersteld werden met oude fietsbanden.

         Het oude molenhuis, waar het gezin vanaf 1929 permanent woonde en de barg, gezien vanaf de Bovenvaart

Er waren zeven klassen op de lagere school en een kleuterschool maar die werd niet bezocht. De kinderen gingen vanaf zes jaar naar school, de kleintjes van zes liepen gewoon met de oudere kinderen mee.
In de winter mochten ze ‘s middags een uur eerder naar huis om voor het donker thuis te zijn.
Ze liepen via de Zuidersingel over de Molenweg, naar de polder. Na schooltijd moesten ze al van jongs af aan meewerken, eten klaarmaken, vegen en met de was helpen. De kinderen gingen tot hun 13e jaar naar school.
Daarna gingen de jongens bij een tuinder of een boer werken en de meisjes werden hulp in de huishouding.
Ze stonden om 6 uur op om eerst hun moeder te helpen en om 7 uur gingen ze naar hun werk tot ‘s avonds 6 á 7 uur. Wanneer ze een dienst hadden voor dag en nacht, waren ze om de veertien dagen een zondagmiddag vrij.
Dan mochten ze op de fiets naar huis, maar ze moesten voor het avondeten weer terug zijn.
Hun verdienste, die ze aan moeder moesten afdragen, was twee gulden vijftig in de week.

                              Een zomerse dag omstreeks 1930, met zijn allen in het weiland voor de Noordmolen

Een geriefelijk appartement
Toen het waterbeheer was overgenomen door stoomgemalen, waren de molens niet meer nodig.
Vader van Schijndel werd nu stoker in zo’n gemaal, waar hij de ketels stookte met kolen. Het was zwaar werk, want als het veel regende moest er dag en nacht gestookt worden.
De familie ging omstreeks 1929 in het huisje naast de molen wonen en daar werd de jongste dochter Alie geboren. Vader en moeder van Schijndel woonden na hun 65e jaar bij een tante op de Zuidersingel. Omdat het er zo vochtig was en moeder van Schijndel daardoor reuma kreeg, woonden ze later in een huisje bij de Rode Brug en nog later in de Van Naaldwijklaan

Zij waren heel blij met hun AOW, geld krijgen waar je niets voor hoefde te doen; of ze met vakantie waren!
Moeder van Schijndel is 93 jaar geworden, haar man 85. Annie leerde haar man, Wim Vonk, kennen via de dansles bij Visser. Tot haar trouwen is de molen haar ouderlijk huis geweest. Alie ontmoette haar man en de broers Tinus, Jan en Siem de enigen die nog over zijn van dat grote gezin. Wat een verschil om hen nu te zien in hun geriefelijke appartement. Zouden ze nog wel eens verlangen naar die tijd in de molen?



    Het trieste einde van de Berkelse molens: de Noordmolen wordt gesloopt. Deze foto is genomen in september 1939

(Foto’s zijn afkomstig uit de collecties van mw. A. Vonk-Van Schijndel en mw. A. Scholte-Van Schijndel)

Koosje Hansveit, Riet Snels en Jeanne Strijbos-de Veld


Lijst met subpagina's