Verhalen‎ > ‎

Kees Treurniet - muziekleraar

Deze keer heb ik een gesprek met Kees Treurniet over de befaamde tomatensorteerder, over zijn tuin en natuurlijk over de muziek.

Waar ben je geboren? “Ik ben aan de Noordeindseweg geboren. Vader Cor had daar zijn tuinderij. Maar van huis uit was hij molenaar. Hij kwam uit een oud molenaarsgeslacht van zes generaties. Vader stapte als dertigjarige uit de maalderij omdat zijn longen niet tegen het stof konden, want bij het malen ontstaat veel stof.
Hij is toen tuinder geworden omdat dit voor hem een gezond vak leek te zijn, in alle eerlijkheid moet ik zeggen dat hij in zijn hart nooit echt tuinder is geweest. Hij is gaan tuinen aan de Noordeindseweg, even voorbij café Brand (van Ome Ab). Zijn tuin lag over het water, Het was een zogenaamde dijktuin, voor het huis was een draaibrug.
Hij is begonnen met platglas, maar al gauw bouwde hij er kassen op, die later werden verwarmd met een kolengestookte ketel. Nog weer later is hij de Noordersingel overgestoken en heeft daar de tuin met een paar hectaren uitgebreid.
Hij had veel platglas waar komkommers, sla en peen onder werden geteeld. Op het koude land teelde hij onder andere stokprinsessenbonen, pronkbonen en verschillende soorten kool.

Ben jij na de lagere school gelijk in de tuin gegaan? Na de lagere school heb ik twee jaar MULO gedaan.
Daarna ben ik bij vader in de tuin gegaan. De oorlog was al begonnen. Na een aantal jaren moesten we eigenlijk in Duitsland gaan werken, maar we zijn toen ‘ondergedoken’. Als er een razzia kwam, kropen we door een luik naar het onderhuis. Na de oorlog ben ik naar de middelbare tuinbouwschool in Aalsmeer gegaan.
Daarna moest ik mijn militaire dienstplicht vervullen. Ik ben twaalf lid geweest van T.O.G., van m’n 16e tot m’n 28e jaar. T.O.G. huurde een aantal jaren een stuk land van mijn vader, achter de tuin aan de Noordersingel. Later werd de naam van de club TOGB. Mijn broer Piet heeft ook jaren bij TOGB gevoetbald. In de tijd dat wij bij TOGB voetbalden, mochten er maar vijf niet-katholieken lid zijn.

We hebben een leuke en sportieve jeugd gehad. Als jongens fietsten we rondjes om het huis en met een wekker werd de tijd van tien rondjes opgenomen. Ook hebben we achter de tuin een wielerbaan gemaakt met koolas van de ketel.
Naast het huis maakten we van hout uit de tuin een glijbaan, die we insmeerden met groene zeep zodat we hard naar beneden konden glijden. We kwamen dan in een kuil terecht waar we van te voren stro in hadden gegooid. We genoten er wel van maar het ging gevaarlijk hard en dus zijn we er op een gegeven moment maar mee gestopt.
Nogmaals, we hebben een heerlijke jeugd gehad en we mochten van thuis erg veel.

Hoe werden de producten van je vader naar de veiling gebracht? Die werden meegegeven met de veilingschipper.
We hadden rails over de Noordersingel liggen. Per lorrie werden de producten de dijk opgeduwd en met de schipper meegegeven. In de kassen teelde hij tomaten. Die tomaten werden door middel van een hobbel met vier of vijf ringen boven elkaar, waar gaten van verschillende grootte in zaten, gesorteerd. Dat sorteren duurde nogal lang.
Vader was een technisch man en hij heeft met stukjes hout en bonenstokken van alles en nog wat geprobeerd om het sorteren gemakkelijker en sneller te maken.
Uiteindelijk heeft hij contact gezocht met Van der Drift, de timmerman aan de Klapwijkseweg. Vader heeft de machine ontwikkeld en Van der Drift heeft het ontwerp uitgevoerd. Zo hebben ze de eerste machine gemaakt, die helemaal met de hand door middel van een hefboom werd aangedreven. Dat bleek heel goed te gaan en de machine had een grote capaciteit. Hij heeft er octrooi op aangevraagd en ook gekregen.
Door de jaren heen werd er veel aan verbeterd en ook kwam er een elektrische aandrijving. We hebben er vrij veel van verkocht. Er gingen veel machines naar het Westland.


Dat was dus de ‘Treurniet tomatensorteerder’? Ja, maar we hadden op den duur veel concurrentie van Brinkman en Noteboom. We maakten die latere machines niet zelf, maar besteedden de fabricage uit aan De Vogel, de timmerman en aan Van Zutphen, de smid. Ze maakten series van vijf. Als ze klaar waren werden ze op de schuit gezet en naar ons huis gevaren. Daar werden ze op de lorrie geplaatst en naar de grote schuur gereden, waar ze dan met olie ingesmeerd werden. Van daaruit werden ze verkocht.
Ik heb de verkoop van de machines van vader overgenomen en er veel aan gemoderniseerd. In één jaar hebben we er wel eens honderd verkocht. Ik heb het nog twaalf jaar gedaan. Toen kwamen de grote en veel uitgebreidere kleursorteerders.

Je bent tuinder geworden en handelde in sorteerders, maar had je toen ook de muziek al? Na mijn diensttijd ging ik weer bij vader in de tuin werken en vervolgens startte ik zelf een tuinderij op langs de Noordersingel. Ik verbouwde tomaten in de kas en kweekte cyclamen onder het platte glas. Van lieverlee werd alles volgebouwd met kassen.
Ik zat toen nog niet in de muziek, dat wil zeggen: het spelen op de accordeon was een hobby van me. Vanaf mijn twaalfde jaar heb ik accordeon gespeeld. Vanaf mijn dertigste heb ik gedurende een aantal jaren les gehad.
Ik ben veel op concours geweest bij de accordeonbond. Een keer ben ik tweede geworden op het eindconcours en daardoor kon ik naar het Internationale Concours om Nederland te vertegenwoordigen. Dat is helaas niet doorgegaan.

In 1953 hebben we hier een accordeonvereniging opgericht, de Berkelse Accordeon Vereniging (B.A.V.). Daarvan ben ik een aantal jaren later dirigent geworden. Er zijn toen ook andere instrumenten aan toegevoegd.
Na veel jaren van verschillende bezettingen is er nu het Berkels Blokfluit Ensemble. Het was omstreeks 1975 toen ik tegen m’n vrouw zei dat ik het eens in de muziek wilde gaan proberen. Daar had ik daar namelijk veel zin in en als ik iets wilde moest ik het, gezien mijn leeftijd (50), dán doen. De tuinderij liep wel, maar het was geen vetpot.
Ik had alles volgebouwd met kassen en uitbreiden kon niet meer. Toen ben ik gestopt met de tuinderij. De kassen zijn afgebroken en het land is verkocht. Van regeringszijde kwam er toen een saneringsregeling voor oude glastuinbouw-bedrijven. De regeling stelde niet zo veel voor, maar we hebben het wel gedaan. De subsidie noemden we de oprotpremie.

Daarna ben ik ben overgeschakeld op de muziek en zat vrij gauw vol met leerlingen. In die tijd heb ik bij de Nederlandse Organisatie van Muziekleraren mijn diploma voor muziekleraar gehaald. Voor het accordeon en het orgel had ik veel leerlingen: ze kenden mij allemaal en dat scheelt wel. Ik ben toen van lieverlee andere instrumenten erbij gaan doen, juist om meer leerlingen te krijgen. Ik bespeel en geef les in zes verschillende muziekinstrumenten: accordeon, orgel, piano, keyboard, blokfluit en dwarsfluit.
Alle lessen werden bij mij thuis gegeven, ook wel in groepsverband. In die tijd had ik zestig tot zeventig leerlingen.
Ik doe het nog steeds. Nu heb ik 20 leerlingen, dat is tien uur werken in de week. Met je routine kan je veel en de leerlingen komen gelukkig graag. Ik heb zelf ook vrij veel muziek geschreven en ook gecomponeerd.
Ik sta dan ook nog steeds ingeschreven als componist. Ook heb ik examens afgenomen.

Dat was het verhaal van je muziek. Nu ben je 80 en je gaat maar door? Ja, ik ben nu weer een arrangement aan het schrijven voor de piano. Verder heb ik tien stukken voor dwarsfluit gecomponeerd en die worden ook wel op uitvoeringen voor leerlingen gespeeld. Het is leuk werk en het houdt je lekker bezig. Dan heb ik op mijn manier ook nog dwarsfluitles bij iemand. Daar heb je goede spelers om mee samen te spelen.
In juni organiseer ik met acht leerlingen een avondje bij iemand thuis, dat is niet echt officieel maar wel erg gezellig. Het geeft je leven een aangename invulling? Het is een kwestie van mentaliteit en van liefde voor de muziek en het lesgeven. Dat laatste vraagt ook veel geduld. Toch heb je veel tuinders die een muziekinstrument bespelen.
Zo was mijn vader vroeger voorzitter van het fanfare korps hier in Berkel en Rodenrijs. Mijn opa van moeders kant was kerkorganist, dirigent en onderwijzer.

Johan Koot, 2006

Lijst met subpagina's